Bijlagen bij de toelichting - Bijlage 7 - Vleermuisonderzoek
Tekst van het document
Vleermuisonderzoek aan de Hoofdstraat 31-33 te Kesteren Aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming
1
Colofon
Status:
Definitief
Project:
BE/2019/375
Datum:
12 november 2019
Samensteller(s):
ir. S. Schuuring
Collegiale toets:
ir. T.W.D. Schrader
Opdrachtgever:
BURO SRO Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem Contactpersoon:
mevr. E. Baeten
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. © Blom Ecologie B.V. / Buro SRO Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
2
Inhoud
1 Inleiding ......................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel
5
1.2 Plangebied
6
1.3 Werkzaamheden
6
1.4 Te verwachten soorten en functies
7
1.5 Kader Wet natuurbescherming
8
2 Methode .......................................................................................................................................... 9 2.1 Theoretisch kader
9
2.2 Praktische uitvoering
10
2.3 Inventarisaties
12
2.4 Afwijkingen protocollen
13
3 Resultaten ..................................................................................................................................... 15 3.1 Vleermuizen
15
3.2 Overige soorten
16
4 Conclusie ...................................................................................................................................... 18 4.1 Vleermuizen
18
4.2 Overige soorten
18
5 Bronnen ......................................................................................................................................... 19 Bijlage 1 Overzicht waarnemingen ............................................................................................. 20
3
4
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel Aan de Hoofdstraat 31-33 te Kesteren zijn een voormalige supermarkt en woning gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie te saneren ten behoeve van een winkelpand met appartementen. Omdat de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen is een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar de potentie van de planlocatie voor deze soorten (Schuuring, 2019).
Figuur 1.1
Het plangebied is gelegen aan de Hoofdstraat 31-33 te Kesteren (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Op basis van het oriënterende onderzoek kon de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen niet worden uitgesloten. Om vast te stellen of de bebouwing op de planlocatie daadwerkelijk een functie heeft voor vleermuizen was aanvullend onderzoek noodzakelijk. Buro SRO begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven.
5
Onderzoeksdoel In dit aanvullende onderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen centraal gesteld: •
Zijn vleermuizen aanwezig in het plangebied?
•
Op welke wijze maken de vleermuizen gebruik van het plangebied? Zijn in het plangebied vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig?
•
Hebben de voorgenomen activiteiten een negatief effect op de voorkomende soorten en/of de functionaliteit van verblijfplaatsen en leefomgeving van vleermuizen?
1.2
Plangebied De planlocatie bestaat uit een woning en een voormalige supermarkt aan de Hoofdstraat 3133 te Kesteren. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een stedelijke omgeving met winkels, woningen, doorgaande wegen en gemeentelijk groen.
Figuur 1.2
1.3
De bebouwing op de planlocatie betreft een voormalige supermarkt en een woning.
Werkzaamheden De werkzaamheden zullen op hoofdlijnen bestaan uit: 1. 2. 3. 4. 5.
6
Saneren van bebouwing Verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen Egaliseren terrein Realisatie nieuwbouw Revitalisatie terrein en aanleg verharding
1.4
Te verwachten soorten en functies Uit het oriënterend onderzoek (Schuuring, 2019) is gebleken dat de bebouwing op de planlocatie geschikt is als verblijfplaats van vleermuizen (tabel 1.1). De bebouwing op de planlocatie is als verblijfplaats van vleermuizen geschikt als zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. De bebouwing op de planlocatie is ongeschikt als massawinterverblijfplaats voor vleermuizen, wegens het beperkte thermisch bufferend vermogen van de bebouwing. Tabel 1.1
De te verwachten beschermde gebouwbewonende soorten op de planlocatie op basis van de uitgevoerde quickscan (Schuuring, 2019 1 Betreft een inschatting op basis van de quickscan
(visuele inspectie en deskstudie) gerelateerd aan de beoogde ingreep (paragraaf 1.3). 2 Mogelijk dienen wel mitigerende maatregelen te worden getroffen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen, dit is dan duidelijk beschreven in de quickscan. Soort Huismus Gierzwaluw Vleermuizen Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Gewone grootoorvleermuis (Mass)winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis Spreeuw (cat. 5) Huiszwaluw (cat. 5) Steenmarter
Figuur 1.3
Potentie Nee, geen toegankelijke dakruimte Nee, geen geschikte openingen Ja Ja Ja Ja Nee, geen toegankelijke zolder Nee, beperkt thermisch bufferend vermogen Nee, geen toegankelijke dakruimte Nee, geen nesten zichtbaar Nee, geen geschikte openingen
Overtreding Wet nb1 Nee2 Nee2 Mogelijk Mogelijk Mogelijk Mogelijk Nee2 Nee2 Mogelijk Nee2 Nee2
Middels kierende boeiboorden en open stootvoegen kunnen vleermuizen toegang krijgen tot potentiële verblijfplaatsen in de bebouwing op de planlocatie.
