CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 - Quickscan Natuuronderzoek

Raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen voor Zonnepark Hemmen II7.844 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan natuuronderzoek Realisatie zonnepark Hemmen in Zetten In het kader van de Wet Natuurbescherming ‘soortenbescherming’

Dit rapport is gedrukt op 100% FSC-papier

juli 2018 (VS2) rapportnummer: 18925

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

Quickscan natuuronderzoek Realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

In het kader van de Wet Natuurbescherming ‘soortenbescherming’

In opdracht van: Gemeente Overbetuwe Postbus 11 6660 AA ELST Contactpersoon: Dhr. P. Jaarsma Uitgevoerd door: Ecochore Natuurtechniek Ruiterweg 8 7152 DE EIBERGEN T 0544-350297 M 06-15904121 E info@ecochore.nl I www.ecochore.nl Auteur: Bas Voerman Collegiale toetsing: Kees Weiland Veldwerk: Bas Voerman Datum: Versie:

juli 2018 2 (20 november 2018)

Correspondentie door Ecochore Natuurtechniek vindt uitsluitend plaats op digitale wijze of op FSC/PEFC gecertificeerd papier. Foto voorzijde:Plangebied voor het zonnepark Hemmen. Links de zomereikenbeplanting langs de Leigraafseweg.

Ecochore Natuurtechniek is aangesloten bij Samenwerkingsverband Ecologie: www.ecochore.nl

Ecochore Natuurtechniek

2

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

INHOUD INHOUD .......................................................................................................................... 3 1. AANLEIDING EN DOEL.................................................................................................... 4 2. INVENTARISATIEOPZET EN GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................. 5 2.1 Onderzoeksmethodiek .......................................................................................................................5 2.2 Gebiedsbeschrijving...........................................................................................................................5 2.3 Geplande werkzaamheden ................................................................................................................6 2.4 Volledigheid inventarisatie..................................................................................................................6

3. Onderzoeksresultaten ............................................................................................ 7 3.1 Flora...................................................................................................................................................7 3.2 (Broed)vogels.....................................................................................................................................8 3.3 Herpetofauna en vissen .....................................................................................................................8 3.4 Zoogdieren .........................................................................................................................................9 3.5 Ongewervelden ................................................................................................................................10 4. TOETSING SOORTENBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING .......................................

11 4.1 Algemeen .........................................................................................................................................11 4.2 Flora.................................................................................................................................................11 4.3 (Broed)vogels...................................................................................................................................11 4.4 Herpetofauna en vissen ...................................................................................................................13 4.5 Zoogdieren .......................................................................................................................................14 4.6 Ongewervelden ................................................................................................................................14 5. CONCLUSIE ............................................................................................................... 15 LITERATUUR.................................................................................................................. 16

BIJLAGEN ..................................................................................................................... 16 BIJLAGE 1: IMPRESSIE PLANGEBIED ................................................................................... 17 BIJLAGE 2: SOORTBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING ............................................. 18

Ecochore Natuurtechniek

3

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

1. AANLEIDING EN DOEL Stichting Lijndensche Fonds voor Kerk en Zending, is voornemens aan de Leigraafseweg in gemeente Overbetuwe, een zonnepark te realiseren. Voor deze ontwikkeling is een afwijkingsbesluit van het bestemmingsplan noodzakelijk. Middels de Wet Natuurbescherming wordt een groot aantal plant- en diersoorten beschermd. Als er plannen zijn om bepaalde (ruimtelijke) handelingen uit te voeren of wijzigingen aan te brengen in het bestemmingsplan, zal er onderzocht moeten worden of deze plannen, of onderdelen hiervan, nadelige effecten kunnen hebben op aanwezige, of mogelijk aanwezige, beschermde flora en fauna. Door het uitvoeren van een natuurtoets kan worden bepaald of dier- en plantsoorten negatieve gevolgen kunnen ondervinden van de werkzaamheden dan wel dat er gezocht moet worden naar mitigerende en/of compenserende maatregelen. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat een ontheffing moet worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Dit is in de meeste gevallen de betreffende provincie waarin het project ligt. Om aan de zorgplicht te kunnen voldoen, die gesteld wordt in de Wet Natuurbescherming, is aan Ecochore Natuurtechniek opdracht gegeven voor de uitvoering van een quickscan natuurtoets om zo de mogelijk negatieve effecten op flora en fauna in kaart te brengen.

Middels een quickscan wordt een indruk verkregen van de mogelijke waarden van een gebied voor flora en fauna en kan worden beoordeeld of voldoende verspreidingsgegevens van mogelijk aanwezige beschermde dieren en planten voorhanden is of dat nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Dit rapport beschrijft de bevindingen en consequenties van het uitgevoerde quickscan natuuronderzoek.

Ecochore Natuurtechniek

4

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

2. INVENTARISATIEOPZET EN GEBIEDSBESCHRIJVING Voor de quickscan is het plangebied op 16 juli 2018 door een medewerker van Ecochore Natuurtechniek bezocht om zo een verwachting uit te kunnen spreken van het voorkomen van, dan wel het gebruik maken door, beschermde dier- en plantsoorten in het gebied, zoals vermeld in de Wet Natuurbescherming, Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn en Rode Lijsten.

2.1 Onderzoeksmethodiek Iedere dier- en plantgroep behoeft zijn eigen methode van inventarisatie om zo een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de betekenis van het gebied voor de betreffende soorten of groepen. Dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Er is zowel globaal gekeken naar de daadwerkelijk aanwezige flora en fauna, als naar de mogelijke waarden die het plangebied herbergt in andere tijden van het jaar die tijdens een éénmalig bezoek niet kunnen worden vastgesteld. Tijdens het onderzoek is de locatie bezocht en zijn de aanwezige ecotopen intensief geïnspecteerd op aanwijzingen van beschermde of Rode lijstgenoteerde flora en fauna. Als aanvulling op het veldbezoek zijn verspreidingstabellen en verspreidingsatlassen, met waarnemingen van de locatie en directe omgeving, geraadpleegd op het voorkomen van beschermde of Rode Lijstgenoteerde soorten. Aan de hand van de resultaten van het quickscanonderzoek kan worden aangegeven of nadere inventarisaties gewenst zijn of dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de effecten op aanwezige (beschermde) flora en fauna geen bedreiging opleveren en of ontheffingen in het kader van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk zijn. Bezoekdata

starttijd

weersgesteldheid

Onderzoeker

16-07-2018

dagbezoek

bewolking 3/8, droog, windkracht 1 bf - NO, 26 ºC

Bas Voerman

Tabel 1: Bezoekdata en specificaties.

