CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 34 - Bijlage 21 bij MER Advies over reikwijdte en detailniveau van de MER

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan met bijlagen8.486 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ontgronding en gebiedsontwikkeling Willemspolder fase 1 Advies over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport 25 maart 2020 / projectnummer: 3442

Advies voor de inhoud van het MER Dekker Grondstoffen bv wil een deel van de Willemspolder bij IJzendoorn herinrichten. Reden is dat Dekker is zand, grind en klei wil gaan winnen in combinatie met het leveren van een bijdrage aan hoogwaterveiligheid, natuur- en landschapsontwikkeling en recreatieve voorzieningen. Onderdeel van de herinrichting is het ontwikkelen van het terrein van de voormalige steenfabriek. Hier wil Dekker bouwstoffen op- en overslaan, een haven aanleggen voor de aan- en afvoer van deze bouwstoffen en energie opwekken. Het project past binnen de door Dekker opgestelde gebiedsvisie voor de Midden-Waal. Deze geeft een toekomstbeeld van de noordelijke Waaloever van Dodewaard tot aan het Amsterdam-Rijnkanaal bij Tiel. De realisatie van het toekomstbeeld gaat in fases plaatsvinden; na Willemspolder fase 1 volgen fase 2 (Willemspolder fase 2) en fase 3 (Gouverneurspolder). Deze vervolgfases zijn nog niet gepland. Om de herinrichting mogelijk te maken moet de gemeenteraad van Neder-Betuwe het bestemmingsplan aanpassen. Daarnaast is een ontgrondingenvergunning van de provincie Gelderland nodig. Voor de besluitvorming over het bestemmingsplan en de ontgrondingenvergunning wordt een milieueffectrapport (MER) opgesteld.

De provincie Gelderland heeft – mede namens de gemeente Neder-Betuwe - de Commissie voor de milieueffectrapportage (verder de Commissie) gevraagd te adviseren over de inhoud van het op te stellen MER.

Essentiële informatie voor het MER De Commissie beschouwt de volgende punten als essentiële informatie in het MER. Dat wil zeggen dat voor het meewegen van het milieubelang in de besluiten het MER in ieder geval onderstaande informatie moet bevatten: •

Samenhang met Midden-Waal. Het toekomstig functioneren van Willemspolder fase 1 is afhankelijk van de realisatie van de gebiedsvisie Midden-Waal als geheel. Tegelijkertijd is er nog geen zekerheid over het realiseren van fase 2 en 3. Beschrijf daarom in het MER: o

hoe de gebiedsvisie Midden-Waal tot stand is gekomen, welke keuzes hierbij zijn gemaakt en hoe dit zich verhoudt tot actuele beleidsontwikkelingen en projecten in de omgeving;

o

hoe voor Willemspolder fase 1 gekomen is tot het voorgestelde basisplan en wat de bijdrage van Willemspolder fase 1 is aan de doelen van de gebiedsvisie Midden-Waal;

o

hoe het gebied Willemspolder fase 1 op zich zelf functioneert, ook als fase 2 en/of 3 van de gebiedsvisie Midden-Waal later of niet gerealiseerd worden.

•

Ontwikkeling duurzame bedrijfsbestemming. De notitie reikwijdte en detailniveau1 (verder: notitie R&D) schetst de contouren voor de ontwikkeling van het terrein van de voormalige steenfabriek. Maak in het MER duidelijk: o

wat de doelstellingen voor de bedrijfsbestemming zijn en welke behoefte hieraan ten grondslag ligt;

•

o

welke activiteiten op het terrein plaats gaan vinden;

o

wat de best passende locatie is voor de beoogde bedrijvigheid.

Variantontwikkeling voor optimalisaties. Ontwikkel voor elke doelstelling een onderscheidende variant zodat de varianten tezamen ‘de hoeken van het speelveld’ laten

1

Herinrichting Willemspolder fase 1 Notitie over de inhoud van de milieueffectrapportage, Fundamental Concepts, 2019.

-1-

zien. Beoordeel deze varianten op doelbereik en milieueffecten en benoem daarbij onzekerheden. Laat vervolgens zien hoe vanuit de verschillende optimalisatievarianten het voorkeursalternatief is samengesteld. •

Effecten en doelbereik. Beschrijf de positieve en negatieve effecten van het voornemen zowel tijdens de realisatie- als de gebruiksfase en laat zien in welke mate de doelstellingen van het project bereikt worden.

Besluitvormers en insprekers lezen in de eerste plaats de samenvatting van het MER. Daarom verdient dit onderdeel bijzondere aandacht. De samenvatting moet als zelfstandig document leesbaar zijn en een goede afspiegeling zijn van de inhoud van het MER. In de volgende hoofdstukken beschrijft de Commissie in meer detail welke informatie het MER moet bevatten. De Commissie bouwt in haar advies voort op de notitie R&D). Dat wil zeggen dat ze in dit advies niet ingaat op de punten die naar haar mening hierin voldoende aan de orde komen.

Afbeelding 1 Toekomstige situatie Willemspolder fase I – basisalternatief Achtergrond De realisatie van gebiedsvisie Midden-Waal gaat in drie fases plaatsvinden. De inrichting van de Willemspolder omvat twee fases, de inrichting van de Gouverneurspolder is fase 3. Per fase worden afzonderlijke procedures doorlopen met elk een eigen milieueffectrapportage. De realisatie van fase 2 en 3 is afhankelijk van beleidsontwikkelingen (met name op het gebied van natuurbescherming) en voortgang van de grondverwerving. Dit betekent dat zowel het moment van realisatie als de volgorde van de fases nog niet vaststaat. Voor de herinrichting van Willemspolder fase 1 wil de gemeente Neder-Betuwe een bestemmingsplan opstellen. Omdat de winning van grondstoffen een belangrijke drager is voor de herinrichting is een ontgrondingenvergunning van de provincie Gelderland nodig. Het plan bevat verschillende onderdelen waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure verplicht is. De herinrichting heeft mogelijk effecten op beschermd natuurgebied, zoals de Rijntakken, het bestemmingsplan is kaderstellend voor de

-2-

ontwikkeling van een haven voor binnenscheepvaart (C4) en het besluit betreft de winning van oppervlaktedelfstoffen (C16.1). Ook is het bestemmingsplan m.e.r.-beoordelingsplichtig vanwege activiteiten ter beperking van overstromingen (D3.2) en landinrichting (D9). Omdat er zowel een projectals een plan-m.e.r.-plicht is, is gekozen voor een gecombineerd plan- en project-m.e.r. Het college van B&W van de gemeente Neder-Betuwe is initiatiefnemer voor de bestemmingsplanwijziging en de gemeenteraad van Neder-Betuwe is bevoegd gezag voor het besluit over het bestemmingsplan. Dekker Grondstoffen bv is initiatiefnemer voor de ontgrondingenvergunning en gedeputeerde staten van de provincie Gelderland is bevoegd gezag voor ontgrondingvergunning. De provincie Gelderland treedt op als coördinerend bevoegd gezag voor de gecombineerde plan- en project-m.e.r.-procedure. Waarom een advies? De provincie Gelderland heeft – mede namens de gemeente Neder-Betuwe - de Commissie gevraagd te adviseren over de inhoud van het op te stellen MER. De onafhankelijke Commissie m.e.r. is bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. De Commissie schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer.

Het bevoegd gezag – in dit geval de provincie Gelderland - besluit over de ontgrondingenvergunning en de gemeenteraad van Neder-Betuwe besluit over het bestemmingsplan. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3442 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

Achtergrond en besluitvorming Achtergrond, probleemstelling en doel De doelen en ambities zijn bepalend voor de te onderzoeken alternatieven en varianten. Een voorkeursalternatief wordt mede gekozen op grond van de mate van doelbereik. Het is dan ook belangrijk dat doelen en ambities voldoende concreet zijn uitgewerkt en goed onderbouwd zijn.

