Bijlage 39 - Bijlage 1 bij aanvulling MER Voorlopig toetsingsadvies MER Willemspolder fase 1
Tekst van het document
Ontgronding en gebiedsontwikkeling Willemspolder fase 1 Voorlopig toetsingsadvies over het milieueffectrapport 12 april 2021 / projectnummer: 3442
Advies over het MER in het kort Dekker Grondstoffen bv wil een deel van de Willemspolder bij IJzendoorn herinrichten. De reden is dat Dekker in het gebied zand, grind en klei wil winnen. Onderdeel van de herinrichting is de aanleg van een permanent bouwgrondstoffencentrum (bouwstoffenHUB) op het terrein van een voormalige steenfabriek. Dit gebied wordt geschikt gemaakt voor het op- en overslaan en bewerken van bouwstoffen inclusief een haven met een loswal. Ook is hier ruimte voor bedrijven op het gebied van duurzaamheid en is de mogelijkheid verkend om in het gebied energie op te wekken, met twee windmolens en drijvende zonnepanelen. Het plan voor de Willemspolder levert ook een bijdrage aan hoogwaterveiligheid, natuur- en landschapsontwikkeling en biedt kansen voor recreatieve voorzieningen. De herinrichting is de eerste van in totaal drie fases om een door Dekker opgestelde Gebiedsvisie Midden-Waal1 te realiseren. Om Willemspolder fase 1mogelijk te maken moet de gemeente Neder-Betuwe het bestemmingsplan aanpassen. Voor het besluit hierover en over de ontgrondingsvergunning die de provincie Gelderland moet verlenen, is een milieueffectrapport (MER)2 opgesteld. De provincie Gelderland heeft – ook namens de gemeente - de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd te adviseren over het MER.
In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER.
Wat blijkt uit het MER? Het MER laat zien dat het gebied na herinrichting bijdraagt aan de natuurontwikkeling in het uiterwaardengebied en ruimte geeft voor extensieve recreatie. Op termijn, in combinatie met de overige fases van de Gebiedsvisie Midden-Waal, zal de Willemspolder bijdragen aan de doelen voor de Kaderrichtlijn Water en mogelijk aan de hoogwaterveiligheid. De stappen om van een basisinrichting naar een voorkeursalternatief te komen laten zien welke verschillende optimalisaties zijn onderzocht en waarom deze wel of geen plek in het voorkeursalternatief hebben gekregen. De rol die de omgeving in dit proces heeft gespeeld, is duidelijk beschreven.
Wat is het advies van de Commissie? Het MER legt in structuur en uitstraling veel nadruk op natuurontwikkeling en beleving. Op deze onderdelen is het MER zeer informatief en is het een goede weergave van de achterliggende documenten die over het algemeen van goede kwaliteit zijn. Dit geldt ook voor de rivierkundige effecten van een in de toekomst te realiseren meestromende nevengeul: de effecten op hoogwaterveiligheid en voor de scheepvaart zijn voor zowel deze eerste fase als voor de vervolgfases van de Gebiedsvisie Midden-Waal goed onderzocht en gerapporteerd. Het MER besteedt echter zeer summier aandacht aan de toekomstige inrichting en activiteiten op de plek van de voormalige steenfabriek. Relevante informatie over de toekomstige situatie, zoals de hoogte van de windmolens en het aantal schepen dat van en naar de haven vaart, is alleen in de achtergrondrapporten te vinden. Vervolgens is de impact van een
1
https://www.dekkergroep.nl/projecten/-2086-gebiedsvisie-midden-waal/ .
2
Fundamental Concepts & Dekker Grondstoffen bv, 2021. Milieueffectrapportage Willemspolder fase 1.
-1-
permanent bedrijfsterrein met bijbehorende haven in de uiterwaard nu niet goed in beeld gebracht. Het gaat hierbij niet alleen om de milieugevolgen op zich, maar ook om wat dit betekent voor de omwonenden. Daarbij zijn andere locaties in de (directe) omgeving voor het ontwikkelen van een bouwstoffenHUB onvoldoende in beeld gebracht of onderzocht. Wat ook mist is inzicht in de situatie zónder de bouwstoffenHUB. In dat geval kan in de toekomst met de afgraving van (een deel van) het hoogwatervrije terrein de ruimte voor de rivier worden vergroot. Nu is niet duidelijk welke waterstandsdaling daarmee bereikt kan worden en wat de consequenties zijn van een permanent bedrijfsterrein. Tot slot zijn bij het bepalen van de effecten niet de juiste uitgangspunten en methoden gebruikt en komt de informatie in het MER niet altijd overeen met die in de achtergrondrapporten. De Commissie signaleert bij de toetsing van het MER een aantal tekortkomingen. Zij acht deze informatie essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over Willemspolder fase 1. Wat ontbreekt houdt verband met twee hoofdpunten. Ten eerste: het is onvoldoende duidelijk wat het plan omvat waarbij vervolgens de locatiekeuze voor het bedrijventerrein niet goed is onderbouwd. Het gaat daarbij om: •
Het beeld van de toekomstige situatie. De toekomstige en permanente situatie met bouwstoffenHUB, haven en bedrijfsterrein is onderbelicht terwijl veel aandacht uitgaat naar natuurontwikkeling en recreatie. Hierdoor schetst het MER een onvolledig beeld van de toekomstige situatie.
•
Locatie van het bedrijventerrein. Waarom het voormalige terrein van de steenfabriek de best passende locatie is voor een bouwstoffenHUB met haven is onvoldoende onderbouwd. Daarbij moet ook buiten de grenzen van Willemspolder fase 1 gekeken worden. De vraag of de rivierbeheerder in de toekomst op deze locatie maatregelen kan nemen die bijdragen aan de hoogwaterveiligheid, is in dat kader ook relevant.
Ten tweede: de milieueffecten zijn niet op een juiste, transparante en navolgbare manier in beeld gebracht. Specifiek gaat het om: •
Referentiesituatie. De beschrijving van de referentiesituatie laat onvoldoende zien welke activiteiten vergund zijn en welke niet. Nu is niet duidelijk wat behoort tot de referentie en wat tot het voornemen.