2.2 Gebiedsbeschrijving Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Zetten, aan de Leigraafseweg in de gemeente Overbetuwe. Het landschapstype waarin het plangebied gelegen is, wordt getypeerd als kommenlandschap, gedeeltelijk op de overgang naar uiterwaardenlandschap. Het kommenlandschap kenmerk zich door het grootschalige en open karakter. De wegenstructuur is veelal recht en beplantingen worden voornamelijk aangetroffen op erven en als laanbeplanting langs wegen. Het plangebied van circa 21 hectare, bestaat voornamelijk uit agrarische graspercelen. De percelen worden doorsneden door sloten die voor een groot deel (kwel)watervoerend zijn. Langs de noordrand wordt het gebied begrensd door de spoorlijn Elst-Tiel en langs de zuidzijde ligt de Betuwelijn. Op de oevers van de noordelijke spoorsloot is lokaal opslag aanwezig van onder andere grauwe wilg en zomereik. Eveneens bevindt zich aan de noordzijde een omheind terrein van Nuon, dat langs de randen geheel is begroeid met struweel. De zuidzijde wordt begrensd door de Leigraafseweg. Hier is laanbeplanting aanwezig die gedeeltelijk bestaat uit vrij jonge zomereiken die in de zuidelijke punt van het plangebied overgaat in hoge populierenbeplanting. Buiten de gemeentegrens gaat de beplanting over in een jonge iepenlaanbeplanting.

Enkele slootdelen, met name nabij de laanbeplanting van populieren, zijn sterk eutroof en geheel begroeid met klein kroos. De meeste overige sloten hebben echter een rijke begroeiing en mede door een lichte mate van kwel bevatten deze sloten helder water. Zie voor gebiedsligging figuur 1 en een gebiedsimpressie bijlage 2.

Ecochore Natuurtechniek

5

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

2.3 Geplande werkzaamheden Stichting Lijndensche Fonds voor Kerk en Zending, is voornemens aan de Leigraafseweg in gemeente Overbetuwe, een zonnepark te realiseren. Voor de realisatie zal geen opgaande beplanting worden gerooid. Ook zal de huidige verkaveling worden gehandhaafd en zullen geen sloten worden gedempt. De werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als Ruimtelijke Ingrepen. Op deze definitie is de afweging in het kader van de Wet Natuurbescherming (hoofdstuk 4) gebaseerd.

2.4 Volledigheid inventarisatie De inventarisatie is uitgevoerd middels een quickscan. Bij dit type natuuronderzoek wordt aan de hand van feitelijke veldwaarnemingen, literatuur en expert judgement een inschatting gemaakt van de mogelijke ecologische waarden van het gebied voor beschermde soorten planten en dieren. Hierdoor blijft het onderzoek een steekproef en zullen bepaalde soorten en functies niet zijn waargenomen, terwijl ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig kunnen zijn. Voor een compleet beeld kunnen daardoor nadere inventarisaties noodzakelijk zijn. De verkregen verspreidingsgegevens hebben een bepaalde ‘houdbaarheidsdatum’ waardoor het gebruik van verspreidingsgegevens aan een maximale gebruiksperiode is gebonden. Indien aanwezigheid van beschermde soorten, of schade aan deze soorten, kan worden uitgesloten, wordt veelal een bruikbaarheidsperiode van circa 5-6 jaar gehanteerd. Voor zwaar beschermde soorten als bijvoorbeeld vleermuizen en vogels, geldt een bruikbaarheidperiode van circa 2-3 jaar. Na deze periode zijn de gegevens verouderd en dient beoordeeld te worden of de gegevens voldoende upto-date zijn om te kunnen gebruiken bij afwegingen voor ruimtelijke ingrepen. Voor dit alles geldt wel dat de planlocatie niet drastisch is veranderd waardoor nieuwe leefsituaties kunnen zijn ontstaan.

Indien hiervan wel sprake is, kan een gedeeltelijke update of volledig nieuw onderzoek noodzakelijk zijn. Deze afweging dient door een ter zake kundig ecoloog of het bevoegd gezag te worden beoordeeld.

Figuur 1. Ligging onderzoeksgebied. Bron: Provincie Gelderland.

Ecochore Natuurtechniek

6

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

3. Onderzoeksresultaten In dit hoofdstuk worden kort de bevindingen van het veldbezoek weergegeven. Ter aanvulling op de onderzoeksresultaten zijn verspreidingsatlassen geraadpleegd voor de kilometerhokken: 175-436 en 175-437. In het volgende hoofdstuk worden de wettelijke consequenties en eventuele aanbevelingen beschreven. Voor een toelichting op de Wet Natuurbescherming wordt verwezen naar bijlage 2.

3.1 Flora Binnen de raaigraspercelen zijn weinig soorten wilde vaatplanten gevonden. De aangetroffen soorten zijn alle algemene soorten en kenmerkend voor rijke en intensief bewerkte gronden als vogelmuur, kropaar, straatgras en glanshaver. De meeste soorten zijn aangetroffen langs de perceelsranden en oevers van de kavelsloten. In de oever- en waterzones zijn soorten aangetroffen als grote egelskop, smalle waterpest, riet en kattenstaart. In de langs de noordzijde gelegen sloot zijn zwanenbloem, holpijp, waterweegbree, kikkerbeet en gele plomp aangetroffen. In de onderstaande tabel 2, is een overzicht gegeven van de aangetroffen meest algemene of indicatieve vaatplanten. a kkerdistel

klein kroos

bultkroos

kluwenzuring

echte valeriaan

kompassla

engels raaigras

kropaar

engelwortel

liesgr as

fluitenkruid

moerasrolkla ver

gele plomp

moerasspirea

geoorde wilg

moeraswalstro

gestreepte witbol

ridderzuring

gewone ber enk lauw

rietgras

gewone hennepnetel

rode klaver

glanshaver

smalle waterpest

gr auwe wilg

smeerwortel

gr ote br andnetel

speerdistel

gr ote eg els kop

veldzuring

gr ote klit

vogelmuur

haagwinde

vogelwikke

harig wilgenroosje

waterweegbr ee

heermoes

waterzuring

holpijp

wilde peen

hondsroos

witte dovenetel

jacobs kruiskruid

witte klaver

ka ttenstaart

zomereik

kikkerbeet

zwanenbloem

kleefkruid

zwarte els

Tabel 2: beknopte lijst aangetroffen vaatplanten.

