Ontwerp-bestemmingsplan met bijlagen
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
Toelichting
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Inleiding............................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding ..................................................................................................................................... 3 1.2 Ligging plangebied ........................................................................................................................ 3 1.3 Geldende plannen ......................................................................................................................... 4 1.4 Leeswijzer ..................................................................................................................................... 5 Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie .................................................................................................................... 6 2.1 Bestaande situatie ......................................................................................................................... 6 2.2 Toekomstige situatie ..................................................................................................................... 7 Hoofdstuk 3 Beleidskader ....................................................................................................................
9 3.1 Nationaal beleid .......................................................................................................................... 10 3.2 Provinciaal beleid ........................................................................................................................ 11 3.3 Gemeentelijk beleid..................................................................................................................... 13 3.4 Conclusie .................................................................................................................................... 16 Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten ..................................................................................................... 17 4.1 Verkeer & parkeren ..................................................................................................................... 17 4.2 Bodem ......................................................................................................................................... 18 4.3 Geluid .......................................................................................................................................... 18 4.4 Bedrijven en milieuzonering ........................................................................................................
20 4.5 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................... 22 4.6 Geur ............................................................................................................................................ 23 4.7 Externe veiligheid ........................................................................................................................ 24 4.8 Waterhuishouding ....................................................................................................................... 27 4.9 Ecologie ...................................................................................................................................... 29 4.10 Archeologie & cultuurhistorie ...................................................................................................... 31 4.11 Leidingen ..................................................................................................................................... 33 Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving......................................................................................... 34 5.1 Algemeen ....................................................................................................................................
34 5.2 Inleidende regels ......................................................................................................................... 34 5.3 Bestemmingsregels ..................................................................................................................... 34 5.4 Algemene regels ......................................................................................................................... 36 5.5 Overgangs- en slotregels ............................................................................................................ 36 Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid ............................................................................................................. 37 6.1 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 37 6.2 Overleg ........................................................................................................................................ 37 6.3 Inspraak ...................................................................................................................................... 37 6.4 Zienswijzen ................................................................................................................................. 37
2
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is de wens om op het perceel Nieuwe Dijk ongenummerd te Kesteren de nieuwvestiging van een boomkwekerij mogelijk te maken. Op het perceel wordt een nieuw agrarisch bouwperceel gerealiseerd met daarin ruimte voor een bedrijfswoning en een bedrijfsgebouw van circa 1.600 m2. De gemeente Neder-Betuwe heeft op 9 november 2020 per brief laten weten bereid te zijn om medewerking te verlenen aan het nieuwe agrarische bouwperceel, mits voldaan wordt aan een aantal randvoorwaarden. Omdat de beoogde ontwikkeling op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Kesteren’ niet is toegestaan, wordt het voorliggende bestemmingsplan in procedure gebracht.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Nieuwe Dijk in het buitengebied van de kern Kesteren in de gemeente Neder-Betuwe. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Kesteren, sectie C, nummer 526 en heeft een totale oppervlakte van 47.240 m2. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de Nieuwe Dijk. De gronden rondom het plangebied zijn in gebruik ten behoeve van grondgebonden agrarische productie.
Afbeelding 1.1: globale ligging en begrenzing plangebied (plangebied rood omlijnd)
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
3
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
1.3
Geldende plannen
Voor de in het bestemmingsplan begrepen gronden vigeert thans het bestemmingsplan 'Buitengebied Kesteren', dat op 8 april 2014 door de gemeenteraad van Neder-Betuwe is vastgesteld. Op basis van dit plan kent het plangebied de enkelbestemming ‘Agrarisch’ zonder bijbehorend bouwvlak. Verder kent het plangebied de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – spoor’ en gedeeltelijk ‘vrijwaringszone – weg’ en gedeeltelijk de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5’, ‘Leiding – Gas’, ‘Waarde – Ecologie en ‘Waterstaat – Beheerzone watergang’. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere grondgebonden agrarische productie en bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag. Op de binnen deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend gebouwd worden voor zover ter plaatse een bouwvlak aanwezig is. Ter plaatse van de aanduiding ‘geluidzone – spoor’ mogen geen woningen worden gebouwd. Het bevoegd gezag kan hier door middel van een omgevingsvergunning van afwijken indien voldaan kan worden aan de vereisten ten aanzien van “zones langs spoorwegen” in de Wet geluidhinder. Ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone – weg’ mogen in beginsel geen bouwwerken worden gebouwd. De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het transport van aardgas.
Op de binnen deze bestemming bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming worden gebouwd. De voor 'Waarde - Archeologie 4' en ‘Waarde – Archeologie 5’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. De voor 'Waarde - Ecologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, bestemd voor ecologische linten en de voor ‘Waterstaat – Beheerszone watergang’ aangewezen gronden, zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming, beheer en verbetering van watergangen en voorzieningen voor de waterhuishouding.
Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied Kesteren’ (plangebied rood omlijnd)
4
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
Voor de zuidelijke punt van het plangebied vigeert tevens het bestemmingsplan ‘Parapluregeling Archeologie’, dat op 27 september 2018 door de gemeenteraad van Neder-Betuwe is vastgesteld. Met dit paraplubestemmingsplan wordt het geactualiseerde gemeentelijke archeologiebeleid in de geldende bestemmingsplannen ingepast. Op basis van het parapluplan kent het plangebied gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem.
Afbeelding 1.3: Uitsnede verbeelding ‘Parapluregeling Archeologie’ (plangebied rood omlijnd) Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan Het plangebied heeft een agrarische bestemming. Het bestemmingsvlak kent geen bouwvlak. De gronden mogen derhalve alleen gebruikt worden ten behoeve van grondgebonden agrarische productie. Omdat het agrarische perceel geen bouwvlak heeft en dus geen bouwmogelijkheden kent, is het oprichten van een bedrijfswoning en bedrijfsgebouw niet toegestaan. Om toch agrarische bedrijfsbebouwing te kunnen realiseren, dient een bouwvlak opgenomen te worden. Daarnaast wordt een (bedrijfs)woning beoogd binnen de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – spoor’. Derhalve dient voor het realiseren van een bedrijfswoning aangetoond te worden dan voldaan kan worden aan de vereiste ten aanzien van “zones langs spoorwegen” in de Wet geluidhinder.
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord.
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
5
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
Hoofdstuk 2 2.1
Gebiedsvisie
Bestaande situatie
Oude Broekdijk 2a Op de locatie Oude Broekdijk 2a te Kesteren is sinds 1985 een boomkwekerij gevestigd. De boomkwekerij beschikt op de locatie Broekdijk 2a te Kesteren over een kwekerij in (laan)bomen en planten in pot op een perceel van 1,06 hectare. Hiervan is 0,39 hectare pottenveld, 1.500 m2 kas, 0,1 hectare (tijdelijk) werkterrein aan de overzijde en 0,5 hectare (laan)boomkwekerij. Initiatiefnemer beschikt daarnaast voor zijn handelskwekerij op verschillende locaties zowel grond als kas. Dit betreffen een kas van 3.000 m2 te Ingen, een pottenveld van 0,6 hectare te Ochten en een pottenveld van 0,25 hectare te Opheusden. Verder wordt er gepacht een perceel van 0,5 hectare volle grond te Achterberg voor de kweek van laanbomen. Op de locatie Oude Broekdijk 2a komen alle stromen tezamen. Dit betreft ook de inkoop van stek voor het zelf oppotten en opkweken alsmede ook ingekochte handelspartijen plantgoed en bomen. Door de hoeveelheid aan stromen schiet de ruimte vaak te kort en gebeurt veel buiten. Nieuwe Dijk ongenummerd (plangebied) Het plangebied ligt aan de noordzijde van de Nieuwe Dijk. Op de locatie is geen (agrarisch) bedrijfsbebouwing aanwezig. De gronden worden momenteel gebruikt voor grondgebonden agrarische productie (boomteelt).
Afbeelding 2.1: Luchtfoto omgeving plangebied
6
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
Afbeelding 2.2: Bestaande situatie (plangebied rood omlijnd)
2.2
Toekomstige situatie
2.2.1
Programma
Het plan ziet toe op de nieuwvestiging van een boomkwekerij op de locatie Nieuwe Dijk ongenummerd te Kesteren. Initiatiefnemer wenst op de locatie een bouwperceel c.q. bouwvlak op te richten, waarin ruimte komt voor een bedrijfswoning en een bedrijfsgebouw van circa 1.600 m2. Het beoogde bouwvlak krijgt een oppervlakte van 1 hectare. Het bedrijfsgebouw is nodig voor kantoorruimte, kantine/toilet, opslag van bepaald assortiment bomen en struiken, ruimte voor potmachines, verladen, verzendklaar maken van bomen en orders, stalling bestelauto, opslag materialen en ruimte voor kasten. Door de realisatie van een bedrijfswoning op locatie vinden er minder transportbewegingen plaats omdat de verkoop plaatsvindt op dezelfde locatie. Het bedrijfsgebouw krijgt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 7 en 12 meter. De bijbehorende bedrijfswoning krijgt een maximale inhoud van 750 m 3 en een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 9 meter.
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
7
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
Afbeelding 2.3: Toekomstige situatie (Gewenste bouwvlak met stippellijn omlijnd)
8
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
2.2.2
Landschappelijke inpassing
Om aan te sluiten bij de omliggende gronden, wordt het plangebied landschappelijk ingepast (zie ook bijlage bij de toelichting). Het plangebied is gelegen in het landschapstype ‘Kommenlandschap’. Kenmerkend voor dit landschapstype zijn de heggen en hagen die kunnen voorkomen in de voortuin, moestuin of boomgaard en de boerenboomgaardjes met fruitbomen. Tevens staan op het erf vaak een solitaire boom zoals een walnoot of gewone es. In het plangebied wordt bij het landschapstype aangesloten middels nieuwe beplanting. Het beplantingsplan luidt als volgt: 1. 2.
