CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3d - Bijlage 5 bij de toelichting - Quickscan flora en fauna

Raadsvergadering 21 maart 2024, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Opheusden, Smachtkamp 60’8.212 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Smachtkamp 60 te Opheusden Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2022-1063

Datum:

20 oktober 2022

Samensteller:

ing. A.H.M. Ruit

Collegiale toets:

ing. D.F. Knoops

Opdrachtgever:

Buro SRO Oost B.V.

Contactpersoon:

N. Overkamp-Oudshoorn

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

7

2 Methode

8

2.1

Uitvoering onderzoek

8

2.2

Soortenbescherming

8

2.3

Gebiedsbescherming

9

2.4

Houtopstanden

11

2.5

Houdbaarheid en toepassing

11

3 Beoordeling

12

3.1

Soortenbescherming

12

3.2

Gebiedsbescherming

19

3.3

Houtopstanden

21

4 Samenvatting

22

4.1

Soortenbescherming

22

4.2

Gebiedsbescherming

22

4.3

Houtopstanden

22

5 Conclusie

23

5.1

Conclusie

23

5.2

Uitvoerbaarheid

23

5.3

Vervolgstappen

23

5.4

Te treffen maatregelen

23

1 Inleiding Aan de Smachtkamp 60 te Opheusden is een woonperceel met een woning, schuur en kas gelegen. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande woning, schuur en kas op de planlocatie te slopen ten behoeve van de bouw van woningen. Daarnaast zijn er diverse bomen gesitueerd welke mogelijk voor de beoogde ruimtelijke ingreep worden gekapt. Het bestemmingsplan voorziet in de beoogde ruimtelijke ingreep, echter dient het bouwvlak te worden gewijzigd. Derhalve dient een bestemmingsplanwijziging plaats te vinden. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.

3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Smachtkamp 60 te Opheusden.

4

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Smachtkamp 60 te Opheusden (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit een woonperceel met een goed onderhouden gazon, tuin en een moestuin. Tevens staan er verschillende bomen waarvan mogelijk een gedeelte binnen de beoogde ruimtelijk ingreep wordt gekapt. De treurwilg die zich aan de weg (oostenkant) bevindt zal behouden blijven. Op de locatie bevinden zich een woning, schuur en kas, welke zullen worden gesloopt ten behoeve van de bouw van nieuwe woningen. De woning bestaat uit gemetselde muren met spouw en heeft een pannendak met vogelschroot. De schuur is opgetrokken uit houten planken en een golfplaten dak. De kas heeft een geraamte van hout en bestaat verder uit glas. De oprijlaan bestaat uit grind. Aan de voorzijde (oostzijde) van de woning bevindt zich een tuin met een hoog kwaliteitsbeeld. De tuin bestaat uit een bomen, gazon, struwelen en een verscheidenheid aan tuinplanten. Aan de achterzijde (westzijde) is een moestuin en eveneens een tuin en gazon. Daarnaast is er een klein gedeelte verharding dat fungeert als looppad rondom het huis en richting de kas. Eveneens aan de oostzijde van de schuur bevindt zich een gazon. Daarnaast bevindt zich aan de zuidzijde van het perceel een watergang.

In figuur 1.3, figuur 1.4 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Smachtkamp 60 te Opheusden. De planlocatie is gelegen aan de rand van het dorp Opheusden. Op enkele meters afstand loopt een spoorlijn. De dichtstbijzijnde snelweg (A15) bevindt zich op circa 500 meter afstand ten zuiden van het perceel.

5

Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om naast de woning, de schuur en achterliggende kas te slopen.

Figuur 1.4 De moestuin, tuin, gazon en kas aan de achterzijde van de woning.

6

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een woning, schuur en kas, mogelijke kap van enkele bomen en de realisatie van meerdere woningen. De functie van het perceel dient te wijzigen (aanpassen bouwvlak). Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

7

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2022 en is uitgevoerd door ing. D.F. Knoops en ing. A.H.M. Ruit. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 3/8 bewolkt, 16 Celsius en windkracht 2/3 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

8

5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.

Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Huisspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Veldmuis

Dwergspitsmuis

Konijn

Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening.

9

Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders Natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Deze onderbouwing dient te worden vastgelegd in een versterkingsplan. Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels.

Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.

