CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting

Raadsvergadering 21 maart 2024, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Beukenlaan 9, Opheusden’11.586 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument gierzwaluw (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied nesten van gierzwaluw aanwezig zijn. Hierbij zijn geen gierzwaluwnesten aangetroffen binnen het plangebied. Zodoende worden er geen nesten bij de beoogde ingreep weggenomen. Alle aangetroffen nesten bevinden zich in woningen buiten het plangebied. De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Er dient ten aanzien van gierzwaluw geen ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de bebouwing op de planlocatie gesloopt kan worden.

7

Blom Ecologie. Aanvullend onderzoek ecologie, Beukenlaan 9 te Opheusden. 2023-0113, 26 oktober 2023 29

Vleermuizen In de maanden juni t/m september 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied aan de Beukenlaan te Opheusden. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Tijdens het onderzoek zijn twee verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld buiten de planlocatie. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de woningen in het plangebied geen functie hebben voor vleermuizen. Deze verblijfplaatsen worden bij de beoogde ingreep niet weggenomen. Tevens maakt het plangebied geen onderdeel uit van het leefgebied. De beoogde ingreep leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Er hoeft ten aanzien van vleermuizen geen ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de bebouwing op de planlocatie gesloopt kan worden. Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in het plangebied. Er zijn geen nesten aangetroffen binnen het plangebied. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode 15 maart t/m 15 juli.

Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.9

Stikstof Algemeen Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen

30

de Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. Toetsing Voor de realisatie van de 6 woningen is een stikstofonderzoek 8 uitgevoerd. In het onderzoek is er met behulp van modelberekeningen onderzoek gedaan naar de bijdrage van stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van de emissies van stikstofoxiden (NOx) die ontstaan in de beoogde situatie. Dit is zowel gedaan voor de activiteiten bij aanleg als bij de activiteiten bij gebruik van het te beogen project. Uit de AERIUS-berekening(en) volgt dat er geen Natura 2000-gebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Hierdoor is er geen aanvullende verplichting voor een Wnb vergunning. Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.10

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Voor de gemeente Neder-Betuwe is de Nota Archeologiebeleid 2016 met de bijbehorende archeologische beleidskaart vastgesteld. Binnen het plangebied geldt een lage archeologische trefkans. Voor de gronden met een lage archeologische trefkans is geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Een archeologisch onderzoek is zodoende niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.11

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cul8

Van Middendorp. Stikstofdepositieberekening Beukenlaan 9 Opheusden. M19159, 18-42023 31

tuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Er bevinden zich in het plangebied, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland, geen Rijks- en/of gemeentelijke monumenten. De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op cultuurhistorische waarden. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.12

Verkeer en parkeren Algemeen Met voorliggend plan worden 6 aaneengesloten seniorenwoningen gerealiseerd. Deze ontwikkeling zorgt voor een toename in verkeersintensiteit en benodigde parkeergelegenheid. In de vastgestelde Nota Parkeernormen Neder-Betuwe wordt aangegeven dat de gehele gemeente Neder-Betuwe gezien wordt als niet stedelijk gebied, daarnaast is de planlocatie gelegen binnen de bebouwde kom (rest bebouwde kom). De benodigde parkeergelegenheid is berekend aan de hand van de normen uit de Nota. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie en de benodigde parkeergelegenheid is gebruikgemaakt van de gemiddelde normen zoals gegeven in CROW (versie P381). De 6 seniorenwoningen worden gezien als ‘koop, huis, tussen/hoek’. Verkeer De verkeersgeneratie wordt bepaald per woning per etmaal. De norm voor een tussen/hoek koopwoning is maximaal 7,8 verkeersgeneratie per etmaal. Voor onderhavig plan betekent dat de volgende verkeersgeneratie: 6 woningen x 7,8 bewegingen = 46,8 bewegingen Deze verkeersgeneratie kan worden opgevangen op de bestaande infrastructuur. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Parkeren Het benodigde aantal parkeerplekken wordt bepaald per woning. Voor de woningen wordt een norm gehanteerd van 2,4 parkeerplaatsen per woning.