Lat. Naam Crataegus monohgyna Pyrus communis Prunus avium Prunus domestica Malus domestica
Ned. Naam Meidoornhaag
Hoeveelheid 6 st/m1
Plantmaat 60-80
Perenboom Kersenboom pruimenboom Appelboom
2 st 2 st 2 st 3 st
12 – 14 12 – 14 12 – 14 12 – 14
Afbeelding 2.4: Landschappelijke inpassing De landschappelijke inpassing juridisch-planologisch gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting in de planregels.
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
9
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is geheel opgenomen in deze nieuwe visie. De Nationale Omgevingsvisie biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt.
Door het nationale karakter van de NOVI en de kleine schaal van onderhavig plan, heeft het voornemen nauwelijks raakvlak met dit nationale kader. Met onderhavig planvoornemen zijn geen nationale belangen in het geding. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Voor de gemeente Neder-Betuwe is specifiek de beleidslijn Grote Rivieren van belang. Door middel van Ruimte voor de Rivier, en speciaal het project rond kribverlaging in de Midden-Waal, wordt gewerkt aan het toekomstbestendig maken van de rivierbeddingen en uiterwaarden. Deze maatregelen hebben echter geen invloed op het plangebied, waardoor er vanuit het Barro geen bezwaren zijn ten aanzien van voorliggend bestemmingsplan. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' als procesvereiste vastgelegd. In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder wordt in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.'
10
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Volgens de nota van toelichting bij artikel 3.1.6, lid 2, aanhef en onder b, van het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen naar het oordeel van de Raad van State planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt in het Bro de daarop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” De ontwikkeling valt niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro.
Een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet noodzakelijk. Wel is een motivering nodig waaruit blijkt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening, waarbij aandacht wordt besteed aan de behoefte van het plan. De beoogde ontwikkeling vindt plaats vanuit een oogpunt van een goede bedrijfsvoering. Momenteel beschikt het boomteeltbedrijf op verschillende locaties over zowel grond als kas. Op de huidige locatie Oude Broekdijk 2a te Kesteren komen alle stromen tezamen. Door de hoeveelheid aan stromen schiet de ruimte vaak te kort en gebeurt veel buiten. Door het planvoornemen kunnen de diverse stromen geconcentreerd worden op één locatie, waardoor sprake is van een efficiëntere bedrijfsvoering en minder transportbewegingen. Derhalve kan gesteld worden dat er voldoende behoefte is aan het planvoornemen. 3.1.4
Conclusie
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Algemeen
De Omgevingswet bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultuur erfgoed en water. En regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Vooruitlopend hierop heeft de provincie alvast een provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening gemaakt. Volgens de laatste informatie treedt de nieuwe Omgevingswet in 2022 in werking. Op 19 december 2018 stelde het college van Gedeputeerde Staten de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening vast. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels. De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten. 3.2.2
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Op 19 december 2018 is de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Deze Omgevingsvisie gaat over ‘Gaaf Gelderland’. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. ‘Gaaf’ betekent ‘mooi’ en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien – heel mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard! Maar ‘gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard! Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
11
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
In de Omgevingsvisie is er door de provincie voor gekozen om in te zetten op een gezond en veilig en een schoon en welvarend Gelderland. Concreet betekent dit het volgende: • Gezond en veilig: - Een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van flora en fauna. - Voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. - Aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. • Schoon en welvarend: - Een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. - Het tegengaan van schadelijk uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. - Het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland bevat de hoofdlijnen van het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland beschrijft de strategische hoofdopgave voor de lange termijn. Deze zijn onderverdeeld in zeven thema’s, te weten: energietransitie, klimaatadaptie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. In de Omgevingsverordening wordt uitvoering gegeven aan de Gelderse Omgevingsvisie en het realiseren van het wensbeeld van de provincie.