Doordat voor de inventarisatie geen vlakdekkende florakartering is uitgevoerd en alleen losse waarnemingen zijn genoteerd, zullen niet alle plantensoorten zijn gekarteerd. Binnen het gebied zijn echter geen beschermde of Rode lijstgenoteerde soorten gevonden. Aan de hand van de opbouw van de planlocatie zijn beschermde soorten niet te verwachten. Literatuur Binnen de kilometerhokken waarbinnen het plangebied zich bevindt, zijn geen beschermde plantensoorten bekend geworden. Verspreidingskaarten van Floron en verspreidingsdatabanken op internet laten geen beschermde soorten zien in deze kilometerhokken. Ecochore Natuurtechniek

7

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

3.2 (Broed)vogels Het onderzoek is uitgevoerd aan het einde van het broedseizoen van de meeste vogelsoorten. Tijdens het veldbezoek zijn geen vogelwaarnemingen verricht in relatie tot het plangebied. Vermoedelijk komt dit mede door het zeer droge en warme weer van voorgaande weken. In het noordwesten, nabij het treinstation zijn enkele huismussen waargenomen en is een meerkoet op de kavelsloot aangetroffen. Overige soorten zijn niet waargenomen. Door het zeer open karakter van het plangebied in de vorm van weilanden en perceel- en oeverranden, is het plangebied in potentie geschikt broedgebied voor verschillende weidevogels als wulp, grutto, veldleeuwerik, gele kwikstaart, graspieper en dergelijke. In de struweelzone op het terrein van Nuon en in de riet- en waterzones kunnen soorten als grasmus, tjiftjaf, witte kwikstaart, kleine karekiet, meerkoet en wilde eend een territorium bezetten. In de laanbeplantingen en erven langs de Leigraafseweg kunnen soorten als vink, huismus, merel, koolmees, zwartkop, zwarte kraai en dergelijke in het broedseizoen territoriaal aanwezig zijn. Het beschermingsregime van de groep vogelsoorten is opgedeeld in 5 categorieën waarbij de nestlocaties leidend zijn. In bijlage 2 is een toelichting op de 5 verschillende categorieën en bijhorende soorten beschreven.

Categorie 1-4 soorten Van vogelsoorten uit de categorieën 1-4 zijn geen (potentiële) broedlocaties binnen het plangebied aanwezig. De aangetroffen huismussen (categorie 2) zullen op de naburige erven territoria bezetten. Categorie 5 soorten Binnen het plangebied zijn geen nesten van soorten uit deze categorie aanwezig. Wel zijn op erven en in de laanbeplantingen enkele soorten uit deze categorie territoriaal niet uit te sluiten. Dit zijn soorten als koolmees, pimpelmees, spreeuw, zwarte kraai, boomkruiper, grote bonte specht en boerenzwaluw. Er zijn geen waarnemingen van deze soorten verricht. Literatuur De atlas van Nederlandse broedvogels laat in het kilometerhok waarbinnen het plangebied ligt een groot aantal algemene broedvogels zien. Hierbij zijn ook enkele categorie 1-4 soorten als huismus, sperwer en buizerd.

3.3 Herpetofauna en vissen Tijdens het veldbezoek zijn 2 bastaardkikkers en enkele 10-doornige stekelbaarzen aangetroffen in de sloten langs de Leigraafseweg. Overige aanwijzingen voor amfibieën, vissen of reptielen zijn niet gevonden. Vissen In de watervoerende sloten kunnen verschillende vissoorten kunnen worden aangetroffen. Naast de tiendoornige stekelbaars kunnen deze gebiedsdelen een leefgebied vormen voor met name algemene limnofiele en eurytope vissoorten als driedoornige stekelbaars, zeelt, snoek, baars en brasem. Maar ook voor minder algemene soorten als kleine en grote modderkruiper en bittervoorn zijn de sloten potentieel geschikt. Amfibieën De aanwezige kavelsloten bieden verschillende soorten amfibieën een potentieel leefgebied. Tijdens het veldwerk zijn reeds enkele bastaardkikkers waargenomen. In de voortplantingsperiode kunnen soorten als gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander eveneens in de sloten worden aangetroffen. Buiten de voortplantingsperiode kunnen deze soorten zwervend in het gehele plangebied worden gevonden. Ook voor poelkikker en kamsalamander bieden de sloten potentieel voortplantingsbiotoop en zijn in de omgeving enkele geschikte landbiotopen niet uit te sluiten. Reptielen Het plangebied is weinig geschikt als leefgebied voor reptielen.

De bermen van de spoorlijnen, beide net buiten het feitelijke plangebied, bieden potentieel geschikte leefgebieden en verbindingszones voor soorten als levendbarende hagedis. Er zijn echter geen populaties op migratieafstand bekend waaruit dispersie kan optreden. De sloten met rijk begroeide oevers kunnen in potentie leefgebied vormen voor ringslangen. Vanuit naastgelegen atlasblokken zijn waarnemingen uit voorgaande jaren van populaties bekend. De Ecochore Natuurtechniek

8

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

meeste waarneming zijn hier bekend geworden vanuit de Blauwe Kamer nabij Rhenen. Dit gebied ligt op circa 5 kilometer afstand van het plangebied. Binnen het atlasblok waarin het gebied zich bevindt zijn geen waarnemingen van na 2000 van ringslang bekend geworden. Broeihopen of andere aanwijzingen van aanwezigheid van deze soort zijn niet vastgesteld. Door het sterk begroeide karakter van de aanwezige watervoerende sloten, is voortplanting van rugstreeppad binnen het plangebied niet te verwachten. Gezien de verspreiding van de soort in het rivierenlandschap, is het aannemelijk dat de soort binnen het plangebied zwervend kan worden aangetroffen. Door graafwerkzaamheden kunnen in het plangebied wel potentieel geschikte voortplantingsbiotopen worden gecreëerd door het ontstaan van ondiepe, met water, gevulde kuilen en sporen. Literatuur De verspreidingskaarten van RAVON (Reptielen, Amfibieën en Vissenonderzoek Nederland) laten waarnemingen zien van enkele beschermde soorten in de kilometerhokken en aangrenzende blokken waarbinnen het plangebied gelegen is. Het betreft licht beschermde soorten als gewone pad, kleine watersalamander, bruine kikker en bastaardkikker en zwaar beschermde amfibieën als: poelkikker en kamsalamander. Daarnaast zijn beschermde vissoorten als grote modderkruiper en bittervoorn in de atlasblokken bekend geworden.

