Bijlage - Toelichting en regels
Tekst van het document
Bestemmingsplan Ochten, Prunusstraat Ong.
vastgesteld 10 mei 2021
Ochten, Prunusstraat Ong. Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum: Projectnummer Buro SRO:
Ochten, Prunusstraat Ong. NL.IMRO.1740.bpOCprunusstraaton-vst1 vastgesteld 10 mei 2021 16.20.20
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
Tijssen Bouw BV
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:
Dhr. A. van Mispel Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.buro-sro.nl
2
Ochten, Prunusstraat Ong.
Inhoudsopgave Toelichting
Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3 7.4
Inleiding Aanleiding en doel van het plan Ligging plangebied Geldende plannen Leeswijzer Planbeschrijving Bestaande situatie Toekomstige situatie Beleidskader Nationaal beleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid Conclusie Omgevingsaspecten Verkeer & parkeren Bodem Geluid Bedrijven en Milieuzonering Luchtkwaliteit Geur Externe veiligheid Waterhuishouding Ecologie Archeologie & cultuurhistorie Leidingen Explosieven Juridische planbeschrijving Algemeen Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Procedure Overleg Inspraak Ontwerpfase Vaststellingsfase
Ochten, Prunusstraat Ong.
5
7 7 7 8 8 9 9 9 13 13 14 15 17 19 20 20 21 22 23 25 26 28 31 37 40 41 41 42 42 42 42 43 44 45 45 45 46 46 46 46 46
3
Bijlagen bij de toelichting
47
Regels
55
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Hoofdstuk 4 Artikel 14 Artikel 15
Schetsontwerp Prunusstraat Beeldkwaliteitsplan Prunusstraat Voorlopig inrichtingsplan Bodemonderzoek Akoestisch onderzoek Quickscan Flora Fauna Voortoets stikstofdepositie
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Groen Verkeer - Verblijfsgebied Water Wonen Waterstaat - Waterlopen Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
Bijlage bij de regels Bijlage 1
4
Staat van bedrijfsactiviteiten
48 49 50 51 52 53 54
57 57 62 63 63 63 64 65 67 68 68 68 69 70 71 71 72 72 72
73 74
Ochten, Prunusstraat Ong.
Toelichting
Ochten, Prunusstraat Ong.
5
6
Ochten, Prunusstraat Ong.
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding en doel van het plan
Voorliggend initiatief betreft een woningontwikkeling van 15 woningen in de kern van Ochten. Het plan maakt onderdeel uit van het project Appelhof uit de Structuurvisie van de gemeente Neder-Betuwe. Met het initiatief worden de gronden van een voormalige boomkwekerij aan de Liniestraat 19 in Ochten herontwikkeld tot een woonlocatie met 10 twee-onder-een-kap-woningen en 5 vrijstaande woningen. Het perceel met de bedrijfswoning is bestemd met eveneens een woonfunctie met een burgerwoning gezien er geen agrarisch bedrijf meer kan worden uitgeoefend. De bestaande bouw en gebruik van deze woning wordt in voorliggend bestemmingsplan ontboden. Omdat de beoogde ontwikkeling op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Kernen Neder-Betuwe’ niet is toegestaan, wordt het voorliggende bestemmingsplan in procedure gebracht.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Prunusstraat, ten noordoosten van het centrum van Ochten. De locatie betreft een van de laatste agrarische percelen in de kern. De directe omgeving betreft een woongebied.
Afbeelding 1.1: globale ligging en begrenzing plangebied (bron: openstreetmap.nl)
Ochten, Prunusstraat Ong.
7
1.3
Geldende plannen
Voor de in het bestemmingsplan begrepen gronden vigeert thans het bestemmingsplan 'Kernen NederBetuwe', dat op 14 mei 2020 door de gemeenteraad van Neder-Betuwe is vastgesteld. In navolgende afbeelding is een uitsnede opgenomen van dit bestemmingsplan.
Afbeelding 1.2: uitsnede www.ruimtelijkeplannen.nl Ter plaatse van de gronden geldt de enkelbestemming 'Agrarisch'. Een gedeelte van het perceel heeft de bouwaanduiding 'bijgebouwen' en het bouwvlak van de woning van Liniestraat 19. Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan Het realiseren van de woningen is niet toegestaan binnen de bestemming Agrarisch. Met voorliggend bestemmingsplan is aangesloten op de regels uit het voorontwerp 'Kernen Neder-Betuwe'
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord.
8
Ochten, Prunusstraat Ong.
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
De heer Tijssen is eigenaar van een voormalige boomkwekerij aan de Liniestraat 19 in Ochten. Op dit perceel is een woonboerderij aanwezig omringt door een tuin. De gronden waar voorheen de bomen werden gekweekt zijn afgesplitst van het perceel van de Liniestraat 19 in Ochten. Dit ongenummerde perceel is ontdaan van alle agrarische bijgebouwen en gewassen en bestaat hoofdzakelijk uit grasland.