•
Beoordelingskader. De criteria die zijn gebruikt bij de beoordeling zijn niet toegelicht en een uitleg van de scores zelf (wat betekent een + of een -) ontbreekt. De toekenning en betekenis van de scores is nu niet navolgbaar.
•
Berekeningen voor stikstof en luchtkwaliteit. De berekeningen bevatten verschillende fouten. Zo is de omvang van het grondverzet in de achtergrondrapporten een factor 10 lager dan volgens de grondbalans in het MER. Ook sluit het MER transport over de openbare weg uit en de bijlagen juist niet. Verder is geen aandacht besteed aan de aanleg van de loswal. Vervolgens zijn de stikstofberekeningen niet op de juiste referentiesituatie gebaseerd en met een niet-actueel rekenmodel uitgevoerd.
•
Mitigerende maatregelen wulp. Of gedurende de uitvoering voldoende leefgebied voor de wulp beschikbaar blijft, is niet uit het MER af te leiden doordat een tijdspad voor de mitigerende maatregelen ontbreekt. Daarom is de uitvoerbaarheid van het voorkeursalternatief onvoldoende aangetoond.
-2-
•
Cumulatieve effecten van geluid. Geluid afkomstig van de bouwstoffenHUB en de windmolens is niet goed meegenomen in de totale geluidsbelasting tijdens herinrichting en in de eindsituatie. Op- en overslag van grond vindt namelijk ook tijdens de inrichting van de Willemspolder plaats terwijl dit niet is meegenomen bij het berekenen van de geluidsbelasting. De geluidsniveaus die wel zijn berekend, zijn niet goed opgeteld.
•
Bodem. De toetsing van de kwaliteit van de vrijkomende grond volstaat niet om tot een goede grondbalans te komen (passend bij deze fase van het plan). Dit is belangrijk om de effecten van stikstof en luchtkwaliteit goed te kunnen bepalen en om te beoordelen of het gewenste eindbeeld van de herinrichting behaald kan worden.
De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over Willemspolder fase 1. Dit advies is opgesteld gedurende de ter inzage legging van het voorontwerpbestemmingsplan3. Een ontwerpbestemmingsplan en (ontwerp)besluiten voor de ontgrondingenwet, de Waterwet en de Wet natuurbescherming waren nog niet beschikbaar. Het bevoegd gezag moet dus zelf nog nagaan of het MER, het bestemmingsplan, de ontgrondingsvergunning en overige vergunningen goed en volledig op elkaar aansluiten. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject.
Afbeelding 1 Voorkeursalternatief Willemspolder fase 1 (bron: MER)
3
Voorontwerpbestemmingsplan Willemspolder fase 1 NL.IMRO.1740.bpYZwillemspolder1-vop1 Gemeente Neder-Betuwe, 9 februari 2021.
-3-
Aanleiding MER De herinrichting van de Willemspolder en het realiseren van een bedrijfsterrein passen niet binnen het huidige bestemmingsplan. De gemeente Neder-Betuwe wil daarom een nieuw bestemmingsplan vaststellen. Omdat de winning van grondstoffen een belangrijke drager is voor de herinrichting is een ontgrondingenvergunning van de provincie Gelderland nodig Het project past binnen de door Dekker opgestelde Gebiedsvisie MiddenWaal. Deze visie geeft een toekomstbeeld van de noordelijke Waaloever van Dodewaard tot aan het Amsterdam-Rijnkanaal bij Tiel. De realisatie ervan gaat in drie fases plaatsvinden: na Willemspolder fase 1 volgen Willemspolder fase 2 en Gouverneurspolder. Dit MER gaat alleen over fase 1 van de herinrichting van de Willemspolder. Voor de besluitvorming over Willemspolder fase 2 en Gouverneurspolder worden, in een later stadium, aparte procedures doorlopen. Het plan bevat verschillende onderdelen waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure verplicht is. De herinrichting heeft mogelijk effecten op beschermd natuurgebied, zoals Natura 2000-gebied Rijntakken, zodat een passende beoordeling nodig is.
Daarnaast biedt het bestemmingsplan een kader voor activiteiten waar (mogelijk) een MER voor opgesteld moet worden: de ontwikkeling van een haven voor binnenscheepvaart (C4), de winning van oppervlaktedelfstoffen (C16.1), de aanleg, wijziging of uitbreiding ter beperking van overstromingen (D3.2) en landinrichting (D9). Omdat er zowel een projectals een plan-MER nodig is, is gekozen voor een gecombineerd plan- en project-MER. Voor het plan zijn ook besluiten nodig in het kader van de Ontgrondingenwet (provincie Gelderland), de Waterwet (Rijkswaterstaat en Waterschap Rivierenland) en de Wet Natuurbescherming (Provincie Gelderland en Ministerie van LNV). De voorbereiding van deze besluiten, inclusief het bestemmingsplan, wordt door de provincie Gelderland gecoördineerd. Andere benodigde vergunningen, zoals omgevingsvergunningen, zijn niet in deze gecoördineerde procedure opgenomen. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeente NederBetuwe - besluit over het bestemmingsplan voor Willemspolder fase 1.
De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3442 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
-4-
Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming over het bestemmingsplan door de gemeente Neder-Betuwe en over de Ontgrondingenvergunning door de provincie Gelderland. In de tekst wordt ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.
Een volledig beeld van de toekomstige situatie Het MER schetst een onvolledig beeld van de situatie na herinrichting van de uiterwaard. De aandacht gaat vooral uit naar de volgende vier doelen: bouwgrondstoffenwinning, hoogwaterveiligheid, natuurontwikkeling en landschap en recreatie. De nadruk van het MER (in tekst en in uitstraling) ligt daarbij op natuurontwikkeling en recreatieve beleving. De aandacht voor de invulling van het vijfde doel, duurzaamheid en mobiliteit, is zeer summier in verhouding tot het permanente karakter en de (mogelijke) omvang van de milieugevolgen. Specifiek gaat het om de realisatie van de bouwstoffenHUB en de bijbehorende haven en loswal.4 Relevant daarbij is dat de aanleg van de haven een van de activiteiten is waarvoor op zich al het MER opgesteld zou moeten worden.