10

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

11

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). De planlocatie bestaat grotendeels uit een strak gemaaid gazon en een goed onderhouden tuin en moestuin. Daarnaast zijn diverse bomen en struiken aanwezig zoals wilg, lariks, hemelboom en berk. Het hoge kwaliteitsbeeld van de tuin en moestuin op de planlocatie bieden geen geschikte groeiplaatsen voor eventuele beschermde soorten. Ter plaatse is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: bastaard wederik, gestreepte witbol, herderstasje, speerdistel en vogelmuur. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.

Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, damhert, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel, wild zwijn en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, bunzing, damhert, rode eekhoorn, wezel en wild zwijn. De bever komt voor in overgangsgebieden van zoetwater en land zoals moerassen, beken, rivieren, meren en kanalen. Bij voorkeur worden deze omringt door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. Aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste (Bever Zoogdiervereniging, 2022).

Op planlocatie zijn geen sporen, burchten of holen aangetroffen van de bever. De planlocatie is gelegen aan een watergang echter heeft deze maar een beperkt aantal bomen en struiken. Daarnaast is de watergang direct gelegen aan een spoorlijn. Waarnemingen van de bever zijn voornamelijk bekend rond de Nederrijn en de uiterwaarden van deze rivier. De dichtstbijzijnde waarneming is op circa 800 meter ten noorden van de planlocatie. De aanwezigheid van het spoor direct naast de planlocatie zorgt voor een hoge mate van verstoring. Tevens zijn er geen sporen gevonden of waarnemingen gedaan op de planlocatie of in de directe invloedsfeer. Derhalve kan het voorkomen van de bever op de planlocatie worden uitgesloten. De boommarter en de rode eekhoorn leven in bosrijke gebieden. De rode eekhoorn komt ook voor in parklandschappen met aaneengesloten bomen(rijen). Verblijfplaatsen van boommarters worden vaak in boomholtes, boomwortels of in holen van konijnen en/of vossen aangetroffen.

12

De waarnemingen van de boommarter en de rode eekhoorn zijn gedaan in het natuurgebied ‘De Blauwe Kamer’ op een afstand van circa 1,8 km ten noorden van de planlocatie. De planlocatie bevindt zich aan de rand van een woonwijk en heeft weliswaar groene elementen zoals bomen, struiken en gras maar maakt geen deel uit van een groter aaneengesloten bosgebied. Verder zijn geen sporen als nesten of uitwerpselen aangetroffen tijdens het veldbezoek. De spoorlijn naast de planlocatie zorgt voor veel verstoring en gevaar voor voorgenoemde soorten. Derhalve is het voorkomen van boommarter en rode eekhoorn is uitgesloten. Het damhert en wild zwijn komen beide voor in loof- en gemengde bossen. Het damhert komt bij voorkeur voor in oudere bossen met een dichte onderbegroeiing. Overdag rusten damherten in de ondergroei van het bos of op een afgelegen grasland (Zoogdiervereniging Damhert, 2022; Zoogdiervereniging Wild zwijn, 2022). Het wild zwijn leeft in een rustige leefomgeving en kan afstanden tot 15 kilometer per dag afleggen. Overdag wordt er gerust in dichte dekking en wordt een dagrustplaats gecreëerd (Zoogdiervereniging Wild zwijn, 2022). De waarnemingen van het damhert en wild zwijn zijn gedaan in het natuurgebied ‘De Blauwe Kamer’ op 1,8 km van de planlocatie. De Nederrijn vormt een barrière voor beide soorten.

Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek op de planlocatie geen sporen waargenomen zoals uitwerpselen en uithollingen of wroetsporen in de bodem. Door de ligging aan de rand van de woonwijk en langs een spoorlijn is er van rust geen sprake en ontbreekt het de planlocatie eveneens aan geschikt leefgebied. Derhalve kan worden uitgesloten dat de locatie een essentiële functie vervult voor deze soorten. De aanwezigheid van het damhert en wild zwijn is uitgesloten. De bunzing komt voor in een kleinschalig landschap met houtwallen, greppels en sloten met overhangende vegetatie. Als dagrustplaats worden voornamelijk bestaande holen als konijnenholen of holen van muskusrat gebruikt. Daarnaast worden ook takken- en steenhopen, duikers en rommelschuurtjes gebruikt (Zoogdiervereniging Bunzing, 2022). Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap, maar komt ook voor in diverse andere biotopen. Wezels eten hoofdzakelijk (woel)muizen. Schuilplekken worden gezocht bij bosschages, houtstapels, heggen of in oude holen van muizen, ratten of konijnen (Zoogdiervereniging Wezel, 2022). Waarnemingen van de bunzing betreffen enkel dode exemplaren die zijn aangetroffen op en rondom de A15 op 600 meter ten zuiden van de planlocatie. De wezel is waargenomen op 600 meter ten oosten van de planlocatie (NDFF 2012-2022).