7
1.5
Kader Wet natuurbescherming De soortenbescherming van Wet natuurbescherming valt op grond van internationale verdragen
en
nationaal
beschermde
soorten,
uiteen
in
drie
verschillende
beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (art. 3.1), Habitatrichtlijn (art. 3.5) en de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Vleermuizen vallen onder de bescherming van de Habitatrichtlijn. Naar aanleiding van de beoogde ingreep (paragraaf 1.3) kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden: Wnb, art 3.5 lid 2 en 4 (Habitatrichtlijnsoorten) Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid (alle vleermuissoorten) te beschadigen of te vernielen.
8
2 Methode 2.1
Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor vleermuizen geldt het Vleermuisprotocol (NGB, 2017) als richtlijn. De richtlijnen worden met enige regelmaat door de opstellers geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de richtlijnen vormen de basis voor het soortspecifieke onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie B.V. In tabel 2.1 wordt voor de desbetreffende beschermde gebouwbewonende soorten beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn. Tabel 2.1 Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van vleermuisonderzoek zoals deze zijn geformuleerd in het Vleermuisprotocol (NGB, 2017). Vleermuizen Kraamverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (10 mei) 15 mei t/m 15 juli (20 juli) (2x veldbezoek). Indien meerdere soorten worden meegenomen kan het aantal veldbezoeken oplopen tot 3. Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. Zomerverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (1 april) 15 mei t/m 15 augustus (1 december) (2x veldbezoek).
De periode is sterk afhankelijk van de soort, indien meerdere soorten worden meegenomen kan het aantal veldbezoeken oplopen tot 3. Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. Paarverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (15 juli) 15 augustus t/m 1 oktober (1 november) (2x veldbezoek). De periode is sterk afhankelijk van de soort, indien meerdere soorten worden meegenomen kan het aantal veldbezoeken oplopen tot 3. Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen, territoriaal gedrag en sociale geluiden. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. Winterverblijfplaats: Onvolledig inspecteerbare winterverblijfplaatsen kunnen voor de gewone dwergvleermuis onderzocht worden door zwermbezoeken in de periode 1 augustus t/m 10 september (2x veldbezoek). Onderzoek wordt uitgevoerd met een batdetector eventueel in combinatie met een warmtebeeldcamera. Voor overige soorten met inspecteerbare verblijfplaatsen 1 locatie bezoek in de periode 1 december t/m 1 maart. Essentieel foerageergebied1: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (1 april) 15 april t/m 1 oktober (1 november) (2x veldbezoek). De periode is sterk afhankelijk van de soort, indien meerdere soorten worden meegenomen kan het aantal veldbezoeken oplopen tot 3.
Onderzoek is visueel en gericht op foeragerende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector.
Vervolg op volgende pagina
9
Essentiële vliegroute1: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (1 april) 15 april t/m 1 oktober (1 november) (2x veldbezoek). De periode is sterk afhankelijk van de soort, indien meerdere soorten worden meegenomen kan het aantal veldbezoeken oplopen tot 3. Onderzoek is visueel en gericht op migrerende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector eventueel in combinatie met een zaklamp of warmtebeeld. (Kennisdocument gewone dwergvleermuis, BIJ12 & Vleermuisprotocol, maart 2017) Onder een essentieel foerageergebied wordt verstaan een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantingsplaats of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen. Onder een essentiële vliegroute wordt verstaan een vliegroute die van wezenlijk belang is als er geen goede alternatieve vliegroute is om vanuit de voortplantingsplaats of rustplaats een essentieel foerageergebied te bereiken of omvliegen vanuit de voortplantingsplaats of rustplaats naar een essentieel foerageergebied via een alternatieve route teveel energie kost (o.a. uitspraak RvS 201708426/1/R2, 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2169). 1
2.2
Praktische uitvoering De praktische uitvoering valt uiteen in standaardprocedure tijdens elk veldbezoek, de reactieve onderzoekswijze die gehanteerd wordt en, indien van toepassing, de aanvullende onderzoeksmethodes. Procedure Op basis van de te verwachten soorten en de relatieve potentie voor deze soorten binnen het plangebied wordt het aanvullende onderzoek ingericht. Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering wordt bekeken vanaf welke posities de planlocatie (gevels/daken/dakranden met potentie) het meest efficiënt (strategisch) kan worden onderzocht. De strategische punten, looproute en zichtlijnen zijn
afhankelijk van de aanwezigheid van
obstructies,
struiken/bomen, verlichting en diverse typen van bebouwing. Tevens zijn deze afhankelijk van de te onderzoeken soortgroep. In figuur 2.1 worden de strategische punten en de meest gebruikte looproutes weergeven.