Beoogd gebruik en inrichting Het MER biedt geen compleet beeld van het toekomstige en permanente gebruik van het bedrijfsterrein. De locatie van de bedrijfshal van 5.000m2 en de (toekomstige) locatie van de windmolens en de zonnepanelen is duidelijk.5 Het MER gaat echter niet in op de capaciteit van de bouwstoffenHUB, de activiteiten ter plaatse, het aantal scheepvaartbewegingen en het wegverkeer dat hiermee samenhangt of op het vermogen en formaat van de windmolens. De Commissie heeft in het advies voor de inhoud van het MER6 al aangegeven dat deze informatie belangrijk is, met verwijzing naar zienswijzen op de notitie R&D.7, 8 De onderliggende rapportages bij het MER bevatten wel meer informatie. Zo komt het formaat van de windmolens aan bod in de rapportages over slagschaduw en natuur, en is het aantal scheepvaartbewegingen en type schepen onder andere gebruikt in de berekeningen voor luchtkwaliteit. Het is niet duidelijk waarom deze informatie niet in het MER en de samenvatting staat.
4
Uit vragen tijdens de digitale informatieavond op 24 februari 2021 blijkt dat over dit deel van het plan veel zorgen zijn.
5
Kaart 2 bij het MER.
6
Ontgronding en gebiedsontwikkeling Willemspolder fase 1 Advies over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport. Commissie voor de milieueffectrapportage, 25 maart 2020. Herinrichting Willemspolder fase 1 Notitie over de inhoud van de milieueffectrapportage. Fundamental Concepts, 2019.
7 8
Een toelichting op de wijze hoe de zienswijzen in het plan een plek hebben gekregen was niet beschikbaar tijdens het opstellen van dit advies.
-5-
Visualisaties Visualisaties van de toekomstige situatie van de bouwstoffenHUB, de windmolens en het terrein van de steenfabriek ontbreken. Hoe omwonenden en recreanten het gebied in de nieuwe situatie beleven is nu niet inzichtelijk. Denk daarbij aan zichtpunten vanaf de Waalbandijk en vanaf de overzijde van de Waal, de invloed van verlichting (dag- en nachtsituaties) en het seizoen. Ook hoe de grondwal rond de bouwstoffenHUB bijdraagt aan de landschappelijke inpassing, is niet gevisualiseerd. Doordat de hoogte ten opzichte van NAP en niet ten opzichte van maaiveld is aangegeven, is ook niet duidelijk wat de werkelijke afschermende werking is.9
Transport over de weg Er lijkt in het MER geen sprake van inzet van vrachtwagens op de openbare weg.10 Paragraaf 2.5.2 van het MER beschrijft dat vrijkomend zand en grind met schepen wordt afgevoerd. Uit onder andere het achtergrondrapport geluid11 blijkt echter dat een gedeelte van de klei met vrachtwagens naar een nabijgelegen steenfabriek vervoerd wordt. Het gaat om circa 133 vrachtwagenritten (dit zijn 266 vrachtwagenbewegingen) per dag gedurende enkele dagen per jaar.12 De effecten van deze verkeerbewegingen zijn niet inzichtelijk. Zo is ten onrechte niet getoetst aan de circulaire indirecte verkeershinder. Omdat het aantal vrachtwagenritten zodanig groot is dat dit niet onder de gangbare verkeersstroom valt, is dit wel een vereiste. Daarnaast is niet duidelijk wat de vrachtwagenritten betekenen voor de verkeershinder en -veiligheid op de Waalbandijk en andere wegen, onder andere omdat niet duidelijk is welke route de vrachtwagens gaan volgen.
Samenhang tussen MER en bestemmingsplan De effecten van windmolens zijn onderzocht in het MER. Het bestemmingsplan laat de realisatie ervan niet toe. Laat daarom zien welke onderdelen van de toekomstige situatie wél in het MER onderzocht zijn, maar niet in het bestemmingsplan zijn opgenomen en wat dit betekent voor het realiseren van de doelen. Zo leveren de twee windmolens een substantiële bijdrage aan de gewenste duurzame energievoorziening (18.000 van de in totaal bijna 23.000 MWh), maar kunnen ze vooralsnog niet gerealiseerd worden. Wat dit betekent voor doel 5 van het plan (duurzaamheid), is niet toegelicht. Andersom sluit het bestemmingsplan de toepassing van materiaal van buiten het gebied niet uit terwijl dit niet in het MER is onderzocht (zie ook paragraaf 2.9 van dit advies). Daarnaast bevat het MER een aantal (impliciete) uitgangspunten waarvan niet duidelijk is in hoeverre deze een plek in het bestemmingsplan krijgen. Het gebruik van een elektrische klasseerinstallatie is hier een voorbeeld van. De effectbeoordeling is hierop gebaseerd (zoals de stikstofuitstoot), maar het is niet duidelijk hoe dit uitgangspunt vertaald is naar de planregels.
9
Denk aan de hoogte van de wal ten opzichte van de maximaal toelaatbare hoogtes volgens het bestemmingsplan (kranen en klasseerinstallaties met een maximale hoogte van 30 meter en de opslag van grondstoffen met een maximale hoogte van 12 meter). Overigens gaat het voorontwerpbestemmingsplan uit van een grondwal met een hoogte van 15 meter (regel 12.3.1).
10
Dit is ook vermeld op de digitale informatieavond en in persberichten (https://www.gelderlander.nl/neder-betuwe/allesgrijpt-in-elkaar-in-de-willemspolder-van-kasteel-tot-innovatieve-energie~a6ccc4c4/).
11
Zie Bijlage 13 Onderzoek geluid, laagfrequent geluid en trillingen bij het MER.
12
Ook dit getal wijkt af van de getallen genoemd in de passende beoordeling en de stikstofberekeningen, zie paragraaf 2.5.1 van dit advies.