Samenhang gebiedsvisie Midden-Waal en Willemspolder fase 1 Omdat de realisatie van Midden-Waal als geheel nog niet zeker is, moet het MER ook laten zien wat deze onzekerheid betekent voor Willemspolder fase 1 en de gestelde doelen. De Commissie stelt dat het cruciaal is om bij besluitvorming over een bestemmingsplan een goede afweging te maken over de toekomstige inrichting van een gebied. De samenhang van Willemspolder fase 1 met het toekomstbeeld voor Midden-Waal is dusdanig groot dat bij het vaststellen van het bestemmingsplan voor Willemspolder fase 1 niet alleen naar het plangebied voor het feitelijke besluit moet worden gekeken, maar ook naar het grote geheel: •

beschrijf in het MER waarom Dekker Grondstoffen bv een voorstel voor de herinrichting van de Midden-Waal heeft opgesteld. Licht toe welke ambities, uitgangspunten en randvoorwaarden zijn gebruikt bij de gebiedsvisie Midden-Waal. Laat ook zien welke keuzes zijn gemaakt om tot het toekomstbeeld te komen en hoe milieubelangen hier een rol bij hebben gespeeld;

-3-

•

maak duidelijk hoe de gebiedsvisie Midden-Waal aansluit op onzekerheden. Beschrijf hoe geborgd wordt dat realisatie van Willemspolder fase 1 niet leidt tot conflicten met actuele beleidsontwikkelingen, zoals het Deltaprogramma2 en raakvlakprojecten zoals de Veerhaven Ochten en dijkversterking Neder-Betuwe;

•

maak aannemelijk dat de gebiedsvisie Midden-Waal realiseerbaar en uitvoerbaar is, vooral binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Midden-Waal is onderdeel van Natura 2000-gebied Rijntakken. De Voortoets3 voor fase 1 en 2 concludeert dat significante effecten niet zijn uit te sluiten; fase 3 is in deze toetsing niet onderzocht. Neem daarom in het MER een globale beoordeling op van de effecten van de gebiedsvisie op beschermde natuur, waaruit blijkt of en onder welke voorwaarden de gebiedsvisie uitgevoerd kan worden.

Beschrijf vervolgens in het MER hoe vanuit de gebiedsvisie Midden-Waal gekomen is tot de plangrenzen en inrichting van het basisplan Willemspolder fase 1. Maak duidelijk wat de bijdrage van het basisplan Willemspolder fase 1 is aan de ambities en uitgangspunten voor Midden-Waal als geheel.

Doelstellingen concreet maken Er zijn vijf doelstellingen geformuleerd voor Willemspolder fase 1. De optelsom van de doelstellingen kan leiden tot een spanningsveld waarbinnen keuzes gemaakt moeten worden. Werk de prioritering van de doelstellingen4 verder uit en laat zien hoe met mogelijke tegenstrijdigheden wordt omgegaan. Maak de doelstellingen concreet en koppel hier de ontwerpuitgangspunten aan: •

bouwgrondstoffenwinning: beschrijf de hoeveelheden en de te verwachten kwaliteit van de vrijkomende grondstoffen. Geef aan wat de minimaal rendabele opgave is en welke opgave idealiter wordt nagestreefd;

•

hoogwaterveiligheid: onderbouw hoe de doelstelling van 18 mm waterstandsdaling voor Willemspolder fase 1 afgeleid is van de beoogde 53 mm die in de voorkeursstrategie van het Deltaprogramma als richtlijn voor de Midden-Waal is opgenomen;

•

natuurontwikkeling: baseer de doelen en ambities voor natuurontwikkeling op een landschapsecologische systeemanalyse van het gebied met achterliggende processen, waaruit de (maximale) ontwikkelingsmogelijkheden van dit specifieke deel van de Waal inzichtelijk worden gemaakt. Betrek hierbij de doelstellingen die voortkomen uit nationaal en provinciaal beleid (Natura 2000, Kaderrichtlijn Water, Natuurnetwerk Nederland, Gelders Natuurnetwerk) en randvoorwaarden zoals vastgelegd in de Vegetatielegger;5

•

duurzaamheid & mobiliteit: onderbouw de behoefte die ten grondslag ligt aan duurzame energieopwekking, CO2-reductie en de haven met bouwstoffen-HUB. Maak daarbij onderscheid in de behoefte voor de realisatie van het project en voor de situatie daarna. Vertaal de behoefte naar een concrete doelstelling voor elk van de drie onderdelen.

Voor de doelstelling Landschapsontwikkeling en recreatie zijn er geen aanvullingen ten opzichte van de notitie R&D. 2

In het Deltaprogramma maakt de rijksoverheid, samen met verschillende overheden en andere organisaties, plannen om Nederland nu en in de toekomst te beschermen tegen hoogwater, te zorgen voor voldoende zoetwater en klimaatbestendig en waterrobuust in te richten https://www.deltacommissaris.nl/deltaprogramma

3

Voortoets gebiedenbescherming Willemspolder. SOVON, 2018

4

Notitie R&D, paragraaf 2.1

5

Onderdeel van de Legger rijkswaterstaatswerken, Rijkswaterstaat en vastgesteld in 2014, in 2020 wordt een geactualiseerde versie vastgesteld. De Vegetatielegger draagt bij aan een veilige doorstroming en de waterkwaliteit van de Nederlandse rivieren door de norm aan te geven voor begroeiing aan in het hele rivierbed. Deze norm geldt ook op terreinen in particulier eigendom. Het gaat bijvoorbeeld om tuinen, landgoederen en (agrarische) bedrijven.

-4-

Beleidskader De notitie R&D gaat in op een aantal relevante beleidskaders zoals het Deltaprogramma en de Wet natuurbescherming. Geef in het MER aan welke overige wet- en regelgeving en beleidskaders relevant zijn voor het project en welke randvoorwaarden hier uit voortkomen. Ga daarbij in ieder geval in op: •

Beleidslijn Grote Rivieren6

•

Vegetatielegger 2020

•

Omgevingsverordening Gelderland 2018

•

Windvisie provincie Gelderland

•

Structuurvisie Neder-Betuwe 2018

•

Klimaatnota Neder-Betuwe 2018-2023

Tegelijk met de uitwerking van het MER voor Willemspolder fase 1 vindt beleidsontwikkeling plaats op verschillende schaalniveaus. Zo wordt door gemeente gewerkt aan de gemeentelijke omgevingsvisie. De Regionale Energie Strategie Rivierenland (RES) wordt naar verwachting in 2021 afgerond, de vertaling van de RES 1.0 in de gemeentelijke Omgevingsvisie en daaraan verbonden (milieu)afwegingen moet daarna nog plaats vinden. Vanuit het Rijk wordt gewerkt aan het programma Integraal Riviermanagement7, de Programmatische Aanpak Grote Wateren en het Nationaal Waterprogramma 2022-2027. Deze plannen en ontwikkelingen hebben mede betrekking op het gebied Willemspolder fase 1. Laat zien hoe bij de inrichting van Willemspolder fase 1 rekening wordt gehouden met deze bovenliggende plannen en ontwikkelingen en hoe mogelijke strijdigheden (regret-maatregelen) voorkomen worden. Maak duidelijk welke ruimte Willemspolder fase 1 biedt voor de verwachte opgaven voor integraal riviermanagement. Maak ook duidelijk hoe de ontwikkeling van de beoogde bedrijfsbestemming past binnen de kaders van het ruimtelijk beleid, waaronder de Structuurvisie Neder-Betuwe 2018 en de Klimaatnota Neder-Betuwe 2018-2023.