De planlocatie betreft een grotendeels kort gemaaid gazon, welke haast geen voedsel en schuilmogelijkheid biedt. De overige beplanting (bomen en struiken) bieden (door het onderhoudsbeeld) beperkte mogelijkheid tot schuil- en/of foerageerplaatsen gezien deze richting de woonwijk en spoorlijn zijn gesitueerd. De beplanting aan de westzijde staat op de erfgrens en blijft behouden. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen als uitwerpselen of prooiresten aangetroffen. Ook in de schuur zijn geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van bunzing of wezel. Daarnaast zijn er genoeg uitwijkmogelijkheden in de omgeving. Derhalve kan worden uitgesloten dat de planlocatie verblijfplaatsen bevat en onderdeel is van essentieel leefgebied. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, Brandt’s vleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2012-2022). 13

Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de mogelijk te kappen bomen op en nabij de planlocatie zijn geen geschikte boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.

Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De bebouwing is opgetrokken uit gemetselde muren met een lucht spouw. In de bebouwing zijn geen gaten of stootvoegen aanwezig waardoor de spouw niet bereikbaar is. Bij het dak bevinden zich enkele kierende kantpannen en een nokpan. De kieren zijn beperkt en om deze ingangen te bereiken moeten vleermuizen aanvliegen op een glad gelakte windveer. Vleermuizen hebben een ruw oppervlak nodig om te kunnen aanvliegen, grip te krijgen en vervolgens naar binnen te kunnen kruipen. Hierdoor zijn deze openingen ongeschikt voor vleermuizen om te gebruiken als verblijfplaats. Daarnaast hebben vleermuizen talg op de huid. Het gebruik van openingen als ingang zou daardoor op de wit gelakte windveer zichtbaar moeten zijn. Echter is er geen talgafzet aanwezig op de windveer. Zodoende kan worden uitgesloten dat vleermuizen deze openingen gebruiken als ingang. De schuur is opgetrokken uit houten planken met een golfplaten dak.

De schuur heeft vele openingen en kieren. Hierdoor is er veel licht en biedt deze geen stabiel microklimaat waardoor er voor vleermuizen geen geschikte verblijfplaatsen zijn. De kas is opgetrokken uit een houten frame met glaswerk. Door het glaswerk is er veel lichtschijnsel wat ongewenst is voor vleermuizen als verblijfplaats. Daarnaast heeft de kas geen openingen waar vleermuizen in krappe ruimtes weg kunnen kruipen. Hierdoor is het uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals baardvleermuis, Brandt’s vleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De bomen en struiken op locatie vormen geen aaneengesloten lijnvormige structuren waardoor het gebruik van de planlocatie als vliegroute is uitgesloten. Wat betreft foerageergebied zouden de aanwezige groenstructuren daar mogelijk dienst voor kunnen doen. Echter zijn in de directe omgeving voldoende foerageermogelijkheden aanwezig waardoor van essentieel foerageergebied geen sprake is.

Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, groene kikker, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker, rugstreeppad (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. 14

De heikikker is bij uitstek een vennensoort en heeft een voorkeur voor heide, hoogveen, laagveen of halfnatuurlijk grasland als leefgebied. Verder komen ze ook voor in bos en struweel. Het is een duidelijk cultuurvermijdende soort en wordt nauwelijks waargenomen in bebouwing. Overwintering vindt plaats op vochtvrije, beschutte plaatsen (Ravon Heikikker, 2022). Voortplantingswater is ondiep, zonbeschenen, voedselarm en relatief zuur (BIJ12 Kennisdocument Heikikker, 2017). De planlocatie is gelegen in een woonwijk en betreft bebouwing en een tuin met een hoog kwaliteitsbeeld. Enig struweel is aanwezig op de planlocatie echter voldoet de planlocatie niet aan het voorkeursleefgebied van de heikikker door de ligging tegen een woonwijk. Langs de zuidzijde van het perceel is een watergang gesitueerd. Dit betreft echter geen geschikt voortplantingswater door de vele verstoringen van het treinspoor. Daarnaast wordt de watergang niet aangetast in de beoogde ontwikkelingen. De waarnemingen zijn gedaan op 1,3 km ten zuiden van de planlocatie. Tussen de waarnemingsplek en de planlocatie vormt de A15 een barrière voor de heikikker om het dorp en daarmede de planlocatie te bereiken. Derhalve kunnen negatieve effecten ten aanzien van de heikikker worden uitgesloten. De kamsalamander komt voor in bosrijkgebied met houtwallen of struweel met in de directe omgeving voortplantingswater.