-6-
Vergelijkbaar is de aanname in het MER dat schepen tijdens het verblijf in de haven gebruikmaken van walstroom, wat emissies voorkomt.13 Dit gaat voorbij aan de situatie waarin de ruimte aan de loswal (mogelijk) beperkt wordt wanneer de klasseerinstallatie in de haven ligt.14 Het maakt ook niet duidelijk hoe voor anker liggende schepen in de haven van stroom worden voorzien.15 Naar aanleiding van de bevindingen uit paragraaf 2.1 adviseert de Commissie in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, een duidelijk en volledig beeld van het plan te geven, zowel in de tijdelijke als de toekomstige situatie. Aandachtspunten daarbij zijn: •
de beschrijving en visualisaties van de (permanente) toekomstige situatie;
•
een beschrijving in het hoofdrapport van de gevolgen voor het milieu en de leefomgeving, van alle activiteiten die onderdeel uitmaken van het voornemen en in de achtergrondrapporten onderzocht zijn;
•
de wijze waarop de resultaten van het MER zijn vertaald naar regels in het bestemmingsplan.
Locatie van het bedrijventerrein Onderbouwing van de locatiekeuze Het is niet duidelijk of ook andere locaties zijn onderzocht voor het ontwikkelen van de beoogde bouwstoffenHUB. Het MER gaat niet in op andere mogelijkheden binnen het gebied Midden-Waal en de regionale Hotspot Rivierenland.16 Een onderbouwing van de conclusie dat er voor ‘deze hoogwaardige bedrijfsbestemming’ geen alternatieve locaties voorhanden zijn, ontbreekt. Dit geldt ook voor de constatering dat in de huidige situatie sprake is van een kadegebonden bedrijfsterrein17; terwijl er nu ter plaatse van de voormalige steenfabriek geen aanlegmogelijkheid bestaat. In dit kader ontbreekt een toelichting op de ambities, uitgangspunten en randvoorwaarden voor de gebiedsvisie Midden-Waal. Ook is niet duidelijk hoe milieubelangen een rol hebben gespeeld bij het maken van keuzes om tot het eindbeeld te komen.
Betekenis voor hoogwaterveiligheid in de toekomst Een variant waarin het hoogwatervrij terrein niet gehandhaafd blijft, is niet verkend. Daardoor is niet duidelijk wat het handhaven van dit terrein betekent voor een eventuele wens van de rivierbeheerder om in de toekomst meer ruimte voor de rivier te realiseren ten behoeve van de hoogwaterveiligheid. In hoeverre is de inrichting als permanent bedrijfsterrein te beschouwen als no-regret maatregel? Zo vermeldt het MER dat het weghalen van de dwarsdam en het hoogwatervrije terrein leidt tot veel centimeters waterstandsdaling.18 Omdat er in fase 1 geen sprake is van een volledige
13
Zie paragraaf 3.3.2 van Bijlage 14 Willemspolder – Fase 1 Onderzoek luchtkwaliteit LBP|SIGHT, september 2020.
14
Drijvende klasseerinstallaties zijn alleen toegestaan in de toekomstige haven en niet daarbuiten, zo volgt uit artikel 3 van de planregels.
15
Uit het verslag van de digitale informatieavond blijkt dat schepen in de haven kunnen aanleggen of ankeren.
16
Zie ook paragraaf 3.2 in het RD-advies.
17
Zie bladzijde 29 van het MER.
18
Zie bladzijde 39 van het MER.
-7-
hoogwatergeul, die wel nodig is om deze daling te realiseren, worden beide maatregelen niet in het voorkeursalternatief opgenomen. Na herinrichting is het weghalen van de dwarsdam nog mogelijk, maar weghalen van de bouwstoffenHUB om het terrein te verlagen is dan niet meer realistisch. Inzicht in de mogelijke consequenties voor hoogwaterveiligheid is relevant voor een goede besluitvorming over de toekomstige, permanente bestemming van het terrein voor de bouwstoffenHUB. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, de betekenis van het bestemmen van het hoogwatervrije terrein tot permanent bedrijfsterrein beter in beeld te brengen door: •
te beschrijven welke keuzes bij het tot stand komen van de Gebiedsvisie Midden-Waal zijn gemaakt en hoe milieubelangen hierbij een rol hebben gespeeld. Het gaat daarbij in ieder geval om de keuze voor het hoogwatervrije terrein als opnieuw te ontwikkelen bedrijfsterrein;
•
te onderbouwen waarom er geen alternatieve locaties voor de bouwstoffenHUB zijn onderzocht binnen het gebied Midden-Waal en de Hotspot Rivierenland;
•
toe te lichten waarom het terrein van de voormalige steenfabriek als hoogwaardige en kadegebonden bedrijfsbestemming is te kwalificeren;
•
te laten zien in welke mate het afgraven van (een deel van) het hoogwatervrije terrein de ruimte voor de rivier kan vergroten, en welke potentiële bijdrage dit zou kunnen leveren aan een waterstandsdaling bij extreem hoge afvoeren van de Waal (in centimeters).
Referentiesituatie De referentiesituatie moet uitgaan van het vigerende bestemmingsplan, aangevuld met autonome ontwikkelingen en vergunde activiteiten die zijn of worden gerealiseerd. Het is juist dat de bestemming steenfabriek uit het huidige bestemmingsplan niet tot de referentiesituatie wordt gerekend. Het is immers niet mogelijk om deze activiteit weer op te starten zonder bijvoorbeeld een fabriek te (her)bouwen. Het is echter niet duidelijk of het bestaande gebruik van het hoogwatervrije terrein vergund is. Zo staat op kaart 3 dat in de huidige situatie sprake is van wonen en windturbines op het terrein van de voormalige steenfabriek.19 In de beschrijving van de huidige situatie wordt alleen gesproken over op- en overslag, verhuur aan een handel in vrachtwagentrailers en kantoorfunctie.20 Dit geeft een onduidelijk beeld van de bestaande situatie en maakt niet inzichtelijk welke activiteiten vergund en niet-vergund zijn. Activiteiten die niet vergund zijn (en illegale situaties) behoren niet tot de referentiesituatie maar zijn onderdeel van het voornemen. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, de referentiesituatie te actualiseren en te onderbouwen door: •
te beschrijven welke activiteiten in de huidige situatie plaatsvinden in het plangebied en welke daarvan vergund en niet-vergund zijn;
•
te onderbouwen welke bestaande activiteiten deel uit maken van de referentiesituatie en welke behoren tot het voornemen.
19
Kaart 3 Grondgebruik Referentiesituatie Willemspolder fase 1.
20
Zie paragraaf 1.3.2 van het MER.