Te nemen besluit(en) De m.e.r.-procedure wordt doorlopen voor de ontgrondingvergunning en het bestemmingsplan. Daarnaast zullen andere besluiten genomen worden voor de realisatie van het voornemen zoals de Waterwet en de Wet Natuurbescherming. Geef ook een samenhangend beeld van de (vervolg)besluiten vergunningen en ontheffingen die noodzakelijk zijn voor de beoogde duurzame energieopwekking. Geef aan welke besluiten dit zijn, wie daarvoor het bevoegde gezag is en wat globaal de tijdsplanning is.

6

De beleidslijn Grote Rivieren heeft als doel de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed van de grote rivieren te behouden en ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging feitelijk onmogelijk maken. De beleidslijn is het afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen in het rivierbed en is aan de orde bij de concrete regulering van afzonderlijke activiteiten via de Waterwet en de daarop gebaseerde regelgeving.

7

Binnen het programma Integraal Riviermanagement (IRM) werken het Rijk en de regionale (water)partners samen aan een veilig, functioneel en aantrekkelijk Maas- en Rijngebied. Per rivier(tak) wordt een visie ontwikkeld en wordt gelijktijdig gewerkt aan opgaven op het gebied van waterveiligheid, waterkwaliteit, natuur- en economische ontwikkeling, zoetwatervoorziening en een vlotte en veilige doorvaart van de scheepvaart. Een belangrijk onderdeel van het IRM is de afweging van rivierverruiming versus dijkversterking. https://www.deltacommissaris.nl/deltaprogramma/gebieden-engenerieke-themas/rivier-rijn/integraal-riviermanagement

-5-

Voorgenomen activiteit en alternatieven Algemeen Neem in het MER een duidelijke beschrijving op van elk van de onderzochte alternatieven en varianten. Beschrijf de feitelijke inrichtingssituatie (zoals waterdiepte, hoogteligging en reliëf (van de oevertaluds), gradiënten en eigenschappen van de toe te passen grond) en de activiteiten en laat duidelijk zien hoe de alternatieven en varianten onderscheidend zijn.

Bouwstoffenwinning als drager De winning van bouwgrondstoffen is de economische drager van de ontwikkeling8. De notitie R&D vermeldt dat de uiteindelijke diepte van de winning afhankelijk is van de aard en diepte

van geologische lagen die geschikt zijn voor zand- en grindwinning9. Maak voor elk alternatief inzichtelijk wat de maximale hoeveelheid te winnen grondstoffen is en baseer hier de effectbeoordeling op. Maak inzichtelijk welk deel van het vrijkomende materiaal in het gebied toegepast wordt en aan welke voorwaarden dit moet voldoen. Laat zien hoe de voortgang van de doelstelling bouwstoffenwinning samenhangt met de realisatie van de andere doelstellingen.

Beoogde ontwikkeling bedrijfsbestemming De notitie R&D schetst de beoogde ontwikkeling van het terrein van de voormalige steenfabriek. Om de milieueffecten van deze ontwikkeling te kunnen beschrijven moet het MER duidelijk maken welke activiteiten op het terrein plaats (kunnen) gaan vinden in de gebruiksfase en wat de aard en omvang daarvan is10. De beschrijving moet de maximale mogelijkheden weergeven die met het bestemmingsplan vastgelegd worden. Beschrijf in het MER ook op welke wijze en met welke middelen de opwekking van duurzame energie plaats gaat vinden en in welke minimale en maximale omvang (denk daarbij aan aantal, maatvoering, beoogde locatie).

Ontwikkeling en gebruik na oplevering Beschrijf voor de alternatieven de verwachte (natuurlijke) processen die gaan optreden na oplevering en op welke wijze het gebied zich hierdoor gaat ontwikkelen. Benoem welke onzekerheden er zijn en maak aannemelijk dat de doelen bereikt worden, bijvoorbeeld met een gevoeligheidsanalyse of met behulp van monitoring. Benoem welke maatregelen getroffen worden om de doelen te borgen wanneer er een andere dynamiek in het gebied optreedt dan vooraf verwacht, bijvoorbeeld een hogere slibsedimentatie. Beschrijf welke vormen van gebruik en beheer na oplevering in het gebied plaats gaan vinden, bijvoorbeeld recreatie en (natuur)beheer. Neem dit mee bij het ontwikkelen van de optimalisatievarianten. Met de herinrichting Willemspolder fase 1 wordt een deel van de gebiedsvisie Midden-Waal gerealiseerd. De realisatie van fase 2 en 3 van de gebiedsvisie Midden-Waal gaat later plaatsvinden. Laat zien hoe het gebied Willemspolder fase 1 op zich zelf functioneert, als fase 2 en/of 3 van gebiedsvisie Midden-Waal later of niet gerealiseerd worden. 8

Notitie R&D, pagina 12

9

Notitie R&D, pagina 14

10

Zienswijzen van bewoners en de gemeente West Maas en Waal gaan hier ook op in.

-6-

Relatie MER en besluitvorming Maak duidelijk welke onderdelen deel uitmaken van het besluit voor het bestemmingsplan en de vergunningaanvraag voor de ontgronding en laat het MER hier op aansluiten. Maak onderscheid in activiteiten die betrekking hebben op het realiseren van de herinrichting en activiteiten die in de fase van gebruik plaats gaan vinden. Beschrijf welke activiteiten het bestemmingsplan mogelijk maakt en ga in het MER uit van de maximale invulling van deze activiteiten. Ga ook in op de niet m.e.r.-plichtige ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt voor zover deze onderdelen aanzienlijke milieugevolgen hebben, al dan niet in cumulatie met de herinrichting.

Activiteiten tijdens realisatie- en gebruiksfase Maak onderscheid in activiteiten die plaats vinden tijdens de realisatie- en tijdens de gebruiksfase. Beschrijf de omvang van de activiteiten tijdens realisatie- en gebruiksfase en laat daarbij zien welke activiteiten horen bij de (ontwikkeling van de) bedrijfsbestemming en bij overige onderdelen van de herinrichting. Maak duidelijk of tijdens de realisatiefase (delen van) Willemspolder fase 1 gebruikt worden voor op-, overslag en bewerking van bouwgrondstoffen die niet uit het gebied zelf komen. Beschrijf de aard en omvang van de benodigde transportbewegingen zowel over weg als water; bijvoorbeeld het aantal scheepvaartbewegingen en de locatie van materieel in het buitendijkse gebied.

Alternatieven Optimalisaties onderzoeken als varianten Om te komen tot een voorkeursalternatief worden vanuit de vijf doelstellingen optimalisaties doorgevoerd in het basisplan. De Commissie adviseert om per doelstelling een optimale variant te ontwikkelen zodat de breedte van het speelveld in beeld wordt gebracht. Laat hiermee zien hoe optimalisaties bijdragen aan de doelstellingen. Benoem in het MER wat als optimalisatie beschouwd wordt en wat onderdeel is van het basisalternatief. Zo staan de voorgestelde optimalisaties voor landschappelijke ontwikkeling en recreatie11 al in de verbeelding van het basisalternatief en staat in paragraaf 3.3 van de notitie R&D dat het basisalternatief een scala aan optimalisaties bevat ten gunste van

beoogde doelstellingen. Maak duidelijk welke activiteiten vanuit de doelstelling ‘Duurzaamheid & mobiliteit’ onderdeel zijn van het basisalternatief. Beschrijf welke richtlijnen en uitgangspunten gebruikt worden bij het uitwerken van de optimalisaties. Denk daarbij aan richtlijnen voor oevertaluds om optimale natuurontwikkeling mogelijk te maken.

