Bijlage 4 - Samenvatting wijzigingen ten opzichte van huidige regels en keuzevrijheden
Tekst van het document
Bijlage bij de Nota van Uitgangspunten omgevingsplan Kernen. In de beeldvormende avond van 23 november a.s. wordt de Nota van Uitgangspunten van het omgevingsplan Kernen besproken. Wij realiseren ons dat dit een vrij juridisch en technisch stuk is dat lastig te lezen en te doorgronden is. Daarom hebben wij gemeend een stuk op hoofdlijnen te maken van de Nota van Uitgangspunten die de kern van de wijzigingen weergeeft ten opzichte van de huidige regels en waar er keuzevrijheden liggen en waar niet. De Nota van Uitgangspunten wordt als basis gebruikt voor het opstellen van het omgevingsplan Kernen. Zodra er een voorontwerp van het omgevingsplan klaar is zullen we u via een collegeinformatieavond informeren over het omgevingsplan en hoe de Nota van Uitgangspunten is vertaald naar het omgevingsplan.
Nota van Uitgangspunten omgevingsplan Kernen (de wijzigingen t.o.v. huidige regelgeving) De Nota van Uitgangspunten (NvU) vormt het vertrekpunt van het omgevingsplan Kernen. In deze nota wordt vastgelegd hoe om wordt gegaan met keuzes en aandachtspunten. Belangrijkste algemene uitgangspunten hierbij zijn: Beleidsneutrale omzetting van bestemmingsplannen en huidige regelingen naar het omgevingsplan; Verordening en Bruidsschat worden aan het eind van de transitieperiode overgeheveld naar het omgevingsplan (2027 ev) conform het plan van aanpak en worden dus nu niet meegenomen tenzij deze regels samenhangen met de regels uit de bestemmingsplannen zoals de vergunningplicht voor het bouwen van bouwwerken. Wat zijn de wijzigingen t.o.v. de bestemmingsplannen? 1. Kleine technische wijzigingen: Doordat de structuur van het omgevingsplan anders is en de formulering van regels verandert. Verder worden meer dan 60 bestemmingsplannen die gelden binnen de kernen geüniformeerd naar 1 plan. 2. Het omgevingsplan is meer omvattend dan het bestemmingsplan: Alle regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving moeten worden opgenomen in het omgevingsplan en niet alleen de regels voor een goede ruimtelijke ordening. Denk daarbij aan regels over duurzaamheid, klimaatadaptatie, energie, gezondheid etc. 3.
Beleidswijzigingen rijk, provincie en gemeente: Wijzigingen in beleid of nieuw beleid van de afgelopen jaren wordt, indien concreet genoeg, door vertaald naar het omgevingsplan. 4. Afwegingsruimte Bruidsschat: Dit betref met name de milieu- /bouwregels uit de bruidsschat waarvan eerder is bepaald dat deze later worden verhuisd naar het omgevingsplan. In enkele gevallen is het beter om ze nu over te hevelen en hierbij heeft de gemeente keuzemogelijkheden. 5. Instructieregels Rijk en provincie Dit zijn regels die door het Rijk en de provincie zijn vastgesteld en welke verplicht door de gemeente in het omgevingsplan moeten worden opgenomen. Bijvoorbeeld regels ter bescherming van de Romeinse Limes of voor intrekgebieden drinkwater. Ad 1 en 5 De onder 1 en 5 genoemde wijzigingen zijn wijzigingen die we op moeten nemen en rekening mee moeten houden maar weinig tot geen invloed op hebben. Ad 2 en 3 De onder 2 genoemde nieuwe thema’s en het onder 3 genoemde nieuwe beleid kunnen in het omgevingsplan worden opgenomen als er duidelijk beleid is en deze op onderdelen concreet genoeg is om door te vertalen naar het omgevingsplan. Uit de inventarisatie is gebleken dat dit nog niet altijd het geval is. Dit is niet erg want voor de realisering van de doelstellingen van het beleid is het omgevingsplan niet altijd nodig.
