Bijlagen bij de toelichting Bijlage 8 Quickscan Flora en Fauna
Tekst van het document
BURO SRO T.a.v. dhr. E. Stevens Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem
Datum
2 juli 2019
Kenmerk
BE/2019/439/r
Uw kenmerk
Email d.d. 17 juni 2019
Auteur(s)
S. Schuuring
Collegiale toets
T.W.D. Schrader
Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Varakker ong. te Opheusden Aan de Varakker ong. te Opheusden is een braakliggend perceel en boomkwekerij gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens binnen het plangebied een woning en loods te realiseren, alsmede de bestaande boomkwekerij uit te breiden, de toegang te verbreden, een nieuwe duiker te plaatsen en een huidige watergang te verbreden. Het huidige bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkelingen en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO begeleidt de ruimtelijke ontwikkeling en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna.
Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Varakker ong. te Opheusden. De planlocatie bestaat uit een braakliggend perceel, watergang, boomkwekerij en een grasveld. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een agrarische omgeving met akkers, weilanden, boomkwekerijen, vrijstaande woningen en loodsen. De planlocatie ligt direct aan de rivier de Linge, ca. 15 m ten noorden van de spoorlijn Betuweroute en ca. 60 m ten noorden van de snelweg A15.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Varakker ong. te Opheusden (bron: maps.google.com).
Figuur 2
Beoogde ontwikkelingen aan de Varakker ong. te Opheusden (bron: Buro SRO).
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ingrepen betreffen de realisatie van een woning en loods, uitbreiding van de boomkwekerij, het verbreden van de toegang, het plaatsen van een nieuwe duiker en verbreden van de huidige watergang. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • verbreden watergang en plaatsen duiker: graafwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straaten hoveniers)werkzaamheden. Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 25 juni 2019. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 31 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd.
3
Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.
Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie komen voor zover bekend geen beschermde vaatplanten voor (NDFF, 2009-2019). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: akkerdistel, grote brandnetel, heermoes, kamille, klaproos, lisdodde, paardenbloem, riet, schapenzuring, scherpe boterbloem en smalle weegbree. Binnen het plangebied zijn, met uitzondering van de gekweekte bomen, geen bomen of struiken aanwezig. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten.
4
Zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, vos en woelrat (NDFF, 2009-2019). Voor de bunzing geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De bunzing komt in allerlei landschapstypen voor, maar lijkt een voorkeur te hebben voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. In bebouwde omgeving met voldoende groen kan de bunzing ook voorkomen, waar hij ’s winters in schuurtjes, kelders of hooizolders beschutting zoekt tegen de kou. Het voedsel bestaat vooral uit kleine zoogdieren zoals (woel-)muizen en ratten, maar ook bessen en ander fruit. Een mannetjes bunzing markeert zijn territorium met muskus en soms met uitwerpselen. (Zoogdiervereniging handleiding kleine marters, 2017). De aanwezige vegetatie binnen het plangebied is dusdanig laag dat deze niet genoeg beschutting geeft aan de bunzing. Het functioneel leefgebied van bunzingen bestaat uit de voortplantings- en rustplaatsen en belangrijke foerageergebieden.