Gelderse ladder voor duurzame verstedelijking De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij grotere initiatieven nagaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling die afgewogen moet worden. Als de nieuwe situatie qua omvang (aantallen woningen of oppervlaktes) of qua effecten (milieuhinder, verkeersaantrekkende werking e.d.) dusdanig is dat de aard van het betreffende buitengebied qua karakter verandert, is er sprake van een grootschalige ontwikkeling. In die gevallen is een afweging op grond van de Gelderse Ladder voor duurzaam ruimtegebruik aan de orde en dient de behoefte voor de ontwikkeling aangetoond te worden. In onderhavige planvoornemen is geen sprake van een grootschalige ontwikkeling. 3.2.3
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening is het plangebied opgenomen in de volgende kaarten: Kaart 2: Regels landbouw
➔ Plussenbeleid
Kaart 3: Regels glastuinbouw
➔ Overig gebied glastuinbouw ➔ Tijdelijk verbodsgebied uitbreiding bestaande glastuinbouw ➔ Tijdelijk verbodsgebied nieuwvestiging glastuinbouw ➔ Tijdelijk verbodsgebied hervestiging glastuinbouw
12
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
Plussenbeleid Het plussenbeleid is van toepassing op niet-grondgebonden veehouderijbedrijven en –takken. Met het plussenbeleid wordt het ontstaan van een niet-grondgebonden bedrijf onderdeel van een bestaand bedrijf een uitbreiding van een niet-grondgebonden bedrijf of onderdeel van een bedrijf groter dan 500 vierkante meter gebonden aan de kwalitatieve eisen van het Plussenbeleid. Onderhavig planvoornemen heeft geen betrekking op veehouderijen. Glastuinbouw De Omgevingsverordening bevat een drietal tijdelijke verboden op grond van artikel 4.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. In het plangebied geldt een verbod voor de uitbreiding, hervestiging en nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven. Onderhavig planvoornemen heeft geen betrekking op een glastuinbouwbedrijf. 3.2.4
Conclusie
Het bestemmingsplan is in lijn met de Omgevingsvisie en –verordening van de provincie Gelderland.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie Neder-Betuwe 2015
Op 31 mei 2018 is de Structuurvisie ‘Neder-Betuwe 2018’ door de gemeente vastgesteld. Doel van deze structuurvisie is het bieden van een actueel en integraal ruimtelijk kader, dat voor de langere termijn als toetsingskader op hoofdlijnen dient voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De structuurvisie is het strategisch document in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De structuurvisie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied waardoor voor een ieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen. Voor andere overheden kan de structuurvisie duidelijk maken hoe de gemeente het beleid van Rijk en provincie uitwerkt op gemeentelijk schaalniveau. Voor het gemeentebestuur is de structuurvisie een belangrijk kader voor de afweging van concrete ruimtelijke beslissingen en voor de inzet daartoe van bestuurlijke uitvoeringsinstrumenten, zoals het vaststellen van bestemmingsplannen, het beschikbaar stellen van financiële middelen en het sluiten van bestuursovereenkomsten. Tevens is de visie leidraad bij de beoordeling van nieuwe plannen en initiatieven. De gemeente streeft naar het zoveel mogelijk benutten van inbreidingslocaties en daarmee een efficiënt gebruik van de (open) ruimte in de kernen, mits het landelijk karakter (lees: de kwaliteit) van de kern niet verloren gaat.
De ontwikkeling en het behoud van compacte dorpskernen bespaart waar mogelijk uitbreiding aan de randen en ongewenste realisatie van bebouwing in het buitengebied. Naast de beoogde gemeentelijke ambities, is in de structuurvisie een toetsingskader voor particuliere initiatieven opgenomen. Initiatieven worden in eerste instantie getoetst aan de visie. Indien het initiatief past binnen de uitgangspunten van de visie, wordt onderzocht of het initiatief inpasbaar is in de directe omgeving. Hiermee dragen particuliere initiatieven in belangrijke mate bij aan de beoogde ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
13
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
Afbeelding 3.1: Structuurvisiekaart (plangebied zwart omlijnd) Het plangebied is gelegen in het gebied dat is omschreven als het middengebied. Het middengebied bestaat grotendeels uit (voormalige) komgebieden. De identiteit van dit diffuse landschap is zoek. De structuur in dit gebied is niet meer beleefbaar door de veelvuldige doorsnijding met infrastructuur (A15, Betuweroute en bijbehorende viaducten), de veelvuldig aanwezige hoogspanningsleidingen, en door het voor Neder-Betuwe belangrijke en karakteristieke grondgebruik, de laanboomteelt. De structuur is onoverzichtelijk en veelvormig. Het voorliggend initiatief betreft de realisatie van een nieuw agrarisch bouwperceel. Op deze nieuwe locatie kan de boomkwekerij een duurzame, toekomstbestendige bedrijfsvoering opbouwen en een bedrijfsgebouw en bedrijfswoning realiseren. Dit sluit aan bij de ambities voor de laanboomteelt zoals omschreven in de structuurvisie. Omdat de nieuwe locatie ligt in het middengebied is geen sprake van aantasting van (belangrijke) landschappelijke of cultuurhistorische waarden, mede gezien het huidige gebruik als teeltgrond voor laanbomen. Onderhavig planvoornemen sluit goed aan op de ambities uit de Structuurvisie Neder-Betuwe. De Structuurvisie staat uitvoering van het plan niet in de weg. 3.3.2
Intergemeentelijke strategische visie voor de laanboomteelt
In juli 2015 is door de gemeenten Neder-Betuwe, Overbetuwe en Buren een intergemeentelijke strategische visie voor de laanboomteelt in de Betuwe opgesteld. Het integrale karakter van de visie wordt primair gezocht in een samenhangende benadering van de aspecten laanboomteelt, infrastructuur, landschap, natuur, recreatie, cultuurhistorie, wonen en werken. De visie dient als input voor de structuurvisie van de deelnemende gemeenten en voor activiteiten gericht op de versterking van de laanboomteelt. De visie doet een uitspraak over waar de sector op ruimtelijke aspecten gefaciliteerd dient te worden en op welke wijze. Daarnaast gaat de visie in op hoe de sector een bijdrage kan leveren aan landschappelijke, ruimtelijke en milieukwaliteiten. De laanboomteeltsector is een belangrijk fundament voor de economie van het gebied en heeft een intensieve samenwerking op regionaal en landelijk niveau. Het Laanboomcentrum Betuwe is een groen, gezond en gerespecteerd cluster. Hierbij heeft het Laanboomcentrum Betuwe een sterke internationale marktpositie en een ketenregiefunctie in de laanboomteelt gekregen. Het gebied herbergt diverse gecertificeerde laanboomteeltbedrijven van de toekomst aangevuld met ondersteunende bedrijven, waardoor een optimalisatie van de hele keten van bedrijven plaatsvindt.
