Bijlage 50 - Toetsadvies MER en aanvulling MER
Tekst van het document
Ontgronding en gebiedsontwikkeling Willemspolder fase 1 Toetsingsadvies over het milieueffectrapport en de aanvulling daarop 22 september 2021 / projectnummer: 3442
Advies over het MER en de aanvulling in het kort Dekker Grondstoffen bv wil een deel van de Willemspolder bij IJzendoorn herinrichten. De reden is dat Dekker in het gebied zand, grind en klei wil winnen. Onderdeel van de herinrichting is de aanleg van een bouwgrondstoffencentrum (bouwstoffenHUB) inclusief een haven met een loswal. Ook is hier ruimte voor bedrijven op het gebied van duurzaamheid en is de mogelijkheid verkend om in het gebied energie op te wekken, met twee windmolens en drijvende zonnepanelen. Het plan voor de Willemspolder levert ook een bijdrage aan hoogwaterveiligheid, natuur- en landschapsontwikkeling en biedt kansen voor recreatieve voorzieningen. De herinrichting is de eerste van in totaal drie fases om een door Dekker opgestelde Gebiedsvisie Midden-Waal1 te realiseren. Om Willemspolder fase 1 mogelijk te maken moet de gemeente Neder-Betuwe het bestemmingsplan aanpassen. Voor het besluit hierover en over de ontgrondingsvergunning die de provincie Gelderland moet verlenen, is een milieueffectrapport (MER)2 opgesteld. In een voorlopig advies signaleerde de Commissie dat belangrijke informatie in het MER ontbrak. Het MER is vervolgens aangevuld waarna de provincie Gelderland – ook namens de gemeente - de Commissie gevraagd heeft over de juistheid en volledigheid van het MER en de aanvulling daarop3 te adviseren.
Wat blijkt uit het MER en de aanvulling? De aanvulling bevat een uitgebreide en systematische beschrijving van het beoogd gebruik van het bedrijfsterrein. Kaartmateriaal, foto’s en omschrijvingen geven een beeld van het te gebruiken materieel en de verwerking van bouwstoffen op de bouwstoffenHUB. Omdat het plaatsen van windturbines vooralsnog niet is toegestaan, zijn deze niet meegenomen in de aanvulling. De gevolgen van de windturbines voor natuur, geluid en stikstof zoals in het MER beschreven komen hierdoor te vervallen. Voor situaties met hoge waterstanden is bepaald wat het afgraven van de Binnenwaard (de locatie van de voormalige steenfabriek) bij zou dragen aan het verlagen van het water op de Waal. Een modelberekening laat zien dat dit heel beperkt is (2 mm extra verlaging op ruim 14 centimeter bijdrage door het hele plan voor de Midden-Waal4). De herinrichting, die bijna 10 jaar zal duren, vindt plaats in fases waarbij steeds een deel van het gebied wordt aangepakt. Dit zorgt ervoor dat gedurende de gehele periode voldoende leefgebied voor de beschermde wulp beschikbaar is.
Wat is het advies van de Commissie? De aanvulling is helder opgebouwd en goed leesbaar. De verschillende bijlagen laten zien dat aanvullende onderzoeken grondig zijn uitgevoerd. Daarbij is bestaande en ook nieuwe informatie gebruikt en heeft afstemming met betrokken partijen plaatsgevonden. Zo heeft voor de veiligheid van de dijk nadere afstemming met Waterschap Rivierenland
1
https://www.dekkergroep.nl/projecten/-2086-gebiedsvisie-midden-waal/
2
Milieueffectrapportage Willemspolder fase 1. Fundamental Concepts & Dekker Grondstoffen bv, 2021. Aanvulling Milieueffectrapportage Willemspolder fase 1. Fundamental Concepts & Dekker Grondstoffen bv, 10 juni 2021.
3 4
Zoals opgenomen in de Gebiedsvisie Midden-Waal.
