Bijlage - Omgevingsverordening prov. Gelderland januari 2023
Tekst van het document
Afdeling 2.4 Veehouderij Artikel 2.28 (instructieregel bestemmingsplan nieuwvestiging grondgebonden veehouderijbedrijf) 1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen het agrarisch gebied maakt nieuwvestiging
van een grondgebonden veehouderijbedrijf alleen mogelijk als: a. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de nieuwvestiging een verbetering van de landbouwstructuur oplevert en dat hervestiging op een bestaand agrarisch bouwperceel bedrijfseconomisch niet mogelijk is, of b. een bestaand veehouderijbedrijf moet worden verplaatst op initiatief van de overheid ten behoeve van het realiseren van ruimtelijke doelen van algemeen maatschappelijk belangen. 2. Het bestemmingsplan voorziet in een goede landschappelijke inpassing. Artikel 2.29 (instructieregel bestemmingsplan nieuwvestiging niet-grondgebonden veehouderijbedrijf) Een bestemmingsplan voor gronden binnen het agrarisch gebied maakt nieuwvestiging van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf niet mogelijk. Artikel 2.30 (uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of veehouderijtak: handreiking beleidsregels Plussenbeleid) 1. Gedeputeerde Staten stellen in een handreiking een algemeen kader vast voor de door het
gemeentebestuur op te stellen beleidsregels Plussenbeleid. 2. De handreiking Plussenbeleid bevat in ieder geval als kader dat: a. uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of niet-grondgebonden veehouderijtak alleen mogelijk is als door de aanvrager plusmaatregelen worden getroffen; b. de investering in de te treffen plusmaatregelen aantoonbaar € 15,- tot € 20,- per vierkante meter bruto stalvloeroppervlakte van de uitbreiding bedraagt; c. de plusmaatregelen getroffen worden in de volgende rangorde:
i. ter plaatse op het erf; ii. in de directe omgeving van het erf; iii. in de omgeving van de direct-omwonenden. d. de te treffen plusmaatregelen geborgd worden in: i. een privaatrechtelijke overeenkomst, inclusief een boetebeding; ii. een voorwaardelijke plicht in het bestemmingsplan, of iii. de voorschriften van een omgevingsvergunning.
Artikel 2.31 (instructieregel bestemmingsplan Plussenbeleid) 1. Een bestemmingsplan maakt een uitbreiding van een niet-grondgebonden
veehouderijbedrijf of niet-grondgebonden veehouderijtak alleen mogelijk als de uitbreiding voldoet aan door het gemeentebestuur in overeenstemming met de handreiking Plussenbeleid vastgestelde beleidsregels. 2. Een bestemmingsplan kan eens per vijf jaar een uitbreiding van een niet-grondgebonden
veehouderijbedrijf of veehouderijtak mogelijk maken met een omvang van ten hoogste 500 vierkante meter, waarop de vastgestelde beleidsregels niet van toepassing zijn.
Artikel 2.32 (vervallen) Artikel 2.33 (instructieregel bestemmingsplan niet-grondgebonden veehouderijtak in Ammoniakbuffergebied) In aanvulling op de artikelen 2.29 en 2.31, eerste lid, maakt een bestemmingsplan voor gronden binnen het Ammoniakbuffergebied: a. nieuw- en hervestiging van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of niet-grondgebonden
veehouderijtak niet mogelijk; b. uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijtak alleen mogelijk als de emissie van ammoniak niet toeneemt. Artikel 2.34 (tijdelijk verbod op nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderij) 1. Het is verboden om: a. een geitenhouderij te vestigen; b. een veehouderijbedrijf of een veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren
geheel of gedeeltelijk te wijzigen in een geitenhouderij; c. het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehouden te vergroten; d. de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten te vergroten, tenzij het vergunde, dan
wel gemelde aantal geiten aantoonbaar niet groeit; e. een dierenverblijf voor een geitenhouderij op te richten en een gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen; f. bouwwerken of gronden tijdelijk te gebruiken voor een geitenhouderij.