Beoogde ontwikkeling bedrijfsbestemming Onderbouw in het MER wat de best passende locatie is om de doelstelling voor duurzaamheid en mobiliteit te realiseren en hoe milieubelangen een rol hebben gespeeld in deze keuze. Maak daarbij onderscheid in de drie onderdelen van deze doelstelling (opwekking duurzame energie, elektrisch winnen en klasseren, haven met bouwstoffen-HUB) en maak duidelijk waar een locatie voor elk van deze onderdelen aan moet voldoen. Laat, voor elk van de drie onderdelen, zien welke andere mogelijke locaties zijn onderzocht en onderbouw waarom het

11

Notitie R&D, pagina 31

-7-

huidige terrein van de voormalige steenfabriek is opgenomen in het basisalternatief. Ga ook in op positie binnen het gebied Midden-Waal en de regionale Hotspot Rivierenland12. De ligging van het terrein van de voormalige steenfabriek is relevant voor het doelbereik op hoogwaterveiligheid. De toegangsweg en het hoogwatervrije terrein zelf hebben invloed op de doorstroming bij hoge waterstanden. Daarnaast zal de ontwikkeling van de bedrijfsbestemming effect hebben op beschermde natuurwaarden, landschap en belevingswaarde van de uiterwaard. De Commissie adviseert daarom in ieder geval ook een alternatief te ontwikkelen waarbij het hoogwatervrije terrein en/of de toegangsweg worden verwijderd13. Verken in dit alternatief, in aanvulling op de twee saneringsvarianten die in de notitie R&D genoemd worden, een saneringsvariant waarbij de pyrietslakkenstortplaats volledig verwijderd wordt. Deze variant kan gebruikt worden om de effecten van de andere saneringsvarianten mee te vergelijken.

Overige aandachtspunten •

De herinrichting van Willemspolder fase 1 gaat over een periode van 5 tot 10 jaar plaatsvinden. Maak in de alternatieven duidelijk hoe de fasering ingevuld gaat worden en wat dit betekent voor het doelbereik.

•

Onderzoek met de alternatieven verschillende mogelijkheden om duurzame energie op te wekken en de situatie zónder duurzame energieopwekking.

•

Eén van de uitgangspunten is het hanteren van een gesloten grondbalans14. Het toepassen van gebiedsvreemd materiaal wordt beschouwd als een optimalisatie. Beschrijf wat deze optimalisatie inhoud. Maak duidelijk of in het basisalternatief en het voorkeursalternatief gekozen is voor een gesloten grondbalans. Wanneer de mogelijkheid om extern materiaal aan te voeren in de aanvraag wordt opgenomen moeten de milieuconsequenties daarvan duidelijk zijn (bijvoorbeeld als gevolg van de extra transportbewegingen en kwaliteit van het toe te passen materiaal).

•

Laat zien hoe de resultaten van het communicatie- en participatieproces in de alternatieven zijn verwerkt.

Referentie In een milieueffectrapport worden de milieueffecten van alternatieven vergeleken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de bestaande situatie en de autonome ontwikkeling gezamenlijk. Het is belangrijk om een goed beeld te krijgen van de referentiesituatie. Hierdoor wordt bepaald welke milieuruimte er nog is voor verdere ontwikkelingen. Binnen het plangebied ligt een terrein met de bestemming Baksteenfabriek. In de huidige situatie wordt het terrein onder andere gebruikt voor de opslag van materieel en materiaal en is er een kantoor gevestigd. Het MER moet duidelijk maken wat tot bestaande situatie hoort en welke onderdelen tot het voornemen behoren. Omdat de vigerende bestemming niet ingevuld is en het feitelijke gebruik afwijkt van het beoogde toekomstige gebruik is het belangrijk om in het MER de juiste referentiesituatie te gebruiken. Om die 12

Een zienswijze verwijst in dit kader naar een eerder uitgevoerd onderzoek (PlanMER Omgevingsvisie Gelderland. Provincie Gelderland, 2013) waarin de locatie Biezenburg is verkozen boven de locaties IJzendoorn en Lingewaal – Zeiving.

13

Met dit alternatief wordt inzichtelijk gemaakt welke invloed en/of beperkingen het realiseren van een permanente bedrijfsbestemming op het beoogde terrein kan hebben op de doelstellingen die vanuit het Deltaprogramma / Integraal Riviermanagement gehaald moeten worden en waarover de komende jaren besluitvorming kan plaatsvinden. In afwachting van deze besluitvorming is het van belang alleen no-regret maatregelen te treffen.

14

Notitie R&D, pagina 14

-8-

reden bevat dit advies een toelichting op het onderscheid tussen de referentiesituatie en het voornemen.

Bepalen van de referentiesituatie De feitelijke bestaande situatie bestaat uit alle vergunde activiteiten die al zijn gerealiseerd. Soms is een bepaalde bestemming niet ingevuld. De gemeente neemt over deze niet gerealiseerde onderdelen bij het vaststellen van een nieuw plan opnieuw een besluit. De gemeente heeft de vrijheid om onderdelen opnieuw te bestemmen. Dit betekent dat het vorige plan niet zomaar als referentie kan worden gebruikt. Voor dit project is de bestemming Baksteenfabriek niet ingevuld in de huidige situatie. Dat betekent dat voor de referentiesituatie geen rekening gehouden mag worden met activiteiten die samenhangen met de bestemming Baksteenfabriek. Onder de autonome ontwikkeling wordt verstaan: de toekomstige ontwikkeling van het milieu, zonder dat de voorgenomen activiteit of één van de alternatieven wordt gerealiseerd. Ga bij deze beschrijving uit van ontwikkelingen van de huidige activiteiten in het studiegebied zoals de projecten in de omgeving. Activiteiten waarover nog geen (ontwerp) besluit is genomen horen in principe niet tot de autonome ontwikkeling.

Waar bestaat het voornemen uit? De Commissie hanteert hierin de basisregel dat alles waarover het bevoegd gezag met het voorliggende bestemmingsplan (opnieuw) een besluit kan nemen, onderdeel is van het voornemen. Dit leidt tot de volgende onderverdeling: •

Alle nieuwe activiteiten en (her) bestemmingen die nog niet zijn vergund.

•

(Her)bestemmingen die wel zijn vergund, maar (nog) niet gerealiseerd, voor zover ze niet onder de autonome ontwikkeling vallen. Hieronder vallen dus niet benutte vergunningruimte, maar ook de gestopte bedrijven, waarvan de vergunning nog geldig is.

•

“Illegale” situaties die worden gelegaliseerd.

Beargumenteer waarom ontwikkelingen wel of niet zijn meegenomen en waarom ze gezien worden als huidige situatie, autonome ontwikkeling of onderdeel van het voornemen.

Bestaande milieusituatie en milieugevolgen Beoordelingskader Het beoordelingskader legt vast welke milieuaspecten in de toetsing worden opgenomen en welke criteria en indicatoren toegepast worden. Het is daarmee een belangrijk hulpmiddel om tot een weloverwogen en navolgbare keuze te komen. Beschrijf in het MER voor elk van de milieuaspecten de toe te passen criteria en indicatoren. Gebruik ook hiervoor eenduidige en, zo veel als mogelijk, kwantificeerbare toetsingscriteria. Het beoordelingskader moet volledig zijn en alle relevante milieuaspecten omvatten. Voor de effecten op natuurwaarden betekent dit dat de effecten op alle beschermde natuurwaarden in beeld gebracht moeten worden. Het beschrijven van de effecten in een Passende beoordeling, specifiek bedoeld voor Natura 2000-gebieden, is daarvoor niet voldoende. Maak duidelijk welke thema’s bij het aspect grondstromen en milieu horen en wat de criteria daarvan zijn. Maak duidelijk hoe de criteria aansluiten op de doelstellingen en randvoorwaarden voor de gebiedsvisie Midden-Waal en Willemspolder fase 1.

-9-

Samenstellen van het voorkeuralternatief Beschrijf in het MER hoe en met welke criteria de optimalisatie-varianten beoordeeld en afgewogen gaan worden. Neem bij de onderbouwing alle milieuaspecten en criteria uit het beoordelingskader in ogenschouw, in aanvulling op de criteria toegevoegde waarde en uitvoerbaarheid. Gebruik het beoordelingskader om te onderbouwen welke optimalisaties een plek krijgen in het voorkeursalternatief en welke afvallen. Maak duidelijk welke keuzes gemaakt zijn bij eventuele strijdigheden tussen optimalisaties.

