CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9 - Bijlagen bij de toelichting - Bijlage 5 - Quickscan Wet natuurbescherming

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Hoofdstraat 99 Kesteren’5.859 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BURO SRO B.V. T.a.v. mevr. E. Baeten Sweerts de LAndasstraat 50 6814 DG Arnhem

Datum

26 februari 2021

Kenmerk

BE/2021/146/r

Uw kenmerk

Email d.d. 3 februari 2021

Auteur(s)

ir. M. Poelman

Collegiale toets

ir. T.W.D. Schrader

Quickscan Wet natuurbescherming Hoofdstraat 99 te Kesteren Aan de Hoofdstraat 99 te Kesteren is een perceel gesitueerd met een woning, een tuin en een oprit. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande woning te saneren ten behoeve van de realisatie van 3 nieuwe woningen. Het bestemmingsplan voorziet al in een woonbestemming en hoeft derhalve niet te worden gewijzigd De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Marel Projecten B.V. heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk of de Groene ontwikkelingszone? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Hoofdstraat 99 te Kesteren (figuur 1). Het betreft een perceel met een bungalow woning opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een plat dak bedekt met bitumen of dakleer. Daarnaast is er een kleine schuur aanwezig opgetrokken uit houten wanden zonder spouw en een golfplaten dak. Rondom de woning ligt een tuin met diverse hagen, struiken, pot- en perkklanten en een kleine vijver. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door lintbebouwing langs de Hoofdstraat en agrarische percelen met vrijstaande woningen en boerenbedrijven. Ten noorden ligt een spoorlijn op circa 300 meter, en daar voorbij ligt de bebouwde kom van Kesteren. Op circa 480 meter ten westen ligt de N233 en de A15 ligt ten zuiden op ongeveer 860 meter.

2

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Hoofdstraat 99 te Kesteren (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Links: de woning; rechts: de kleine schuur.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van de bungalow woning en de schuur en de realisatie van 3 nieuwe woningen. Hierbij zal het groen verwijderd worden en de vijver gedempt worden. Hieronder volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • • •

saneren van de woning en de schuur: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; dempen van vijver: graaf- en dempwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

Visuele representatie van de beoogde situatie. Dit betreft een concept versie, welke mogelijk nog gewijzigd wordt (bron: verkregen via Buro SRO).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 15 februari 2021 en is uitgevoerd door ir. M. Poelman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: droog, 8/8 bewolkt, 1 Celsius en windkracht 2-3 (Bft).

3

Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de Omgevingsverordening Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone.. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand

4

melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van circa 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde vaatplanten: kleine wolfsmelk (NDFF 2011-2021). De kleine wolfsmelk is een pionierssoort die groeit op zonnige, vrij warme, open plaatsen op vochtige, matig voedselrijke, kalkrijke grond. Voorbeelden van groeiplaatsen zijn omgewerkte grond, akkers, braakliggende grond, perken, bermen en dijken (langs padranden en in open plekken) en langs spoorwegen (Wilde planten, 2020). De planlocatie betreft een woonperceel met een onderhouden tuin. Het bodemtype van de planlocatie betreft een kalkloze poldervaaggrond (PDOK viewer, 2021).

Dit is geen geschikt biotoop voor de kleine wolfsmelk, welke op kalkrijke en relatief kale bodems groeit. Ter plaatse van de planlocatie is sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: coniferen, Engels raaigras, gewone braam, hortensia, klimop, ruwe berk en schietwilg. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, vos en wezel (NDFF 2011-2021).

Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, steenmarter en wezel.