Indien kleine marterachtigen gebruik zouden maken van het plangebied als voortplantings- of rustlocatie, zouden er degelijke sporen aangetroffen zijn. Als een soort vaak terugkomt naar een locatie, zoals het geval bij een voortplantings- of vaste rustplaats, zullen er sporen van de soort waargenomen kunnen worden. Zeker als de voortplantings- of rustplaats een ‘rommelhoekje’ betreft. Door het ontbreken van uitwerpselen, prooiresten, urinemarkering, etc. kan de aanwezigheid van een voortplantings- of vaste rustplaats uitgesloten worden. Mogelijk wordt de locatie sporadisch gebruikt als foerageergebied. Echter is er in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig. Er is derhalve geen sprake van essentieel leefgebied. Binnen de planlocatie zijn meerder muizenholen aanwezig. Muizenholen kunnen in geschikt biotoop door wezels worden gebruikt als verblijfplaats. Echter zijn wezels wegens predatie afhankelijk van dekking zoals houtwallen en struwelen. De vegetatie binnen het plangebied is kort en bied onvoldoende dekking. Houtwallen en struwelen zijn afwezig. De enkele houtstapel ligt in een onbegroeid deel van de akker, waardoor deze niet kan functioneren als schuilplaats van de wezel. In de directe omgeving van de planlocatie zijn vele waarnemingen bekend van buizerds en torenvalken (NDFF, 2009-2019). Deze roofvogels vormen een natuurlijke vijand van de wezel.
In de wijde omgeving zijn overigens geen waarnemingen van wezels bekend (NDFF, 2009-2019). Door het gebrek aan dekking en de aanwezige predatie is het uitgesloten dan de planlocatie onderdeel maakt van het functioneel leefgebied van de wezel. Tijdens het veldbezoek is een haas aangetroffen binnen het plangebied. Voor deze soort geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wet natuurbescherming; Wnb, art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten.
Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF, 2009-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd.
5
Door de afwezigheid van bebouwing is de aanwezigheid van vleermuizen die in bebouwing leven als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis uitgesloten. De jonge bomen op de boomkwekerij zijn te jong en dun om holtes te bevatten die kunnen functioneren als rust- en/of verblijfplaats van boombewonende vleermuizen. De aanwezigheid hiervan is derhalve uitgesloten. Hoewel het is uitgesloten dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied. Door de open structuur hiervan is de functie hiervan echter zeer beperkt. Tevens wordt deze niet aangetast door de beoogde ontwikkelingen. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik.
Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast. Amfibieën en reptielen Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Binnen het plangebied ligt een sloot met eendenkroos en diverse watervegetatie, die middels een duiker is aangesloten op de aangrenzende rivier de Linge. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieën: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF, 2009-2019). Voor de heikikker en poelkikker geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De heikikker is erg kritisch ten aanzien van zijn leefgebied. De drie habitattypen waar de soort gebruik van maakt (ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en natuurlijk grasland voor in de actieve periode en vochtvrije plaatsen voor overwintering) dienen op zeer korte afstand tezamen voor te komen.
Hierdoor wordt de heikikker vaak waargenomen in kleinschalige afwisselende landschappen welke worden gekenmerkt door schrale, ruige en vochtige omstandigheden. Watersystemen zijn ondiep, voedselarm en enigszins zuur, vaak betreffen dit vennen of moerasgebieden. Het landhabitat waar de heikikker gedurende de actieve periode aanwezig is dient ruig en te allen tijde vochtige te zijn. Veelal betreffen dit vochtige heidelandschappen of vochtig half-natuurlijke graslanden. Overwintering vindt veelal plaats in afgetrapte slootkanten of bosjes. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing (Creemers & Van Delft, 2009). In de sloot is eendenkroos aanwezig, wat erop duidt dat het water voedselrijk is. Dit maakt het ongeschikt voor de heikikker. De aanwezigheid van de soort is derhalve uitgesloten. De poelkikker leeft vooral in kleinschalige, stilstaande wateren met schoon, zwak zuur en voedselarm water. Het is een pionierssoort die nieuw ontstane poelen zonder vegetatie kan koloniseren, maar zich kan blijven handhaven als vegetatie zich sterker heeft ontwikkeld. Buiten de voortplantingstijd kan de poelkikker ook voorkomen in weilanden en bossen verder gelegen van het water.
’s Winters verblijven zij in zelf gegraven holen of muizenholen (BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017). Tijdens het veldbezoek zijn enkele groene kikkers aangetroffen, die niet nader konden worden gedetermineerd.