Vergelijking met Midden-Waal De alternatieven voor Willemspolder fase 1 worden ook vergeleken met ‘ de globale effecten

van de gebiedsvisie Midden-Waal’15. Maak in het MER duidelijk hoe het beoordelingskader hierbij wordt gebruikt: op welk schaalniveau en met welk detailniveau wordt deze vergelijking uitgevoerd? Laat ook zien hoe de uitkomst van deze vergelijking doorwerkt in de besluitvorming over Willemspolder fase 1.

Effectbepaling De realisatie van Willemspolder fase 1 gaat naar verwachting 5 tot 10 jaar duren. Tijdens deze periode zijn effecten op de omgeving te verwachten als gevolg van uitvoeringswerkzaamheden. Na afronding gaan activiteiten door, zoals ter plaatse van de haven en bouwstoffen-HUB. Breng de effecten voor zowel de realisatie- als de gebruiksfase in beeld. Ga daarbij uit van de maximale invulling van de toekomstige bestemming, de beoogde ontgrondingsvergunning en de beoogde duurzame energieopwekking. Maak in de beschrijving van de realisatiefase onderscheid in de effecten die samenhangen met de herinrichting het project zelf (zand- en kleiwinning in uiterwaard, verwerking van grond in de Willemspolder fase 1 en activiteiten op de beoogde bedrijfsbestemming) en effecten die het gevolg zijn van transport voor op- en overslag en verwerking van grondstoffen. Neem hier de aanvoer van grond van buiten het gebied in mee (per as en/of per schip). Laat zien of en hoe de ontwikkeling van raakvlakprojecten, zoals de veerhaven Ochten en de dijkversterking Neder-Betuwe, tot cumulatieve effecten kunnen leiden. Bepaal voor elk milieuaspect hoever de effecten zich uit kunnen strekken en baseer hier het studiegebied voor de effectbeoordeling op.

Voor zowel de realisatie als de gebruiksfase kan het project ook op verder gelegen buitendijkse gebieden, ook aan de overzijde van de Waal16, en binnendijks effect hebben; denk aan veranderingen in stikstofemissies, beleving, grondwaterstromen of geluidhinder op binnendijks gelegen woningen. Voor de uitvoering wordt nog open gelaten of gebruik gemaakt wordt van drijvende installaties of een vaste installatie. Maak in het MER duidelijk welk materieel en materiaal als uitgangspunt voor de effectbeoordeling wordt gebruikt en ga zo nodig uit van de ‘worstcase’ situatie. Maak daarbij duidelijk welke werkzaamheden en activiteiten nodig zijn om het duurzaam opwekken van energie mogelijk te maken, zoals voor de aanleg van windturbines. Onderbouw de keuze van de rekenregels/-modellen en van de gegevens waarmee de gevolgen van het voornemen voor natuurwaarden, water- en bodemkwaliteit, 15

Notitie R&D, pagina 35

16

Zienswijzen van aanwonenden en de gemeente West Maas en Waal gaan hier ook op in.

-10-

waterhuishouding en rivierafvoer en geluidhinder worden bepaald. Ga ook in op de onzekerheden in deze bepaling. Onderscheid daarbij onzekerheden in de kwaliteit van de gegevens (bron, ouderdom, betrouwbaarheid, e.d.) en in de gehanteerde rekenregels/modellen (afleiding en bandbreedte van kritische parameterwaarden, modelkalibratie en dergelijke). Vertaal dit zo mogelijk in een bandbreedte voor de genoemde gevolgen en geef aan wat dit betekent voor de vergelijking van de alternatieven. Maak gebruik van projectspecifieke en openbaar beschikbare data17. Benoem - per aspect - welke realistische en zinvolle maatregelen kunnen worden getroffen om nadelige effecten te beperken of te voorkomen of om positieve effecten verder te versterken (mitigerende effecten). Betrek deze informatie in de keuze voor of samenstelling van het voorkeursalternatief.

Natuur Natuurwaarden algemeen Om vast te stellen welke informatie over natuur in het MER noodzakelijk is, is het belangrijk om eerst het studiegebied te bepalen. De verschillende effecten die het voornemen op de natuur kan hebben, kunnen ook in reikwijdte verschillen. Hierdoor kan het studiegebied in omvang verschillen. Geef vervolgens aan welke kenmerkende habitats en soorten in het studiegebied aanwezig zijn. Beschrijf de autonome ontwikkeling van de natuur in het gebied. Geef aan voor welke dieren en planten aanzienlijke gevolgen te verwachten zijn, wat de aard van de gevolgen is en wat deze gevolgen voor de populaties betekenen. Geef aan welke natuurwaarden door middel van het project kunnen worden ontwikkeld, welke inrichtings- en beheersmaatregelen daarvoor nodig zijn en beschrijf welke landschapsecologische principes daarbij worden gebruikt. Voor het bepalen van de ontwikkelingsmogelijkheden voor natuur is een gebiedsgerichte landschapsecologische systeemanalyse van belang (LESA). Daarin worden verschillende aspecten van het landschap (geologie, reliëf, waterhuishouding, bodem en biotiek) samengebracht en geïntegreerd en worden achterliggende werkzame landschapsprocessen in beeld gebracht. Dit biedt de basis om de ontwikkelingsmogelijkheden voor de natuur vast te stellen.

Van processen die in een riviersysteem kunnen spelen wordt een overzicht gegeven in de Herstelstrategie rivierenlandschap18. Geef aan hoe de ontwerpuitgangspunten voor natuurontwikkeling zoals vermeld in de notitie R&D aansluiten op de uitkomsten van LESA en of verdere optimalisaties kunnen leiden tot een hogere biodiversiteit. De ontwikkeling van de beoogde natuurwaarden volgt de voortgang van de ontgronding. Beschrijf hoe de inrichting van de uiterwaard in tijd plaats gaat vinden en wat dit betekent voor de snelheid waarmee de natuur zich kan ontwikkelen. Maak bij de effectbeoordeling duidelijk hoe gedurende de realisatiefase nadelige effecten voorkomen worden en de omstandigheden voor natuurontwikkeling optimaal worden gemaakt.

17

Zoals het Data-portaal van de provincie Gelderland: Opendata.gelderland.nl

18

Herstelstrategiën Natura 2000, Deel III. Landschapsecologische inbedding van de herstelstrategieën. 5 Rivierenlandschap. https://www.natura2000.nl/meer-informatie/herstelstrategieen

-11-

Beschermde soorten Beschrijf welke soorten te verwachten zijn in het plan- en studiegebied, waar zij voorkomen en welke functie/regionale betekenis van het studiegebied voor deze soorten heeft. Benoem welk beschermingsregime uit de Wet natuurbescherming voor de betreffende soort geldt. Ga in op de mogelijke gevolgen van het voornemen voor deze beschermde soorten en bepaal of verbodsbepalingen overtreden kunnen worden, zoals het verbod op het verstoren van een vaste rust- of verblijfplaats. Geef - indien verbodsbepalingen overtreden kunnen worden aan of en in hoeverre de staat van instandhouding van de betreffende soort verslechtert. Specifiek bij windturbines kunnen risico’s op (significante) effecten zich zowel in de gebruiksfase (barrièrewerking, aanvaringen, verstoring van voedsel-, slaap- of broedgebied) als in de aanlegfase (verstoring, trillingen) voordoen. Voor windturbines geldt dat deze in de gebruiksfase gevolgen kunnen hebben voor de staat van instandhouding van vogels en vleermuizen die op rotorbladhoogte vliegen. Ga na in hoeverre door verstoringen of barrièrewerking van de windturbines huidige foerageer- en slaapgebieden en trekroutes van de doelsoorten (bijvoorbeeld ganzen, steltlopers en smienten) minder worden gebruikt.