Afbeelding 2.1 Luchtfoto en begrenzing plangebied
2.2
Toekomstige situatie
2.2.1 Programma In totaal worden er 15 woningen gerealiseerd, waarvan 10 twee-onder-een-kapwoningen en 5 vrijstaande woningen.
Ochten, Prunusstraat Ong.
9
De bestaande woning aan de Liniestraat 19 wordt gerenoveerd en zal gebruikt worden voor wonen. Daarnaast heeft de toekomstige eigenaar een roboticabedrijf. De activiteiten die dit bedrijf uitoefent is de ontwikkeling, productie, assemblage, reparatie en vermarkten van robotica-systemen en - componenten. Aangezien dit iets meer is dan een bedrijf aan huis en omdat de locatie zich hiervoor leent is specifiek dit type bedrijf toegestaan tot een maximaal 125 m² bvo. 2.2.2 Ruimtelijke ontwikkeling De nieuwe zuidelijke gelegen vrijstaande woning oriënteert zich op de Liniestraat en sluit aan op het bestaande dorpslint. Het bebouwingslint bestaat voornamelijk uit vrijstaande woningen met een diepe voortuin welke trapsgewijs verspringt. Ten oosten van de nieuwe woning blijft de bestaande boerderij behouden. Navolgende afbeelding betreft het schetsontwerp van de toekomstige situatie en is tevens opgenomen in bijlage 1.
Afbeelding 2.2: Schetsontwerp toekomstige situatie. Bron: Buro SRO Oost B.V.
10
Ochten, Prunusstraat Ong.
Aan de Prunusstraat worden geschakelde twee-onder-een-kapwoningen gerealiseerd en/of vrijstaande woningen. In het schetsontwerp is uitgegaan van 1 vrijstaande woning aan de zuidzijde en de rest twee-ondereen-kapwoningen. Maar dit is uitwisselbaar. De woningen zijn georiënteerd op de Prunusstraat en staan in nagenoeg dezelfde rooilijn om een rustig en helder straatbeeld te creëren. Een enkele kleine verspringing in de rooilijn is wel mogelijk om aan te sluiten bij een dorpse opzet. Aan de voorzijde van deze woningen worden parkeerstroken ingericht. Hiermee ontstaat een eenduidig straatprofiel met laanbomen. De parkeervakken worden onderbroken door een groenstrook en inritten om de woningen te ontsluiten. Aan de oostzijde van het plangebied ligt een bestaande watergang. Deze zal worden omgevormd tot een wadi en een deels wordt de wadi verbreed in verband met de benodigde waterberging. Op de perceelsgrens van de kavels zal een groene afscheiding geplaatst worden. Aan de noordzijde van het plangebied zijn drie vrijstaande woningen gesitueerd. Deze woningen zijn georiënteerd richting De Hoef en sluiten aan op de bestaande bebouwing aan de oostzijde. De woningen zijn volledig vrijstaand of eventueel met de garages gekoppeld. De aan de voorzijde gelegen watergang zal gedempt worden, zodat de woningen bereikbaar zijn. Met de watercompensatie is hiermee rekening gehouden.
In een vervolgfase zal de openbare ruimte nader uitgewerkt worden in een inrichtingsplan. Dit inrichtingsplan zal nog aan het college worden voorgelegd en is ook als zodanig als voorwaardelijke verplichting in voorliggend bestemmingsplan opgenomen. Hierdoor is bovendien enige uitvoeringsvrijheid gewenst bij het bepalen van de exacte bestemmingsgrenzen. 2.2.3 Beeldkwaliteit Om inzicht te krijgen in de beeldkwaliteit heeft Huibers: bureau voor architectuur schetsen gemaakt. De volgende uitgangspunten zijn voor de architectuur van belang: De woningen zijn in samenhang ontworpen Traditionele bouwmassa opbouw: maximaal 2 bouwlagen met een kap (max. goothoogte 6m en bouwhoogte 9 m). Kapvorm schilddak of zadeldak. De woning aan de Liniestraat mag ook een samengestelde kapvorm zijn. Traditionele jaren '30 dorpse uitstraling De vrijstaande woning naast nummer 19 sluit ook qua uitstraling aan op de nieuwbouw woningen aan de Prunusstraat. Bruin/rode baksteen en pannendak Qua detaillering ondergeschikt aan de voormalige boerderij. Het volledige beeldkwaliteitsplan is opgenomen in bijlage 2. Navolgende afbeeldingen geven een indruk van de toekomstige uitstraling van de bebouwing.
Architectonisch schetsontwerp m.b.t. de toekomstige bebouwing. Bron. Bureau Huibers
Ochten, Prunusstraat Ong.
