CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting

Beeldvormende avond ('Het Beeld') 12 september 2024, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Tielsestraat ong., Kesteren’16.903 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Idn: NL.IMRO.1740.bpKEtielsestrA-vst1

Bestemmingsplan “Tielsestraat ong. Kesteren” Vastgesteld

3 juli 2024

SAB Postbus 479 6800 AL Arnhem tel: 026 - 357 69 11 fax: 026 - 357 66 11 Projectnummer:

220297

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 7

2

Planbeschrijving

8

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie

8 9

3

Beleid en regelgeving

11

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal en regionaal beleid Gemeentelijk beleid

11 13 15

4

Milieu- en omgevingsaspecten

19

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15

Milieueffectrapportage Bodem Bedrijven en milieuzonering Verkeer en parkeren Geur Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Kabels en leidingen Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Explosieven Klimaatadaptatie

19 19 20 24 26 27 27 29 31 33 39 43 46 47 47

5

Wijze van bestemmen

49

5.1 5.2

Algemeen Bestemmingsplan

49 50

6

Uitvoerbaarheid

53

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

53 53

Bijlagen -

Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8: Bijlage 9: Bijlage 10: Bijlage 11: Bijlage 12:

Landbouwkundig advies, Verkennend bodemonderzoek, Geuronderzoek, Notitie geluid van bedrijven, Geurberekening, Akoestisch onderzoek, Watertoets, Quickscan flora en fauna, Stikstofonderzoek gebruiksfase, Archeologisch onderzoek, Stikstofonderzoek aanlegfase, Reactie notitie geur,

Datum: 11 maart 2022 Datum: 16 juni 2022 Datum: november 2022 Datum: 10 oktober 2023 Datum: 22 augustus 2022 Datum: 29 november 2022 Datum: 4 juli 2022 Datum: 22 juni 2022 Datum: 20 november 2023 Datum: 3 juni 2022 Datum: 17 november 2023 Datum: 20 november 2023

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Tielsestraat in Kesteren ten oosten en ten zuiden van het woonperceel aan de Tielsestraat 83 en ten westen van de bedrijfslocatie aan de Tielsestraat 81 bevinden zich drie onbebouwde percelen. Het plan is om hier een bedrijfspand ten gunste van agrarische bedrijfsvoering te realiseren en een daarbij horende bedrijfswoning met enkele ondergeschikte bijgebouwen. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Kesteren’ staat de gewenste bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning niet toe. Om het plan mogelijk te maken is daarom een herziening van het bestemmingsplan nodig.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gesitueerd tussen de kernen Kesteren en Opheusden die met elkaar verbonden worden door, onder andere, de Tielsestraat waar het plangebied aan ligt. Het plangebied bestaat uit drie aan elkaar grenzende percelen. Het perceel dat direct aan de Tielsestraat grenst en waarop de voornoemde bebouwing is voorzien staat kadastraal bekend als gemeente Opheusden, sectie C, perceelnummer 3877. Ten zuiden grenst dit perceel aan het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Opheusden perceel C-3784. Westelijk van beide percelen ligt het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Opheusden perceel C-4451. Samen zijn de drie percelen die samen het plangebied vormen 63.750 vierkante meter groot. Het gebied rondom het perceel kenmerkt zich als een open agrarisch gebied met enkele agrarische bedrijven en burgerwoningen welke als geheel een lint vormt langs de Tielsestraat. Direct ten oosten van het plangebied, aan de Tielsestraat 81 is een opslagbedrijf gevestigd. Ten zuiden, westen en oosten bevinden zich verder agrarische gronden die voornamelijk worden gebruikt ten behoeve van bomenkwekerijen. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.