6
De te verbreden watergang binnen het plangebied is begroeid met lisdodde en eendenkroos. Hoewel dit niet het ideale leefgebied is van de poelkikker, is deze op basis van de begroeiing niet uit te sluiten. Tevens zijn er meerder muizenholen aangetroffen die als winterverblijfplaats kunnen fungeren. Op een afstand van 900 meter van het plangebied zijn poelkikkers waargenomen in sloten die middels duikers aansluiten op de rivier de Linge, waar de sloot binnen het plangebied ook op is aangesloten. De meest recente waarneming is afkomstig uit 2017 (NDFF). Op basis van het veldbezoek, biotoop en bekende verspreiding van de poelkikker kan de aanwezigheid van de soort binnen het plangebied niet worden uitgesloten. De beoogde werkzaamheden resulteren in een verbreding van de sloot, waarbij de diepte gelijk blijft. Mits de resulterende watergang goed wordt ingericht (d.w.z. niet uitdiepen, glooiende oevers, geen beschoeiing en voldoende water- en oevervegetatie) blijft het functioneel leefgebied van de poelkikker behouden. Om effecten op individuele poelkikkers ten gevolge van de werkzaamheden te voorkomen dient er in de winter gewerkt worden. Poelkikkers verblijven dan in overwinteringsstructuren op het land (figuur 3). Op deze manier wordt het doden en verstoren van individuen van poelkikker (Wnb art. 3.5 lid 1 en 2) voorkomen.
Vervolgens dient er volgens een ecologisch werkprotocol te worden gewerkt met ecologische begeleiding, om het doden en verstoren van eventueel achtergebleven poelkikkers te voorkomen.
Figuur 3
Door de verbreding van de sloot in de winter uit te voeren, worden effecten op de poelkikker uitgesloten.
In de ruime omgeving van de planlocatie is het voorkomen van de ringslang bekend. De dichtstbijzijnde waarneming is echter afkomstig uit 2012 op een afstand van 1,8 km (NDFF). Tevens is er binnen het plangebied geen beschutting aanwezig. De aanwezigheid van de ringslang is derhalve uitgesloten. Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming).
7
Vissen De grote modderkruiper komt voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren, zoals sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders. De habitats van de grote modderkruiper zijn gebieden met in het algemeen een rijke oever- en onderwatervegetatie (BIJ 12 kennisdocument Grote Modderkruiper, 2017). De te verbreden sloot is door de rijke watervegetatie en het langzaam stromend tot stilstaand water geschikt voor de grote modderkruiper (figuur 4). De aansluiting met de rivier de Linge geeft toegang tot geschikt overwinteringshabitat. Tevens is de soort aangetroffen in een slotenstelsel op minder dan 1 km afstand van het plangebied. De laatste waarneming hiervan is afkomstig uit 2017. Dit slotenstelsel is, net als de te verbreden sloot, aangesloten op de rivier de Linge, waardoor het plangebied toegankelijk is voor de soort. De aanwezigheid van de grote modderkruiper binnen de planlocatie kan derhalve niet worden uitgesloten. Doordat de watergang enkel wordt verbreed, is er geen sprake van aantasting van het functioneel leefgebied van de grote modderkruiper. Om negatieve effecten op individuele grote modderkruipers te voorkomen, dienen de werkzaamheden in de winter plaats te vinden wanneer de grote modderkruiper zich in zijn winterhabitat ophoud (in dit geval de aangrenzende rivier de Linge).
Op deze manier wordt het doden en verstoren van individuen van de grote modderkruiper (Wnb art. 3.10 lid 1a) voorkomen. Vervolgens dient er volgens een ecologisch werkprotocol te worden gewerkt met ecologische begeleiding, om het doden en verstoren van eventueel achtergebleven grote modderkruipers te voorkomen.
Figuur 4
De te verbreden sloot is rijk aan watervegetatie, waardoor deze geschikt is voor de grote modderkruiper.
Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van de platte schijfhoren. Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten.