-8-
Naast het juist omschrijven van de referentiesituatie moet deze ook op de goede manier toegepast worden, zie ook paragraaf 2.8 van dit advies. De effecten op beschermde natuur moeten echter worden vergeleken met de huidige, feitelijke, legale situatie (zie paragraaf 2.5.2 van dit advies).
Beoordeling Beoordelingskader In het variantenonderzoek (hoofdstuk 3 van het MER) en de effectbeoordeling (hoofdstuk 5 van het MER) zijn de effecten gescoord. Wat ontbreekt, is een toelichting op de gebruikte criteria en indicatoren en op de betekenis van de score zelf. Nu is niet navolgbaar wat de toekenning van een + of een – betekent. De beoordeling is juist een belangrijk hulpmiddel om tot een weloverwogen en navolgbare keuze te komen. Als het beoordelingskader niet duidelijk is, is ook de betekenis van effectbeoordeling niet inzichtelijk. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, het beoordelingskader uit te werken door: •
per milieuaspect de toegepaste criteria en indicatoren te beschrijven met eenduidige en zoveel als mogelijk kwantificeerbare toetsingscriteria;
•
de toekenning van scores voor ieder criterium te duiden.
Milieueffecten versus behalen van doelen Hoofdstuk 6 vat de effectbeoordeling samen. In de tekst lopen conclusies over de milieueffecten en de mate waarin de basisvariant en het voorkeursalternatief bijdragen aan de doelen door elkaar. Of met het voorkeursalternatief de doelstellingen van het project ingevuld worden maakt dit afsluitende hoofdstuk niet direct duidelijk, terwijl het werken met optimalisaties juist bedoeld is om én milieubelang én projectdoelstellingen goed te dienen21. De samenvatting van het MER bevat vervolgens wel een samenvatting van de bijdrage aan de doelen. De Commissie beveelt daarom aan om de bijdrage van het voorkeursalternatief aan de doelen en de milieueffecten overzichtelijk en afzonderlijk te beschrijven.
Stikstof De berekeningen van de bijdrage van het plan aan de stikstofdepositie zijn op meerdere punten onjuist en onvolledig.
2.5.1
Juiste en volledige uitgangspunten De uitgangspunten waarop de stikstof berekeningen zijn gebaseerd, komen niet overeen met de informatie in het MER zelf. Het gaat dan om de inzet van materieel in relatie tot het grondverzet en om de activiteiten die in de berekening zijn meegenomen.
21
Zie de inleiding van hoofdstuk 4 van het MER.
-9-
Juistheid en consistent gebruik van hoeveelheden en aantallen Het stikstofonderzoek22 gaat uit van een totale afvoer van 710.000 m3 delfstoffen voor de herinrichting middels schepen. Dit wijkt significant af van de grondbalans in het MER23 die laat zien dat in totaal 6.470.000 m3 industriezand per schip zal worden afgevoerd. Deze hoeveelheden zijn exclusief eventueel transport binnen het plangebied. Omdat men ervan uitgaat dat 10% van de klei per vrachtwagen wordt afgevoerd, is het aantal transportbewegingen op de weg in de berekeningen onderschat ten opzichte van het MER. Om tot een juiste en eenduidige grondbalans te komen zijn ook de opmerkingen in paragraaf 2.9 van dit advies relevant. Overigens komen de getallen in de passende beoordeling (per jaar 86 scheepvaartbewegingen en 8.026 vrachtwagenbewegingen24) niet overeen met de aantallen in de stikstofberekening (jaarlijks 74 scheepvaartbewegingen en 686 vrachtwagenbewegingen25).
Compleet overzicht van de activiteiten en mogelijkheden Het MER moet de effecten van alle activiteiten en de maximale mogelijkheden die het plan biedt in beeld brengen. Omdat het achtergronddocument niet duidelijk maakt of de aanleg van de loswal en de haven is meegenomen in de stikstofberekeningen is niet transparant of alle activiteiten een plek hebben gekregen. De berekeningen houden in ieder geval geen rekening met de maximale mogelijkheden die het plan biedt: er is binnen de toegelaten scheepvaartklasses gerekend met schepen die een kleiner laadvermogen hebben dan maximaal toegestaan.26
2.5.2
De juiste referentiesituatie Bij het bepalen van de omvang van de effecten door stikstof moet de huidige, feitelijke situatie als referentiesituatie gebruikt worden. Deze referentie is daarmee anders dan de reguliere referentiesituatie in een MER. Dit is goed beschreven in paragraaf 1.3.2 van het MER. Het MER en het achtergronddocument noemen vervolgens bij het onderwerp stikstof verschillende referentiesituaties en maken niet duidelijk welke daarvan is gebruikt: •
De omschrijving in paragraaf 5.3.1 van het MER omvat de feitelijke, legale, actuele situatie exclusief autonome ontwikkelingen.
•
Voor het bepalen van de stikstofdepositie stelt het MER in paragraaf 5.3.2 dat referentiejaar 2000 geldt.
•
De stikstofberekeningen27 verwijzen naar referentiejaar 2000 met als opmerking dat het ‘van belang is de laagst mogelijk vergunde situatie in beeld te brengen vanaf het moment van aanwijzing’.
Vervolgens omvat de uitwerking van de referentiesituatie alleen de percelen die in agrarisch gebruik zijn, gebaseerd op het landgebruik in de periode 2015 tot 2019. Het huidige gebruik van het hoogwatervrije terrein, inclusief bestaande op- en overslag door Dekker bv, is niet in
22
Paragraaf 2.2.2 in bijlage 15 Stikstofdepositie bij het MER.
23
Zie figuur 47 Grondbalans in het MER.
24
Zie paragraaf 5.1.2 van bijlage 7 Passende beoordeling bij het MER.
25
Zie paragraaf 2.2.3 van bijlage 15 bij het MER.
26
De berekeningen gaan uit van scheepvaartklasse Va, terwijl het plan ook inzet van klasse Vb, met een groter laadvermogen, mogelijk maakt.
27
Zie Bijlage 15 bij het MER.
-10-
beeld. Ook is niet duidelijk in hoeverre gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid om baggerwerktuigen en vaartuigen te verankeren in de bestaande plassen. Om de effecten van stikstofdepositie van het plan te kunnen bepalen moet de referentiesituatie op juiste wijze en volledig in beeld gebracht worden.