10
Figuur 2.1
Overzicht van de strategische punten en de meest gebruikte looproutes op de planlocatie.
De procedure tijdens ieder veldbezoek is als volgt: 1. Bepalen strategische punten voorafgaand aan start onderzoek. 2. Overleg met collega(‘s) over bezetting strategische punten en looproutes. Als het een vervolgronde betreft worden de resultaten van de eerdere rondes hierin meegenomen; 3. Controle gevels op aanwezigheid van uitwerpselen onder en/of tegen de gevels. Eventueel navraag bij bewoners op (recente) activiteit van vleermuizen1; 4. Start/uitvoering onderzoek/bezetting strategische punten en uitvoering conform reactieve onderzoekswijze; 5. Afronding onderzoek, bespreken met collega(’s) van tussentijds resultaat, eventuele onduidelijkheden over verblijfplaatsen en waarnemingen worden in dit stadia goed ondervangen. Op basis van uitwerpselen kan vaak een goede eerste indruk worden verkregen waar grotere
1
verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn.
11
Reactieve onderzoekswijze Binnen de kaders van het Vleermuisprotocol (tabel 2.1) is de onderzoekswijze vormvrij. Afhankelijk van omstandigheden zoals de relatieve potentie, ervaring, moment van onderzoek
het
aantal
onderzoekers,
en
dergelijke,
worden
door
de
diverse
onderzoeksbureaus op verschillende wijze onderzoek uitgevoerd. Aangezien de te onderzoeken soorten veelal voorkeur hebben voor bepaalde type verblijfsplaatsen en leefgebied wordt door Blom Ecologie B.V. reactief onderzoek uitgevoerd. Dit type onderzoek houdt vast aan strategische punten en looproutes waarbij het geobserveerde gedrag van de te onderzoeken soort en de lokale omstandigheden leidend zijn voor de keuze van de strategische punten of looproute en de verblijfsduur per punt. De strategische punten worden bepaald op locatie voorafgaand aan de start van een onderzoek door een visuele beoordeling op de actuele potentie voor de soort in kwestie. Deze punten kenmerken zich door goed overzicht binnen het plangebied en zicht op zoveel mogelijk potentiële in- of uitvliegopeningen. Het aanvullend vleermuisonderzoek wordt uitgevoerd door een combinatie van strategische punten en looproutes. Tijdens het eerste veldbezoek (zowel in het voorjaar als najaar) worden strategische punten ingenomen. Op het moment dat er sprake is van uitvliegende vleermuizen beweegt de onderzoeker zich in tegenovergestelde richting (dus de vleermuis tegemoet) naar het volgende strategische punt om zo een eventueel tweede of daaropvolgende uitvliegend individu, en uiteindelijk zo mogelijk de kolonieverblijfplaats, te lokaliseren. Hierbij blijft de nadruk op de bebouwing die binnen het plangebied valt.
Tijdens de vervolgonderzoeken wordt per seizoen de strategische punten ingenomen waar op dat moment de hoogste trefkans is. Afhankelijk van het doel van het aanvullend onderzoek (e.g. kraamverblijfplaatsen, functioneel leefgebied e.d.) wordt de nadruk gelegd op strategische punten (zomerverblijfplaatsen, vliegroutes) of strategische looproutes (paarverblijfplaatsen, winterzwermverblijfplaatsen). Voor alle onderzoeken geldt dat tijdens de rondes de keuze van strategische punten en/of looproutes beïnvloed worden door veranderende omstandigheden. Dit kan zijn een plotselinge verandering van windrichting, sterke toename of afname van windkracht, defecte straatverlichting en dergelijke. Het aantal factoren die bepalen waarom een onderzoeker juist de ene richting meer op kijkt dan de andere of er juist voor kiest af te wijken van een gebruikelijke route (door bijv. buurtbewoners die de onderzoeker aan de praat houden, bewoners die honden uitlaten of dergelijke) zijn niet of nauwelijks definieerbaar. De wijze van onderzoek verschilt, met in achtneming van de randvoorwaarden van het Vleermuisprotocol, dus per datum, per loopronde en per moment. Er is derhalve geen sprake van vaste transecten maar veel eerder van diverse looproutes naar strategische punten waarbij de frequentie van stilstaan en beweging afhankelijk zijn van de omstandigheden op dat moment.