11
2.2.4 Ontsluiting en parkeren Ontsluiting De woningen zijn gelegen op een perceel dat is ingeklemd tussen de Liniestraat in het zuiden, de Prunusstraat in het westen en De Hoef in het noorden. De vrijstaande woning in het zuiden van het plangebied kan een inrit op zowel de Liniestraat als de Prunusstraat krijgen, de drie vrijstaande woningen krijgen een inrit op De Hoef en de overige 11 woningen krijgen een inrit op de Prunusstraat. De Liniestraat is een doorgaande weg door Ochten waar de Prunusstraat op uitkomt. De wegen zijn zodanig geprofileerd dat de nieuwe woningen hier goed op kunnen worden ontsloten. Parkeren De woningen hebben ieder een eigen oprit en garage op eigen terrein. Om geheel aan de parkeerbehoefte te voldoen wordt tevens haaksparkeren langs de Prunusstraat gerealiseerd. Een voordeel van de openbare parkeerplaatsen aan de Prunusstraat is dat de ook de bestaande bewoners hier gebruik van kunnen maken. Meer hierover in paragraaf 4.1.2.
12
Ochten, Prunusstraat Ong.
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Nationaal beleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De kaders van het rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In de SVIR schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid meer bij provincies en gemeenten komen te liggen. Het Rijk zal zich alleen bezig houden met de zaken die prioriteit hebben. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De structuurvisie is juridisch vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie 3.1.2. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de SVIR.
In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van het Barro. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.
Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.' In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Volgens de nota van toelichting bij artikel 3.1.6, lid 2, aanhef en onder b, van het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen naar het oordeel van de Raad van State planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied.
Ochten, Prunusstraat Ong.
13
Met voorliggend plan worden 15 woningen gerealiseerd. Uit jurisprudentie blijkt dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6. Bro. Met het toevoegen van 15 extra dient voor de woningen de ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen. In de volgende alinea wordt hierop ingegaan. Uit het onderzoek van Stec (Update Thermometer woningmarkt, 5 februari 2018) wordt op grond van de bevolkingsprognose Primos 2017 aangegeven dat er ruimte is voor toevoeging van 970 woningen in de periode 2017 - 2027 binnen de gemeente Neder-Betuwe. Recent vervolgonderzoek uit 2019 heeft duidelijk gemaakt dat er grote druk bestaat op de woningmarkt en de vraag naar (vrijstaande) koopwoningen nog groter is dan voorheen gedacht. Het bouwen in de grotere kernen zoals Ochten heeft daarbij de voorkeur. De plancapaciteit in Neder-Betuwe in harde plannen tot 2027 bedraagt op dit moment 427 woningen. Het realiseren van 15 woningen in het plangebied levert een bijdrage aan de invulling van deze kwantitatieve behoefte aan woningen. Wat betreft de kwalitatieve opgave blijkt uit de Woonvisie en het Regionaal woningbouwprogramma Rivierenland dat er in de gemeente Neder-Betuwe behoefte is aan woningen voor senioren en starters.
De gemeente wil voor senioren inzetten op flexibele woonconcepten die ten minste voldoen aan de kwaliteitseisen die (zorgvragende) senioren stellen, maar ook aantrekkelijk zijn voor vitale senioren. De woonomgeving moet zodanig zijn ingericht, dat deze voldoende inspeelt op de wensen van ouderen: voorzieningen, sociaal veilig en toegankelijk. Daarnaast moet in elk project 20% aan sociale woningbouw worden gerealiseerd. Deze verplichte 20% van het programma wat als sociale woningbouw gerealiseerd dient te worden is verschoven naar plan Oranjehof. Deze verschuiving is vastgelegd in een intentieovereenkomst waarmee wordt voldaan aan deze voorwaarde. Voorliggend plan speelt in op de behoefte van (vitale) senioren en doorstromers. Er is daarmee zowel kwantitatief als kwalitatief behoefte aan de toe te voegen woningen. De locatie is binnenstedelijk gelegen. De boomkweekgronden maken plaats voor de beoogde woningen midden in het dorp. Hierdoor is er sprake van 'inbreiding' voor 'uitbreiding'. Ook is de locatie reeds in de structuurvisie van de gemeente aangewezen en afgewogen als inbreidingslocatie. Hiermee voldoet het plan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.4 Conclusie In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Algemeen In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.
14
Ochten, Prunusstraat Ong.
3.2.2 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat: Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; Een voortvarend en innovatief circulair beleid; Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik De provincie en partners gaan nieuwe ontwikkelingen bezien in samenhang met de bestaande voorraad. Als leidend principe wordt de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik gehanteerd.
De juridische basis hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De in voorliggend plan opgenomen woningen voldoen aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zie paragraaf 3.1.3. 3.2.3 Omgevingsverordening De Omgevingsverordening Gelderland stelt regels aan de inhoud van ruimtelijke plannen voor die aspecten waar provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat noodzakelijk maken. Planspecifiek Nieuwe woonlocaties In artikel 2.2.1.1 van de omgevingsverordening is opgenomen dat: "nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts [worden] toegestaan wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave voor wonen voor de betreffende regio". In navolgende paragraaf 3.3.1 is opgenomen dat voorliggend initiatief zowel kwantitatief en kwalitatief past binnen het regionale woningbouwprogramma. 3.2.4 Conclusie Het bestemmingsplan is passend in de Omgevingsvisie en -verordening van de provincie Gelderland.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Regionaal woningbouwprogramma Rivierenland De gemeenten van de regio Rivierenland hebben afspraken gemaakt voor het opstellen en monitoren/actueel houden van een regionaal woningbouwprogramma. Het regionale woningbouwprogramma is een dynamische lijst die jaarlijks wordt geactualiseerd.