8
Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: aalscholver, blauwe reiger, grauwe gans, holenduif, kievit, kleine karekiet, nijlgans en scholekster. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen rondom de planlocatie. De aanwezigheid van nestlocaties van in bomen broedende soorten als sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Hoewel er geen sporen (uitwerpselen, braakballen etc.) zijn aangetroffen van uilen en roofvogels, is het mogelijk dat de planlocatie sporadisch wordt gebruikt als foerageergebied. De functie hiervan wordt in de beoogde ontwikkelingen aangetast. Echter zijn er in de directe omgeving ruim voldoende vergelijkbare gebieden waar roofvogels en uilen kunnen foerageren. Er is derhalve geen sprake van aantasting van essentieel leefgebied. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig.
De huismus en gierzwaluw broeden vrijwel altijd bij menselijke bebouwing. De huismus bouwt zijn nesten onder dakpannen tegen het isolerende dakbeschot of in kieren in de muur. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene planten, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De gierzwaluw broedt in gevels en onder (pannen)daken. Wegens het ontbreken van bebouwing is de aanwezigheid van nestlocaties van beide soorten uitgesloten. Binnen het plangebied komen geen jaarrond groene hagen of struiken voor. Derhalve is er geen sprake van functioneel leefgebied van de huismus. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De rietoevers vormen voor algemene broedvogels zoals kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.
Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 1,2 km ligt het Natura 2000-gebied Rijntakken (figuur 5). De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,2 km ten zuiden van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 6).
9
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van 1,5 km tot het Natura 2000-gebied Rijntakken (bron: nationaal Georegister PDOK).
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,2 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: nationaal Georegister PDOK).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Vóór de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) werd beargumenteerd dat de afstand tot het Natura 2000-gebied dusdanig groot is, dat er t.a.v. de stikstofdepositie onder een drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar zou blijven. De Raad van State heeft echter beoordeeld dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo’n toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunning plichtig. In september 2019 is de nieuwe Aerius calculator gepubliceerd. Ook werken het Rijk en provincies samen aan een beoordelingskader en handreiking voor intern salderen.
10
De herbeoordeling d.m.v. de herziene Aerius calculator moet daarom plaatsvinden voor alle nog niet onherroepelijke plannen of projecten waarvan uit een Aerius-berekening is gebleken dat de toename van de depositie: • Onder de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar blijft. De in het PAS gehanteerde drempelwaarden zijn volgens de Afdeling niet goed onderbouwd en mogen daarom niet langer worden gebruikt (zolang de onderbouwing niet is verbeterd), óf: • Binnen het PAS gemeld moest worden. Dit was het geval voor alle projecten met een depositie groter dan 0,05 en kleiner dan of gelijk aan 1 mol/ha/jaar, zolang er althans nog voldoende depositieruimte beschikbaar was, óf: • Groter is dan 1 mol/ha/jaar (en dus binnen het PAS-vergunningplicht) maar waarvan de vergunning nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval wanneer tegen het besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld. Ondanks de uitspraak is het (beperkt) mogelijk om plannen/projecten op korte termijn door te laten gaan. Dit wordt onderschreven in de ‘Factsheet Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000gebieden’ (Ministerie van Binnenlandse Zaken, juli 2019).
Uit goede motivering of herberekening van de stikstofdepositie moet dan blijken: Dat er geen enkele toename van stikstofdepositie wordt verwacht, bijvoorbeeld vanwege de grote afstand tot Natura 2000-gebieden óf: • Dat door toename van depositie de kritische depositiewaarden niet worden overschreden; dit is met name het geval wanneer de Natura 2000-gebieden weinig gevoelig zijn of wanneer de stikstofuitstoot uit andere bronnen relatief klein is, óf: • Dat door (aanpassing van) plannen of projecten de emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak juist afnemen waardoor effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de Aerius calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling betreft de toevoeging van één extra woning en loods, wat leidt tot een zeer beperkte verkeerstoename. De nieuwbouw zal met hogere isolatiewaarden en hoogrenderende stookinstallaties een relatief lage stikstofuitstoot hebben. Gedurende de werkzaamheden kan er een beperkte en tijdelijke toename in stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen (het ‘projecteffect’).