Tevens heeft het Laanboomcentrum Betuwe een toonaangevende positie in kennis, innovatie en hoogwaardige arbeid.
14
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
De gemeente wil dat de sector zich verder kan ontplooien en geeft boomkwekerijen de ruimte te groeien en zich verder te ontwikkelen met ruimte voor innovatie. Dit betekent dat het gehele buitengebied, met uitzondering van de uiterwaarden en het weidevogel- en ganzengebied, kan worden ingezet om groei van deze sector mogelijk te maken en heeft het de prioriteit ten opzichte van andere functies, zoals recreatie en toerisme en wonen. Als vanzelfsprekend zal rekening moeten worden gehouden met landschappelijke inpassing van de laanboomteeltbedrijven en de groene dooradering met boomteeltproducten. Indien dit vanuit de kwaliteiten van het landschap nodig en mogelijk is, zullen randvoorwaarden worden gesteld aan de inpassing van nieuwe agrarische bouwpercelen, niet grondgebonden teelten (containerteelt) en teeltondersteunende voorzieningen. De randvoorwaarden zijn afhankelijk van de aard en de locatie van de voorzieningen.
Afbeelding 3.2: Uitsnede plankaart strategische visie Neder-Betuwe (plangebied rood aangekruist) Het plangebied is gelegen binnen het bestaande boomteeltgebied. Tevens is een gedeelte van de gronden al in gebruik voor de boomteelt. Het toevoegen van een agrarisch bouwperceel past derhalve binnen het beleid van de intergemeentelijke strategische visie laanboomcentrum Betuwe. 3.3.3
Beleidsnotitie Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen
In de beleidsnotitie ‘Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen’ (2008) is de wijzigingsbevoegdheid voor nieuwe agrarische bouwpercelen op plaatsen waar nog geen bebouwing aanwezig is, geschrapt uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Hierdoor is de aanwijzing van een nieuw bouwperceel alleen nog mogelijk met een planherziening. In deze beleidsnotitie worden de criteria geconcretiseerd voor de aanwijzing van een nieuw agrarisch bouwperceel op een locatie waar verder geen bouwvlak aanwezig is. Deze criteria gelden zowel voor een bouwperceel voor een nieuw agrarisch bedrijf, als voor een te verplaatsen bestaand agrarisch bedrijf. De aanwijzing van een agrarisch bouwperceel is alleen mogelijk voor een in hoofdzaak grondgebonden bedrijf, met uitzondering van containerteelt. Er zullen geen bouwpercelen in het komgebied worden aangewezen. Belangrijke voorwaarden zijn dat het moet gaan om een volwaardig agrarisch bedrijf dat reeds drie jaar bestaat en dat aantoonbaar geen geschikte hergebruikslocaties aanwezig zijn. Onderstaand wordt voor alle criteria afzonderlijk gemotiveerd in hoeverre het initiatief aan de Nieuwe Dijk ongenummerd voldoet aan de criteria voor nieuwe agrarische bouwpercelen. Criterium a. Beschikbaarheid hergebruikslocatie Er is aantoonbaar geen geschikte hergebruikslocatie voorhanden binnen het zoekgebied.