-1-
plaatsgevonden en is met Rijkswaterstaat overlegd over de betekenis voor hoogwater op de Waal. De vraag waarom deze locatie de best passende is voor een bouwstoffenHUB is nu voldoende onderbouwd, waarbij onder andere een rapport over watergebonden en waterverbonden bedrijventerreinen uit 20165 is gebruikt. De uitgangspunten voor het bepalen van geluidbelasting en luchtkwaliteit zijn nu navolgbaar en correct waardoor de berekeningen de juiste informatie geven. De aanvulling laat zien dat de gemeente en initiatiefnemer het voorlopige advies gebruikt hebben om informatie aan te vullen, maar om tegelijkertijd het plan een stap verder te brengen. Op twee onderwerpen constateert de Commissie dat het MER en de aanvulling tezamen niet de juiste informatie bevatten: •
Bodemkwaliteit: de onderbouwing in de Nota bodembeheer6 dat een gebiedspecifiek kader kan worden gehanteerd is niet correct. Daardoor is niet duidelijk of de vrijkomende grond (zoals bij het graven van de haven of de PFAS houdende bovenlaag in het gebied), daadwerkelijk gebruikt kan worden bij de herinrichting. De aanvulling gaat niet in op de situatie waarin er onvoldoende geschikte grond vrijkomt om de herinrichting volgens plan uit te voeren: wat betekent dit voor bijvoorbeeld transport, stikstof en het uiteindelijke eindbeeld?
•
Stikstof: in de stikstofberekeningen zijn niet alle gegevens op de juiste manier meegenomen. De berekeningen voor de huidige situatie gaan ervan uit dat alleen dierlijke mest is gebruikt bij het bemesten van de weilanden. Bij de gebruikte hoeveelheden stikstof is dit wettelijk niet toegestaan, wat ertoe leidt dat de referentiesituatie de stikstofemissie overschat. Daarnaast is niet de volledige route van vrachtwagens met klei naar de steenfabriek Schipperswaard meegenomen in het model. Het gedeelte ten westen van de N323 ontbreekt. Dit betekent dat de effecten van stikstof mogelijk zijn onderschat.
De Commissie acht deze informatie essentieel om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen bij de besluitvorming. Zij adviseert deze informatie aan het MER toe te voegen, en dan pas een besluit te nemen over de ontgrondingsvergunning, het bestemmingsplan en andere besluiten. Dit advies is opgesteld voordat het ontwerpbestemmingsplan, en (ontwerp)besluiten voor de ontgrondingenwet, de Waterwet en de Wet natuurbescherming en eventuele andere besluiten beschikbaar waren. Het bevoegd gezag moet dus zelf nog nagaan of het MER, het bestemmingsplan, de ontgrondingsvergunning, de omgevingsvergunning en overige vergunningen goed en volledig op elkaar aansluiten.
5
Zie bladzijde 32 van de aanvulling: Behoefteonderzoek watergebonden en waterverbonden bedrijventerreinen Gelderland. Ecorys, 2016.
6
Bijlage 8 bij de aanvulling.
-2-
Figuur 1 Beeld van het bedrijfsterrein (bron: aanvulling) Aanleiding MER De herinrichting van de Willemspolder en het realiseren van een bedrijfsterrein passen niet binnen het huidige bestemmingsplan. De gemeente Neder-Betuwe wil daarom een nieuw bestemmingsplan vaststellen. Omdat de winning van grondstoffen een belangrijke drager is voor de herinrichting is een ontgrondingenvergunning van de provincie Gelderland nodig. In een toelichtend gesprek op 27 augustus 2021 hebben de gemeente Neder-Betuwe en initiatiefnemer Dekker b.v. aangegeven dat de activiteiten van de bouwstoffenHUB niet in het bestemmingsplan worden opgenomen. Hiervoor wordt een tijdelijke omgevingsvergunning, voor de duur van 5 jaar, aangevraagd. In hoeverre de activiteiten op het bedrijfsterrein en de haven dan alsnog in het bestemmingsplan opgenomen worden hangt af van een evaluatie waarbij in ieder geval de impact op de omgeving wordt meegenomen. Het plan bevat verschillende onderdelen waarvoor het opstellen van een MER verplicht is. De herinrichting heeft mogelijk effecten op beschermd natuurgebied, zoals Natura 2000-gebied Rijntakken, zodat een passende beoordeling nodig is.