Voor onderhavig plan betekent dat de volgende parkeerbehoefte: 6 woningen x 2,4 parkeerplaatsen = 14,4 parkeerplaatsen De 6 garageboxen worden als 0,5 parkeerplaatsen per box gerekend, de 2 opritten bij de woningen worden berekend voor 0,8 parkeerplaatsen en de losse parkeerplaatsen tellen allen voor 1 maal mee. Voor onderhavig plan zijn de volgende aantallen parkeerplaatsen aanwezig: 6 garageboxen x 0,5 parkeerplaatsen = 3 parkeerplaatsen 2 opritten x 0,8 parkeerplaatsen = 1,6 parkeerplaatsen 10 parkeerplaatsen x 1 parkeerplaatsen = 10 parkeerplaatsen

32

Totaal 3 + 1,6 + 10 = 14,6 parkeerplaatsen. Dit zijn voldoende parkeerplaatsen om in de parkeerbehoefte te voorzien. De parkeerplaatsen zijn weergegeven in navolgende afbeelding.

Inrichtingstekening met 10 parkeerplaatsen, 2 opritten en 6 garageboxen.

Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.13

Klimaatadaptatie Algemeen Met betrekking tot waterveiligheid en wateroverlast zijn normen vastgesteld met resultaats- en inspanningsverplichtingen voor de waterschappen. Deze normen zijn vastgelegd in de provinciale waterverordeningen voor de waterschappen (Waterverordening Waterschap Rivierenland, Waterverordening Waterschap Vallei en Veluwe en Waterverordening Waterschap Rijn en IJssel). Ruimtelijke ontwikkelingen en weersextremen zijn hierop van grote invloed. Het is daarom van belang dat hiermee bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden en dat het waterschap hierbij wordt betrokken. Daarnaast vormen de effecten en gevolgen van droogte en hitte een belangrijke problematiek om rekening mee te houden. In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 2.65b (klimaatadaptatie)

33

1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. waterveiligheid; b. wateroverlast; c. droogte; en d. hitte. 3. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Toetsing Het voorgenomen project voorziet in een de realisatie van 6 woningen. De huidige situatie is grotendeels verhard. De toekomstige situatie leidt tot een sterke afname van de verharding met het aanleggen van de tuinen bij de woningen waar nu garageboxen staan. Door de afname in verharding is er meer ruimte om hemelwater vast te houden wat ook direct de droogte tegen gaat. De nieuwe garageboxen worden voorzien van een sedumdak. Een sedumdak absorbeert regenwater, zorgt voor een schonere lucht, verlaagt de omgevingstemperatuur en verhoogt de biodiversiteit. Door het verhard oppervlak te beperken en de garageboxen te voorzien van een sedumdak, wordt ingespeeld om hitte tegen te gaan.

Conclusie Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect klimaatadaptatie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

34

5

Wijze van bestemmen

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

35

2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3

Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels en algemene proceduregels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Bestemmingsplan

5.2.1

Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het be-

36

stemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2

Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, nietpublieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten, nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en een en ander met de daarbij behorende voorzieningen. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gesitueerd en bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan binnen het bouwvlak alsmede ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’. De maximale goothoogte bedraagt 3 meter en de maximale bouwhoogte bedraagt 7 meter. Op de plankaart is het maximale aantal toegestane wooneenheden (6) aangegeven. Verkeer – Verblijfsgebied De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor voorzieningen voor verkeer, vervoer en verblijf, hondenuitlaatplaatsen , groenvoorzieningen, straatmeubilair, speelvoorzieningen, evenementen, kunstobjecten, terrassen, standplaatsen voor ambulante handel, geluidwerende voorzieningen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en een en ander met bijbehorende voorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding ‘garagebox’ zijn de gronden tevens bestemd voor garageboxen en ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’ zijn de gronden tevens bestemd voor parkeerplaatsen.

De bouwhoogte van een garagebox mag niet meer bedragen dan 3 meter en de maximale oppervlakte van een garagebox is 20 m 2.

37

6 6.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Doorgaans is de vraag of er gemeentelijke kosten zijn en hoe deze verhaald worden. Deze vraag omhelst tevens eventuele planschade. Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Het project zelf wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkeling van de locatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening en de anterieure exploitatieovereenkomst aan de initiatiefnemer worden doorberekend.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader wordt het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan betrokken instanties.

6.2.2

Omgevingsdialoog Na de aankoop van de woningen en de bijbehorende gebouwen zijn er op verschillende manieren en momenten buren, belanghebbende en andere omwonende geïnformeerd. Daarnaast heeft op 10 mei 2023 een inloopavond plaats gevonden waar in samenspraak met de gemeente is bepaald welke omwonende hiervoor benaderd moesten worden. Van de verschillende informatiemomenten en de inloopavond is een verslag9 gemaakt en het verslag is bijgevoegd in de bijlage.

9

Verslag Omgevingsdialoog – Beukenlaan 9 te Opheusden 38

6.2.3

Zienswijzen Op de bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan zal het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage worden gelegd. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13807552/1