Populaties van reptielen zijn niet binnen het atlasblok waarin het plangebied zich bevindt bekend.

3.4 Zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn slechts enkele waarnemingen verricht van grondgebonden zoogdieren: mol (molshopen), holen van woelmuis, vermoedelijk veldmuis, en haas (individuen). Overige sporen of individuen van zoogdieren zijn niet gevonden. De planlocatie, en de directe zone hier omheen, biedt diverse algemene zoogdiersoorten een potentieel geschikt leefgebied. Hierbij moet met name gedacht worden aan soorten als: ware muizen, woelmuizen, algemene spitsmuizen, egel, konijn, haas, ree, vos en kleine marterachtigen. Voor de minder algemene martersoorten als das, boom- en steenmarter, biedt het gebied nauwelijks geschikt leefgebied door het ontbreken van bomen, gebouwen of geleiding. Er zijn van deze soorten dan ook geen vaste verblijfplaatsen binnen het plangebied of in de direct aangrenzende zones aanwezig. Voor das en boommarter zijn op korte afstand geen geschikte houtopstanden aanwezig waar vaste verblijfplaatsen te verwachten zijn. Steenmarters kunnen op omliggende erven mogelijk een verblijfplaats hebben waardoor foeragerende en zwervende dieren binnen de planlocatie niet kunnen worden uitgesloten. Literatuur De NDFF verspreidingsatlas bezit enkele meldingen van Nationaal beschermde (niet vrijgestelde) soorten conform artikel 3.10 van de Wet Natuurbescherming als das, eekhoorn, steen- en boommarter.

Deze waarnemingen zijn echter op atlasblok (5x5 kilometer). Er zijn binnen het kilometerhok geen verspreidingsgegevens bekend geworden van soorten vermeld onder Artikel 3.5 van de Wet Natuurbescherming. Vleermuizen Door de aanwezige ecochore1 is het plangebied voor de meeste vleermuissoorten niet geschikt als foerageergebied. Dit komt met name door het open karakter zonder windluwe, beschutte plekken en vlieggeleiding. Soorten als rosse vleermuis en tweekleurige vleermuis zijn minder afhankelijk van vlieggeleiding en windluwe omstandigheden waardoor deze soorten meer in open gebieden foerageren. Met name de rosse vleermuis kan dan ook binnen het plangebied en de ruime omgeving foeragerend worden aangetroffen. De tweekleurige vleermuis is dermate zeldzaam in Nederland dat aanwezigheid niet direct te verwachten is of slechts zal bestaan uit incidentele waarnemingen. De laanbeplanting langs de Leigraafseweg vormt een lijnvormig landschappelijk element en biedt daardoor voor enkele soorten vlieggeleiding en een mogelijke foerageerfunctie. Dit geldt met name voor soorten die een verblijfplaats kunnen hebben in gebouwen op aangrenzende erven, zoals gewone dwergvleermuis en laatvlieger.

1

Een ecochore is een ruimtelijk begrensde ecologische eenheid, gekenmerkt door een inwendige heterogeniteit in een halfnatuurlijk of cultuurlandschap. Een ecochore bestaat uit een verzameling ecotopen; bijvoorbeeld de verschillende aan elkaar grenzende ecotopen op en rond een erf. Samen vormen deze ecotopen een gevarieerd landschap. Ecochore Natuurtechniek 9

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen aanwezig doordat gebouwen of bomen ontbreken. Doordat geen gebouwen worden gesloopt en geen forse bomen worden gekapt, zullen geen verblijfplaatsen direct worden aangetast. In de aanwezige populieren langs de Leigraafseweg zijn geen voor boombewonende soorten geschikte holten aangetroffen. De laanbeplanting van zomereiken is niet voldoende ontwikkeld voor geschikte holten. Doordat het onderzoek overdag is uitgevoerd, zijn geen vleermuizen aangetroffen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de populieren door de standplaats buiten het feitelijke plangebied niet intensief zijn geïnspecteerd en daardoor een enkele holte kan zijn gemist. Literatuur Verspreidingsatlassen van vleermuizen laten aanwezigheid van verschillende soorten in het kilometerhok en omringende hokken zien: watervleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en dergelijke.

3.5 Ongewervelden Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten uit deze groep aangetroffen. De locatie is niet geschikt voor beschermde of Rode Lijstgenoteerde insectensoorten. Een groot deel van de beschermde soorten leeft in vrij geïsoleerde leefgebieden met specifieke biotopen. Doordat dergelijke biotopen ontbreken is het voorkomen van beschermde ongewervelden, als libellen, vliegend hert, gestreepte waterroofkever, platte schijfhoren en dergelijke, derhalve uitgesloten. Literatuur In de literatuur zijn geen verspreidingsgegevens van beschermde soorten bekend geworden.