5

Grondgebonden zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. De bever komt voor in overgangsgebieden van water naar land zoals moeras gebieden en uiterwaarden. Voor de bever is geen geschikt habitat aanwezig op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van de soort kan derhalve uitgesloten worden. De bunzing, steenmarter en wezel zijn marterachtigen en komen voornamelijk voor in kleinschalige landschappen met afwisselende structuren. Groene elementen als houtwallen, bosschages, struwelen en begroeide oevers vormen belangrijke dekking-, migratie- en foerageergebieden. De tuin van de planlocatie heeft een vrij open karakter er zijn enkel een aantal hagen, bomen en beperkt struweel aanwezig, waardoor de planlocatie geen onderdeel zal uitmaken van essentieel leefgebied van marterachtigen. De bunzing en wezel geven de voorkeur aan droge ruimte als oude holen, takkenstappels en hole bomen als rust- en voortplantingsplaats. Dergelijke structuren zijn op de planlocatie niet aangetroffen. De steenmarter geeft specifiek de voorkeur aan oude schuren en stallen als rust- en voortplantingsplaats. Hierbij zullen er veelal sporen als uitwerpselen, prenten en prooiresten aanwezig zijn. Dergelijke sporen zijn in en om de bebouwing niet aangetroffen.

Daarnaast zijn er geen geschikte openingen aanwezig die de bebouwing toegankelijk maakt voor de steenmarter. Er is derhalve geen sprake van vaste rustof voortplantingsplaatsen of structuren die essentieel zijn voor het functioneren hiervan. Negatieve effecten op voornoemde marterachtigen kunnen uitgesloten worden De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten, zoals egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van circa 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 20112021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). De bomen op de planlocatie zijn geïnspecteerd op de aanwezigheid van structuren als boomholten of loszittend schors welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats voor vleermuizen. Derglijke structuren zijn niet aangetroffen in de bomen op de planlocatie. Negatieve effecten op rust- en/of verblijfplaats van boom bewonende vleermuizen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling zijn derhalve uitgesloten. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden.

De kleine schuur heeft geen potentie voor het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen. Het heeft geen spouw of geschikt dak is te laag. De woning heeft een spouwmuur, maar er zijn geen open stootvoegen, kierende kozijnen, kieren tussen gevels en dakoverstekken of andere geschikte invliegopeningen aangetroffen die vleermuizen toegang zouden kunnen verschaffen tot de spouw (figuur 4). Het dak betreft een plat bitumen dak welke ongeschikt is voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Overige structuren zoals raamluiken, gevelbetimmering of kierende loodflapjes waar vleermuizen in of onder zouden kunnen verblijven zijn eveneens niet aangetroffen. Er is tevens geen sprake van zolders met loshangende balken welke geschikt

6

zouden kunnen zijn voor grootoorvleermuizen. Het is derhalve uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis.

Figuur 4

In de woning zijn geen openingen aanwezig wia welke vleermuizen toegang kunnen krijgen tot de spouw. Dakranden sluiten nauw aan; er zijn geen kieren tussen gevels en dakoverstek; en er zijn ventilatieroosters in plaats van open stootvoegen.

Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Op de planlocatie is geen sprake van een essentiële vliegroute door het ontbreken van rechtlijnige, structuurrijke elementen zoals bomenrijen die een belangrijke verbindingsroute vormen tussen habitatelementen van vleermuizen. Er is eveneens geen sprake van essentieel foerageergebied, gezien er weinig sprake is van luwte en er veer vergelijkbaar (en geschikter) foerageergebied aanwezig is in de omgeving. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen.

Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet

7

natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: poelkikker en rugstreeppad. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De poelkikker komt voornamelijk voor in landschapstypen als bos, heide en hoogveen. Daarnaast zijn er steeds meer waarnemingen bekend uit halfnatuurlijke graslanden, agrarische klei- en zandgronden, ruderale gronden en laagveengebieden (BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017; Creemers et al., 2009; NDFF, 2010-2020). De planlocatie is deels verhard en bebouwd, en er vindt verstoring plaats door menselijke activiteit. In de tuin is enkel een kleine vijver aanwezig, welke niet geschikt is voor de poelkikker. Ten westen van de planlocatie ligt een sloot, welke eveneens niet geschikt is als voortplantingswater van de poelkikkker. De planlocatie zal derhalve geen essentiële functie vervullen voor de soort, waarmee negatieve effecten op de poelkikker uitgesloten kunnen worden. De rugstreeppad is een pionierssoort die veel voorkomt in ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie en goed vergraafbare grond. Braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden zijn voorbeelden van beschikt biotoop voor de soort.