2. Het eerste lid, onderdelen c tot en met f, geldt niet voor op het eigen bedrijf geboren
geitenlammeren tot een leeftijd van 60 dagen, mits het vergunde, dan wel gemelde aantal geiten van 61 dagen en ouder niet groeit ten opzichte van het aantal op 30 augustus 2017 legaal gehouden aantal geiten van 61 dagen en ouder, rekening houdend met het derde lid. 3. Dit verbod is niet van toepassing voor zover voor die activiteit op 30 augustus 2017: a. een ontvankelijke melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit bij het bevoegd gezag is ingediend; of b. een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning bij het bevoegd gezag is ingediend, tenzij de aanvraag ziet op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 4. Dit verbod geldt voor het betreffende plangebied zolang geen bestemmingsplan als bedoeld
in artikel 8.1 voor dat plangebied in werking is getreden dat overeenstemt met het eerste lid. 5. In afwijking van artikel 8.1, derde lid, stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan dat overeenstemt met het eerste lid uiterlijk voor 1 januari 2026 vast, tenzij door Gedeputeerde Staten uitstel is verleend om reden dat Provinciale Staten het tijdelijke verbod in heroverweging hebben genomen. Artikel 2.35 (nevenactiviteiten agrarische bedrijven in Agrarisch gebied) 1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen het agrarisch gebied maakt een nevenactiviteit
mogelijk onder de volgende voorwaarden: a. er is sprake van verkoop van zelfgeteelde of -geproduceerde agrarische producten en op beperkte schaal aanverwante artikelen, eventueel aangevuld met agrarische producten afkomstig van bedrijven uit de omgeving; b. de nevenactiviteiten vormen geen belemmering voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. 2. Het bestemmingsplan voorziet in een goede landschappelijke inpassing. TOELICHTING Afdeling 2.4 Veehouderij In ons beleid voor de veehouderij maken we onderscheid tussen grondgebonden en nietgrondgebonden veehouderijbedrijf en -takken. Binnen de grondgebonden landbouw is de melkveehouderij van dominante betekenis. Niet alleen in economisch opzicht, maar ook als gebruiker van ongeveer 60 procent van het Gelderse platteland. Door dit grote ruimtegebruik is deze productietak ook van groot belang voor ecologische en landschappelijke waarden. Om deze waarden in de agrarische cultuurlandschappen te borgen, is het noodzakelijk een economisch gezonde landbouw te behouden. Grondgebonden veehouderijbedrijven (waaronder de melkveebedrijven) krijgen ruimte om zich te ontwikkelen. Daarbij moeten ze wel zorgen voor ruimtelijke kwaliteit en een goede landschappelijke inpassing. De grondgebonden landbouw zal
duurzamer gaan produceren vanuit gesloten, groene kringlopen. Het is zaak dat in de kringloop bodem, gewas, veevoer, vee en
de mest terug naar de bodem, zo min mogelijk verliezen optreden en de bodemkwaliteit op peil blijft. Een goede verhouding tussen het aantal dieren en de oppervlakte cultuurgrond waarover het bedrijf beschikt, is van invloed op een duurzame productie. Een veehouderijbedrijf dient bij een verzoek tot uitbreiding aan te geven dat het over voldoende grond beschikt om de dieren in de nieuwe situatie grotendeels te kunnen voeren met de opbrengst afkomstig van de grond die tot het bedrijf behoort. Het gaat daarbij om grond in eigendom of in pacht bij het bedrijf, gelegen in de omgeving van de bedrijfsgebouwen. Een dergelijke grondgebondenheidstoets is een momentopname. Dat wil zeggen dat de grond in latere jaren kan verminderen door verkoop of beëindiging van pacht, en dat het (melk) veehouderbedrijf alsnog overgaat naar een niet-grondgebonden productie. Verdere ontwikkeling van het desbetreffende (melk) veehouderijbedrijf is dan alleen mogelijk als opnieuw aan de eis van grondgebondenheid wordt voldaan. Afdeling 2.4 bevat instructieregels voor de omgang bij nieuwvestiging (artikel 2.28 en 2.29) en uitbreiding (artikel 2.31) van grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderijbedrijven en takken in bestemmingsplannen.
Uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven en takken kan alleen als de aanvrager extra maatregelen neemt op het gebied van dierwelzijn, landschappelijke inpassing en milieu. Voor deze extra maatregelen (‘plusmaatregelen’) moeten gemeenten beleidsregels opstellen (artikel 2.30). Gedeputeerde Staten stellen voor dit ‘Plussenbeleid’ een handreiking met de kaders voor deze beleidsregels vast. Nieuwvestiging en uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderijtakken in Ammoniakbuffergebieden is aan regels gebonden (artikel 2.33). Nevenactiviteiten van agrarische bedrijven zijn onder voorwaarden mogelijk (artikel 2.35). Voor geitenhouderijen geldt een tijdelijk verbod op nieuwvestiging en uitbreiding (artikel 2.34). Artikel 2.28 (instructieregel bestemmingsplan nieuwvestiging grondgebonden veehouderijbedrijf) Bestemmingsplannen bieden geen ruimte voor het oprichten van een grondgebonden veehouderijbedrijf. Hierop gelden enkele uitzonderingen. Als bedrijven op initiatief van de overheid moeten verplaatsen vanwege een algemeen maatschappelijk belang. Denk aan stadsuitbreiding, nieuwe natuur of infrastructuur. Of als een bestaand bedrijf moet verplaatsen om een goede landbouwstructuur (verkavelingssituatie) te creëren. Hierbij geldt dat eerst gekeken moet worden of een bestaand agrarisch bouwperceel kan worden herbenut.
Wanneer dat niet mogelijk of ondoelmatig is, kan de gemeente een nieuw agrarisch bouwperceel toekennen. De ligging van de grond die tot het bedrijf behoort, de ontsluiting en de aanwezigheid van andere gevoelige functies zijn in dat geval van belang bij de uiteindelijke keuze van de nieuwe bedrijfslocatie. Ruimtelijke kwaliteit en een goede landschappelijke inpassing zijn daarbij van belang. Artikel 2.29 (instructieregel bestemmingsplan nieuwvestiging niet-grondgebonden
veehouderijbedrijf) nieuwvestiging (bij veehouderijbedrijf) van niet-grondgebonden veehouderij is niet toegestaan. Onder ‘nieuwvestiging’ wordt verstaan: vestiging van of het planologisch mogelijk maken van een veehouderijbedrijf op een nieuw agrarisch bouwperceel. Dit verbod is ingesteld ter bescherming van de kwetsbare natuurgebieden in Gelderland. Dit verbod ziet niet op uitbreiding van bestaande niet grondgebonden bedrijven binnen Gelderland. Aan die bedrijven worden onder voorwaarden reële uitbreidingsmogelijkheden gegeven. Met het op 22 maart 2017 vervallen van de maximale bouwmaten van 1 respectievelijk 1,5 hectare en met het daarvoor in de plaats komende Plussenbeleid (artikel 2.30) wordt de in de sector verwachte schaalvergroting op een duurzame wijze mogelijk gemaakt. Artikel 2.30 (uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of veehouderijtak: handreiking beleidsregels Plussenbeleid) Eerste lid: Uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of tak is toegestaan als het bedrijf extra maatregelen neemt ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving op het gebied van: dierwelzijn, landschappelijke inpassing en milieu. Voor deze extra maatregelen (‘plusmaatregel’) stellen Gedeputeerde Staten voor gemeenten een Handreiking Plussenbeleid vast.