Het zoekgebied wordt gedefinieerd als de zone binnen 1 kilometer van alle in eigendom zijnde percelen van minimaal 1,5 ha. De aanvrager dient hierbij minimaal 1 jaar actief te hebben gezocht naar een hergebruikslocatie. Dit kan door inschrijvingen of concrete zoekopdrachten bij minstens twee makelaars. Na dit jaar dient door de aanvrager in elke geval te worden overlegd welke hergebruikslocaties zijn vrijgekomen en om welke reden deze niet geschikt zijn bevonden. Bij het onderbouwen van de geschiktheid door aanvrager geldt verder het volgende. Een (burger)woning zonder gronden en/of met ongeschikte bebouwing met een aankoopprijs boven de € 470.000,- wordt op voorhand als ongeschikt beschouwd. Indien er wel grond of geschikte bebouwing aanwezig zijn, kunnen echter ook duurdere locaties geschikt zijn. bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
15
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
Initiatiefnemer heeft de afgelopen tijd gezocht naar geschikte loodsen en erven voor het oppotten en kweken van plantgoed en bomen. Derhalve is er geen geschikte locatie gevonden. De ondernemersactiviteiten van de initiatiefnemer worden van dien omvang dat er in de huidige situatie dringend een locatie benodigd is waar de onderneming zich verder kan ontplooien. Criterium b. Volwaardig bedrijf Het dient een volwaardig bedrijf te betreffen dat ook reeds minimaal drie jaar als volwaardig bedrijf operationeel is, hetgeen middels accountantsverklaringen hard kan worden gemaakt. De advisering over de volwaardigheid wordt in handen gesteld van een andere onafhankelijke agrarische instantie. Door een ter plaatse uitgevoerd onderzoek door de Stichting Advisering Agrarische bouwplannen (hierna: SAAB) stelt zij dat er sprake is van een ruim volwaardig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een kwekerij. Dit advies is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Criterium c. Geen vestiging in agrarisch komgebied Situering in een agrarisch komgebied is niet toegestaan. Er wordt gestreefd naar een locatie in de bestemming "agrarisch gebied", dat wil zeggen de gebieden zonder specifieke landschappelijke en/of natuurlijke waarden.
In het agrarisch oeverwalgebied zijn er evenwel mogelijkheden indien dit niet leidt tot aantasting van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurlijke waarden. Volgens het vigerende bestemmingsplan zijn er geen specifieke bijzondere waarden toegekend aan de gronden van het perceel aan de Nieuwe Dijk ongenummerd. Tevens is het provinciale beleid de ‘Geconsolideerde Omgevingsverordening (dec 2018)’ geraadpleegd. Conform het provinciale beleid is het plangebied niet gelegen in een gebied met specifieke landschappelijke en/of natuurlijke waarden. Criterium d. Overwegend grondgebonden bedrijf Het dient een overwegend grondgebonden bedrijf te betreffen (geen intensieve veehouderijen). Een uitzondering hierop wordt gevormd door containerteelt, welke formeel gezien niet grondgebonden is, maar wel als een onlosmakelijk onderdeel van de boomteeltsector wordt beschouwd. Een agrarisch bouwperceel wordt alleen toegekend indien het bedrijf zich overwegend richt op teelt/productie. Een overwegend handelsbedrijf (zowel in dieren als in planten) wordt niet beschouwd als een agrarisch bedrijf. Ondergeschikte handelsactiviteiten passen uiteraard wel binnen een agrarische bestemming. Het bedrijf waarvoor een agrarisch bouwvlak is gewenst, betreft een boomteeltbedrijf.
Het bedrijf is een onlosmakelijk onderdeel van de boomteeltsector en richt zich overwegend op planten/bomen in potten en teeltvoorzieningen zoals foliekappen. Het betreffende bedrijf voldoet daarmee aan de gestelde voorwaarden. Criterium e. Bouwperceel van maximaal 1 ha De oppervlakte van het nieuwe bouwperceel wordt afgestemd op de benodigde bebouwing (concreet bouwplan) met een max. oppervlakte van 1 ha. Het gewenste bouwperceel op de locatie Nieuwe Dijk ongenummerd beslaat een oppervlakte van 1 ha. Daarmee wordt het gestelde criterium niet overschreden. Criterium f. Bedrijfswoning Indien een bedrijfswoning, met name voor gezinsbedrijven (niet voor het personeel), aantoonbaar noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering (op advies van een onafhankelijk agrarische adviesinstantie) kan deze worden meegenomen in de bestemmingsplanherziening. Uit het oogpunt van toezicht is initiatiefnemer genoodzaakt om op het perceel te gaan wonen, derhalve is initiatiefnemer voornemens om een bedrijfswoning op de locatie te realiseren. Op basis van het bovenstaande kan gesteld worden dat het planvoornemen voldoet aan de criteria zoals deze in de beleidsnotitie ‘Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen’ zijn verwoord. 3.3.4
Conclusie
Het bestemmingsplan is passend binnen het gemeentelijke beleid.
3.4
Conclusie
Het bestemmingsplan is passend binnen de beleidskaders van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Neder-Betuwe.