Daarnaast biedt het bestemmingsplan een kader voor activiteiten waar (mogelijk) een MER nodig is: de ontwikkeling van een haven voor binnenscheepvaart (C4), de winning van oppervlaktedelfstoffen (C16.1), de aanleg, wijziging of uitbreiding ter beperking van overstromingen (D3.2) en landinrichting (D9). Omdat er zowel een project- als een plan-MER nodig is, is gekozen voor een gecombineerd plan- en project-MER. Voor het plan zijn ook besluiten nodig in het kader van de Ontgrondingenwet (provincie Gelderland), de Waterwet (Rijkswaterstaat en Waterschap Rivierenland) en de Wet Natuurbescherming (Provincie Gelderland en Ministerie van LNV). De voorbereiding van deze besluiten, inclusief het bestemmingsplan, wordt door de provincie Gelderland gecoördineerd. Andere benodigde vergunningen, zoals omgevingsvergunningen, zijn niet in deze gecoördineerde procedure opgenomen. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeente NederBetuwe - besluit over het bestemmingsplan voor Willemspolder fase 1.
De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3442 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
-3-
Toelichting op het advies Algemeen In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de provincie Gelderland. In de tekst wordt ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.
Effecten windmolens geen onderdeel van de aanvulling Het voorlopige advies over het MER concludeerde dat de gevolgen van het plaatsen van windturbines op het bedrijfsterrein niet juist in beeld waren gebracht. Het ging onder andere om de landschappelijke impact, cumulatieve geluidhinder en de betekenis voor het aspect duurzaamheid. Omdat de gemeente Neder-Betuwe heeft aangegeven vooralsnog geen medewerking te verlenen aan het plaatsen van windturbines, zijn ze niet opgenomen in het bestemmingsplan en de vergunningaanvragen. De aanvullende onderzoeken naar geluidhinder en stikstof laten de aanleg en gebruik van windturbines nu buiten beschouwing. Aangezien de windmolens geen onderdeel zijn van de besluitvorming is er geen sprake meer van ontbrekende informatie. Overigens laat de aanvulling met visualisaties wel zien wat de landschappelijke impact is van eventuele windmolens.
Bodem Gebiedspecifiek beleid De aanvulling bevat als bijlage 8 een Nota Bodembeheer (verder: Nota). Deze Nota bevat een gebiedspecifiek kader voor het toepassen van grond en waterbodem die niet voldoet aan de generieke onderdelen uit de Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen (verder: Handreiking). De Nota laat zien dat lokale maximale waarden nodig zijn voor met PFAS verontreinigde bodem en voor grond uit het terrein van de voormalige steenfabriek die in de klasse industrie valt. De Nota bevat echter een aantal foutieve werkwijzen: •
Dat er geen kwetsbaar object in de omgeving ligt, betekent niet zonder meer dat lokaal hogere normen zijn toegestaan. Stap 2 en 3 uit het stappenplan voor een gebiedspecifiek kader moeten, conform de Handreiking, altijd doorlopen worden. Onderdeel hiervan kan zijn een geohydrologische analyse om te bepalen of er sprake is van een veilige situatie voor omringend grondwater (stap 3).
•
Bij het vaststellen van de lokaal maximale waarden (LMW) voor PFAS is een werkwijze gevolgd die aansluit bij het opstellen van gebiedspecifiek beleid voor landbodem, louter gebaseerd op een risicotoets op basis van de gehalten in de bodem.7 Bij het vullen van diepe plassen moet echter de Handreiking gevolgd worden, net als voor de grond klasse industrie uit het voormalige fabrieksterrein. Nu ontbreekt bijvoorbeeld de beoordeling of
7
Zie bijvoorbeeld tabel 3.1 in de aanvulling waar de gehalten vergeleken worden met risicogrenswaarden.