2.3
Inventarisaties Veldbezoeken De planlocatie is 5x bezocht door medewerkers van Blom Ecologie B.V. (tabel 2.2). Tijdens deze bezoeken zijn de planlocatie en de directe omgeving onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizen. Tijdens het onderzoek is met name gelet op foeragerende/communicerende vleermuizen. Tevens is gelet op de veelgebruikte structuren door vleermuizen voor het bepalen van het functioneel leefgebied.
12
Tabel 2.2
Veldbezoeken op de planlocatie, met per veldbezoek welke functies onderzocht worden en het aantal waarnemers dat is ingezet. De weersomstandigheden voldeden aan de minimumcriteria zoals opgenomen in het Vleermuisprotocol (2017).
Veldbezoek
Functie
Aantal pers.
Datum
Zon ▼ ▲
Tijd
Weersomstandigheden
Vleermuizen 1 Vleermuizen 2 Vleermuizen 3 Vleermuizen 4 Vleermuizen 5
Kraam Zomer Kraam + zomer Paar Paar
1 1 1 1 1
03-06-2019 26-06-2019 18-07-2019 26-08-2019 16-09-2019
21.50 05.19 21.48 20.39 19.50
21.45-00.00 03.15-05.30 21.45-00.00 21.30-23.45 20.45-23.00
7/8, droog, 1-2 Bft, 18˚C 2/8, droog, 1-2 Bft, 18 ˚C 0/8, droog, 1-2 Bft, 17˚C 1/8, droog, 0-1 Bft, 29˚C 7/8, droog, 0-1 Bft, 15˚C
Gebruikte materialen Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd met behulp van een verrekijker en batdetector, type Petterson 240x. Dit type batdetector is heterodyne en heeft een time expansion functie. De time expansion functie maakt het mogelijk de geluidopnames te vertragen waardoor nauwkeurige analyse van de hoogfrequent geluiden uitgevoerd kunnen worden. Geluidswaarnemingen zijn eventueel opgenomen met een opnameapparaat van het merk Roland, type R-07. Indien inventarisatie in het veld niet mogelijk was zijn geluiden geanalyseerd met behulp van de software BATSOUND.
2.4
Afwijkingen protocollen Het veldbezoek vleermuizen 3 is uitgevoerd op 18 juli, 3 dagen buiten de door het vleermuisprotocol gestelde optimale periode (15 mei – 15 juli), maar nog wel binnen de suboptimale periode (10 mei – 20 juli). Vleermuizen maken tot eind juli gebruik van een kraamverblijfplaats, waardoor dezen in de suboptimale periode nog steeds kunnen worden aangetroffen (figuur 2.2). De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren geschikt (geen bewolking, 17˚C, nagenoeg windstil), waardoor kraamverblijfplaatsen nog steeds konden worden aangetroffen. Dit wordt bevestigd door het feit dat tijdens dit veldbezoek een kraamverblijfplaats is vastgesteld nabij de planlocatie. Het is uitgesloten dat hierdoor kraamverblijfplaatsen zijn gemist.
Figuur 2.2
Gebruik van verblijfplaatsen van vleermuizen. Kraamverblijven (rood) zijn nog in gebruik tot eind juli (Korsten, 2012).
13
14
3 Resultaten 3.1
Vleermuizen Waarnemingen, soorten en aantallen Tijdens de onderzoeksrondes zijn enkel vleermuizen van de soort gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) waargenomen. Tijdens piekmomenten tijdens de zijn in totaal 8 individuen waargenomen, allen buiten het plangebied. Tabel 3.1
Waarnemingen en aantallen van vleermuizen gedurende de veldbezoeken.