Globale ligging plangebied (rood omlijnd) in relatie tot de kern Ingen (Bron: PDOK)

3

1.3

Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Kesteren’, welke op 8 april 2014 onherroepelijk is geworden. Op grond van dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming ‘Agrarisch’. Daarnaast hebben delen van het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 4’, en ‘Waarde – Archeologie 5’. Deze archeologisch waardes zijn echter komen te vervallen na vaststelling van het bestemmingsplan ‘Parapluregeling Archeologie’ op 27 september 2018. Binnen het bestemmingsplan is voor onderhavig plangebied geen bouwvlak opgenomen. Ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch’ zijn de gronden bestemd voor grondgebonden agrarische productie, het weiden van dieren, teelt op folie, worteldoek of goten, bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag, landschappelijke beplanting, watergangen en bijbehorende voorzieningen en extensief dagrecreatief medegebruik. Vanuit de bestemming ‘Agrarisch’ is bedrijfsbebouwing en bijhorende bewoning enkel toegestaan binnen een bouwvlak. In de huidige situatie is er geen bouwvlak aanwezig.

Uitsnede uit bestemmingsplan ‘Buitengebied Kesteren’ met plangebied bij benadering rood omkaderd. (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Voor het plangebied zijn voorts nog de volgende bestemmingsplannen van toepassing:

4

Parapluplan 2020 De aanleiding voor dit paraplubestemmingsplan, welke is vastgesteld op 24 september, is tweeledig; het plan heeft betrekking op een gewijzigde regeling voor bestaande bedrijfswoningen op bedrijventerreinen en er was een nieuwe regeling voor de kamergewijze verhuur van woningen gewenst. In onderhavig plan kent het plangebied thans geen bedrijfswoningen en voorziet in de ontwikkeling van een bedrijfswoning waarbij de samenhang met het achterliggende bedrijfspand en de omliggende percelen als evident beschouwd kan worden. Hierom kent dit plan geen direct raakvlak met onderhavig planvoornemen. Parapluregeling Parkeren Binnen de gemeente Neder-Betuwe gelden sinds 2018 de parkeernormen van het op 26 april van dat jaar vastgestelde bestemmingsplan ‘Parapluregeling Parkeren’. Dit bestemmingsplan geldt hierbij ook als inpassing van het beleidsdocument ‘Nota Parkeernormen Neder-Betuwe’ waarmee de gemeentelijke parkeernormen en uitgangspunten in ruimtelijke plannen kunnen worden ingepast. In paragraaf 4.4 waarin het plan wordt getoetst aan het thema verkeer en parkeren wordt de uitwerking van dit plan op onderhavig plan verder toegelicht. Parapluregeling Archeologie In 2016 is het gemeentelijke archeologiebeleid van Neder-Betuwe geactualiseerd.

De Nota Archeologiebeleid 2016 en de daarbij behorende archeologische beleidskaart die de basis vormt voor het gemeentelijke archeologiebeleid - zijn op 14 april 2016 vastgesteld door de gemeenteraad van Neder-Betuwe. Thans bestaat de wens om het geactualiseerde archeologiebeleid te vertalen naar een paraplubestemmingsplan, waarbij de verschillende archeologische (verwachtings)waarden worden vertaald naar dubbelbestemmingen. In het bestemmingsplan ‘Parapluregeling Archeologie’ zijn ook gebieden in het plangebied van onderhavig plan aangewezen als gebieden met een specifieke archeologische dubbelbestemming. Deze gronden bevinden zich vooral in het zuidelijke gedeelte van het plangebied, en bijvoorbeeld niet in het gedeelte waar de beoogde bebouwing is voorzien. Deze archeologische dubbelbestemmingen, en wat ze betekenen voor onderhavig plan, zijn toegelicht in paragraaf 4.12 van deze toelichting.

5

Uitsnede uit bestemmingsplan ‘Parapluregeling Archeologie” met plangebied bij benadering rood omkaderd. (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