-4-
er sprake is van een voldoende geohydrologische isolatie van (het vulmateriaal in) de diepe plas. •
De gebiedspecifieke normen (lokaal maximale waarden) voor PFAS zijn gebaseerd op gemiddelde waarden die in het gebied zijn aangetroffen. Deze gemiddelden wijken maar beperkt af van de norm, terwijl de waterbodemkwaliteitskaart waarden tot 14,3 µg/kg droge stof laat zien. Daarbij laat de kaart met overschrijdingen8 zien dat de meeste meetpunten de norm overschrijden, hetgeen niet logisch is als het gemiddeld rond de norm zou liggen.
•
De bodemkwaliteitskaart is gebaseerd op onvoldoende meetgegevens. De locatie waar de haven komt is nu landbodem (en onderscheidt zich in formele zin van de overige delen van de kaart), maar er ontbreekt informatie over de aanwezigheid van PFAS. Het terrein van de voormalige steenfabriek is opgenomen zonder dat hier nader onderzoek heeft plaatsgevonden. Dit is wel nodig, omdat de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart dit gebied heeft aangemerkt als ‘Niet gezoneerd’, wat betekent dat er onvoldoende gegevens beschikbaar waren.
De Commissie wijst er ook op dat PFAS een waterminnende stof is. De verspreiding van PFAS uit de bodem kan bij toepassing onder waterniveau wezenlijk verschillen van de verspreiding die in de huidige (overwegend) droge situatie plaatsvindt. Informatie over omvang en betekenis daarvan ontbreekt in de Nota, en daarmee in het MER. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming: •
Bij het bepalen van de toepasbaarheid van vrijkomende grond het stappenplan uit de Handreiking op de juiste manier te volgen.
•
In beeld te brengen welke aanpak gehanteerd zal worden als de vrijkomende grond niet op de voorgenomen manier is toe te passen.
•
Vervolgens na te gaan wat dit betekent voor de grondbalans, de inzet van materieel en daarvan afgeleide berekeningen zoals stikstof en luchtkwaliteit.
Doorkijk Omgevingswet De herinrichting van de Willemspolder fase 1 wordt naar verwachting in 2031 afgerond.9 Het is aannemelijk dat voor die tijd de Omgevingswet van kracht wordt.10 In artikel XVI van het Aanvullingsbesluit bodem11 is aangegeven dat er een overgangsrecht is van drie jaar, oftewel; tot drie jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet is het regime van het Besluit bodemkwaliteit nog geldig. Het is daarom reëel dat een deel van de realisatie van het project binnen de kaders van de Omgevingswet plaats gaat vinden. In dat kader beveelt de Commissie aan om ook een doorkijk te geven naar de betekenis van de normenstelsel uit de Omgevingswet (waarvan concepten beschikbaar zijn). Relevant in dat kader is bijvoorbeeld de Regeling Bodemkwaliteit 2021. 12 Deze is nog niet in werking getreden13, maar bevat wel normen voor diepe plassen.
8
Zie bladzijde 578 van Bijlage 7 bij de aanvulling.
9
Zie bladzijde 54 van de aanvulling.
10
De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 juli 2022.
11
Op 25 februari 2021 gepubliceerd in het Staatsblad.
12
https://www.internetconsultatie.nl/regeling_bodemkwaliteit_2021
13
Het plan is om deze regeling gelijktijdig met de Omgevingswet in werking te laten treden. Bij eventuele vertraging van de Omgevingswet wordt de regeling mogelijk zelfstandig ingevoerd.
-5-
Stikstof De aanvulling bevat nieuwe berekeningen om de stikstofdepositie op kwetsbare Natura 2000-gebieden te bepalen. De berekeningen gaan uit van aanzienlijk hogere, en daarmee realistische, draaiuren van materieel. Ook zijn scheepvaartbewegingen meegenomen in de berekeningen.