Dit hebben we op deze thema’s tot nu toe ook nog niet gedaan en/of nodig gehad. Bij nieuw op te stellen/wijzigingen van beleid of uitwerking van beleid kan nagedacht geworden of het omgevingsplan een middel kan zijn om de doelstellingen te bereiken. Op onderdelen wordt er nu gewerkt aan de uitwerking van beleid. Zo worden er bijvoorbeeld voor erfgoedbeleid redengevende beschrijvingen gemaakt voor hoog en zeer hoog gewaardeerde landschapselementen en stedenbouwkundige ensembles. Zodra deze klaar zijn kunnen er regels in het omgevingsplan worden opgenomen om deze elementen en ensembles te beschermen. Wat we nu wel kunnen doen is in het omgevingsplan Kernen voorwaarden scheppen om de uitvoering van projecten op deze thema’s binnen de kernen zo min mogelijk te belemmeren. Zo wordt er bijvoorbeeld binnen alle functies de aanleg van groen en water mogelijk gemaakt om bijvoorbeeld projecten van klimaatadaptatie/biodiversiteit etc. in ieder geval niet te hinderen (zie p.12 en 15 NvU).
Bij een omgevingsplan voor nieuwbouwprojecten is het gemakkelijker dan bij een conserverend plan om te sturen op de nieuwe thema’s zoals bijvoorbeeld de aanleg van voldoende (bio divers) groen, voldoende waterberging, een inrichting van de openbare ruimte die uitnodigt tot bewegen, de bouw van een duurzame woning etc. Bij de ontwerpfase kan met deze thema’s rekening worden gehouden. Op het thema energie zijn er wel wat concrete voorstellen geformuleerd in de NvU. Zo wordt er voorgesteld om het plaatsen van zonnepanelen en warmtepompen en de mogelijkheden voor het aanbrengen van gevelisolatie te verruimen (zie p. 14 NvU) Ad 4 De echte “nieuwe” keuzes die de gemeente kan maken onder de Omgevingswet zitten in de Bruidsschat. De Bruidsschat gaan we conform het plan van aanpak transitieperiode in principe over een aantal jaren verhuizen naar het permanente omgevingsplan. Het is echter verstandig om de bruidsschat op planogisch relevante onderdelen nu wel mee te nemen. Bouwen Het verbod om te bouwen zonder vergunning staat nu in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In het Besluit omgevingsrecht (Bor) is het vergunning vrije bouwen geregeld. Onder de Omgevingswet wordt dit anders. Het Rijk regelt alleen nog de bouwtechnische vergunning voor het bouwen. De ruimtelijke vergunning moet in het omgevingsplan worden geregeld en staat tijdelijk in de Bruidsschat.
Het vergunningvrij bouwen wordt deels geregeld in het Besluit bouwen leefomgeving (BBL) en de Bruidsschat. Het is dus grotendeels aan de gemeente om te bepalen wat er vergunningsvrij gebouwd mag worden en waar een vergunning voor nodig is. Hier ligt dus een grote beleidsvrijheid. Vanwege het uitgangspunt om de regels zoveel mogelijk beleidsneutraal over te zetten stellen we voor de vergunningplichten en het vergunningsvrij bouwen zoveel mogelijk hetzelfde te blijven regelen (zie p.30 NvU). Op basis van de huidige praktijk en deregulering worden er wat versoepelingen voorgesteld (p.30 NvU): - Op percelen groter dan 1000 m² meer bijgebouwen (tot 150 m²) toe te staan (nu voor percelen groter dan 800 m² tot 120 m²) - Dakkapellen aan de voorzijde van woningen vergunningsvrij mogelijk maken als ze aan welstandseisen voldoen. Dit geldt niet voor monumenten en binnen historische kernen, beschermd stads- en dorpsgezicht en historische linten. Nu is dit alleen aan de achterzijde van een woning vergunningsvrij. - Bijgebouwen en aanbouwen die op basis van de geldende bestemmingsplannen zijn toegestaan vergunningsvrij maken. Veel bijgebouwen kunnen nu al op het achtererf l vergunningsvrij worden gebouwd daarnaast worden de vergunningen altijd verleend voor de bijgebouwen die op basis van het bestemmingsplan zijn toegestaan.