2.5.3
De juiste versie van AERIUS De stikstofdepositie moet op een actuele versie van AERIUS gebaseerd zijn. De berekeningen bij het MER dateren van september 2020 en zijn uitgevoerd met AERIUS Calculator versie 2019A.28 Op 15 oktober 2020 is een nieuwe versie van AERIUS gepubliceerd.29 Deze versie moet gebruikt worden voor de vergunningverlening.
2.5.4
Samenvattend De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, de bijdrage aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in beeld te brengen door: •
de inzet van materieel navolgbaar te relateren aan de beoogde werkzaamheden in het plangebied, zowel voor de realisatie- als de gebruiksfase;
•
eventuele actualisaties in de grondbalans en daarvan afgeleide inzet van vrachtwagens, schepen en overige materieel op transparante en correcte wijze in de uitgangspunten op te nemen;
•
de juiste referentiesituatie in beeld te brengen (het huidige, feitelijke gebruik);
•
een nieuwe stikstofberekening uit te voeren met de meest actuele versie van AERIUS, zowel voor het plan als voor de huidige situatie, zodat inzichtelijk is wat intern salderen oplevert;
•
de effecten van de tijdelijke en de permanente situatie voor stikstof te beoordelen en daarbij te onderbouwen dat de voorgestelde maatregelen niet leiden tot negatieve effecten door stikstofdepositie.
Mitigerende maatregelen voor de wulp Voor het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor de wulp. Om negatieve effecten op deze soort te voorkomen, zijn mitigerende maatregelen nodig, zo blijkt uit het MER en de Passende beoordeling30. Welke maatregelen dit zijn is beschreven, wanneer ze gerealiseerd (moeten) worden echter niet. Daardoor is nu niet duidelijk of ze tijdig worden uitgevoerd. De Wet natuurbescherming vereist namelijk dat dit gebeurt voorafgaand aan de aantasting van het leefgebied. Dit is relevant omdat het MER moet laten zien dat het onderzochte alternatief uitvoerbaar is. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, de uitvoerbaarheid van het voorkeursalternatief te onderbouwen door het tijdspad van de mitigerende maatregelen voor de wulp te beschrijven en daarin te laten zien dat gedurende het gehele project voldoende leefgebied voor deze soort beschikbaar blijft.
28
Zie paragraaf 1.4 in de bijlage stikstof bij het MER.
29
https://www.aerius.nl/nl/nieuws/nieuwste-inzichten-verwerkt-in-aerius.
30
Zie Bijlage 7 Passende beoordeling bij het MER.
-11-
Luchtkwaliteit Ook voor de effecten op de luchtkwaliteit gelden de opmerkingen uit paragraaf 2.5.1. De omvang van het grondverzet, de inzet van materieel en het overzicht van activiteiten in het achtergrondrapport31 zijn anders dan in het MER en in bijvoorbeeld het rapport over de stikstofberekeningen. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, de effecten van het plan op de luchtkwaliteit in beeld te brengen door: •
de inzet van materieel navolgbaar te relateren aan de beoogde werkzaamheden in het plangebied, zowel voor de realisatie- als de gebruiksfase;
•
eventuele actualisaties in de grondbalans en de daarvan afgeleide inzet van vrachtwagens, schepen en overige materieel op te nemen in de uitgangspunten;
•
een nieuwe berekening uit te voeren voor NOx en fijnstof (PM10 en PM2,5).
Geluid 2.8.1
Cumulatieve effecten van geluid Activiteit bouwstoffenHUB tijdens uitvoeringsfase Het geluidonderzoek32 onderscheidt de uitvoeringsfase (het winnen van zand en grind) en de eindsituatie. Geluid vanuit de bouwstoffenHUB en andere activiteiten op het bedrijfsterrein (o.a. windmolens) is alleen voor de eindsituatie in beeld gebracht. Tegelijkertijd gaat het rapport er bij de drijvende installatie Emmy/Yvonne van uit dat deze ook tijdens de uitvoeringsfase ingezet wordt voor de bouwstoffenHUB33. Dit suggereert dat de bouwstoffenHUB (en andere activiteiten) ook in de uitvoeringsfase in bedrijf is. In dat geval moeten de cumulatieve effecten van alle gelijktijdig voorkomende activiteiten in beeld gebracht zijn.
Optellen van verschillende geluidbronnen Het MER bevat een optelsom van verschillende vormen van geluidsbelasting gedurende de eindsituatie. De geluidbelasting van de nieuwe activiteiten (HUB, windmolens) wordt opgeteld bij die van bestaande geluidsbronnen zoals wegverkeer en het bedrijfsterrein achter het bestaande kantoor van Dekker aan de Waalbandijk. Echter, de wijze waarop deze geluidsniveaus bij elkaar zijn opgeteld, is niet juist. Vanwege verschillen in hinderlijkheid mogen niet alle geluidniveaus zonder correctie gesommeerd worden.
2.8.2
Referentie voor geluid Paragraaf 2.3 van dit advies gaat in op het gebruik van de referentiesituatie. Specifiek voor geluid is relevant dat het vigerende bestemmingsplan voor de bedrijfsactiviteiten achter het kantoor van Dekker een geluidszone bevat.34 Die is onderdeel van de referentiesituatie bij het bepalen van de effecten door geluid. Ten onrechte gaat het MER bij het aspect geluid uit van de huidige, feitelijke situatie.
31
Zie Bijlage 14 Onderzoek luchtkwaliteit bij het MER.
32
Zie Bijlage 13 bij het MER.
33
Zie bladzijde 34 van bijlage 13 bij het MER.
34
Zie figuur 2.1 van bijlage 13 bij het MER.
-12-
De betreffende zonering is overigens gekoppeld aan een niet meer bestaand bedrijf. De Commissie geeft in overweging om deze zonering niet meer in het nieuwe bestemmingsplan op te nemen.
2.8.3
Samenvattend De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, ten aanzien van de cumulatieve effecten van geluid het volgende in beeld te brengen: •
de activiteiten die plaatsvinden tijdens de uitvoeringsfase, voor de grondstoffenwinning, voor de inrichting en het gebruik van het duurzame bedrijfsterrein en voor de inrichting en het gebruik van de bouwstoffenHUB;
•
de correct berekende cumulatieve geluidsbelasting van de activiteiten;
•
de relatie tussen het vigerende bestemmingsplan en de referentiesituatie.