Ochten, Prunusstraat Ong.
15
Toetsing van projecten Alle projecten worden getoetst op drie punten: I. Planstatus Van alle projecten is de planstatus geïnventariseerd. Vanuit de provincie wordt mede gestuurd op planologische hardheid. Het is van belang om te monitoren of kansrijke plannen opgenomen zijn/worden in harde bestemmingsplancapaciteit. Voorkomen moet worden dat plancapaciteit gebruikt wordt voor nietkansrijke plannen of projecten die pas op zeer lange termijn ontwikkeld worden. Plannen met harde plancapaciteit worden 'groen' gemarkeerd. Plannen met zachte plancapaciteit zijn 'rood'. Voorliggende ontwikkeling scoort op dit punt nog 'rood'. Onderliggend bestemmingsplan en voorliggend plan leidt tot een omslag naar 'groen'. II. Urgentie Onder deze noemer vallen in ieder geval de plannen waar sprake is van een verbetering van locatie en omgeving zoals bij herstructurering en bedrijfssanering. Daarnaast kan een bepaald woningbouwprogramma aanleiding zijn om prioriteit te geven aan een project. Voorliggende ontwikkeling betreft een herstructuring van een voormalig agrarisch perceel binnen de kern Ochten. Het realiseren van woningen binnen het bestaand stedelijk gebied betreft een verbetering van locatie en omgeving. Hiermee scoort de ontwikkeling 'groen'. III. Woonmilieu, prijs en woningtype In het WBO is aangegeven waar de belangrijkste tekorten en overschotten zijn.
Het regionale woningbouwprogramma wordt hieraan getoetst. Dit kan aanleiding zijn om een aantal projecten opnieuw te bezien en mogelijk meer af te stemmen op de actuele vraag. Projecten worden gespiegeld aan de geschetste behoefte uit het WBO waarbij maatwerk per gemeente en kern mogelijk is. Een groot deel van de projecten bedient immers een specifieke, lokale vraag. Wanneer gekeken wordt naar de woningbehoefte als gevolg van huishoudenstoename in de periode 2015 2025 en vraag als gevolg van veranderingen in huishoudtypen (samenstelling, leeftijd; met als gevolg andere woonvoorkeur) dan is er vooral vraag naar woningen voor kleine huishoudens en huishoudens met lagere inkomens. In het nabijgelegen plan Oranjehof zal aan deze woningbehoefte worden voldaan door middel van de hiervoor genoemde gesloten intentieovereenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente. Hiermee scoort de ontwikkeling ´groen`. Conclusie Voorliggende ontwikkeling is opgenomen in het regionale woningbouwprogramma en past hiermee in regionale afspraken. 3.3.2 Conclusie Het bestemmingsplan is passend binnen het regionale beleid.
16
Ochten, Prunusstraat Ong.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Neder-Betuwe 2018 Op 31 mei 2018 heeft de gemeente Neder-Betuwe de structuurvisie Neder-Betuwe 2018 vastgesteld. Doel van deze structuurvisie is het bieden van een actueel en integraal ruimtelijk kader, dat voor de langere termijn als toetsingskader op hoofdlijnen dient voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De structuurvisie is het strategisch document in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De structuurvisie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied waardoor voor een ieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen. Voor andere overheden kan de structuurvisie duidelijk maken hoe de gemeente het beleid van Rijk en provincie uitwerkt op gemeentelijk schaalniveau. Voor het gemeentebestuur is de structuurvisie een belangrijk kader voor de afweging van concrete ruimtelijke beslissingen en voor de inzet daartoe van bestuurlijke uitvoeringsinstrumenten, zoals het vaststellen van bestemmingsplannen, het beschikbaar stellen van financiële middelen en het sluiten van bestuursovereenkomsten. Tevens is de visie leidraad bij de beoordeling van nieuwe plannen en initiatieven. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de structuurvisiekaart ter plaatse van het plangebied.
Afbeelding 3.2.: Structuurvisiekaart Het plangebied betreft de inbreidingslocatie 'Appelhof 2e fase' en is op de structuurvisie kaart aangemerkt als een gebied waar de 'ontwikkelingsrichting wonen tot 2020' is opgenomen. De gemeente streeft naar het zoveel mogelijk benutten van inbreidingslocaties en daarmee een efficiënt gebruik van de (open) ruimte in de kernen. Op deze locatie is de ontwikkeling van woningbouw gewenst. Vanwege de ligging van de locatie aan de rand van de kern gaat de voorkeur uit naar vrijstaande woningen in een landelijke woonomgeving en biedt de locatie ruimte voor circa 12 woningen. Daarnaast is het perceel Liniestraat 19 tevens aangemerkt als een gebied waar 'ontwikkelingsrichting werken tot 2020' is opgenomen. De realisatie van het kleinschalige bedrijf aan huis in robotica past hier goed bij. Voorliggend initiatief vervuld de ontwikkelrichting van voorliggend perceel met het realiseren van 15 woningen en sluit daarmee aan op de structuurvisie Neder-Betuwe 2018. Aangezien er ook een aantal tweeonder-één-kapwoningen zijn opgenomen ten behoeve van een gevarieerd woonaanbod. Hierdoor is het aantal woningen net hoger.
