Bijlage 9 - Bijlagen bij de toelichting - Bijlage 5 - Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
BURO SRO OOST B.V. T.a.v. mevr. L. Brouwer Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem
Datum
28 mei 2020 (revisie op 15 december 2020)
Kenmerk
BE/2020/321/r
Uw kenmerk
Email d.d. 06-04-2020
Auteur
ir. T.W.D. Schrader
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Revisie
ir. T.W.D. Schrader
Quickscan Wet natuurbescherming Torenstraat – Hoofdstraat te Kesteren Op de adressen Torenstraat 5 en Hoofdstraat 6-10 te Kesteren is bebouwing met op de begane grond bedrijfsruimten en enkele bovenwoningen gesitueerd. Bouwbedrijf J.G. Timmer is voornemens in en aan de bestaande bebouwing een herontwikkeling uit te voeren. Hiervoor wordt het pand aan de Torenstraat 5 uitgebreid en worden gevels en daken gerenoveerd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Torenstraat 5 en Hoofdstraat 6-10 te Kesteren (figuur 1). Binnen het plangebied zijn twee geschakelde gebouwen aanwezig. Aan de voorzijde (oostelijke gedeelte) is een pand (Hoofdstraat 6-10) met gemetselde muren met spouw en een pannen zadeldak met overstek gesitueerd. De achterzijde (Torenstraat 5) betreft een pand met één bouwlaag uit gemetselde muren en een plat bitumen dak. Het overige gedeelte van het plangebied is vrijwel volledig verhard, op een groenperk na. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een hoge mate van bebouwde omgeving. De Hoofdstraat is een drukke doorgaande weg in Kesteren en het plangebied grenst aan de parkeerplaats van de lokale supermarkt. Er is veel sprake van menselijke verstoring en verkeersbewegingen. Binnen en in de omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied ligt 2 km ten zuiden van de Rijn en 1,5 km ten noorden van de A15/Betuwe-spoorlijn.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Torenstraat 5 en Hoofdstraat 6-10 te Kesteren (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de herontwikkeling van de twee panden. Het lage pand (Torenstraat 5) wordt hierbij uitgebreid. Aan de Hoofdstraat 6-10 zijn inpandige werkzaamheden en kleinschalige werkzaamheden aan de buitenschil voorzien. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • •
uitbreiden van Torenstraat 5: algemene sloop- en bouwwerkzaamheden en af- en aanvoer materiaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: J.G. Timmer Bouwbedrijf).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 16 april 2020 en is uitgevoerd door ir. T.W.D. Schrader. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 21 Celsius en windkracht 1 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
3
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker Gewone pad Ree Bosmuis Haas Rosse woelmuis Bruine kikker Huisspitsmuis Tweekleurige bosspitsmuis Dwergmuis Kleine watersalamander Veldmuis Dwergspitsmuis Konijn Vos Egel Meerkikker Woelrat (b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht.
(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft:
4
a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van de volgende beschermde vaatplanten bekend: kleine wolfsmelk (NDFF 2010-2020). De kleine wolfsmelk groeit op zonnige kalkrijke grond, akkers en bermen. Het plangebied is vrijwel volledig verhard, waardoor er geen sprake is van geschikte groeiplaatsen voor kleine wolfsmelk. Het voorkomen van de soort binnen het plangebied is uitgesloten. Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Tussen de stoeptegels en in de perken is enkel kruiddistel, paardenbloem en straatgras aanwezig. In het perkje staat een esdoorn. Verder is het plangebied vrijwel volledig verhard.
Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, steenmarter, vos en wezel (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, steenmarter en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Het leefgebied van de bever bestaat uit moerasgebieden die rijk zijn aan wilgen.
Binnen het plangebied is geen sprake van geschikt leefgebied, waardoor het voorkomen van de bever is uitgesloten.