Ecochore Natuurtechniek

10

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

4. TOETSING SOORTENBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING 4.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (WNb) van kracht. De soortenbescherming zoals in deze wetgeving is opgenomen, is de opvolger van de Flora- en faunawet uit 2002. In deze wetgeving is de bescherming van soorten opgenomen in drie artikelen: Artikel 3.1 Artikel 3.5 Artikel 3.10 Artikel 3.1 beschrijft de vogelsoorten zoals opgenomen in de Europese Vogelrichtlijn. Deze lijst omvat alle inheemse vogelsoorten. Verstoring of opzettelijke verontrusting van broedende vogels is niet toegestaan. Daarnaast zijn er enkele soorten die jaarrond gebruik maken van dezelfde broedlocaties of die afhankelijk zijn van specifieke locaties; deze locaties zijn jaarrond beschermd. Voor vogels is slechts ontheffing mogelijk voor belangen die betrekking hebben op bescherming van flora en fauna, veiligheid voor het vliegverkeer of volksgezondheid. Soorten die vermeld staan in artikel 3.5 betreffen soorten die zijn opgenomen in bijlage VI van de Europese Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I en het Verdrag van Bonn. Afhankelijk van de ingreep en het effect op beschermde soorten, kunnen nadere onderzoeken met toetsing aan de wetgeving noodzakelijk zijn. Bij eventuele negatieve effecten kan een ontheffing noodzakelijk zijn.

De mogelijkheid voor ontheffing wordt getoetst aan de belangen zoals opgenomen in de Europese richtlijnen. Onder dit Artikel vallen bijvoorbeeld alle soorten vleermuizen die door de vermelding op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn, Europese bescherming genieten. Soorten als bedoeld onder dit artikel worden in deze rapportage aangeduid als zwaar beschermde soorten. Soorten die vermeld staan in artikel 3.10 zijn soorten van nationaal belang. Voor deze soorten geldt een iets milder beschermingsregime. Daarnaast zijn per provincie enkele soorten op de vrijstellingslijst geplaatst voor belangen als ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden of doelstelling, kunnen soorten binnen dit artikel zijn vrijgesteld van ontheffing of is nader onderzoek en ontheffing noodzakelijk. Zie voor een uitgebreidere toelichting bijlage 2.

4.2 Flora Binnen het onderzochte plangebied zijn tijdens de quickscan geen beschermde plantensoorten waargenomen. Van beschermde soorten zijn geen groeiplaatsen te verwachten en ook niet bekend geworden in de literatuur. De locatie biedt geen geschikte groeiplaatsen voor beschermde vaatplanten waardoor deze kunnen worden uitgesloten. Aangezien beschermde soorten ontbreken is geen schade aan deze soorten te verwachten en is nader onderzoek of een ontheffing niet noodzakelijk.

4.3 (Broed)vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet Natuurbescherming. Ontheffing voor deze diergroep is in de meeste gevallen niet mogelijk. Dit betekent dat het (opzettelijk) verstoren, verontrusten, doden en anderszins van vogels en nesten in beginsel niet is toegestaan. Voor vogels geldt dat deze tijdens de broedperiode het meest gevoelig zijn voor verstoring. De rest van het jaar zijn zij flexibeler en is de kans op nadelige effecten door de werkzaamheden voor de individuen aanzienlijk minder. Hierdoor is het sterk aan te bevelen buiten het broedseizoen te starten met de werkzaamheden waardoor bij aanvang van het broedseizoen het verstoringeffect op vogels minimaal is. Globaal kan worden gezegd dat de broedperiode, voor de mogelijk aanwezige soorten, ligt tussen 1 maart en 15 juli. Hierbij dient wel te worden op gemerkt dat indien broedende vogels in een andere periode van het jaar worden aangetroffen, hierbij zorgvuldig dient te worden omgegaan zodat verstoring van de broedende vogels wordt voorkomen.

Ecochore Natuurtechniek

11

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

Niet alle vogels maken jaarlijks een nieuw nest om te broeden. Een deel van de soorten gebruikt jaarlijks hetzelfde nest of dezelfde locatie om hun jongen groot te brengen. Ook zijn er soorten die jaarrond gebruik maken van vaste verblijfplaatsen. Voor deze soorten geldt dat de nest- of verblijflocaties jaarrond beschermd zijn en dat inzichtelijk gemaakt moet worden welke gevolgen de werkzaamheden voor deze soorten hebben. De provincie hanteert een lijst met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn: ‘Aangepaste lijst beschermde vogelnesten’ – zie ook bijlage 2. De nestlocaties en vaste verblijfplaatsen van de hierin beschreven soorten zijn ook in perioden beschermd als er tijdelijk geen gebruik van de nestlocatie wordt gemaakt. De betreffende soorten zijn verdeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 soorten Binnen het te ontwikkelen gebied zijn geen soorten of broedlocaties van soorten uit categorie 1-4 aangetroffen of te verwachten. De meeste soorten uit deze categorieën zijn voor de nestlocaties afhankelijk van bomen of gebouwen. Deze elementen ontbreken binnen de geplande standplaatsen van de zonnepanelen. Zoals aangeven in paragraaf 3.2, kunnen in de omgeving op erven of bomen wel enkele soorten uit deze categorieën een broedlocatie bezetten.

Hierdoor kunnen de graslandpercelen en slootoevers een onderdeel vormen in het leefgebied en bijvoorbeeld dienst doen als foerageergebied. Het ontwikkelen van een zonnepark heeft daardoor invloed op deze soorten. De planlocatie wordt geheel omgeven door agrarische percelen. Er zijn in de directe omgeving geen grote oppervlakte dekkende elementen als forse gebouwen, verhardingen, zonneparken en dergelijke aanwezig waardoor aangenomen kan worden dat de omgeving van de onderzoekslocatie eveneens onderdeel zal uitmaken van het leefgebied van mogelijk aanwezige soorten. Het strikte plangebied is geheel als agrarische grond in gebruik en bestaat voornamelijk uit intensief beheerde graslandpercelen. Deze percelen zullen voor de betreffende soorten als zeer minimaal geschikt leefgebied functioneren. Daarnaast kan worden gesteld dat de percelen als grasland beheerd zullen blijven. Na de realisatie van het zonnepark zal het beheer vrij extensief zijn en is er sprake van relatieve rust. Hierdoor zal naar verwachting voor de soorten geen significante verslechtering van het leefgebied optreden. Met name langs de zuidelijke grens van het plangebied zal een minimaal 4 meter brede zone met akkerkruiden worden gerealiseerd. Voor diverse soorten zal dit een versterking van het gebied als foerageergebied kunnen betekenen.