Bodem Als voorbereiding op de herinrichting heeft bodemonderzoek plaatsgevonden. De toetsing van de analyseresultaten is op een aantal onderdelen niet juist (toetsing aan water- in plaats van landbodemnormen), omvat onzekerheden (toepassen vrijkomende grond en PFAS) en bevat onduidelijkheden (toekomstige waterbodemkwaliteit en toepassen van grond van buiten het gebied). Deze kunnen van invloed zijn op de grondbalans en zaken die daarmee samenhangen.
2.9.1
Toetsing aan de juiste normen De analyseresultaten van het terrein van de voormalige steenfabriek zijn ten onrechte getoetst aan de waterbodemnormen. Dit gedeelte is droog oevergebied en wordt daarom beschouwd als landbodem. De toetsing aan de klasse wonen en industrie (landbodem) kan leiden tot andere toepassingsmogelijkheden dan toetsing aan klasse A en B (waterbodem). Ook voor de bodemkwaliteitskaart zijn delen ten onrechte getoetst aan waterbodemnormen. De analyseresultaten moeten aan de juiste normen getoetst worden om tot een goede grondbalans te kunnen komen.
2.9.2
Toepasbaarheid van grond Toepassing vrijkomende grond in diepe plassen De Circulaire en Handreiking diepe plassen35 is van toepassing bij het verwerken van grond in diepe plassen. Niet alle onderdelen van deze circulaire zijn doorlopen. Voor een MER is dit op zich niet noodzakelijk omdat het Besluit Bodemkwaliteit deze toetsing voorafgaand aan realisatie eist. Het risico bestaat echter dat op dat moment alsnog blijkt dat vrijkomende grond niet toepasbaar is zoals nu verwacht. Dit kan invloed hebben op de grondstromen(balans), de verwerkingskosten en/of het eindbeeld van het gebied. Relevant daarbij is dat de eerste stap in het toetskader nu is overgeslagen. Deze richt zich op de vraag of een kwetsbaar object beïnvloed wordt. Indien hieraan niet getoetst is, geldt dat alleen klasse A/wonen toegepast mag worden. Dit kan betekenen dat mogelijk niet al het
35
https://wetten.overheid.nl/BWBR0029248/2010-12-24 .
-13-
vrijkomende materiaal kan worden toegepast. Dat is bijvoorbeeld het geval als de grond die vrijkomt bij het afgraven van het terrein van de steenfabriek klasse industrie blijkt te zijn. Mocht deze grond niet in de diepe plas kunnen worden toegepast, kan dat leiden een andere grondbalans.
PFAS In paragraaf 5.2.1 van het MER wordt gesteld dat hergebruik van de PFAS-houdende bovengrond naar verwachting alleen maar mogelijk is middels maatwerk (in de vorm van een gebiedsspecifiek beleid). Verwezen wordt naar een nog op te stellen nota bodembeheer met maatwerknormen. Onduidelijk is of deze aanpak door het bevoegd gezag geaccepteerd wordt. Net als bij de toetsing aan de eisen voor diepe plassen kan dit invloed hebben op de grondstromen(balans), de verwerkingskosten en/of het eindbeeld van het gebied.
Toekomstige waterbodemkwaliteit De conclusie dat de toekomstige waterbodemkwaliteit niet significant afwijkt van die in de referentiesituatie is niet goed onderbouwd. Het is niet voldoende deze conclusie te baseren op het feit dat diffuus verontreinigde bovengrond aanwezig blijft in het plangebied.36 In algemene zin kan het toepassen van grond onder water leiden tot uitloging van eventuele verontreinigingen en kunnen vrijkomende organische stoffen leiden tot interne eutrofiëring. In hoeverre dit kan optreden in het gebied, de waterkwaliteit kan beïnvloeden en wat dit betekent voor de beoogde natuurontwikkeling is niet uitgewerkt en daarmee niet duidelijk.
Toepassen van grond of baggerspecie van buiten het gebied Voor de realisatie van het voorkeursalternatief gaat Dekker bv ervan uit dat er geen materiaal van buiten het gebied wordt aangevoerd en toegepast. Dergelijke aanvoer wordt echter niet volledig uitgesloten en wordt in het MER als een optimalisatie benoemd.37 Omdat het toepassen van materiaal van buiten het gebied geen onderdeel uitmaakt van de basisvariant of het voorkeursalternatief, is in het MER niet onderzocht onder welke voorwaarden dit mogelijk zou kunnen zijn, wanneer sprake is van ‘optimalisatie’ en wat dat dan betekent voor de milieugevolgen. Het voorontwerpbestemmingsplan maakt het storten of opslaan van onder andere grond die van elders wordt aangevoerd echter wel mogelijk, zonder dat hier (in de toekomst) een omgevingsvergunning voor nodig is.38 Op deze manier is onduidelijk hoe bij de toepassing van grond van buiten het gebied tijdig getoetst wordt wat dit betekent voor het milieu.
2.9.3
Samenvattend De toepasbaarheid van vrijkomende grond bepaalt de grondbalans van het plan en is zo van invloed op de aard en omvang van de transportbewegingen en op het mogelijke eindbeeld van het gebied. De transportbewegingen spelen vervolgens een belangrijke rol in de berekeningen voor stikstof en luchtkwaliteit (zie de paragrafen 2.5. en 2.7 van dit advies). Dit
36
Zie bladzijde 66 van het MER.
37
Zie figuur 28 op bladzijde 36 van het MER.
38
Zo zijn ‘werken en werkzaamheden die direct gericht zijn op het storten, deponeren of op andere wijze opslaan van grond, puin of afvalmaterialen’, ook als dit van elders wordt aangevoerd, niet Omgevingsvergunningplichtig wanneer de werkzaamheden verband houden met het landschapsplan Willemspolder, fase 1. Zie de planregels onder 4.4 van het Voorontwerpbestemmingsplan.