Ochten, Prunusstraat Ong.
17
3.4.2 Woonvisie 2016-2021 'Vitale kernen in een sterke gemeente' Op 1 februari 2016 is de woonvisie vastgesteld door de gemeenteraad van Neder-Betuwe. Hierin is het beleid met betrekking tot de woningmarkt, kansen, aanbod en behoefte opgenomen. Om richting te geven aan de ontwikkeling van de gemeente, biedt deze visie belangrijke handvatten voor de gemeente zelf, maar ook de partners met wie zij op het brede speelveld van het wonen samenwerkt. Het geeft een kwalitatieve inkleuring aan de woningbouwontwikkeling van zowel nieuwbouw als bestaande bouw in de gemeente en alle facetten die hiermee samenhangen. Binnen het Regionale Woningmarktonderzoek en de Regionale Woonagenda worden de kaders van de nieuwbouwopgave met de regiogemeenten afgestemd. Hiermee wordt gezorgd dat de nieuwbouwproductie past binnen de regionale behoefte. De gemeente wil het woonklimaat de komende jaren verder versterken en verbeteren zodat Neder-Betuwe een sterke gemeente met vitale kernen blijft. Dit wil de gemeente bereiken door actief woonbeleid te voeren op de volgende aandachtspunten: 1. Toevoegen van duurzaam aantrekkelijke woningen De vergrijzing van Neder-Betuwe zet zich voort, maar zit rond 2035 op haar hoogtepunt. De veranderende bevolkingssamenstelling vraagt om een aanpassing van de woningvoorraad. Levensloopgeschiktheid is daarin een belangrijk criterium.
Binnen de ambitie om tot een gevarieerde, levensloopgeschikte woningvoorraad te komen, worden enkele doelgroepen iets meer ondersteund: starters en senioren. Naast de bovengenoemde grote doelgroep zijn er een aantal kleine doelgroepen die ook aandacht vragen: mensen in scheiding, statushouders/vluchtelingen en mensen met een lichte zorgvraag. 2. Inzetten op een realistische nieuwbouwambitie Het hanteren van een realistische woningbouwambitie is belangrijk om ervoor te waken dat het woningaanbod goed aansluit bij de woningbehoefte. Op basis van het regionale woningbehoefteonderzoek wordt tot 2025 uitgegaan van een jaarlijkse productie van 60 tot 80 woningen voor de gemeente NederBetuwe. 3. Woningbouw in elke kern, volwaardige afronding van huidige plannen Om de kernen vitaal te houden is het belangrijk dat elke kern de mogelijkheid behoudt om nieuwe woningen aan de voorraad toe te voegen, als hier voldoende behoefte aan is. Het is belangrijk dat de plannen die in de afgelopen jaren zijn voorbereid -en waarvan de behoefte is bewezen- nu ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. In Kesteren betekent dit een grotere woningbouwprogramma om de uitleglocatie Casterhoven goed te kunnen afronden.
Binnen de woonvisie is het geplande woningbouwprogramma van de verschillende kernen gecategoriseerd in plannen die goed aansluiten bij de marktvraag voor de korte/middellange termijn (tot 2020) en plannen die minder goed aansluiten of op een langere termijn spelen. Deze zijn afgewogen tegenover de ontwikkeling van afgelopen jaren en de wensen van de gemeente. Hiermee is gekomen tot een 'streefprogramma 2015-2025' per kern.
Voor de gemeente Neder-Betuwe zijn de volgende segmenten als kansrijk benoemd: grondgebonden sociale huurwoning, tweekamer huurappartement in de vrije sector, goedkope grondgebonden koopwoning, rij/hoekwoning in het middensegment (levensloopbestendig) en luxe grondgebonden koopwoning in dure segment. 4. Verder verduurzamen van de woningvoorraad
18
Ochten, Prunusstraat Ong.