Gemeenten moeten dit beleid toepassen vanaf het moment van inwerkingtreding van het Plussenbeleid (22 maart 2017) als zij bestemmingsplannen opstellen die betrekking hebben op niet-grondgebonden veehouderij. Dit kan zowel gaan om een postzegelplan voor een veehouderijtak als om een (deel) bestemmingsplan buitengebied. Tweede lid: Provinciale Staten geven Gedeputeerde Staten een kader mee voor deze handreiking. Dat kader is ontleend aan de Omgevingsvisie (2014-2018). De tekst van de handreiking is een-op-een overgenomen uit de tekst over het Plussenbeleid in de Verdieping bij de Omgevingsvisie (2014-2018). Gemeenten stellen met gebruikmaking van die handreiking beleidsregels vast, die van toepassing zijn op een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf. Artikel 2.31 (instructieregel bestemmingsplan Plussenbeleid) Eerste lid: De gemeente moet in alle gevallen eerst beleid en beleidsregels vaststellen in overeenstemming met de provinciale verordening en visie, voordat een bestemmingsplan wordt opgesteld. Het Plussenbeleid is van toepassing op niet-grondgebonden veehouderijbedrijven en -takken. Met het Plussenbeleid wordt het ontstaan van een niet-grondgebonden onderdeel van een bestaand bedrijf en uitbreiding van een niet -grondgebondenbedrijf of onderdeel van een bedrijf groter dan 500 vierkante meter gebonden aan de kwalitatieve eisen van het Plussenbeleid.
Ook een van oorsprong grondgebonden bedrijf dat met een niet-grondgebonden bedrijfsdeel uitbreidt, valt dus onder het Plussenbeleid.
Tweede lid: Een beperkte uitbreiding van maximaal 500 vierkante meter is zonder toepassing van de beleidsregels, eens in de vijf jaar mogelijk. Artikel 2.32 (vervallen) Geen toelichting. Artikel 2.33 (instructieregel bestemmingsplan niet-grondgebonden veehouderijtak in Ammoniakbuffergebied) Artikel 2.33 geldt alleen binnen het ‘Ammoniakbuffergebied’. Dit gebied omvat een zone van 250 meter rondom zeer gevoelige natuur in het Gelders natuurnetwerk. Omdat deze zones rond de prioritaire natuurgebieden liggen, is het gerechtvaardigd dat de eis geldt dat nieuwvestiging (bij veehouderijbedrijf)- of hervestiging (bij veehouderijbedrijf) van intensieve veehouderij daar niet is toegestaan en dat bij uitbreiding van een bestaand bedrijf de emissie van ammoniak op de locatie niet mag toenemen. Met ‘toename van emissie’ wordt hier hetzelfde bedoeld als in de Wet ammoniak en veehouderij. Er wordt dus geen ontwikkelingsruimte geboden in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Deze eisen gelden bovenop het ‘Plussenbeleid’, dat ook op niet-grondgebonden (intensieve) veehouderij van toepassing is. Met het zogenoemde Reconstructiebeleid is aan perspectiefvolle bedrijven de mogelijkheid geboden te verplaatsen naar gebieden die minder gevoelig zijn voor stikstofdepositie.
Artikel 2.34 (tijdelijk verbod op nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderij) Artikel 2.34 is de uitwerking van het op 30 augustus 2017 door Provinciale Staten genomen voorbereidingsbesluit (PS2017-510, Provinciaal Blad 2017, nr. 3851 en Staatscourant 2017, nr. 50241). Een ‘geitenhouderij’ valt in deze Omgevingsverordening onder het bredere begrip ‘veehouderij’: ‘Een inrichting, geheel of gedeeltelijk bestemd voor het fokken, mesten of houden van landbouwhuisdieren’. Van een geitenhouderij is sprake als in een veehouderij of in een veehouderijtak geiten worden gehouden. Het gaat bij dit verbod dus om het bedrijfsmatig of in een bedrijfsmatige omvang houden van geiten. Het op kleine schaal, niet bedrijfsmatig houden van geiten, zoals op kinderboerderijen of bij hobbyboeren, valt niet onder het verbod tot nieuwvestiging en uitbreiding. Voor het aantal landbouwhuisdieren dat gehouden kan worden, zonder dat sprake is van het ‘bedrijfsmatig houden’ van dieren, bieden de artikelen 1.18 en 3.111 van het Activiteitenbesluit milieubeheer een duidelijk aanwijzing. In die artikelen wordt als ondergrens voor het bedrijfsmatig of in een bedrijfsmatige omvang houden van geiten het aantal van 10 genoemd.