Ga in op de gevolgen van extra sterfte, barrièrewerking en verstoring voor de staat van instandhouding van in ieder geval vogels (wintergasten en weidevogels) en vleermuizen. Ga bij sterfte in op de additionele (cumulatieve) sterfte ten opzichte van de natuurlijke sterfte. Beschrijf ook het totale jaarlijkse aantal aanvaringsslachtsoffers dat per soort(groep) wordt verwacht. Een ordegrootte-inschatting kan volstaan. Geef – als maat voor de aantasting van de gunstige staat van instandhouding - aan in hoeverre er een kans bestaat dat er voor deze soorten een grotere sterfte dan 1% van de totale jaarlijkse sterfte van de betrokken populaties optreedt. Houd daarbij rekening met de soort-specifieke levensverwachting. Geef aan in hoeverre negatieve gevolgen voor beschermde soorten kunnen worden gemitigeerd door bijvoorbeeld de wijze van opstellen of stilzetten van de turbines op bepaalde momenten, benoem de effectiviteit daarvan en geef aan hoe deze maatregelen in de praktijk geborgd zullen worden. Geef tot slot aan op welke gronden verwacht wordt dat een eventueel benodigde ontheffing zal worden verleend.

Gebiedsbescherming Beschrijf de mogelijke invloed van het voornemen op beschermde natuurgebieden, zoals het Natura 2000-gebied Rijntakken en het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Maak onderscheid tussen de verschillende gebieden en geef hiervan de status aan. Ook als het voornemen niet in of direct naast een beschermd gebied ligt, kan het gevolgen hebben op een beschermd gebied (via externe werking) die in het MER moeten worden beschreven. Geef per gebied de begrenzingen van het gebied aan op kaart, inclusief een duidelijk beeld van de ligging van het plangebied ten opzichte van de beschermde gebieden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Beschrijf voor gebieden die onderdeel uitmaken van het NNN (het Gelders Natuurnetwerk, GNN, en Groene Ontwikkelingszone, GO) in het studieplangebied de daarvoor geldende wezenlijke kenmerken en waarden, de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. Onderzoek welke gevolgen het initiatief voor deze actuele en potentiële kenmerken en waarden heeft. Houd daarbij rekening met externe werking. Voor het GNN en GO geldt provinciaal beleid. Geef aan hoe het GNN provinciaal is uitgewerkt en vastgelegd en of het voornemen hierin past.

-12-

Natura 2000-gebied Rijntakken Het plangebied ligt in het Natura 2000-gebied Rijntakken dat is aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn. In de notitie R&D is aangegeven dat er een Passende beoordeling nodig is vanwege het verlies van leefgebied van kwalificerende soorten waaronder ganzen. Ga in dit verband ook na of er een mogelijke aantasting is van te ontwikkelen leefgebied voor de Kwartelkoning19. De Commissie adviseert de passende beoordeling als bijlage in het MER op te nemen en de conclusies over te nemen in het hoofddocument. Breng de mogelijke gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor zowel de realisatie- als gebruiksfase in beeld. Beoordeel of de effecten significant kunnen zijn. Doe dit voor het voornemen afzonderlijk en in cumulatie met eventuele andere relevante ontwikkelingen, rekening houdend met externe werking. Beschouw daarbij ook de aangrenzende gebiedsontwikkeling van de Veerhaven Ochten en de dijkversterking NederBetuwe. Mitigerende maatregelen kunnen daarbij worden betrokken. Indien significante effecten niet kunnen worden uitgesloten, dan kan het voornemen alleen doorgang vinden als de zogenaamde ‘ADC-toets20’ met succes en in de juiste volgorde wordt doorlopen. In dat geval adviseert de Commissie een aanzet voor deze toets in het MER op te nemen (inschatting of deze kansrijk is, en zo ja waarom).

Samenhang met gebiedsvisie Midden-Waal De Voortoets21 voor fase 1 en 2 concludeert dat significante negatieve effecten niet zijn uit te sluiten; fase 3 is in deze toetsing niet onderzocht. Neem daarom in het MER een globale beoordeling op van het totale plangebied voor de gebiedsvisie Midden-Waal. Benoem hierin de kansen en risico’s van het project in relatie tot Natura 2000 en de mogelijke cumulatieve effecten die de verschillende fases kunnen hebben. Benoem, voor zover relevant, mitigerende maatregelen en de eventuele noodzaak om een ADC-toets voor fase 2 en/of 3 uit te voeren. Maak hiermee aannemelijk dat de gebiedsvisie Midden-Waal realiseerbaar en uitvoerbaar is binnen de Wet natuurbescherming.

Gevolgen PAS-uitspraak Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Uit de uitspraak blijkt dat activiteiten die op basis van de PAS-regelgeving geen vergunning nodig hadden, nu alsnog vergunningplichtig zijn. Het voornemen leidt in zowel de realisatie als de gebruiksfase mogelijk tot een (geringe) toename van stikstofdepositie op het al overbelaste Natura 2000gebied de Rijntakken en andere Natura-2000 gebieden op grotere afstand, door uitlaatgassen afkomstig van vrachtwagens, van machines en overige materieel en van aan- en afvoer van bouwstoffen met schepen. Extra uitstoot kan in de gebruiksfase plaatsvinden door de verkeersaantrekkende werking van het voornemen. Sinds het wegvallen van het PAS kan een kleine hoeveelheid extra stikstofdepositie op al overbelaste Natura 2000-gebieden leiden tot significante gevolgen. Het is daarom belangrijk om in een Passende beoordeling te onderzoeken of significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie zijn uit te sluiten. In de Passende beoordeling kunnen zo nodig maatregelen worden opgenomen om effecten op het Natura 2000-gebied te voorkomen. Bij deze

19

Beheerplan Rijntakken. Provincie Gelderland, 2018. https://www.gelderland.nl/Rijntakken

20

De ADC-toets is een vervolg op de passende beoordeling wanneer blijkt dat de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komen, ondanks mitigerende maatregelen. De ADC-toets geeft antwoord op de vragen: zijn er alternatieven voor het project, is er een dwingende reden van openbaar belang en worden er voldoende compenserende maatregelen getroffen?

21

Voortoets gebiedenbescherming Willemspolder. SOVON, 2018

-13-

beoordeling kunnen zonodig mitigerende maatregelen worden meegenomen. Denk hierbij vooral aan maatregelen aan de bron, interne saldering en externe saldering (met een bron buiten het plangebied). De Commissie wijst erop dat - als gevolg van de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State rond het Programma Aanpak Stikstof (PAS) - het beleid en de regelgeving omtrent stikstof sterk in ontwikkeling zijn, zowel landelijk als provinciaal. Bij de besluitvorming over het plan moet worden uitgegaan van het op dat moment geldende beleid en regelgeving.

Landschap, cultuurhistorie en archeologie Beschrijf in het MER de bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden in het studiegebied en geef aan hoe deze kwaliteiten worden gewaardeerd. Doe dat zowel vanuit het beleid (zoals de archeologische beleidskaart Neder-Betuwe 2016) als vanuit de beleving door gebruikers van het gebied. Ga bij de beschrijving van waarden in op het natuurlijke reliëf en de ruimtelijke patronen, die samenhangen met landgebruik. Geef een beeld van de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied (zie www.topotijdreizen.nl). Maak gebruik van bestaande documenten zoals de cultuurhistorische rapportage over de Willemspolder22 en het ruimtelijk kwaliteitskader voor de dijkversterking Neder-Betuwe23. Laat zien hoe de toekomstige inrichting van Willemspolder fase 1 aansluit bij de toekomstige inrichting van stroomop- en afwaarts gelegen uiterwaarden, ook voorbij de grenzen van gebiedsvisie Midden-Waal. Beschrijf in het MER wat de positieve en negatieve gevolgen zijn van het voornemen en alternatieven voor bestaande kwaliteiten en voor de identiteit van het gebied, alsook voor veranderingen in gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde. Betrek daarbij ook veranderingen in (visuele) relaties van het plangebied met de omgeving als gevolg van het voornemen.