Beschikbare stikstofruimte voor intern salderen Het beëindigen van het landbouwkundig gebruik van de uiterwaard biedt veel stikstofruimte voor interne saldering, zo staat in het MER. Wat opvalt is dat de berekeningen van stikstofemissie in de referentiesituatie, het agrarisch gebruik, uitgaan van bemesting met alleen dierlijke mest.14 De Europese Nitraatrichtlijn en de Meststoffenwet bevatten een gebruiksnorm voor stikstof uit dierlijke mest: er mag (in het algemeen) niet meer dan 170 kg N/ha/jaar toegepast worden. Voor aanvullende bemesting moet kunstmest gebruikt worden. De nadere onderbouwing van de emissiekwantificering gaat hier niet op in.15 Het onderscheid tussen dierlijke mest en kunstmest is relevant omdat dierlijke mest een hogere emissiefactor heeft dan kunstmest. Oftewel: de volledig op grond van dierlijke mest berekende stikstofemissie is hoger dan wanneer rekening gehouden wordt met de gebruiksnorm. De stikstofemissie in de referentiesituatie is in het MER nu overschat. Het gevolg hiervan is dat de effecten mogelijk onderschat zijn en dat hier in de fasering mogelijk onvoldoende rekening mee is gehouden.
Fasering van de werkzaamheden De Commissie wijst erop dat bij de fasering van het plan het beëindigen van landbouw gelijk op moet gaan met het uitvoeren van de herinrichting. De bouwstoffenHUB is de dominante stikstofbron. Dit betekent dat zodra deze in gebruik genomen wordt (gepland 2026), een aanzienlijk deel van de landbouw beëindigd moet zijn, ook op percelen die pas na die datum heringericht gaan worden. Het gaat onder andere om het westelijk deel van het plangebied (de vakken A, B en deels G die als (tijdelijk) leefgebied voor de wulp zijn aangewezen)16. De Commissie beveelt aan om dit te verduidelijken in de ruimtelijke onderbouwing en vergunningaanvragen.
Transportbewegingen Bij het bepalen van geluidhinder is rekening gehouden met verkeersbewegingen van en naar de steenfabriek Schipperswaard. Het gaat per jaar om 569 vrachtwagens (1138 verkeersbewegingen) per jaar die klei transporteren naar deze steenfabriek.17 De volledige route van deze vrachtwagens is in het MER opgenomen.18 Bij het berekenen van de stikstofdepositie op natuurgebieden is dit transport maar ten dele meegenomen. Verkeersbewegingen ten westen van de N323 zijn nu niet in de AERIUS berekeningen19
14
De emissiefactoren in paragraaf 3.1 in bijlage 15 bij het MER gelden voor dierlijke mest.
15
Zie overzicht van aanpassingen in paragraaf 1.1 van bijlage 5 bij de aanvulling.
16
Zie paragraaf 2.4.1, afbeelding 34 en 35, in de aanvulling.
17
Zie paragraaf 4.2 van bijlage 3 bij het MER. Willemspolder fase 1 in Willemspolder Aanvulling op het MER Geluidonderzoek
(zonder windturbines). LBP|Sight, 21 mei 2021. 18
Zie afbeelding 23 op bladzijde 24 van de aanvulling.
19
Bijlage 5 bij het MER. Willemspolder fase 1 in Willemspolder Aanvulling op het MER Geluidonderzoek (zonder windturbines). LBP|Sight, 17 juni 2021.
-6-
opgenomen.20 Het MER laat op bladzijde 24 de volledige route van de vrachtwagens naar de steenfabriek Schipperswaard zien (zie figuur 2). De verkeersbewegingen op deze route maken geen deel uit van het reguliere verkeersbeeld ter plaatse. Dit betekent dat bij het bepalen van de stikstofeffecten in het MER de gehele route relevant is.