Het voortplantingswater bestaat uit stilstaande en half beschaduwde wateren met goed ontwikkelde water- en oevervegetatie (Ravon Kamsalamander, 2022). De planlocatie bevindt zich aan de rand van een woonwijk. Binnen de grenzen van de planlocatie is geen voortplantingswater aanwezig. Het perceel betreft een goed onderhouden tuin en heeft geen steenstapels of takkenhopen. Waardoor er geen geschikte schuil- en overwinteringsplekken zijn. Daarnaast is er een zekere mate van verstoring door de aanwezigheid van mensen en de aanwezigheid van een spoorlijn. De aangrenzende watergang is ongeschikt voor de kamsalamander vanwege de aanwezigheid van vissen. De waarnemingen van de kamsalamander zijn gedaan op circa 1,8 km van de planlocatie in het natuurgebied ‘De Blauwe Kamer’. Tussen de planlocatie en dit natuurgebied vormt de Nederrijn een barrière. Gezien de ligging en afwezigheid van geschikt leefgebied op de planlocatie wordt de aanwezigheid van de kamsalamander uitgesloten. De poelkikker heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Verder komt hij voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en uiterwaarden. De oever moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Daarnaast houdt de poelkikker van voedselarm en schoon water (Ravon Poelkikker, 2022).

De planlocatie bevindt zich niet in een bos- en/of heidegebied en aangelegen watergang voldoet niet aan de voorkeuren van de poelkikker. Daarnaast zijn waarnemingen van de poelkikker enkel gedaan in het agrarische gebied ten zuiden van de planlocatie en in het natuurgebied ‘De Blauwe Kamer’ ten noorden van de planlocatie, waarbij tussen het agrarische gebied ten zuiden vormt de A15 een barrière om de planlocatie te bereiken. Gezien de ligging en de afwezigheid van geschikt leefgebied wordt de aanwezigheid van de poelkikker uitgesloten. De rugstreeppad is een pionierssoort en komt vooral voor in zandige gebieden met vergraafbare grond. Vaak komt de rugstreeppad voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, duingebieden en zandafgravingen. Het voortplantingswater is ondiep en warmt snel op. Bij voorkeur bevat geen vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). Het plangebied betreft een woonperceel welke intensief gebruikt wordt. Er is geen sprake van een zandig gebied of vergraafbare grond. In 2015 is 1 waarneming gedaan van de rugstreeppad in het natuurgebied ‘De Blauwe Kamer’ op 1,8 km ten noorden van de planlocatie. Tussen deze locatie en het plangebied vormt de Nederrijn een barrière.

Gezien de ligging en de afwezigheid van geschikt leefgebied wordt de aanwezigheid van de rugstreeppad uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

15

Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van ringslang (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Ringslangen komen voor op waterrijke gebieden. Er wordt gejaagd langs het water en zonnen wordt gedaan op open en rustige plekken. Eieren worden gelegd op relatief vochtige plaatsen, zoals in bladhopen, mesthopen, vermolmde boomstobben en opgeworpen broeihopen. De ringslang overwinterd op droge plaatsen in holen, compost- en bladhopen, houtstapels, onder oude boomstammen en in dichte struiken. Het voorkomen in een straal van 2 km van de planlocatie is vrijwel uitsluitend bekend in het natuurgebied ‘De Blauwe Kamer’ en rond de Nederrijn (NDFF 2012-2022). Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van de ringslang binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2012-2022).