VAB-Beleid In het op 3 maart 2017 vastgestelde bestemmingsplan ‘VAB-Beleid’ is toegelicht hoe de gemeente Neder-Betuwe omgaat met vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Door verschillende omstandigheden stoppen steeds meer agrarische ondernemers met hun bedrijfsvoering waardoor agrarische bedrijfsgebouwen hun functie verliezen en leeg komen te staan. De gemeente tracht doormiddel van het bestemmingsplan ‘VAB-Beleid’ handvatten en spelregels te bieden aan hergebruik en functieverandering van deze vrijgekomen bedrijfsbebouwing in het buitengebied de vitaliteit en de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van het buitengebied behouden en vergroten. Omdat er in onderhavig bestemmingsplan juist sprake is van nieuw te realiseren agrarische bedrijfsbebouwing, kent dit plan geen noemenswaardig raakvlak met het bestemmingsplan ‘VAB-Beleid’. Plattelandswoningen In de gemeente Neder-Betuwe, doen zich situaties voor waarbij een (in het meer of minder recente verleden gebouwde) agrarische bedrijfswoning wordt bewoond door iemand die niet (of niet meer) functioneel is verbonden met het bijbehorende agrarische bedrijf. In het op 31 oktober 2013 vastgestelde bestemmingsplan ‘Plattelandswoningen’ staat beschreven hoe de gemeente Neder-Betuwe hiermee omgaat.

Omdat er in onderhavig bestemmingsplan juist sprake is van nieuw te realiseren agrarische bedrijfsbebouwing, kent dit plan geen noemenswaardig raakvlak met het bestemmingsplan ‘Plattelandswoningen’.

6

1.4

Leeswijzer Dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst. Hoofdstuk 4 omvat de toetsing aan de planologische haalbaarheidsaspecten en milieuaspecten. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw van de planregels (Hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 6).

7

2 2.1

Planbeschrijving Huidige situatie De Tielsestraat in Kesteren, waaraan het plangebied gelegen is, is van oudsher een verbindingsweg tussen de kernen Opheusden en Kesteren. Langs de straat is lintbebouwing aanwezig. Ten oosten van de locatie richting de Rijnbandijk is deze lintbebouwing kleinschalig en bijna dorps van karakter. Er is een duidelijke menging van woningen, agrarische bedrijven en andere vormen van bedrijvigheid zoals opslagbedrijf op de Tielsestraat 81 direct ten oosten van het plangebied. Naar het westen in de richting van het agrarische gebied worden de kavels ruimer en de bouwvolumes groter. De menging van functies is nog steeds aanwezig. In het plangebied zelf is een boomkwekerij gevestigd zonder bebouwing. Op het perceel vinden diverse werkzaamheden plaats, waaronder het planten, verplanten, verzorgen van de bomen. Ter uitvoering van deze werkzaamheden worden verschillende machines en werktuigen ingezet. Het plangebied is via een verharde toerit toegankelijk vanaf de Tielsestraat. Ten gunste van de agrarische werkzaamheden op de percelen zijn de percelen grotendeels te bereiken via een verharde privéweg.

Zicht op plangebied vanaf de Tielsestraat met rechts de verharde toerit. (Bron: Google Streetview, 2021)

8

2.2

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt het gedeelte van het plangebied dat direct aan de Tielsestraat grenst en kadastraal bekend als gemeente Opheusden, sectie C, perceelnummer 3877 voorzien van een bedrijfswoning met ondergeschikte bijgebouwen. Ten zuiden van de bedrijfswoning is een bedrijfsgebouw beoogd met een grote van 780 m2. Het gewenste bedrijfsgebouw betreft een bomenloods welke zal dienen voor het inpandig opslaan van bomen en materieel. De percelen buiten het voornoemde perceel waarop de bebouwing is voorzien worden gebruikt voor het opkweken van bomen. Ook wordt er een pottenveld aangelegd en een plek voor de opslag van bomen en materieel.

Toekomstige situatie plangebied (bron: VanWestreenen, 2024)

De beoogde bedrijfswoning past qua rooilijn en omvang bij de omliggende (bedrijf)woningen en completeert het bestaande lint aan de Tielsestraat. De beoogde invulling van de boomkwekerij met het pottenveld en de bijhorende opslag is op zich al gebiedseigen doordat het de directe omgeving gekenmerkt wordt door de boomkwekerijen en daaraan gerelateerde (bedrijfs)bebouwing. De bestaande verharde wegen in het plangebied ten gunste van de agrarische bedrijfsvoering blijven in de toekomstige situatie behouden. In de toekomstige situatie zal voorts voldoende parkeergelegenheid zijn voor zowel de bedrijfswoning als voor het bedrijfsgebouw. Dit zal nader worden toegelicht in paragraaf 4.4 over verkeer en parkeren.