Figuur 2 Route van kleitransport per vrachtwagen naar steenfabriek Schipperswaard (bron: MER) en de wijze waarop deze in AERIUS-Calculator is ingevoerd (zie inzet; bron: bijlage 5 bij het MER) Op 1 juli 2021 is artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming in werking getreden, en tegelijk artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming. Hierin wordt bepaald dat de stikstofeffecten uit de bouwfase niet betrokken hoeven te worden bij het besluit over een natuurvergunning. Deze wetswijzing heeft geen betrekking op de inhoud van een MER. Omdat een MER alle milieueffecten en mogelijke maatregelen in beeld moet brengen, moet het MER deze informatie wel bevatten. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming: •
De referentiesituatie voor de stikstofemissie en -depositie te berekenen op grond van gebruiksnormen voor dierlijke mest en kunstmest en de bijbehorende emissiefactoren. Onderbouw hiermee dat het plan gebruik kan maken van interne saldering en in hoeverre hier bij de fasering van de werkzaamheden rekening moet worden gehouden.
•
Bij het berekenen van de stikstofeffecten van het plan de volledige rijroute van vrachtwagens naar steenfabriek Schipperswaard mee te nemen.
20
Zie de in AERIUS ingevoerde route van bron 4 (zwaar vrachtverkeer) op pagina 28 van bijlage 5 bij het MER.
-7-
Monitoring en evaluatie De aanvulling bevat in tabelvorm een aanzet voor een monitoringsprogramma. Dit geeft voldoende beeld van de beoogde monitoring en evaluatie. In het toelichtend gesprek is aangegeven dat aan de omgevingsvergunning voor een tijdelijke bouwstoffenHUB (gebruik van de haven en het bedrijfsterrein) een evaluatie verbonden wordt. De uitkomsten van deze evaluatie zijn relevant voor het al dan niet kunnen voortzetten van de activiteiten. Gemeente en initiatiefnemer zijn in gesprek over welke indicatoren nodig zijn voor deze evaluatie. De Commissie beveelt aan om bij de uitwerking van het monitorings- en evaluatieprogramma: •
Tijdig (voorafgaand aan start van werkzaamheden) de T0 situatie vast te leggen en de informatie daarin ook aan te laten sluiten op de aspecten die relevant zijn voor de evaluatie van het bedrijfsmatig gebruik;
•
Vooraf te bepalen wanneer bijsturing of maatregelen nodig zijn, en wie daar verantwoordelijk voor is;
•
Monitoringsonderzoek frequent uit te laten voeren. Zo valt op dat de ontwikkeling van de natuurwaarden maar op één moment, namelijk 2 jaar na realisatie, wordt gemonitord. Voor een goede monitoring en evaluatie, en eventuele bijsturing, is frequenter onderzoek nodig. Een visuele inspectie, bijvoorbeeld de ontwikkeling van de indicatieve soorten of vegetatie, kan al veel relevante informatie geven. Het evaluatiemoment na 5 jaar vraagt wellicht om relatief intensieve monitoring in deze periode, om daarmee voldoende data te verzamelen om een goede conclusie te kunnen trekken.
-8-
BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: dr. Wilfried ten Brinke dr. Henk Everts Marja van der Tas (voorzitter) drs. Frank Wijnants drs. Aletta Lüchtenborg (secretaris) Besluiten waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Bestemmingsplan en ontgrondingenvergunning. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat.
Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit C6 (ontwikkeling van een haven voor binnenscheepvaart), C16.1 (winning van oppervlaktedelfstoffen), D3.2 ( aanleg, wijziging of uitbreiding ter beperking van overstromingen) en D9 (landinrichting). Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom is een gecombineerd plan-/project-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluiten Gemeenteraad van Neder-Betuwe en Gedeputeerde Staten van Gelderland. Initiatiefnemer besluiten College van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe en Dekker Grondstoffen bv. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3442 in te vullen in het zoekvak.