Naast de omvang van de dierstapel of het houden van landbouwhuisdieren noemt de jurisprudentie onder meer een commercieel doeleind (het genereren van inkomsten, een winstoogmerk) en de wijze van huisvesting als relevante criteria. Eerste lid: bevat een rechtstreeks voor de veehouderij geldende verbodsbepaling. Dit verbod ziet
op (nieuw)vestiging (onderdeel a) en (verschillende vormen van) uitbreiding (onderdelen c, d en e) van bestaande geitenhouderijen. Onderdeel b verbiedt de ‘omschakeling’ van een veehouderijbedrijf of -tak met andere landbouwhuisdieren in een geitenhouderij, omdat ook daardoor het aantal geiten toeneemt. Beoogd is een bevriezing van de bestaande legale situatie per 30 augustus 2017. Het aantal op dat moment legaal aanwezige geiten mag niet toenemen. De verbodsbepaling staat op het punt van het aantal geiten geen afwijking toe. Het uitbreidingsverbod voor een geitenverblijf geldt niet (zie onderdeel d) als de grotere huisvesting is ingegeven door dierenwelzijn (bijvoorbeeld de omschakeling naar biologisch werken met meer leefruimte voor de geiten binnen de stal), mits dit niet tot een toename van het aantal geiten leidt. Verder is ook verbouw van een verblijf mogelijk als de stal nodig toe is aan renovatie of als een asbestdak vervangen moet worden. In beginsel dient de vergrote of gewijzigde huisvesting binnen hetzelfde bouwblok te blijven. Het uitbreidingsverbod (zie onderdeel e) geldt eveneens niet voor vervangende nieuwbouw, mits dit niet tot een toename van het aantal geiten leidt.
Tweede lid: Uit oogpunt van dierenwelzijn wordt van het verbod om een geitenhouderij op enigerlei wijze uit te breiden (het eerste lid, de onderdelen c tot en met f) uitgezonderd de tijdelijke uitbreiding met jongvee tijdens en onmiddellijk na het lammerseizoen. Op deze wijze wordt voorkomen dat jonge dieren tot en met een leeftijd van 60 dagen vervoerd moeten worden. De uitzondering geldt alleen voor opfokgeitjes en bokjes die op eigen bedrijf geboren zijn. Derde lid: Ziet op bevriezing van de legaal geldende situatie, per 30 augustus 2017. Die legaal geldende situatie kan afwijken van de feitelijke situatie als op die datum nog geen uitvoering was gegeven aan een legale uitbreiding op grond van een voor de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit ingediende melding als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer of een voor de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning. Ook bij een aanvraag om een bouw- of aanlegvergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) die voor 30 augustus 2017 was ingediend, mag het bestemmingsplan worden toegepast zoals dat gold bij het indienen van de aanvraag, omdat op dat moment het voorbereidingsbesluit nog niet in werking was getreden (ABRvS 2 november 2011, BR 2012/19).
Op deze wijze wordt overgangsrecht geboden voor de situaties, waarbij vóór het moment van kennisgeving en inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit al sprake was van een voldoende concreet – immers uit een melding of aanvraag blijkend - initiatief tot uitbreiding van een geitenhouderij. Alleen een afwijkvergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) kan niet meer worden verleend, ook al dateert de aanvraag van vóór 30 augustus 2017.