De komende jaren wil de gemeente verder met het energiezuiniger en levensloopgeschikter maken van de bestaande woningvoorraad. In de nieuwbouw houden we vast aan de energieprestatienorm uit het Bouwbesluit. De belangrijkste opgave ligt in de bestaande voorraad. Daar wil de gemeente eigenaar-bewoners stimuleren om hun woning te verduurzamen. Om ervoor te zorgen dat mensen met een zorgvraag zolang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, is het belangrijk dat alle nieuwbouw 'maximaal aanpasbaar te ontwikkelen. 5. Betaalbare woningen voor kwetsbare doelgroepen Er zal voldoende betaalbare woningen voor kwetsbare doelgroepen moeten worden gerealiseerd. Kwetsbare doelgroepen zijn doelgroepen die niet zonder extra maatregelen aan passende woonruimte kunnen komen. Hierbij richt men op huishoudens met lage inkomens en lage middeninkomens (sociale huur). Om de voorraad de komende jaren te consolideren moeten er minimaal 75 woningen in de periode 2015-2020 gebouwd worden om aan de verwachte vraag te voldoen (ter compensatie van sloop en verkoop). Planspecifiek Het initiatief betreft het realiseren van 15 woningen, te weten 10 twee-onder-een-kap-woningen en 5 vrijstaande woningen. Voor de kern Ochten is m.b.t. het streefwoningbouwprogramma een kwantitatieve woningvoorraad van 55 woningen opgenomen tot aan 2025. Hier past het geplande aantal woningen binnen.
De ontwikkeling van grondgebonden koopwoning in dure segment past eveneens binnen de visie. Daarnaast heeft de initiatiefnemer een overeenkomst met de gemeente gesloten dat de verplichte 20% van het programma als sociale woningbouw te realiseren, wordt verschoven van voorliggend plan naar het plan Oranjehof. Daarmee is het initiatief passend in de structuurvisie.
3.5
Conclusie
Het bestemmingsplan is passend binnen de beleidskaders van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Neder-Betuwe.
Ochten, Prunusstraat Ong.
19
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Verkeer & parkeren
4.1.1 Verkeer 4.1.1.1 Regelgeving De gemeenteraad stelde op 15 december 2011 het Neder-Betuws Verkeer- en Vervoerplan (NBVVP) vast. Dit geeft de visie tot 2020 weer hoe de gemeente Neder-Betuwe nu en in de toekomst om gaat met vraagstukken op het gebied van verkeer en vervoer dan wel de mobiliteit. Het plan bestaat uit twee onderdelen: Beleidsrapportage met daarin de visie van de gemeente tot 2020. Belangrijk onderdeel hierin is ook het Uitvoeringsprogramma, waarin staat welke projecten de gemeente de komende jaren wil uitvoeren en voor welke projecten geld beschikbaar is. Achtergrondrapportage met daarin achtergrondinformatie bij de beleidsrapportage. In de achtergrondrapportage zijn de resultaten van de inventarisatie en (knelpunt)analyse opgenomen. 4.1.1.2 Doorwerking bestemmingsplan Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, is de verkeersaantrekkende werking bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag. Voor de berekening is uitgegaan van de ligging van 15 woningen in een weinig stedelijke omgeving binnen 'buitengebied' (dit is de norm die Neder-Betuwe hanteert).
Hiervoor hanteert het CROW een norm van maximaal 8,6 bij vrijstaande woningen en 8,2 vervoersbewegingen per twee-onder-een-kapwoning. Dit resulteert in maximaal 125 verkeersbewegingen op een gemiddelde werkdag voor de gehele ontwikkeling. In de toekomstige situatie kunnen voertuigen met de planlocatie als bestemming via de inritten vanaf de Prunusstraat, Liniestraat en De Hoef de locatie bereiken. Op basis van het verkeersmodel met de prognoses tot 2030 kent de Liniestraat een intensiteit van circa 940 mvt/etmaal en de Prunusstraat een intensiteit van circa 230 mvt/etmaal. Gelet op de capaciteit van de genoemde straten kan worden gesteld dat deze straten de toename van afgerond 125 verkeersbewegingen per dag goed aan kunnen (een intensiteit tot 4000 mvt/etmaal is acceptabel). Hierbij komt dat de huidige functie verdwijnt. Dit resulteert in minder bedrijfsverkeer zoals tractoren en vrachtwagens. 4.1.2 Parkeren 4.1.2.1 Regelgeving De Parkeernormen Neder-Betuwe (2017) is van toepassing op nieuwe ontwikkelingen in de gemeente NederBetuwe. Hierin worden onder andere parkeernormen gesteld op basis van de toe te voegen functies. 4.1.2.2 Doorwerking bestemmingsplan De gemeente heeft de parkeernormen ontleend aan de landelijke kencijfers van CROW.
De nota schrijft een norm voor van 2,7 parkeerplaatsen voor een vrijstaande woning en een norm van 2,6 parkeerplaatsen voor twee-onder-een-kapwoning. Dit levert een parkeerbehoefte op van totaal 39,5 parkeerplaatsen. Zie onderstaande tabel. norm aantal benodigd Vrijstaande woning 2,7 5 13,5 Twee-onder-een-kapwoning 2,6 10 26 Totaal parkeerplaatsen: 39,5
20
Ochten, Prunusstraat Ong.