Denk aan de ruimtelijke uitstraling van de duurzame bedrijfsbestemming met onder andere bedrijfsgebouwen, bouwstoffendepots en windturbines.24 Door de positieve en negatieve effecten afzonderlijk in beeld te brengen, ontstaat overzicht voor de te maken keuzes. Maak waar mogelijk gebruik van visualisaties om inzicht te bieden in de manier waarop nieuwe kwaliteiten aan het bestaande worden toegevoegd en hoe het plangebied in de nieuwe situatie wordt beleefd, zoals bijvoorbeeld de natuurontwikkeling, bedrijvigheid en energieopwekking. Besteed in verband met de eventuele verlichting van windturbines en de HUB ook aandacht aan de avond- en nachtsituatie. Vergelijk deze visualisaties met de referentiesituatie(s) en breng de mogelijkheden in beeld om hinder zoveel mogelijk te voorkomen. Voor het thema archeologie heeft de Commissie geen verdere aanvullingen op wat in de notitie R&D staat beschreven.

22

Heerlijkheid op moderne leest. Cultuurhistorische rapportage voor de herinrichting van de Oostelijke Willemspolder. Verkort RAAP-rapport.

23

Dijkversterking Waalbandijk Neder-Betuwe Ruimtelijk kwaliteitskader. Bosch Slabbers Landschapsarchitecten, 2018. https://www.dijkversterkingnederbetuwe.nl/home/default.aspx

24

In meerdere zienswijzen wordt zorg voor de ruimtelijke uitstraling uitgesproken.

-14-

Water Rivierkunde – strategische keuze Voor het Deltaprogramma (Voorkeursstrategie Rivieren) is het vertrekpunt (‘strategische keuze’) om voor de klimaatopgave langs de Waal voor een aantal grote, rivierverruimende maatregelen te kiezen waarmee de waterstandstijging, die het resultaat is van klimaatverandering, substantieel wordt verlaagd. Geef aan hoe de ontwikkeling van een duurzaam bedrijventerrein op het hoogwatervrije terrein inclusief de instandhouding van de daar naartoe leidende weg zich verenigt met deze strategische keuze. Breng hiervoor de te bereiken waterstandsverlaging in beeld voor: •

een optimalisatie variant voor de doelstelling hoogwaterveiligheid waarbij de aanwezige plassen en geulen optimaal mee kunnen stromen;

•

het basisalternatief;

•

het voorkeursalternatief;

•

het alternatief waarbij het hoogwatervrije terrein en de toegangsweg uit het winterbed worden verwijderd (zie paragraaf 3.2);

Geef daarnaast voor deze situaties een doorkijk naar de situatie waarin fase 2 en 3 van de gebiedsvisie Midden-Waal worden gerealiseerd. Met aan te leggen plassen in Willemspolder fase 1 wordt een deel van een meestromende nevengeul gerealiseerd. Breng in het MER in beeld hoe de waterafvoer van de Waal plaats gaat vinden in situaties waarin de toegangsweg naar het terrein van de voormalige steenfabriek overstroomt, ook als fase 2 en 3 nog niet gerealiseerd zijn.

Grond- en oppervlaktewater Breng in beeld wat de huidige kwaliteit van het oppervlaktewater is, zowel van de Waal zelf als van de afzonderlijke plassen. Maak duidelijk in welke mate het rivierwater de kwaliteit van de plassen beïnvloedt, specifiek in periodes met lage waterstanden. Beschrijf of en in welke mate de uitvoering van de werkzaamheden de waterkwaliteit in de plassen en de Waal beïnvloedt, bijvoorbeeld door (tijdelijke) vertroebeling of vrijkomende stoffen. Breng in beeld in wat de verwachte waterkwaliteit van de toekomstige plassen en geulen is, ook rekening houdend met de kwaliteit van het afwerkingsmateriaal en slibsedimentatie. Houd daarbij rekening met verschillende afvoerscenario’s van de Waal waarmee er meer of minder uitwisseling met rivierwater plaats vindt. Benoem de afgeleide effecten hiervan bijvoorbeeld op de vorming van blauwalgen in met name toekomstige geïsoleerde plassen. Beschrijf wat de bijdrage van het project is aan de doelen van de Kaderrichtlijn Water. Geef een beschouwing van de mogelijke verandering van de verspreiding van verontreiniging uit bestaande puntbronnen in het gebied. De plaatsing van windturbines, met de bijbehorende funderingen en kabels, heeft mogelijk invloed op de bodem en mogelijk ook op stromend grondwater. Geef in het MER aan of en in welke mate dit het geval is.

-15-

Bodem Waterbodemkwaliteit Een risico bij de aanleg van nevengeulen bij grote rivieren is het ontbreken van voldoende dynamiek om het gewenste natuurlijke proces van sedimentatie en erosie van zand te laten optreden. Bij onvoldoende dynamiek kan slibsedimentatie een (ongewenst) gevolg zijn. Beschrijf in het MER de mogelijke gevolgen van een te beperkte zanddynamiek voor de bodemkwaliteit en - kwantiteit. Maak duidelijk of en op welke wijze dit de beoogde natuurontwikkeling (zoals door substraat, water- en bodemkwaliteit, waterdiepte) en recreatiemogelijkheden kan beïnvloeden. Laat in het MER zien hoe het risico op ongewenste slibsedimentatie beheerst wordt. Breng daarbij zowel preventieve als correctieve maatregelen in beeld.

Grondbalans Beschrijf in een grondbalans de hoeveelheden en de te verwachten kwaliteit van de vrijkomende grondstromen. Maak hierbij onderscheid tussen vermarktbare en niet vermarktbare grondstromen. Laat zien of grond van buiten het gebied wordt aangevoerd en verwerkt. Zo ja, laat in de grondbalans zien om welke hoeveelheden en kwaliteiten het gaat. Beschrijf hoe de niet-vermarktbare grondstromen worden verwerkt. In geval verwerking in het plangebied is voorzien, licht dan toe binnen welke kaders en op welke wijze dit plaats gaat vinden. Motiveer hierbij dat de kwaliteit voldoet aan de eisen die vanuit deze kaders worden gesteld. Laat zien hoe de kwaliteit, aard en eigenschappen van het opvulmateriaal aansluiten bij de doelstelling van natuurontwikkeling en recreatie25.

Bodem- pyrietslakken Beschrijf de samenstelling en de milieu-hygiënische kwaliteit van het materiaal in de pyrietslakkenstort, geef aan welke besluiten in het verleden reeds genomen zijn met betrekking tot de voormalige stortplaats en op welke manier milieueffecten hierbij een rol gespeeld hebben. Maak hierbij zo nodig onderscheid in effecten op grondwater en effecten als gevolg van blootstelling van mensen aan het stortmateriaal. In de notitie R&D wordt aangegeven dat een saneringsvariant uitgewerkt wordt waarbij de stort deels wordt ontgraven en het stortmateriaal wordt herschikt. Beschouw hierbij ook de effecten die kunnen optreden wanneer bij het ontgraven de pyrietslakken (tijdelijk) overgaan van een anaerobe naar een aerobe situatie.