De grote modderkruiper leeft in ondiepe wateren met een dikke modderlaag een overvloedige plantengroei (Ravon Grote modderkruiper, 2022). In de watergang aan de zuidzijde van het perceel bevindt zich geen waterplanten waardoor aanwezigheid van grote modderkruiper niet wordt verwacht. Daarnaast vindt binnen de beoogde ruimtelijke ingreep geen demp- of graafwerkzaamheden plaats aan de watergang. Derhalve is er geen sprake van aantasting van leefgebied van de grote modderkruiper. Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos, grote weerschijnvlinder, teunisbloempijlstaart, rivierrombout en platte schijfhoren (NDFF 2012-2022). De grote vos en grote weerschijnvlinder zijn beide bosgebonden soorten. Het habitat van de grote betreft vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De waardplant van de grote vos is voornamelijk iep maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten.

De grote weerschijnvlinder komt voor in oudere vochtige loofbossen en wilgenbroekbossen. De waardplant van de grote weerschijnvlinder is vooral boswilg en soms grauwe wilg (Vlinderstichting Grote vos; Vlinderstichting Grote weerschijnvlinder, 2022). De planlocatie bevindt zich niet in een bosgebied. Op de locatie zijn meerdere bomen aanwezig maar dit betreffen geen waardplanten van de soorten. De treurwilg langs de Smachtkamp blijft behouden. Daarnaast zijn in de omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden door de aanwezigheid van overwegend groene tuinen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in negatieve effecten ten aan zien van de grote vos en grote weerschijnvlinder. Teunisbloempijlstaarten komen voor in open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Waardplanten betreffen wilgenroosje, teunisbloem, bastaardwederik en kattenstaart. Op de planlocatie is de aanwezigheid van bastaardwederik vastgesteld. Binnen een straal van 2 km is één waarneming gedaan op een afstand van 1,4 km van de planlocatie. De bastaardwederik is in Nederland een veelvoorkomende plant (Flora van Nederland Bastaardwederik, 2022). Daarnaast betreft dit ook niet de enige waardplant van de Teunisbloempijlstaart. De planlocatie betreft geen bosgebied of bosrand waardoor het geen leefgebied betreft van de Teunisbloempijlstaart.

16

Doordat de bastaardwederik een veelvoorkomend soort is, is in de omgeving voldoende uitwijkmogelijkheid voor ei-afzet. Derhalve is er geen sprake van essentieel leefgebied ten aan zien van de Teunisbloempijlstaart. De rivierrombout komt voor langs grote rivieren. De volwassen dieren worden aangetroffen in de ruigtevegetatie in de directe nabijheid van de rivier. Het leefgebied van de larven betreft zandige substraten in ondiepe, onbegroeide en stromingsluwe delen van de grote rivieren, zoals achter kribben (Vlinderstichting Rivierrombout, 2022). Gezien de afwezigheid van geschikt oppervlaktewater in de directe omgeving is het voorkomen van de rivierrombout uitgesloten. Platte schijfhoren is een kleine waterslak welke bij voorkeur leeft in voedselrijk stilstaand water met een begroeiing van waterplanten zoals gele plomp en waterlelie. Daarnaast heeft platte schijfhoren voorkeur voor wateren met veenbodems (Natura2000 Platte schijfhoren, 2022). De watergang aan de planlocatie bevat geen begroeiing waardoor het geen geschikt leefgebied is voor platte schijfhoren. Daarnaast wordt de watergang niet gedempt en zijn derhalve negatieve effecten ten aanzien van platte schijfhoren uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen.

Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: blauwe reiger, gaai, huismus en kauw. Gedurende het veldbezoek is het nest aangetroffen van een ekster. Verder zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is in 2016 een territorium vastgesteld van een steenuil. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied.

Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2022). Op de planlocatie is een verscheidenheid aan groen (bomen, struiken en gras) aanwezig. De woning is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een pannendak met vogelschroot. Door de aanwezigheid van vogelschroot onder de pannen is er voor de huismus geen mogelijkheid tot nestlocatie. De schuur is opgetrokken uit houtenplanken en het dak bestaat uit golfplaten zonder dakbeschot. Wegens de afwezigheid van dakbeschot is er eveneens in de schuur geen mogelijkheid tot nestlocaties. De kas bestaat voornamelijk uit glas en heeft geen openingen waardoor nestlocaties uitgesloten zijn. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. Het aanwezige groen kan gebruikt worden als voedselbron maar vormt geen essentieel leefgebied omdat in de directe omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).

Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn.

17

Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. Op planlocatie zijn de kas en houten schuur ongeschikt voor gierzwaluwen door de gebruikte bouwmaterialen en bouwstijl. In de muren van de woning bevinden zich geen spleten of ventilatieschachten die kunnen dienen als verblijfplaats. Het dak van de woning heeft een nokpan welke een zeer smalle opening heeft. Echter is de gelakte windveer voor gierzwaluwen ongeschikt om in te vliegen. De gierzwaluwen hebben hierdoor geen grip en kunnen zich daardoor niet in de nauwe ingang naar binnen bevinden. Daarnaast bevindt de plan locatie zich aan de rand van een woonwijk en niet in het stedelijke gebied wat de voorkeur heeft voor gierzwaluwen. Derhalve kan de aanwezigheid van de gierzwaluw op de planlocatie worden uitgesloten. Steenuilen komen voor op kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen. Jachtgebied bestaat uit open terrein met het hele jaar door lage vegetatie. Schuilplaatsen en broedholen zijn in oude bomen, gebouwen, schuren en dergelijke (Vogelbescherming Steenuil, 2022). In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. De in 2016 waargenomen steenuil kan de planlocatie gebruiken als foerageergebied.

Het territorium bevindt zich aan de rand van de woonwijk. In de nabije omgeving is voldoende open terrein met jaarrond vegetatie zoals sportvelden, agrarisch gebied en achtertuinen die gebruikt kunnen worden als foerageergebied. Het zwaartepunt van het foerageergebied van de steenuil zal zich ten zuiden van het spoor bevinden doordat daar het meest geschikt gebied bevindt. Hierdoor is van essentieel leefgebied op de planlocatie geen sprake. Er is geen sprake van negatieve effecten ten aanzien van de steenuil. Verder zijn op de planlocatie ook geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Daarnaast is gezien de aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied in de omgeving en het gebruik van de planlocatie, geen sprake van essentieel leefgebied voor roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten.

De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek is het nest van een ekster waargenomen. In de omgeving zijn voldoende uitwijkmogelijkheden voor de soort waardoor er geen sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen om de soort jaarrond te beschermen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

18

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3.1).

Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft den sloop van de bebouwing ten behoeve van nieuwbouw. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a).

De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.

19

Gezien er een geringe afstand (1 km) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS-Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 1 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1 km ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.2). Op een afstand van circa 600 m ligt Weidevogelgebied (figuur 3.3). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 1 km van de planlocatie (figuur 3.4). Op een afstand van circa 5 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur (geen kaartmateriaal vervaardigd). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone (bron: gldanders.planoview.nl).

20

Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 600 m tot het weidevogelgebied en circa 1 km tot het Ganzenrustgebied (bron: gldanders.planoview.nl).

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

21

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Planten

Nee

Grondgebonden zoogdieren

Nee

Vleermuizen

Nee

Amfibieën

Nee

Reptielen

Nee

Vissen

Nee

Insecten en andere ongewervelden

Nee

Vogels (cat. 1 t/m 4)

Nee

Vogels (Algemeen en cat. 5)

Nee

Mogelijke functie planlocatie

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Nader onderzoek

Natura 2000 Gelders Natuurnetwerk Groene ontwikkelingszone Weidevogelgebied Ganzenrustgebied Beschermingszone natte landnatuur

1 km 1 km 1 km 600 m 1 km 5 km

Stikstof Geen Geen Geen Geen Geen

AERIUS N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

22

5 Conclusie 5.1

Conclusie De beoogde sloop van een woning, schuur, kas, kap van meerdere bomen en realisatie van woningen aan de Smachtkamp 60 te Opheusden is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

5.3 Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator.

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).

Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

23

Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) (2021) Kennisdocument Heikikker (Rana arvalis) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Steenuil (Athene noctua) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.floravannederland.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.gldanders.planoview.nl www.natura2000.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vogelbescherming.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1

Fotografische impressie

24

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Smachtkamp 60 te Opheusden en bestaat uit een woning, schuur en kas. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het slopen van voorgenoemde en de realisatie van woningen.

Figuur 2

De tuin aan de voorzijde (oostkant) van het perceel.

25

Figuur 3

De (moes)tuin aan de achterzijde (westkant) van het perceel.

Figuur 4

De watergang de zuidzijde van het perceel.

26

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13809891/1