Het voorplantingswater is ondiep, warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën. De soort komt echter ook wel eens voor in kavelsloten (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). De planlocatie voldoet niet aan de ideale habitateisen voor de rugstreeppad. Er is geen sprake van ruig, dynamische terrein. De kleine vijver is geen geschikt voortplantingswater en er zijn weinig overwinteringsstructuren aanwezig. De planlocatie zal momenteel derhalve geen essentiële functie vervullen voor de soort. Ten gevolge van bouwwerkzaamheden kan echter geschikt leefgebied ontstaan, bijvoorbeeld wanneer er zandige terreinen (zanddepots) worden aangelegd. In 2020 is in het gebied Casterhoven ten westen van de planlocatie onderzoek naar de rugstreeppad uitgevoerd middels eDNA (Fairhurst, 2020). Hierbij is geen DNA materiaal van rugstreeppadden aangetroffen. De meest recente waarneming in NDFF (2011-2021) is gedaan op circa 2 km afstand ten zuiden van de planlocatie, aan de overzijde van de A15, welke een barrière vormt voor migratie. Migratie van de soort naar de planlocatie is derhalve onwaarschijnlijk. Negatieve effecten op de rugstreeppad ten gevolge van de beoogde ontwikkeling zijn uitgesloten.

Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang komt veel voor in waterrijke gebieden met hoge waterkwaliteit en voldoende voedselaanbod. In de omgeving dienen voldoende droge locaties aanwezig te zijn waar eieren afgezet kunnen worden. Structuren als (composterende)bladhopen, aangespoeld materiaal, muizenholen, strobalen en composthopen zijn hier geschikt voor (Creemers & Van Delft, 2009; Ravon, 2020). Op de planlocatie is geen sprake van geschikt oppervlaktewater en/of geschikte structuren voor ei afzet. Daarnaast is de ringslang erg gevoelig voor (menselijke) verstoring. De planlocatie is bewoond, waardoor er sprake is van verstoring door menselijke activiteiten. De planlocatie zal derhalve geen onderdeel uitmaken van leefgebied van de ringslang.

Er is geen sprake van het wegnemen van essentiële habitatonderdelen als voortplantingsplaatsen, essentieel foerageergebied of een essentiële migratieroute. Negatieve effecten op de ringslang zijn derhalve uitgesloten. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de aanwezigheid van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve niet aan de orde.

8

Vissen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). In 2020 is in het gebied Casterhoven ten westen van de planlocatie onderzoek uitgevoerd naar de grote modderkruiper middels eDNA (Fairhurst, 2020). Hierbij is er DNA materiaal van grote modderkruipers aangetroffen. De soort komt met name voor in wateren met een dikke sliblaag en bij voorkeur vegetatie. Hier is geen sprake van op de planlocatie. Negatieve effecten op de soort zijn derhalve uitgesloten. Op de planlocatie is enkel een kleine vijver aanwezig welke verwijderd zal worden. Deze vijver is niet geschikt voor (beschermde) vissen. De sloot ten westen van de planlocatie blijft onaangetast tijdens de beoogde ontwikkeling. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: teunisbloempijlstaart (NDFF 2011-2021). De teunisbloempijlstaart komt voor op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Waardplanten voor de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. De planlocatie is geen geschikt habitat voor de soort. Negatieve effecten kunnen derhalve worden uitgesloten.

Op de planlocatie is geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, merel, vink en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De bebouwing op de planlocatie is ongeschikt voor nesten van huismussen. De woning heeft een plat bitumen dak welke geen mogelijkheden biedt voor huismusnesten.