5
De bunzing en de wezel zijn beide kleine marterachtigen. Het leefgebied van deze twee soorten bestaat uit kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. Beide soorten worden sporadisch in de omgeving van Kesteren waargenomen, maar ter plaatse van het plangebied is geen geschikt leefgebied aanwezig. Door de hoge mate van verharding en menselijke verstoring is het uitgesloten dat er sprake is van een verblijfplaats of een essentieel onderdeel van het leefgebied van bunzing of wezel. Het voorkomen van beide soorten wordt uitgesloten. De steenmarter komt geregeld voor in een bebouwde omgeving. Hier kan de soort verblijfplaatsen vinden in bijvoorbeeld een toegankelijke dakruimte. Verblijfplaatsen of voortplantingsplaatsen van steenmarter gaan gepaard met geclusterde ontlasting en prooiresten. Derhalve is over het algemeen bij een verblijfplaats van steenmarter snel sprake van overlast door geur en geluid. Aan de panden binnen het plangebied zijn geen grote openingen aangetroffen waar steenmarters eenvoudig gebruik van kunnen maken om een dakruimte te betreden. Daarnaast kan door de afwezigheid van klachten en waarnemingen het voorkomen van een vaste verblijfplaats of voortplantingsplaats uitgesloten worden. Negatieve effecten op steenmarter worden uitgesloten.
Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis en laatvlieger (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.
Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Aan weerszijden van de kopgevels hingen ten tijde van het veldbezoek vleermuiskasten. Deze kasten zijn enkele jaren geleden opgehangen in het kader van een ander ontheffingstraject en vervulden enkel een tijdelijke functie gedurende sloop- en bouwwerkzaamheden. Bij het veldbezoek zijn beide vleermuiskasten geïnspecteerd op aanwezigheid van vleermuizen. Er bleken geen vleermuizen aanwezig te zijn in de vleermuiskasten. Op de planlocatie is 1 esdoorn aanwezig welke is geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. In deze boom zijn geen boomholten aangetroffen. De bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden.
Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Aan het pand aan de Hoofdstraat 6-10 zijn meerdere openingen aangetroffen die vleermuizen toegang kunnen bieden tot geschikte verblijfplaatsen. Deze openingen betreffen ventilatieroosters die toegang bieden tot de luchtspouw en kierende kantpannen die toegang bieden tot de dakruimte en evt. de luchtspouw. In dit pand is dus potentie aanwezig voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Aan de Hoofdstraat 6-10 zijn echter geen werkzaamheden voorzien die effect hebben op verblijfplaatsen van vleermuizen. Werkzaamheden aan de
6
buitenschil betreffen hier uitsluitend schilderwerk. Aan de Torenstraat 5 zijn wel aanpassingen van de buitenschil voorzien. Op deze locatie (uitsluitend laagbouw) zijn geen geschikte in- en uitvliegopeningen aangetroffen. De luchtspouw van beide panden zijn niet onderling verbonden. Ten gevolge van de beoogde ingreep worden er dus geen negatieve effecten ten aanzien van gebouwbewonende vleermuizen verwacht.
Figuur 4
Aanwezige vleermuiskast aan de kopgevel. Deze vleermuiskast bleek bij inspectie ten tijde van het veldbezoek niet bewoond.
Er worden geen grote of lijnvormige groenstructuren aangetast, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten op foerageergebieden of vliegroutes. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen kortstondige vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2010-2020).
Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: poelkikker. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Op en nabij de planlocatie is geen oppervlaktewater. De planlocatie is verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Het is uitgesloten dat er amfibieën aanwezig zijn op de planlocatie. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten.
7
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van ringslang (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geld dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang is verbonden aan natuurlijke oevers met weinig verstoring. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van de ringslang binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden niet bekend (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster, huismus, kauw, koolmees, merel en postduif. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat.
1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Gedurende het veldbezoek zijn huismussen waargenomen op het dak van de Hoofdstraat 6-10. Afgaande op de nest-indicatieve waarnemingen gedurende het veldbezoek is er sprake van minimaal 4 huismusnesten aan de achterzijde van het pand en minimaal 2 huismusnesten aan de voorzijde van het pand. Het dak van de Hoofdstraat 6-10 blijft echter in zijn huidige vorm behouden in de beoogde ontwikkeling, hier vindt uitsluitend schilderwerk plaats. Het dak van de Torenstraat 5 is door het platte bitumen dak ongeschikt als nestlocatie van huismussen, waardoor er geen sprake is van het wegnemen van nestlocaties van huismussen.