Veldbezoek
Soort
Aantal
Gedrag
Vleermuis 1 24-6-2019
Gewone dwergvleermuis
1
Overvliegend
Vleermuis 2 3-6-2019
Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis
2 3
Foeragerend Zomerverblijfplaats (vastgesteld)
Vleermuis 3 18-7-2019
Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis
1 1 8
Foeragerend Overvliegend Kraamverblijfplaats (vastgesteld)
Vleermuis 4 26-8-2019
Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis
2 2 1
Foeragerend Territoriaal Overvliegend
Vleermuis 5 16-9-2019
Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis
2 1
Foeragerend Territoriaal
Verblijfplaatsen Gedurende het onderzoek zijn 1 kraamverblijfplaats en 1 zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Deze bevonden zich buiten het plangebied. Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. De exacte vindplaatsen van de verblijfslocaties zijn weergeven in tabel 3.2. In figuur 3.1 worden de ruimtelijke spreiding van de verblijfslocaties weergeven. In bijlage 1 is een grotere afbeelding met een totaaloverzicht van alle aanwezige soorten opgenomen.
Tabel 3.2
Overzicht waargenomen verblijfplaatsen van vleermuizen. Per type verblijfplaats wordt de functie, het aantal individuen en de omschrijving van de locatie benoemd. * deze bebouwing valt binnen het plangebied. GD = gewone dwergvleermuis
Adres
Soort
Functie
Aantal
Omschrijving
Nassaulaan 1
GD
kraam
8
kantpan
Torenstraat 12
GD
zomer
3
ventilatierooster zuidgevel
15
Figuur 3.1
Overzicht van de verblijfslocaties en het functioneel leefgebied van vleermuizen op de planlocatie en in de directe omgeving hiervan (verantwoording: het kaartmateriaal is vervaardigd in QGIS).
Vliegroutes en foerageergebieden Gedurende het vleermuisonderzoek is geen essentiële vliegroute en/of foerageergebied vastgesteld. De vleermuizen afkomstig uit de kraamverblijfplaats aan de Nassaulaan 1 vlogen allen direct naar het zuiden, zonder hierbij een vaste structuur te volgen. Foeragerende vleermuizen zijn waargenomen ter hoogte van het grasveld ten zuiden van het plangebied. Aanwezigheid van vleermuizen in dit foerageergebied is gedurende 1 van de veldbezoeken vastgesteld. Gezien de (in)frequente aanwezigheid van foeragerende vleermuizen blijkt dat dit foerageergebied niet van essentieel belang is voor de soort.
3.2
Overige soorten Naast de te onderzoeken soorten waarvoor het voorliggend onderzoek is uitgevoerd zijn tijdens de veldbezoeken overige soorten waargenomen. De volgende vogelsoorten zijn gedurende de veldbezoeken waargenomen: aalscholver, ekster, gierzwaluw (hoog overvliegend), houtduif, merel, ransuil (ca. 300 m ten noorden van het plangebied), scholekster, Turkse tortel en vink. Deze waarnemingen bestaan met name uit overvliegende, rustende of foeragerende vogels. Er zijn geen nesten of roestplaatsen van vogels vastgesteld binnen het plangebied.
16
17
4 Conclusie 4.1
Vleermuizen In de periode mei – september 2019 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen binnen het plangebied. Tijdens het onderzoek zijn 2 verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de bebouwing op de planlocatie geen functie heeft voor vleermuizen als vaste rust- en verblijfplaats, vliegroute of foerageergebied. De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.5, lid 4 (wegnemen vaste rust- en/of verblijfplaatsen) of art. 3.5, lid 2 (verstoring van verblijfplaatsen, functioneel leefgebied of overige verstoring). Een ontheffing van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen is derhalve niet benodigd.
4.2
Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van andere soorten op de planlocatie. Er zijn geen nesten of roestplaatsen van vogels aangetroffen binnen het plangebied. 300 m ten noorden van de planlocatie is een roestplaats van jonge ransuilen aangetroffen in een boom.
18
5 Bronnen BIJ12, 2017c. Kennisdocument gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017d. Kennisdocument ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. BIJ12, Utrecht NGB, Zoogdiervereniging en GaN, 2017. Vleermuisprotocol, versie maart 2017 Korsten, E., 2012. Vleermuiskasten Toepassing, gebruik en succesfactoren. Bureau Waardenburg, Culemborg. Schuuring, S., 2019. Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Hoofdstraat 31-33 te Kesteren. Blom Ecologie B.V., Waardenburg.
Gebruikte websites www.arcgis.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.sovon.nl www.vleermuisprotocol.nl www.zoogdiervereniging.nl
19
Bijlage 1 Overzicht waarnemingen
Figuur 3.1
Overzicht van de verblijfslocaties van vleermuizen op de planlocatie en in de directe omgeving hiervan (verantwoording: het kaartmateriaal is vervaardigd in QGIS)
20
21