Gezien de relatief lage kwaliteit van de percelen voor vogels, en het feit dat de percelen wel kunnen blijven functioneren als foerageergebied en redelijkerwijs door de voorgestelde landschappelijke inpassing in kwaliteit kunnen toenemen voor deze soorten, is geen nader onderzoek in deze gebieden noodzakelijk. Categorie 5 soorten Van soorten uit deze categorie is de nestlocatie alleen beschermd indien ecologische afwegingen dat rechtvaardigen. Dit geldt met name wanneer er geen alternatieven in de directe omgeving voorhanden zijn. Voor deze soorten kan echter redelijkerwijs worden aangenomen dat er binnen het plangebied geen broedlocaties aanwezig zijn. De soorten uit deze categorie zijn met name afhankelijk van (boom)holten en gebouwen. Dergelijke broedlocaties ontbreken in het plangebied. In struwelen, laanbeplanting en erven in de omgeving kunnen wel broedlocaties aanwezig zijn waardoor foeragerende vogels binnen het plangebied kunnen worden aangetroffen. Voor deze soorten zal echter geen significante verslechtering optreden door de geplande ontwikkelingen waardoor de duurzame instandhouding van de populaties niet in het geding is. Hierdoor zijn voor soorten uit deze categorie geen nadere afwegingen noodzakelijk. Beschermde gebieden Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een aangewezen weidevogelgebied of ganzenfoerageergebied.

In het plangebied is geen nader onderzoek voor vogelsoorten noodzakelijk.

Ecochore Natuurtechniek

12

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

4.4 Herpetofauna en vissen De diverse watervoerende sloten vormen potentieel voortplantingsbiotoop voor verschillende amfibieën en vissen. Reptielen kunnen binnen het plangebied worden uitgesloten. Amfibieën De mogelijk aanwezige amfibieën zijn juridisch in te delen in twee groepen. Vrijgestelde soorten Niet vrijgestelde soorten. Vrijgestelde soorten Door provincie Gelderland zijn enkele amfibieënsoorten op de vrijstellingslijst geplaatst. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Dit geldt voor de hier (mogelijk) aanwezige soorten als bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en bastaardkikker. Wel geldt ook voor deze soorten de algehele zorgplicht waardoor geadviseerd werkzaamheden in het slootprofiel buiten de voortplantingsperiode of onder ecologische begeleiding uit te voeren. Niet vrijgestelde soorten Van deze groep zijn soorten als rugstreeppad, kamsalamander en poelkikker binnen het plangebied niet uit te sluiten. Het dempen van de sloten kan daardoor ontheffingsplichtig zijn. Hierdoor is het noodzakelijk zorgvuldig met de aanwezige watervoerende elementen om te gaan. In de huidige plannen worden er geen sloten gedempt waardoor er voor kamsalamander en poelkikker geen negatief effect te verwachten is.

De sloten blijven immers geschikt voortplantingsbiotoop en het gehele plangebied wordt beheerd als extensief grasland met geschikte plekken die kunnen fungeren als landhabitat of voor migratie. Indien onverhoopt wél sloten gedempt moeten worden, kan ecologische begeleiding noodzakelijk zijn en is in sommige vallen eveneens een ontheffing noodzakelijk. Dit dient door een ecoloog te worden beoordeeld. Voor de rugstreeppad geldt dat voortplantingshabitat in de huidige situatie niet aanwezig is. Juist door de uitvoering van graafwerkzaamheden waarbij mogelijk ondiepe, zonbeschenen poeltjes ontstaan, kunnen in de voortplantingstijd geschikte (kleine) voortplantingsbiotopen ontstaan. Dergelijke biotopen genieten bescherming conform artikel 3.5 van de WNb waardoor het verwijderen buiten de voortplantingsperiode dient te worden uitgevoerd en deze handeling ontheffingsplichtig is. Hierdoor is het van belang bij de uitvoering van graafwerkzaamheden hiermee rekening te houden en te voorkomen dat ondiepe, zonbeschenen poeltjes (kuilen, rijsporen) in de voortplantingsperiode (april-juni) ontstaan. Bezetting van de poeltjes door deze soort kan in zeer korte tijd gebeuren. Het is hierdoor van belang dergelijke waterbevattende elementen gedurende de werkzaamheden te voorkomen. In dat geval is geen nadere afweging of ontheffing noodzakelijk. Vissen Er heeft geen vissenonderzoek plaatsgevonden.

Doordat de aanwezige watervoerende sloten geheel behouden blijven, is er geen schade aan mogelijk aanwezige beschermde soorten te verwachten. Hierdoor is er geen nadere afweging of ontheffing noodzakelijk. Indien onverhoopt wél sloten gedempt moeten worden, kan ecologische begeleiding noodzakelijk zijn en is in sommige vallen eveneens een ontheffing noodzakelijk. Dit dient door een ecoloog te worden beoordeeld. Reptielen De begroeide oevers van de sloten zijn in potentie geschikt als leefgebied van ringslang. Doordat deze zones alle behouden blijven en het plangebied als extensief grasland zal worden beheerd, is er geen schade aan het leefgebied te verwachten. Door het ontbreken van potentieel geschikte broeihopen en door de mobiliteit van onverhoopt aanwezige individuen waardoor deze tijdelijk kunnen vluchten, is schade aan individuen of de populatie uitgesloten. Binnen het plangebied zijn enkele beschermde amfibieën, vissen en ringslang niet uit te sluiten. Doordat echter alle sloten als potentiële voortplantingsbiotopen behouden blijven, broeihopen ontbreken en er redelijkerwijs geen sprake is van verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied voor de soorten, is er geen nadere afweging of ontheffing noodzakelijk. Ecochore Natuurtechniek

13

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

Ten aanzien van de rugstreeppad is gedurende de uitvoering in de periode april-juni specifieke aandacht noodzakelijk om schade aan de soort te voorkomen. Indien het voorkómen van schade niet mogelijk is, is afstemming met een ecoloog noodzakelijk. Indien er geen sloten worden gedempt, is geen nader onderzoek of ontheffing voor amfibieën, vissen en reptielen noodzakelijk.