Lucht, geluid en trillingen Neem voor het beschrijven van de huidige verkeerssituatie alle verkeer op de dijk en de toegangswegen mee. Beschrijf de effecten op de luchtconcentraties van fijn stof (PM 10 en PM2,5) en NOx, ook onder de grenswaarden door bedrijvigheid en het weg- en scheepvaartverkeer, ook onder grenswaarden. Presenteer contourenkaarten en geef per contour de ligging van het gevoelige bestemmingen in het gebied. Beoordeel de bijdrage aan de achtergrondconcentratie en de toe- en afname van luchtconcentraties in het gebied voor het plan vergeleken met de

25

Ook de zienswijze van de gemeente West Maas en Waal gaat hier op in.

-16-

referentiesituatie en alternatieven. Toets de luchtconcentraties aan de grenswaarden en de WHO-advieswaarden. Beschrijf of en in welke mate er sprake kan zijn van stofhinder en welke maatregelen worden getroffen om dit tegen te gaan. Beschrijf de (cumulatieve) effecten op de geluidbelasting door bedrijvigheid, het weg- en scheepvaartverkeer en windturbines, ook onder grenswaarden. Betrek hierbij ook eventuele andere akoestisch relevante activiteiten die binnen het plangebied worden mogelijk gemaakt. Presenteer contourkaarten en laat de ligging van geluidgevoelige bestemmingen zien. Beschrijf de periodes waarin geluidhinder op kan treden. Laat zien wat het te verwachten aantal (ernstig) gehinderden en slaapverstoorden is. Beoordeel de toe- en afname in geluidbelasting en gezondheidseffecten in het studiegebied voor het plan in vergelijking met de referentiesituatie en alternatieven. Toets de geluidbelastingen aan de grenswaarden. Onderzoek in het MER welke mogelijkheden er zijn om met de inrichting van het gebied geluidhinder te minimaliseren. Breng de effecten van slagschaduw van de plaatsing van windturbines in beeld en maak daarbij gebruik van slagschaduwcontouren. Maak duidelijk welke hinder dit veroorzaakt, zoals op woningen, en welke maatregelen genomen worden om deze hinder te beperken.

Bereikbaarheid en veiligheid Bereikbaarheid Beschrijf wat het effect van de herinrichting van Willemspolder fase 1 is voor de bereikbaarheid van voormalige terrein van de steenfabriek en in welke mate het gebruik verandert ten opzichte van de huidige situatie. Laat ook zien wat de betekenis is van het realiseren van fase 2 en/of 3 van gebiedsvisie Midden-Waal op de toegankelijkheid. Breng de verkeersaantrekkende werking van het voornemen tijdens realisatie en tijdens de gebruiksfase in beeld en beschrijf de effecten daarvan. Kwantificeer de verkeersstromen indien aan- en afvoer per as plaats gaat vinden en beschrijf de effecten hiervan op verkeersveiligheid en hinder op de leefomgeving. Breng de veiligheidsrisico’s van windturbines in beeld. Maak hierbij gebruik van het Handboek Risicozonering Windturbines (HRW)26. Het HRW geldt als de praktijkrichtlijn voor risicoanalyses voor windturbines. Laat in ieder geval zien wat het risico-effect is op (gebruikers van) het bedrijventerrein inclusief de haven, op recreanten en gebruikers van de uiterwaard en op het scheepvaartverkeer op de Waal.

Veiligheid scheepvaart Beschrijf de effecten van de nieuwe haven op de veiligheid van scheepvaart op de Waal. Breng hiervoor het aantal in- en uitvaartbewegingen in beeld en maak duidelijk wat de vaarbewegingen van en naar de haven betekenen voor de veiligheid van het doorgaande scheepvaartverkeer op de Waal. Door het meestromen van de uiterwaard bij hoge waterafvoeren kunnen dwarsstromen op de rivier ontstaan. Breng in beeld welke effecten de toekomstige inrichting heeft op de veiligheid

26

Handboek Risicozonering Windturbines, Herziene versie 3.1 september 2014, opgesteld in opdracht van, en uitgegeven door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. https://www.infomil.nl/onderwerpen/veiligheid/windturbines/

-17-

van de scheepvaart op de Waal. Kijk daarbij zowel naar in- en uitvaart van de toekomstige haven als doorgaande scheepvaart.

Veiligheid recreanten In hoogwatersituaties kunnen onveilige situaties ontstaan voor recreanten in het gebied. Denk aan gebruik van een kabelpontje of de doorwaadbare stroomversnelling. Maak in het MER een analyse en beoordeling van situaties die invloed (kunnen) hebben op de veiligheid van recreanten.

Overige aspecten Communicatieverkeer De plaatsing van windturbines in of nabij het straalpad van een straalverbinding tussen twee zend/antennemasten ten behoeve van telecommunicatie, kan leiden tot een geheel of gedeeltelijke afscherming van deze straalpaden. De commissie beveelt aan om de invloed van de windturbines op het communicatieverkeer in beeld te brengen in overeenstemming met het document Toetsingscriterium Straalverbindingen en Windturbines van het Agentschap voor de Telecom.

Onzekerheden en evaluatieprogramma Houd bij de vergelijking van de alternatieven en bij de toetsing van de alternatieven aan (project-) doelen en wettelijke grenswaarden expliciet rekening met de onzekerheden in effectbepalingen. De lange termijn ontwikkeling van Willemspolder fase 1 hangt af van de natuurlijke dynamiek en natuurontwikkeling. Dit is onder andere relevant voor het behalen van de natuurdoelen. Geef daarvoor in het MER inzicht in: •

de waarschijnlijkheid dat effecten optreden, d.w.z. het realiteitsgehalte van de verschillende effectscenario’s (best-case en worst-case);

•

het belang van de onzekerheden in effectbepalingen voor de significantie van verschillen tussen alternatieven, en daarmee voor de vergelijking van alternatieven;

•

op welke wijze en wanneer na realisatie de daadwerkelijke effecten geëvalueerd worden, bijvoorbeeld via een oplevertoets, en welke maatregelen ‘achter de hand’ beschikbaar zijn als (project-)doelen en grenswaarden in de praktijk niet gehaald worden.

Samenvatting van het MER De samenvatting is het deel van het MER dat vooral wordt gelezen door besluitvormers en insprekers en het verdient daarom bijzondere aandacht. Het moet als zelfstandig document leesbaar zijn en een goede afspiegeling zijn van de inhoud van het MER. Daarbij moeten de belangrijkste zaken zijn weergegeven, zoals: •

de voorgenomen activiteit en de alternatieven daarvoor;

•

de belangrijkste effecten voor het milieu bij het uitvoeren van de voorgenomen activiteit en de alternatieven, de onzekerheden en leemten in kennis die daarbij aan de orde zijn;

•

de vergelijking van de alternatieven en de argumenten voor de selectie van het voorkeursalternatief.

-18-

BIJLAGE 1: Projectgegevens Advies van de Commissie over het op te stellen MER De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep geeft aan welke onderwerpen naar zijn mening moeten worden behandeld in het MER en met welke diepgang. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: dr. Wilfried ten Brinke dr. Henk Everts drs. Aletta Lüchtenborg (secretaris) Marja van der Tas (voorzitter) drs. Frank Wijnants Besluiten waarvoor dit milieueffectrapport wordt opgesteld De herziening ven een bestemmingsplan en de aanvraag voor een ontgrondingenvergunning. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteiten C4, C16.1, D3.2 en D9. Een MER is ook nodig omdat mogelijk effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom wordt een gecombineerd plan-/project-MER opgesteld.

Bevoegd gezag besluiten Gemeenteraad van de gemeente Neder-Betuwe en gedeputeerde staat van de provincie Gelderland. Initiatiefnemer besluiten College van B&W van Neder-Betuwe en Dekker Grondstoffen bv. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? De Commissie heeft alle zienswijzen en adviezen gelezen die het bevoegd gezag tot en met 2 maart 2020 heeft toegestuurd. Ze heeft ze in haar advies verwerkt, voor zover relevant voor het MER. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft gebruikt? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3442 in te vullen in het zoekvak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11595331/1