De (beoogde) feitelijke situatie, die afwijkt van het geldende bestemmingsplan, is immers niet meer legaliseerbaar, gelet op het inmiddels per 30 augustus 2017 geldende verbod om het bestaande gebruik te wijzigen. Een nieuwe aanvraag na 30 augustus 2017 om een bouw- of aanlegvergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) moet bij strijdigheid met deze verbodsbepaling worden geweigerd (artikelen 2.10, eerste lid, onder c, en 2.11, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Dit geldt ook voor nieuwe aanvragen om andere (omgevings-)vergunningen, zoals een vergunning op grond van de Wet milieubeheer of de Wet natuurbescherming, of meldingen die betrekking hebben op een uitbreiding van het aantal geiten. Deze worden niet meer in behandeling genomen, omdat de aanvrager of melder geen reëel belang meer heeft bij de te weigeren aanvraag of melding. Ook in het kader van handhaving is dus de vraag of bij een illegale uitbreiding concreet zicht is op legalisering, in beginsel met een eenvoudig ‘Nee’ te beantwoorden. Vierde en vijfde lid: begrenzen de looptijd van de verbodsbepaling.
Beoogd was dat de verbodsbepaling (bevriezing van de status quo) maximaal drie jaar hoefde te gelden, omdat de verschillende deelonderzoeken naar het verband tussen geitenhouderijen en een groter aantal longontstekingen voor omwonenden tot 2021 zou duren. Omdat het onderzoek meer tijd vergt, is deze termijn verlengd. Binnen de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening moet het verbod dat tijdelijk is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening worden geïmplementeerd in de bestemmingsplannen. De wet maakt daarbij geen uitzondering voor een tijdelijk verbod. Om de gemeenten gelegenheid te geven met de aanpassing van bestemmingsplannen te wachten op de uitkomsten van de aangekondigde onderzoeken, is geregeld dat: a. het provinciale verbod blijft gelden, zolang een bestemmingsplan niet op dit
punt is geactualiseerd (derde lid); b. de actualisering uiterlijk vóór 1 januari 2026 moet worden vastgesteld, maar dat de gemeenteraden uitstel wordt verleend als Provinciale Staten op basis van de bedoelde onderzoeken dit verbod op nieuwvestiging en uitbreiding gaan heroverwegen (vierde lid). Met de implementatie tot 1 januari 2026 wordt de gangbare, in artikel 8.1, derde lid, van de Omgevingsverordening bepaalde, termijn van twee jaar specifiek voor dit verbod verlengd. Als de nadere onderzoeken geen aanleiding geven om het verbod aan te passen, dan geldt gewoon de implementatieplicht
voor de gemeenteraden om dit verbod in het bestemmingsplan en het toekomstige omgevingsplan te verankeren, maar dus wel met een ruimere termijn dan gebruikelijk. Door deze constructie worden onnodige administratieve lasten voor de gemeenten voorkomen, omdat zij de implementatie van het tijdelijke verbod zo lang mogelijk kunnen uitstellen. En tegelijk wordt hiermee voorkomen dat – als onverhoopt de onderzoeken geen duidelijkheid bieden over de precieze oorzaak van de verhoogde kans op longontsteking – er een juridisch vacuüm valt tussen de tijdelijke verbodsbepaling in de provinciale verordening en de implementatie daarvan in de bestemmingsplannen. Uiteraard laat deze constructie onverlet dat Provinciale Staten al eerder het tijdelijk verbod kunnen heroverwegen op basis van nieuwe omstandigheden, als die daartoe aanleiding geven. Artikel 2.35 (nevenactiviteiten agrarische bedrijven in Agrarisch gebied) Een nevenactiviteit is een bedrijfsactiviteit, die in ruimtelijk en bedrijfseconomisch opzicht ondergeschikt is aan de agrarische hoofdfunctie van het agrarische bedrijf.
In het buitengebied is op agrarische bedrijven detailhandel als nevenfunctie mogelijk, voor zover het de verkoop van lokaal geproduceerde agrarische producten betreft eventueel aangevuld met agrarische producten uit de omgeving of wanneer de nevenactiviteiten geen belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.