4.5 Zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Tijdens het onderzoek zijn enkele sporen aangetroffen van woelmuizen, mol en haas. Naast de aangetroffen soorten kunnen in de deelgebieden verschillende beschermde soorten (Artikel 3.10 WNb) worden aangetroffen als: ware muizen, woelmuizen, (algemene) spitsmuizen, egel, vos kleine marterachtigen enz. Deze (mogelijk) aanwezige soorten staan vermeld op de vrijstellingslijst van de provincie waardoor een vrijstelling geldt voor Ruimtelijke Ontwikkelingen en Ingrepen en geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk is. Daarnaast zijn verblijfplaatsen van de niet vrijgestelde steenmarter (Artikel 3.10 WNb) mogelijkerwijs in de ruime omgeving op erven aanwezig. Verblijfplaatsen van das en boommarter zijn binnen het plangebied en op korte afstand niet aanwezig. Van deze laatste soorten, met name van das, zijn sporadisch zwervende dieren in de omgeving van het plangebied niet uitgesloten. De impact op deze soorten zal daardoor redelijkerwijs niet significant zijn waardoor geen nadere afweging noodzakelijk is. Voor een eventueel in de omgeving aanwezige steenmarter kan worden gesteld dat het gebied, ondanks het plaatsen van een hekwerk, toegankelijk blijft om te foerageren.

Gezien het bovenstaande kan worden gesteld dat er geen negatief effect te verwachten is op het leefgebied of op individuen van beschermde soorten waardoor geen nadere afweging ten aanzien van deze soorten noodzakelijk is. Doordat vaste verblijfplaatsen ontbreken, en er geen significant negatieve effecten te verwachten zijn op zwaar beschermde soorten, is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Vleermuizen Door de voorgenomen ontwikkelingen zullen geen verblijfplaatsen verdwijnen en zullen geen grote negatieve ingrepen in de foerageerkwaliteit of vliegroutes plaatsvinden. Ook zal geen sprake zijn van toename van verlichting waardoor vleermuizen in de directe omgeving geen negatieve effecten ondervinden van de ontwikkelingen. Zoals in paragraaf 3.4 aangegeven kan het plangebied wel door rosse vleermuizen gebruikt worden als foerageergebied. Gezien de opbouw van het landschap in de ruime omgeving kan echter redelijkerwijs worden gesteld dat het plangebied niet als essentieel foerageergebied is aan te merken. Eveneens kan redelijkerwijs worden aangenomen dat het plangebied door het toekomstige extensieve graslandbeheer, behoud van de aanwezige sloten en realisatie van nieuwe kruidenrijke zones, waardoor een toename van insecten (voedsel) kan ontstaan, zal blijven functioneren als foerageergebied.

Gezien het bovenstaande is geen nader onderzoek naar of ontheffing voor vleermuizen noodzakelijk.

4.6 Ongewervelden Het gebied is niet geschikt als voortplantings- en leefgebied voor beschermde en Rode lijstgenoteerde vlinders, libellen en overige insecten. Beschermde soorten zijn niet te verwachten aangezien de soorten van deze groepen veelal erg kritisch zijn op het biotoop. Voor de groep ongewervelden zijn geen nadere maatregelen noodzakelijk.

Ecochore Natuurtechniek

14

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

5. CONCLUSIE Stichting Lijndensche Fonds voor Kerk en Zending en gemeente Overbetuwe, zijn voornemens aan de Leigraafseweg in gemeente Overbetuwe, een zonnepark te realiseren. Het gehele plangebied betreffen agrarische graslandpercelen. Voor de ontwikkelingen zullen geen houtopstanden worden gerooid en zullen de aanwezige sloten en verkaveling behouden blijven. Op de planlocatie is een natuuronderzoek uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Aan de hand van de hierdoor verkregen gegevens, aangevuld met literatuuronderzoek, is een goed beeld ontstaan van de waarde van het plangebied voor beschermde dier- en plantsoorten. Flora Beschermde soorten ontbreken binnen het plangebied waardoor geen schade aan deze soorten te verwachten is en geen nader onderzoek of een ontheffing noodzakelijk is. Vogels In het plangebied is geen nader onderzoek voor vogelsoorten noodzakelijk. Indien de fysieke werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd (globaal genomen binnen de periode 15 maart-15 juli), kunnen maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord of nesten worden vernield doordat enkele soorten als broedvogel niet zijn uit te sluiten. Dit dient door een ecoloog te worden beoordeeld. Herpetofauna en vissen Binnen het plangebied zijn enkele beschermde amfibieën, vissen en ringslang niet uit te sluiten.

Doordat echter alle sloten als potentiële voortplantingsbiotopen behouden blijven, broeihopen ontbreken en er redelijkerwijs geen sprake is van verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied voor de soorten, is er geen nadere afweging of ontheffing noodzakelijk. Ten aanzien van de rugstreeppad is gedurende de uitvoering in de periode april-juni specifieke aandacht noodzakelijk om schade aan de soort te voorkomen. Indien het voorkómen van schade niet mogelijk is, is afstemming met een ecoloog noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste rust– of verblijfplaatsen van zwaar beschermde soorten uit deze groep aanwezig. Doordat vaste verblijfplaatsen ontbreken en er geen negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde soorten, is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Vleermuizen Voor vleermuizen is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Ongewervelden Voor de groep ongewervelden zijn geen nadere maatregelen noodzakelijk.

Ecochore Natuurtechniek

15

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

LITERATUUR www.natuurloket.nl www.minlnv.nl www.gelderland.nl www.zoogdieratlas.nl www.verspreidingsatlas.nl www.ravon.nl www.floron.nl / rode lijst vaatplanten 2014. H. Limpens et al. 1997; Atlas van de Nederlandse Vleermuizen – Onderzoek naar verspreiding en ecologie; KNNV-uitgeverij. Drs. E.J. Weeda et al. 2003; Nederlandse Ecologische Flora – Wilde planten en hun relaties. KNNV-uitgeverij. Sierdsema H. 1995. Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SBB-rapport 1995-1, SOVONonderzoeksrapport 1995/04. SBB/SOVON, Driebergen/Beek-Ubbergen.

BIJLAGEN Bijlage 1: Impressie plangebied Bijlage 2: Toelichting Wet Natuurbescherming - soortenbescherming

Ecochore Natuurtechniek

16

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

BIJLAGE 1: IMPRESSIE PLANGEBIED

1. 2. 3. 4. 5. 6.