De kleine schuur heeft een golfplaten dak welke niet geschikt is voor huismussen, door de geringe hoogte en doordat de toegang grotendeels geblokkeerd wordt door naastliggende beplanting. Overige potentieel geschikte structuren zijn eveneens niet aangetroffen. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ontwikkeling leidt tot beperkte aantasting van groene delen, echter resulteerd dit niet in een afname van essentieel leefgebied van huismussen. Van aantasting van nestlocaties en essentieel functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). In de bebouwing zijn geen geschikte invliegopeningen aangetroffen die leiden naar een potentieel geschikte verblijfplaats voor gierzwaluwen. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. De bebouwing is ongeschikt voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil). Op de planlocatie is geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van uilen, gezien er voornamelijk sprake is van gras met wat struweel en enkele pot- en perkplanten. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie.

De aanwezigheid van nesten van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van roofvogelsoorten. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.

9

Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Er hangt een zelfgemaakt nestkast (figuur 5) in een boom in de tuin welke qua gatgrootte bedoeld lijkt voor een bosuil. Echter, heeft de kast zelf een te klein formaat om geschikt te zijn voor een bosuil. Daarnaast bevindt de kast zich aan een solitaire boom op een open grasveld in stedelijk gebied. Dit is ongeschikt voor bosuilen. Het gat is te groot om geschikt te zijn voor een steenuil. Op of onder de nestkast zijn geen krijtsporen of braakballen aangetroffen. De kast zal derhalve niet in gebruik zijn door een uil. De nestkast zou wel geschikt kunnen zijn voor duiven of andere soorten broedvogels. Er staat tevens een duiventil in de tuin waar nest materiaal in aanwezig was.

Figuur 5

Zelfgemaakte nestkast in een solitaire boom.

Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van broedvogels beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de nestkasten verwijderd worden en werkzaamheden opgestart worden buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

10

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 1,9 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 6). Op een afstand van circa 1,5 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,7 km ligt de Groene ontwikkelingszone (figuur 7).

1,9 km

Rijntakken

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,9 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: Arcgis.com).

1,5 km 1,7 km

Figuur 7

11

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,5 km tot het Gelders Natuurnetwerk en 1,7 km tot de Groene ontwikkelingszone (bron: Arcgis.com).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende groot is en de beoogde ontwikkeling van voldoende kleine schaal is om significante negatieve effecten uit te kunnen sluiten.. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 3 nieuwe woningen. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen.

De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er een relatief geringe afstand (1,9 km) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

12

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of de Groene ontwikkelingszone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Om de effecten omtrent stikstofemissie inzichtelijk te maken dient er een AERIUS Calculatie uitgevoerd te worden. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2

Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep Beschermings- Soortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels

Tabel 5

Nee

Overzicht van de Gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Effecten

Nader onderzoek

Natura 2000

1,9 km

Stikstof

AERIUS

Gelders Natuurnetwerk

1,5 km

Geen

N.v.t.

Groene ontwikkelingszone

1,7 km

Geen

N.v.t.

Tabel 6

13

Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Overzicht van de Houtopstanden.

Houtopstanden

Aanwezig

Kap

Melding

Struiken

Ja

Ja

N.v.t.

Bomen

Ja

Ja

N.v.t.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wnb. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De sloop van een woning en de realisatie van drie nieuwe woningen aan de Hoofdstraat 99 te Kesteren is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a.

op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

14

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita (voorheen Bufo calamita), versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Fairhurst, G., 2020.

Aanvullend onderzoek naar grote modderkruiper, poelkikker en rugstreeppad Casterhoven West te Kesteren. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

15

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. M. Poelman Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

16

Bijlage 1 Fotografische impressie

17

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Hoofdstraat 99 te Kesteren en bestaat uit een woning, een kleine schuur, een tuin en een oprit.

Figuur 2

Een deel van de tuin op de planlocatie.

18

Figuur 3

De vijver en een deel van de tuin op planlocatie.

Figuur 4

De oprit en de schuur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11778071/1