Tabel 1 : Benodigde parkeerplaatsen In het schetsontwerp in bijlage 1 zijn 20 parkeerplaatsen opgenomen in de openbare ruimte. De nota schrijft een norm voor van 1,3 bij een garage met lange oprit van minimaal 10 m diep en 2,5 m breed en een parkeernorm van 1,8 bij een garage met dubbele oprit van minimaal 4,5 m breed. Binnen het plan zijn volgens hierboven genoemde normen 41 parkeerplaatsen aanwezig. Zie onderstaande tabel. norm 1,8 1,3 1 totaal Tabel 2 : aanwezige parkeerplaatsen garage met dubbele oprit garage met lange oprit openbaar
aantal 3 12 20
aanwezig 5,4 15,6 20 Totaal aanwezige parkeerplaatsen:
41
Gezien de hiervoor beschreven aspecten is dit bestemmingsplan uitvoerbaar op het gebied van verkeer.
4.2
Bodem
4.2.1 Regelgeving Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). 4.2.2 Doorvertaling bestemmingsplan In het kader van voorliggende ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 4. De belangrijkste conclusie luidt dat er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanherziening. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.
Ochten, Prunusstraat Ong.
21
4.3
Geluid
4.3.1 Regelgeving Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen.
De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde "dove" gevel heeft. Een "dove gevel" is een bouwkundige constructie: waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering; waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woon- en leefklimaat in de woning.
De karakteristieke geluidwering van de gevel dient voor nieuwbouw zodanig te zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB. 4.3.2 Wegverkeerslawaai Regelgeving In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt. Bij vaststelling van een bestemmingsplan dient voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek te worden verricht (art.76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.
Tabel 4.1: overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg)
22
Ochten, Prunusstraat Ong.
De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Doorvertaling bestemmingsplan In het kader van voorliggende ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 5. In het onderzoek is opgenomen dat het geluidsniveau door wegverkeer op één gevel van de woningen 55 dB bedraagt als gevolg van wegverkeer op de Beusichemstraat (30 km/u). Alle overige gevels zijn niet geluidbelast. Voor de geluidbelasting door 30 km wegen hoeft geen hogere waarde te worden aangevraagd. Omdat alle woningen ten minste één geluidluwe gevel hebben, zal voor het aspect geluid sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt 22 dB voor de woningen waarvoor de geluidbelasting meer dan 53 dB bedraagt. 4.3.3 Conclusie Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.4
Bedrijven en Milieuzonering
4.4.1 Regelgeving Regelgeving Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom dient aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek.
Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied. Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Naast de omgevingstypen 'rustige woonomgeving' en 'gemengd gebied' kent de VNG-publicatie ook het type 'gebied met functiemenging'. Het begrip 'gebied met functiemenging' heeft geen betrekking op de typering van een gebied maar op de toelaatbaarheid van hinderveroorzakende functies, zoals stadscentra, dorpskernen, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en (delen van) woongebieden met kleinschalige dan wel ambachtelijke bedrijvigheid.
Ochten, Prunusstraat Ong.
23
Tabel 4.2: richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. Hiertoe wordt ten aanzien van het geluidsaspect gebruik gemaakt van de beoordelingssystematiek uit de VNG-publicatie. Tijdens het inwerking zijn van inrichtingen zullen deze worden getoetst aan het Activiteitenbesluit. 4.4.2 Doorvertaling bestemmingsplan In de directe omgeving van de woningbouwlocatie zijn enkele bedrijven aanwezig. In onderstaande tabel zijn de adressen en maximaal toegestane milieucategorieën van de aanwezige bedrijven en inrichtingen weergegeven. De feitelijke afstand is vanaf de bedrijfsbestemming tot aan het bouwvlak van de nieuwe woning. Adres
Liniestraat 38
Inrichting
Opslagbedrijf in bouwmaterialen Liniestraat 40 Groothandel in landbouwmachines, werktuigen en tractoren Liniestraat 42 Grth in overige voedingsen genotmiddelen De Hoef 6 Agrarisch bedrijf, kleinschalige paardenhouderij De Hoef 12 Aannemer/loodgieter Tabel 4.3: overzicht relevante bedrijvigheid
Toelaatbare milieucategorie
Maatgevende aspect
Richtafstand (in m)
2
geluid
30
Feitelijke afstand (in m) 25
2
geluid
30
30
2
geluid
30
41
3.1
geluid en stof
30
90
2
geluid
30
43
De feitelijke afstand van de bedrijven aan de Liniestraat zijn tot de nieuwe woning naast nummer 19. Het opslagbedrijf in bouwmaterialen aan de Liniestraat 38 ligt volgens de genoemde richtafstanden net te dichtbij. In de omgeving zijn echter meer bestaande woningen van derden aanwezig (Liniestraat 40 op 5 m en de Goudenregenstraat 16 op 26 m) die dichterbij zijn gelegen waar de bedrijven al rekening mee moeten houden in hun bedrijfsvoering. Daarnaast vinden de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten plaats ten zuiden van de bedrijfswoningen. Hierdoor is de afstand tot de activiteiten meer dan 50 meter. Tenslotte is bekend dat de gevestigde bedrijfsbestemmingen op termijn gaan veranderen naar woonbestemmingen met invulling van het plan Oranjehof. De andere nieuwe woningen zijn allemaal buiten de richtafstanden gelegen. Ook bij het bedrijf aan De Hoef 12 is eerst een bedrijfswoning gelegen en vervolgens pas de bedrijfsactiviteiten. Tenslotte bevindt zich aan De Hoef een kleinschalige paardenhouderij. Het aspect geur wordt behandeld in paragraaf 4.6. Ten aanzien van de overige maatgevende aspecten liggen de nieuwe woningen buiten de richtafstanden.