Plangebied vanaf de Leigraafseweg richting noordwest gefotografeerd. Noordzijde van het plangebied langs de spoorlijn. Hier staat op de kavelgrens opslag van grauwe wilgen en zomereik. Plangebied, gefotografeerd richting zuidwest. Zichtbaar zijn de hoge populieren als gedeelte van de laanbeplanting langs de Leigraafseweg. Noordelijke grens van het plangebied met kwelrijke sloot. Plangebied onder de hoogspanningsmasten. Leigraafseweg als zuidelijke begrenzing met laanbeplanting van zomereik.

Ecochore Natuurtechniek

17

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

BIJLAGE 2: SOORTBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet is de soortgerichte implementatie van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn en vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Hoofdstuk 3 van de Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van flora en fauna op soortniveau. Activiteiten waarbij schade wordt gedaan aan beschermde dieren of planten zijn in principe verboden, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het “nee, tenzij”-principe). Het is dan ook altijd zaak om, waar mogelijk, activiteiten uit te voeren zonder schade aan beschermde dieren en planten aan te brengen. De wet erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende dieren. In de wet is dan ook een zorgplicht opgenomen waarin van iedereen wordt geacht voldoende zorg' in acht nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten (niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Dit is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming. Naast de aandacht voor beschermde soorten geldt voor alle in het wild levende dieren en planten een zorgplicht. Deze is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming. Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Voor de in deze rapportage gemaakte toetsing zijn met name de onderstaande artikelen met verbodsbepalingen van toepassing: Artikel 3.1 Artikel 3.5 en 3.8 lid 5 Artikel 3.10

§ 3.1 - Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

§ 3.2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ecochore Natuurtechniek

18

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

Artikel 3.8 – lid 5 5. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: i. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ii. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; iii. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; iv. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of v. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c.

er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. § 3.3. Beschermingsregime andere soorten – nationaal Artikel 3.10 2. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 3. Artikel 3.8 (ontheffingen voor soorten genoemd in Artikelen 3.5 Red.), met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 4. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Ontheffing en Vrijstellingsregeling Wanneer beschermde soorten, zoals bedoeld onder Artikel 3.1, 3.5 en 3.10, voorkomen in een gebied dienen er maatregelen getroffen te worden om behoud van de lokale populatie, bescherming van individuen en de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen te garanderen. Hiervoor dienen mitigerende en mogelijk compenserende maatregelen getroffen te worden. Om zeker te zijn of de maatregelen voldoende zijn, dienen ze vooraf beoordeeld te worden door het bevoegd gezag. Met dit besluit kan aangetoond worden dat de initiatiefnemer zich houdt aan de bepalingen in de Wet Natuurbescherming. Het besluit heeft de initiatiefnemer bijvoorbeeld nodig als iemand bezwaar maakt tegen het project of vraagt om handhaving van de Wet Natuurbescherming. Indien vaste verblijfplaatsen worden beschadigd of weggehaald of behoud van de lokale populatie dan wel bescherming van de aanwezige individuen niet voldoende kan worden gegarandeerd, dienen compenserende maatregelen te worden uitgevoerd én dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. In de meeste gevallen zal dit de betreffende provincie zijn. Voor deze soorten geldt echter dat alleen ontheffing wordt verleend op grond van een wettelijk belang genoemd in de betreffende Artikelen.

Elke provincie heeft een soortenlijst gepubliceerd waarin soorten, zoals bedoeld in Artikel 3.10, in die betreffende provincie zijn vrijgesteld voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud.

Ecochore Natuurtechniek

19

Quickscan natuuronderzoek realisatie zonnepark Hemmen in Zetten

Vogels Verblijfplaatsen van broedvogels zijn door de Wet Natuurbescherming beschermd. Tijdens werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels. De Wet Natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van artikel 3.1. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Deze groep is opgedeeld in enkele categorieën waarop de verbodsbepalingen van artikel 3.1 lid 2 jaarrond van kracht zijn: 1. 2.

3.

4.

Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust en verblijfplaats. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

Het betreft de vogelsoorten: Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

(Falco subbuteo) (Buteo buteo) (Apus apus) (Motacilla cinerea) (Accipiter gentilis) (Passer domesticus) (Tyto alba) (Bubo bubo) (Ciconia ciconia) (Asio otus) (Corvus frugilegus) (Falco peregrinus) (Accipiter nisus) (Athene noctua) (Pernis apivorus) (Milvus migrans).

Er zijn ook vogelnesten die worden aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet strikt beschermd. 5.

Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Wanneer een jaarrond beschermd nest wordt aangetroffen, dan dient altijd een omgevingscheck uitgevoerd te worden. Een deskundige dient te onderzoeken of er voor de soort in de omgeving voldoende plekken en materiaal aanwezig zijn om zelf een vervangende locatie te vinden en een vervangend nest te maken. Indien dit niet mogelijk is, dient een vervangende nestlocatie aangeboden te worden. Wanneer dit ook niet mogelijk blijkt, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Ontheffing kan alleen verkregen worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Wettelijke belangen zijn: bescherming van flora en fauna; veiligheid van het luchtverkeer; volksgezondheid of openbare veiligheid. Gedragscode Voor regulier voorkomende werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkeling kan een vrijstelling van de verbodsbepalingen mogelijk zijn als u handelt conform een goedgekeurde gedragscode. Het kan gaan om handelingen in het kader van bestendig beheer of onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Zo is het onder de Wet Natuurbescherming mogelijk om via een gedragscode Europees beschermde vogel- en andere dier- en plantensoorten vrij te stellen bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, míts er sprake is van een bij respectievelijk Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn genoemd belang. In een gedragscode is beschreven hoe zorgvuldig gewerkt wordt opdat schade aan beschermde dieren en planten wordt voorkomen of tot een minimum beperkt. Voorwaarde is wel dat gewerkt dient te worden volgens een door de minister vastgestelde gedragscode. Hierbij is het van belang dat de gedragscode op de juiste wijze is geïmplementeerd in de organisatie of in het totaalplan van de werkzaamheden.

Voor meer informatie over de toepassing van de Wet Natuurbescherming: zie de brochure van het ministerie van Economische Zaken: “Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen” – 3 december 2016.

Ecochore Natuurtechniek

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10350344/1