-14-
houdt in dat de grondbalans geen fouten of onduidelijkheden mag bevatten en rekening moet houden met onzekerheden. De Commissie adviseert daarom in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming39, de grondbalans te actualiseren door: •
de bodemgegevens te toetsen aan de juiste normen;
•
bij het bepalen van de toepasbaarheid van vrijkomende grond het stappenplan uit Circulaire en Handreiking diepe plassen te volgen, en daarbij ook alvast te kijken naar de normering uit de Regeling Bodemkwaliteit 2021.40 Laatstgenoemde regeling is nog niet in werking getreden41, maar bevat wel normen voor diepe plassen;
•
in de vorm van een terugvalscenario in beeld te brengen welke aanpak gehanteerd zal worden als de PFAS-houdende bovengrond niet op de voorgenomen manier is toe te passen;
•
te onderzoeken in hoeverre beschikbare grond toepasbaar is onder water zonder dat dit onwenselijke gevolgen heeft voor de waterkwaliteit op korte en lange termijn;
•
vervolgens na te gaan wat dit betekent voor de grondbalans, de inzet van materieel en daarvan afgeleide berekeningen zoals stikstof en luchtkwaliteit.
Beschrijf in de aanvulling ook de effecten van het toepassen van grond van buiten het gebied en beoordeel deze zodat het MER aansluit bij de (maximale) mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.
Hoogwaterveiligheid Om de effecten van de herinrichting op de primaire kering te bepalen zijn analyses uitgevoerd. In het betreffende achtergrondrapport42 wordt geconcludeerd dat de invloed van zandwinning op het mechanisme piping ‘aanvaardbaar’ is. Het is niet juist dat het MER dit in paragraaf 5.2.3 vertaalt naar ‘geen effecten’. Ook de conclusie in het MER over de standzekerheid van de primaire kering sluit niet goed aan op de conclusies in het achtergrondrapport. Het MER verbindt namelijk het aanhouden van een afstand van 55 meter tot de primaire waterkering ten onrechte met de standzekerheid. De Commissie beveelt aan om de conclusies in het MER opnieuw te formuleren zodat ze overeen komen met het betreffende achtergrondrapport. Maak daarin ook duidelijk of eventuele (tijdelijke) maatregelen noodzakelijk zijn.
Monitoring en evaluatie Voor de verschillende milieuaspecten is de monitoring en evaluatie op hoofdlijnen omschreven.43 Deze omschrijving laat echter niet zien hoe wordt omgegaan met
39
In dit kader wijst de Commissie er ook op dat het opvullen van diepe plassen vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet vergunningplichtig en m.e.r.-beoordelingsplichtig is (zie https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb2021-98.html).
40
https://www.internetconsultatie.nl/regeling_bodemkwaliteit_2021 .
41
Het plan is om deze regeling gelijktijdig met de Omgevingswet in werking te laten treden. Bij eventuele vertraging van de Omgevingswet wordt de regeling mogelijk zelfstandig ingevoerd.
42
Bijlage 6, Effecten primaire kering, bij het MER.
43
Zie paragraaf 6.2.2 van het MER.
-15-
onzekerheden in de effectbepalingen en of er sprake is van specifieke aandachtspunten, bijvoorbeeld vanuit de effectbeoordeling of doelrealisatie. Het MER geeft nu geen inzicht in de wijze en het moment waarop daadwerkelijke effecten geëvalueerd worden en welke maatregelen ‘achter de hand’ beschikbaar zijn als doelen of grenswaarden in de praktijk niet gehaald worden. De tekst over niet-wenselijke situaties tijdens de herinrichting zelf illustreert dit laatste. Zo wordt bij daadwerkelijke risico’s op bouwkundige schade gemonitord met trilmeters en verplaatsingssensors, maar is niet duidelijk in welke situatie ingegrepen wordt, met welke maatregel en wie hiervoor verantwoordelijk is. De realisatie gaat circa 10 jaar duren en is afhankelijk van marktomstandigheden. Vervolgens bepalen natuurlijke dynamiek en natuurontwikkeling mede de lange termijn ontwikkeling van het gebied. Het is daarom belangrijk tijdig bij te kunnen sturen wanneer doelen niet of onvoldoende gehaald (dreigen) te worden of wanneer ongewenste effecten op treden. Voorbeelden van relevante onderwerpen zijn: •
De morfologische ontwikkeling van de geul. Een teveel aan opslibbing kan de meerwaarde van de geul voor de ecologie schaden.
•
De effectiviteit van recreatieve zonering. Het voorkeursalternatief gaat uit van een zonering voor de recreatie. Hoe de beoogde verdeling van intensieve en extensieve recreatie in de praktijk uitpakt is relevant voor de ontwikkeling van verstoringsgevoelige natuur.
•
De ontwikkeling van binnendijkse grondwaterstanden. De mate waarin bij extreem laag water de binnendijkse grondwaterstand beïnvloed wordt is gebaseerd op een inschatting. De werkelijke ontwikkeling van de grondwaterstanden, kwel- en wegzijging moet uit monitoring blijken.
De Commissie beveelt daarom aan om, op basis van het MER en de aanvulling daarop, te benoemen op welke onderwerpen de monitoring zich moet richten. Denk daarbij aan risico’s, onzekerheden of andere aandachtspunten. Benoem welke vragen in dat kader beantwoord moeten worden, maak duidelijk welke gegevens hiervoor nodig zijn en welke meet- en evaluatiemomenten hierbij horen. Werk deze informatie vervolgens uit tot een uitgebreidere aanzet voor een monitoringsprogramma en neem dit op in de aanvulling op het MER.
-16-
BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: dr. Wilfried ten Brinke dr. Henk Everts drs. Aletta Lüchtenborg (secretaris) Marja van der Tas (voorzitter) drs. Frank Wijnants Besluiten waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Bestemmingsplan en ontgrondingenvergunning. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat.
Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit C6 (ontwikkeling van een haven voor binnenscheepvaart), C16.1 (winning van oppervlaktedelfstoffen), D3.2 ( aanleg, wijziging of uitbreiding ter beperking van overstromingen) en D9 (landinrichting). Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom is een gecombineerd plan-/project-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluiten Gemeenteraad van Neder-Betuwe en Gedeputeerde Staten van Gelderland. Initiatiefnemer besluiten College van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe en Dekker Grondstoffen bv. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3442 in te vullen in het zoekvak.