16
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
4.1
Verkeer & parkeren
4.1.1
Verkeer
4.1.1.1 Regelgeving De gemeenteraad stelde op 8 maart 2018 het Neder-Betuws Verkeer- en Vervoerplan (NBVVP) vast. Dit geeft de visie tot 2025 weer hoe de gemeente Neder-Betuwe nu en in de toekomst om gaat met vraagstukken op het gebied van verkeer en vervoer dan wel de mobiliteit. Het plan bestaat uit twee onderdelen: • Beleidsrapportage met daarin de visie van de gemeente tot 2025. Belangrijk onderdeel hierin is ook het Uitvoeringsprogramma, waarin staat welke projecten de gemeente de komende jaren wil uitvoeren en voor welke projecten geld beschikbaar is. • Achtergrondrapportage met daarin achtergrondinformatie bij de beleidsrapportage. In de achtergrondrapportage zijn de resultaten van de inventarisatie en (knelpunt)analyse opgenomen. 4.1.1.2 Doorwerking bestemmingsplan Het plangebied wordt ontsloten via de Nieuwe Dijk. Het plangebied is reeds in gebruik ten behoeve van boomteelt. Door het opnemen van een bouwvlak op dit perceel, waarbij een bedrijfswoning en een bedrijfsgebouw worden toegestaan, zal het aantal verkeersbewegingen licht stijgen; naar schatting maximaal 50 verkeersbewegingen per dag als gevolg van de nieuwe woning en het bedrijfsgebouw. Deze verkeersbeweging is gebaseerd op de bestaande bedrijfsvoering in combinatie met de gegeven van het CROW voor één vrijstaande woning (max. 8,6 motorvoertuigen per etmaal).
Doordat tevens de kweek van planten op hetzelfde perceel plaats vindt, behoeven er minimale transportbewegingen uitgevoerd te worden ten opzichte van de bestaande situatie, waarin de bedrijfsvoering van de kwekerij op verschillende percelen binnen de gemeente plaatsvinden. Verwacht wordt dat de Nieuwe Dijk de beoogde transportbewegingen prima kan verwerken. 4.1.2
Parkeren
4.1.2.1 Regelgeving De Parapluregeling Parkeren uit 2018 en de daaraan verbonden Nota Parkeernormen Neder-Betuwe (2017) zijn van toepassing op nieuwe ontwikkelingen in de gemeente Neder-Betuwe. Hierin worden onder andere parkeernormen gesteld op basis van de toe te voegen functies. 4.1.2.2 Doorwerking bestemmingsplan Vanuit parkeren zal het planvoornemen voldoen aan het gemeentelijke parkeerbeleid (Parapluregeling Parkeren). In dit beleid wordt een parkeernorm gehanteerd van 2,8 parkeerplaatsen per woning en 1,3 parkeerplaats per 100 m2 bvo (categorie arbeidsextensief/bezoekersextensief). Het toekomstige bedrijfsgebouw krijgt een oppervlakte van 1.600 m2. Voor het boomteeltbedrijf is derhalve behoefte aan 20,8 parkeerplaatsen (1,3 pp x 1.600 m2 / 100 m2). Samen met de woning geldt voor dit plan een parkeerbehoefte van 23,6 parkeerplaatsen (20,8 pp + 2,8 pp). Gelet op de toekomstige bedrijfsactiviteit (het gebruik van het bedrijfsgebouw als kantoorruimte en opslag) zal de behoefte in de praktijk ruim onder de 23,6 liggen. Op het eigen terrein is desalniettemin voldoende ruimte voor het aantal benodigde parkeerplaatsen. 4.1.3
Conclusie
De aspecten ‘verkeer & parkeren’ vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
17
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
4.2
Bodem
4.2.1
Regelgeving
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). 4.2.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. • • •
4.2.3
De licht verhoogde concentraties (nikkel) in grond en (barium, molybdeen en minerale olie) in het grondwater geven vanuit de Wet bodembescherming geen noodzaak voor het uitvoeren van nader onderzoek en/of het treffen van sanerende maatregelen; De aangetoonde concentraties in de bodem vormen in milieuhygiënische zin geen belemmering voor de aankoop van het perceel en in de toekomst de bouw van een bedrijfsgebouw met woning; Indien het niet mogelijk is om bij de ontwikkeling van de locatie met een gesloten grondbalans te werken, dient grond van de locatie afgevoerd te worden. Alvorens dit materiaal toegepast kan worden, dient een partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit uitgevoerd te worden. Mogelijk kan dan in overleg met de gemeente een toepassing worden gezocht in het kader van actief bodembeheer (bodembeheerplan en bodemkwaliteitskaart). Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.3
Geluid
4.3.1
Regelgeving
Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.
18
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde "dove" gevel heeft.
Een "dove gevel" is een bouwkundige constructie: • Waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering; • Waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woonen leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel dient voor nieuwbouw zodanig te zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB. 4.3.2
Wegverkeerslawaai
In de Wgh en het Besluit geluidhinder (Bgh) is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt. Bij vaststelling van een bestemmingsplan dient voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek te worden verricht (art.76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.