De aanpassingen aan de Torenstraat 5 hebben in de nieuwe situatie geen negatief effect op de toegankelijkheid of geschiktheid van de nesten aan de Hoofdstraat 6-10. Gedurende de sloop- en bouwwerkzaamheden dient er rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van huismussen, om verstoring gedurende het broedseizoen te voorkomen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken. De kierende kantpannen van de Hoofdstraat 6-10 bieden voldoende openingen om gierzwaluwen toegang te bieden tot de dakruimte. Het dak van de Hoofdstraat 6-10 blijft echter in zijn huidige vorm behouden in de beoogde ontwikkeling en het dak van de Torenstraat 5 is ongeschikt, waardoor er geen sprake is van het wegnemen van nestlocaties van gierzwaluwen. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van uilen of roofvogels. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De
8
aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake, mits er maatregelen worden getroffen ten aanzien van de aanwezige huismussen. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De bebouwing (Hoofdstraat 6-10) vormen voor algemene broedvogels zoals spreeuwen, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Op een afstand van circa 1,5 km ligt het Natura 2000gebied ‘Rijntakken’ (figuur 5). Op een afstand van circa 1,3 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op circa 1,4 km ligt de Groene ontwikkelingszone (figuur 6).
Figuur 5
9
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,5 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK).
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,3 km tot het Gelders Natuurnetwerk en 1,4 km tot de Groene ontwikkelingszone (bron: nationaal Georegister PDOK).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de herontwikkeling van twee panden. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’).
Gezien er sprake is van een grote afstand (1,5 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een zeer beperkte ontwikkeling wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
10
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie biedt mogelijke verblijfplaatsen en nestlocaties voor beschermde soorten, maar in de beoogde ontwikkeling worden deze niet weggenomen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of de Groene ontwikkelingszone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
+
-
-
-
-
-
-
+/-
n
n
n
n
+
+
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat Andere soort
-
-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
1,5 km
geen
n.v.t.
Gelders Natuurnetwerk
1,3 km
geen
n.v.t.
Groene ontwikkelingszone
1,4 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
nee
n.v.t
n.v.t.
Bomen
ja
nee
n.v.t.
n
-
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
insecten en ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.
grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van broedende huismussen, foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (n het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
11
Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Torenstraat 5 en Hoofdstraat 6-10 te Kesteren uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarde (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • In het dak van de Hoofdstraat 6-10 zijn minimaal 6 nestlocaties van huismussen aanwezig. Grootschalige sloop- en bouwwerkzaamheden dienen derhalve buiten de kwetsbare broedperiode van huismussen (maart t/m augustus) uitgevoerd te worden om verstoring met een negatief effect op de gunstige staat van instandhouding te voorkomen. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli).
Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
12
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
13
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
14
Bijlage 1 Fotografische impressie
15
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Torenstraat 5 en Hoofdstraat 6-10 te Kesteren en bestaat uit het hoge gedeelte (Hoofdstraat 6-10) en een laag gedeelte (Torenstraat 5). Alleen aan het lage gedeelte zijn ingrijpende werkzaamheden aan de buitenschil voorzien.
Figuur 2
Aan de kopgevels zijn twee vleermuiskasten aanwezig, deze waren ten tijde van het veldbezoek niet in gebruik.
16
Figuur 3
Het dak van de Hoofdstraat 6-10 biedt minimaal 6 nestlocaties voor huismussen. Er zijn minimaal 4 nestlocaties aan de achterzijde aanwezig en minimaal 2 nestlocaties aan de voorzijde. Deze nestlocaties blijven behouden in de beoogde ontwikkeling.
Figuur 4
De planlocatie ligt in een gebied met veel verharding, verkeersbewegingen en menselijke verstoring.