Milieu Veel milieuregels komen via de Bruidsschat van het rijk naar de gemeente. Dit betekent niet dat het rijk helemaal geen regels meer over deze milieuaspecten stelt. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen aan de hand waarvan gemeenten hun omgevingsplan moeten maken. Dus de gemeente heeft op de milieuonderdelen de beleidsvrijheid om strengere of soepelere eisen te stellen maar binnen bepaalde grenzen. Beleidsneutraal Bij de voorstellen uit de NvU is zoveel mogelijk aangesloten bij de regels in de Bruidsschat (in principe huidig recht). Dit vanwege de beleidsneutrale verhuizing maar ook omdat het maken van andere keuzes vraagt om een beleidsmatige grondslag en nader onderzoek naar de gevolgen van die keuzes. Zorgplichten We stellen voor om op verschillende onderdelen wel specifieke zorgplichten op te nemen in het omgevingsplan. Dit is een flexibiliteitsbepaling waarmee in individuele overlastsituaties of in situaties waarin de regels van het omgevingsplan onnodig knellend zijn maatwerk te kunnen bieden.
(zie voorstellen cumulatie geur, geur van het stoken van hout in kachels en open haarden, industriële geur en luchtemissie luchtkwaliteit p. 40, 41, 44 en 48 NvU) Onderdelen die niet beleidsneutraal worden overgezet (buiten de afwijkingen die op basis van de instructieregels uit het Bkl nodig zijn en waar we geen invloed op hebben): - Geen normen voor piekgeluid in de dagperiode opnemen (p.37 NvU) Naast de normen voor het continue geluid bevat het Bkl ook normen voor piekgeluid. Piekgeluiden zijn plotselinge en harde geluiden (bijvoorbeeld dichtslaan van autodeuren of laden en lossen met een vrachtwagen). Het Bkl bevat in tegenstelling tot het huidige recht, geen normen voor het maximale piekgeluid in de dagperiode (periode tussen 07.00 – 19.00 uur). Het Bkl bevat dus alleen normen voor het piekgeluid in de avondperiode (19.00 – 23.00 uur) en de nachtperiode (23.00 – 07.00 uur). Aan deze wijziging ligt ten grondslag dat de wetgever normen voor het piekgeluid alleen maar noodzakelijk acht met het oog op het voorkomen van slaapverstoring. In de nota van uitgangspunten stellen wij voor om overeenkomstig het Bkl en in afwijking van het huidige recht geen normen voor het piekgeluid in de dagperiode op te nemen. - Het begrip geurgevoelig gebouw uit het Bkl hanteren (p.40) Het Bkl bevat een definitie van het begrip geurgevoelig gebouw.
Als geurgevoelig gebouw wordt aangemerkt: gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied). Met het nieuwe begrip geurgevoelig gebouw heeft de wetgever aansluiting gezocht bij het begrip geluidgevoelig gebouw. Het begrip is beperkter dan het huidige begrip geurgevoelig object: een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. Onder het huidige begrip worden ook kantoren, recreatiewoningen en vaste kampeermiddelen zoals chalets begrepen. De gemeenteraad kan er in het omgevingsplan voor kiezen om in plaats van het nieuwe begrip, het ‘oude’ begrip te hanteren. In de nota van uitgangspunten stellen wij voor om aansluiting te zoeken bij de definitie zoals het Bkl die hanteert. Deze definitie sluit aan bij de definitie van geluidgevoelig object, is duidelijker dan het huidige begrip en beter gericht op de ‘objecten’ die bescherming behoeven tegen geurhinder.