Ten opzichte van de huidige situatie is er sprake van een zeer lichte toename in stikstofemissie. Om een significante toename van stikstofdepositie in het naburige Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ uit te sluiten dient separaat een Aerius-berekening te worden uitgevoerd. Houtopstanden Binnen het plangebied zijn, buiten het kweekgoed, geen bomen en struiken aanwezig. Een kapvergunning of -melding in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet aan de orde. Conclusies Samenvatting In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De planlocatie heeft mogelijk een essentiële betekenis voor de poelkikker en grote modderkruiper. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
11
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort -
-
-
+
-
+
n
n
n
+
-
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat andere soort
-
-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek/ Aerius
Natura 2000
1,2 km
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
1,2 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding / vergunning
Struiken
nee
n.v.t.
n.v.t.
Bomen
nee
n.v.t.
n.v.t.
n
+
broedvogels (j)
vissen
reptielen
amfibieën
vleermuizen
zoogdieren
- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)
vaatplanten
Legenda
broedvogels (a)
Tabel 2 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.
1. Verblijfplaatsen van eventueel aanwezige soorten (m.n. poelkikker en grote modderkuiper kunnen worden verwacht) zijn goed te compenseren. Het is dan ook de reële verwachting dat bevoegd gezag (provincie Gelderland) bij het treffen van de juiste mitigerende en compenserende maatregelen ontheffing zal verlenen voor het verwijderen van verblijfplaatsen (indien deze aanwezig zijn).
Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden (met voorbehoud ten aanzien van poelkikker en grote modderkruiper) niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Door de werkzaamheden uit te voeren buiten de kwetsbare periode en te werken volgens een ecologisch werkprotocol, zijn negatieve effecten op deze soorten uitgesloten. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De beoogde realisatie van een woning, loods, uitbreiding van boomkwekerij en verbreding van de watergang aan de Varakker ong. te Opheusden leidt, mits maatregelen worden getroffen ten aanzien van poelkikker en grote modderkruiper, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen aan de Varakker ong. te Opheusden uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).
12
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • Het verbreden van de watergang en plaatsen van de duiker dient uit te worden gevoerd in de winterperiode (oktober-februari) om effecten op de poelkikker en de grote modderkruiper te voorkomen.
In deze periode zijn individuen van deze soorten niet aanwezig in de ondiepe watergang, de poelkikker zit dan in overwinteringsstructuren op het land en de grote modderkruiper bevindt zich in diepere wateren. Op deze manier wordt het doden en verstoren van individuen van poelkikker (Wnb art. 3.5 lid 1 en 2) en van de grote modderkruiper (Wnb art. 3.10 lid 1a) voorkomen. De watergang dient niet dieper gemaakt te worden om geschikt te blijven voor poelkikker (Wnb art. 3.5 lid 4) en grote modderkruiper (Wnb art. 3.10 lid 1b). Het verbreden van de watergang dient uitgevoerd te worden onder de begeleiding van een ter zake deskundige en met inachtneming van een ecologisch werkprotocol. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
13
Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Pelophylax lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Grote modderkruiper Misgurnus fossilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.nationaalgeoregister.nl www.ndff-ecogrid.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. S. Schuuring Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming © BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
14
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Varakker ong. te Opheusden en bestaat uit een braakliggend terrein met sloot en een boomkwekerij.
Figuur 2
Aan de zuidkant grenst het plangebied aan de rivier de Linge.
15
Figuur 3
16
De initiatiefnemer is voornemens op het zuidelijk deel de huidige boomkwekerij uit te breiden.