24
Ochten, Prunusstraat Ong.
4.4.3 Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1 Regelgeving In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.
In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. 4.5.2 Onderzoek Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.
In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan een ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van 15 woningen in dit bestemmingsplan valt ook binnen de NIBM-regeling zodat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Met de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen (A15, N323 en/of N233) de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald.
Ochten, Prunusstraat Ong.
25
In afbeelding 4.2 zijn de jaargemiddelde concentraties weergegeven voor het peiljaar 2018. Uit deze afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Afbeelding 4.2.: NSL-monitoringstool 4.5.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
4.6
Geur
4.6.1 Regelgeving Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv))) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet
26
Ochten, Prunusstraat Ong.
beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel. Concentratiegebied Niet-concentratiegebied Binnen bebouwde kom diercategorieën Rgv max. 3 ouE/m³ max. 2 ouE/m³ andere diercategorieën min. 100 m t.o.v. min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object geurgevoelig object Buiten diercategorieën Rgv max. 14 ouE/m³ max. 8 ouE/m³ bebouwde kom andere diercategorieën min. 50 m t.o.v. min. 50 m t.o.v. geurgevoelig geurgevoelig object object Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: de geurbelasting wordt bepaald; de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen.
Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geurgebiedsvisie gemeente Neder-Betuwe Op 15 september 2011 heeft de gemeenteraad de geurverordening en bijbehorende geurgebiedsvisie vastgesteld. Doelstelling van deze visie is het opstellen van een gemeentedekkend gebiedsgericht geurbeleid voor de gemeente Neder-Betuwe gebaseerd op de Wet geurhinder en veehouderij, waarin een afweging is gemaakt tussen geurbelasting en geurbeleving. De gebiedsvisie brengt de geurknelpunten in beeld en geeft de mogelijkheid om maatwerk te leveren in de (nog te bepalen) deelgebieden. Met geurknelpunten worden situaties bedoeld waarbij de geurcontouren van agrarische bedrijven rond een bouwblok over geurgevoelige objecten reiken als zijnde voor grondwaarde, of een situatie waarbij verschillende agrarische bedrijven gezamenlijk een niet acceptabel hinderpercentage leveren als zijnde achtergrondwaarde. 4.6.2 Doorvertaling bestemmingsplan Aan De Hoef 6 is een kleinschalige paardenhouderij gevestigd. Het agrarische bedrijf heeft een vergunning voor 10 paarden.
De afstand tussen het emissiepunt van een paardenverblijf tot aan de gevel van een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom dient minimaal 100 meter te bedragen. Dit is in onderhavig plan niet overal het geval, de afstand bedraagt circa 90 m. De situatie is echter niet gewijzigd ten aanzien van de oorspronkelijke ontwikkeling Appelhof (1e fase), waarmee het woonmilieu vergelijkbaar is in de huidige situatie. Daarnaast liggen binnen er reeds verschillende geurgevoelige objecten rond het bedrijf aan De Hoef 6, waardoor het bedrijf niet extra wordt beperkt door voorliggend initiatief. 4.6.3 Conclusie Het plan is uitvoerbaar vanuit het aspect geur.
Ochten, Prunusstraat Ong.
27
4.7
Externe veiligheid
4.7.1 Regelgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen.
Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied). Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant.
De risico’s worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (“Wvgs”) ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, dient de minister maatregelen te nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 meter).
Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).
28
Ochten, Prunusstraat Ong.
Beleidsvisie externe veiligheid 2015-2018 Neder-Betuwe wil een aantrekkelijke gemeente zijn om te wonen en te werken. Dat stelt eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Externe veiligheidsrisico's zijn daar een onderdeel van. Externe veiligheid gaat over het beschermen van burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. De risico's - veroorzaakt door het werken met - opslaan van of vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn niet uit te sluiten. We kunnen ze wel beheersen door een adequate uitvoering van relevante taken en vooraf afspraken te maken hoe met de huidige en toekomstige risico's wordt omgegaan. Doel van deze beleidsvisie externe veiligheid is het bieden van een toetsingskader dat duidelijk maakt hoe om te gaan met externe veiligheidsrisico's. De ambities in deze visie zijn naast de wettelijke regels met name van toepassing bij het vaststellen van omgevingsbesluiten en de vergunningverlening voor risicobedrijven. Ook zijn in deze visie ambities met betrekking tot de organisatie van de uitvoering van de wettelijke regels opgenomen. Door toepassing van deze ambities worden ad hoc besluiten voorkomen. De gemeente past de uitgangspunten en ambities in deze visie verder toe bij andere gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbij externe veiligheid een rol speelt. De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie, waarbij: 1.