Aantal rijstroken
Zonebreedte Stedelijk gebied
Buitenstedelijk gebied
5 of meer
350 meter
600 meter
3 of 4
350 meter
400 meter
1 of 2
200 meter
250 meter
Tabel 4.1: overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg) De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. 4.3.3
Railverkeerslawaai
In de Wgh en het Bgh is de zonering van spoorwegen (en ook van tram en metro) en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. In de Regeling Zonekaart spoorwegen is per spoortraject de zonebreedte vastgesteld. Deze zonebreedte varieert van 100 tot maximaal 1300 meter. Binnen deze zone is de Wgh van toepassing. bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
19
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
4.3.4
Doorvertaling bestemmingsplan
Aan het plangebied wordt een geluidgevoelig object toegevoegd, namelijk de bedrijfswoning. Omdat de bedrijfswoning is gelegen binnen de geluidszone van de spoorlijn Betuweroute en de geluidszone van de A15 zijn de geluidsbelastingen ten gevolge van railverkeer en wegverkeer op de woning inzichtelijk gemaakt en getoetst volgens het systeem uit de Wet geluidhinderhinder. Het onderzoek als bijlage bij de toelichting is opgenomen. Uit de berekeningen blijkt dat de maximaal toelaatbare grenswaarde zowel voor spoorweglawaai als wegverkeerslawaai op de zuidgevel wordt overschreden. Deze geven dient doof te worden uitgevoerd. Uit de rekenresultaten en toetsing blijkt het volgende: • Op de zuidgevel van de woning wordt de maximaal toelaatbare grenswaarde overschreden. Deze gevel wordt doof uitgevoerd. • De geluidbelasting vanwege het railverkeer over de Betuweroute bedraagt maximaal 65 dB Lden. Dit betekent dat de voorkeursgrenswaarde van 55 dB met 13 dB wordt overschreden. Er dient een hogere waarde spoorweglawaai te worden aangevraagd. • De geluidbelasting vanwege het wegverkeer over da A15 bedraagt maximaal 53 dB L den. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt met 5 dB overschreden. Er dient een hogere waarde wegverkeerslawaai te worden aangevraagd. • De cumulatieve geluidbelasting bedraagt maximaal 65 dB op de zuidgevel en 64 dB over de overige gevels.
Uit bovenstaande blijkt dat voor de woning een hogere grenswaarde spoorweglawaai en wegverkeerslawaai moet worden aangevraagd. Voor deze woning moet worden voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 ten aanzien van de karakteristieke geluidwering van de gevels. De grenswaarde van het geluidniveau in de geluidgevoelige ruimten van de nieuw te realiseren woningen mag daarbij maximaal 33 dB bedragen. 4.3.5 Conclusie Voor de woning wordt een hogere grenswaarde spoorweglawaai en wegverkeerslawaai aangevraagd. Op de zuidgevel van de woning wordt de maximaal toelaatbare grenswaarde overschreden. Deze gevel zal derhalve doof worden uitgevoerd.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
4.4.1
Regelgeving
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Maar ook andersom dient aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.
Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. 20
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Naast de omgevingstypen 'rustige woonomgeving' en 'gemengd gebied' kent de VNG-publicatie ook het type 'gebied met functiemenging'. Het begrip 'gebied met functiemenging' heeft geen betrekking op de typering van een gebied maar op de toelaatbaarheid van hinderveroorzakende functies, zoals stadscentra, dorpskernen, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en (delen van) woongebieden met kleinschalige dan wel ambachtelijke bedrijvigheid. Milieucategorie
Richtafstand omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied
Richtafstand omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Tabel 4.2: richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een rustige woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. Hiertoe wordt ten aanzien van het geluidsaspect gebruik gemaakt van de beoordelingssystematiek uit de VNG-publicatie. Tijdens het inwerking zijn van inrichtingen zullen deze worden getoetst aan het Activiteitenbesluit. 4.4.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Op basis van de VNG-brochure is de omgeving van het plangebied aan te merken als een rustig woongebied. Een rustig woongebied is een woonomgeving die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Op het perceel Nieuwe Dijk ongenummerd wordt de nieuwvestiging van een boomkwekerijbedrijf mogelijk gemaakt. Volgens de richtafstanden opgenomen in de VNG brochure is een boomkwekerij aangemerkt zijnde een tuinbouwbedrijf welke is aangemerkt als zijnde een categorie 2 bedrijf, waarbij de grootste afstand (geluid) 30 meter bedraagt. Aan de richtafstand van 30 meter kan ruimschoots worden voldaan. De dichtstbijzijnd gelegen woonbestemming betreft Nieuwe Dijk 11 te Kesteren. De afstand tussen de beoogde bedrijfsbebouwing en de woonbestemming bedraagt 0,5 km. Belemmeringen zijn derhalve niet te verwachten. 4.4.3
Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Kesteren, Nieuwe Dijk ong." (ontwerp)
21
bestemmingsplan “Kesteren, Nieuwe Dijk ong.”
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Regelgeving
In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • •
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
• •
een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. 4.5.2
Onderzoek
Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Voor kleine ontwikkelingen is een specifieke rekentool ontwikkeld waarmee op een eenvoudige en snelle manier kan worden bepaald of er sprake is van een project dat 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Zoals blijkt uit paragraaf 4.1 leidt de voorgenomen ontwikkeling tot 50 extra motorvoertuigbewegingen op een gemiddelde weekdag. Uit de berekeningen met de NIBM-rekentool (zie afbeelding 4.1) blijkt dat de toename van het verkeer als gevolg van de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.