9

Door de S/A/A/B is een landbouwkundig advies1 gegeven over de volwaardigheid en noodzaak van de nieuwe bedrijfswoning, het bedrijfsgebouw en het pottenveld. Hierin wordt geconcludeerd dat de voorgestane ontwikkeling noodzakelijk is uit oogpunt van een doelmatige en toekomstgerichte agrarische bedrijfsvoering. De toewijzing van een nieuw agrarisch bouwperceel (met bedrijfswoning) is gerechtvaardigd. Wel dienen eerst de loods en containerveld te worden gerealiseerd.

1

S/A/A/B. Landbouwkundig advies inzake de volwaardigheid en de noodzaak van een bedrijfswoning van het agrarisch bedrijf. 0031798nbp21. 11 maart 2022. 10

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing Het rijk zet in de NOVI voor het landelijk gebied in op een toekomstbestendige ontwikkeling. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten. Het voorliggende plan ziet op het mogelijk maken van een grondgebonden agrarisch bedrijf met bedrijfswoning in het buitengebied. Deze ontwikkeling past binnen de kenmerken en de identiteit van het gebied. Het plangebied ligt in een landelijke omgeving met verschillende agrarische functies. Het plan sluit hiermee aan bij de ambities uit de NOVI.

3.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en

11

hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij Natuurnetwerk Nederland en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. In de SVIR is aangegeven dat het Rijk drie hoofddoelen heeft: a) het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur van Nederland; b) het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; c) het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het plan valt niet binnen de reikwijdte van onderwerpen uit het SVIR of het Barro. Het plan is hierdoor niet strijdig met het rijksbeleid dat hierin is opgenomen. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder.

Jurisprudentie wijst uit dat de uitbreiding van een bedrijfsgebouw met minder dan 500 m2 en uitbreiding van een terrein met minder dan 500 m2 niet hoeft te worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Wanneer een wijzigingsplan voorziet in kleinschalige bedrijfsbebouwing, het plandeel met de bedrijfsbestemming beperkt van omvang is en beperkte gebruiksmogelijkheden biedt, voorziet dit plan in zoverre niet in een stedelijke ontwikkeling (uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442). In deze gevallen is het niet noodzakelijk om de ladder te doorlopen.

12

Toetsing Het voorliggende plan ziet op het vestigen van een grondgebonden agrarisch bedrijf met bedrijfswoning. De initiatiefnemer is momenteel gevestigd op de huurlocatie Tielsestraat 91 te Kesteren. Het bedrijf is door de jaren heen zodanig gegroeid, dat er behoefte is aan een eigen terrein waar verdere ontplooiing en uitbreiding van de boomkwekerij mogelijk is. In de huidige situatie is de omvang van de ondernemersactiviteiten van dien omvang geworden dat voor verdere ontplooiing van het bedrijf een nieuwe locatie benodigd is. In de huidige situatie is er sprake van ruimtegebrek voor (tijdelijke) opslag van materialen en materieel ten behoeve van de bedrijfsvoering van cliënt. Het ruimtegebrek staat een effectieve en efficiënte bedrijfsvoering in de weg. Het plan voorziet in een noodzakelijke uitbreiding van het bedrijf. De locatie Tielsestraat ongenummerd is geschikt voor het opkweken van bomen, aanleggen van een pottenveld en een plek voor de opslag van bomen en materieel. De omvang van de activiteiten vereisen een groter oppervlakte dan in de huidige situatie op de huurlocatie (Tielsestraat 91) beschikbaar is. Tevens is de oprichting van een eerste bedrijfswoning noodzakelijk. Op het perceel is nog geen bedrijfswoning aanwezig. In de huidige situatie reist cliënt heen en weer, in de beoogde situatie is dat derhalve niet nodig.

Gelet op het voorgaande geldt dat deze ontwikkeling voorziet in een behoefte, die aansluit op de huidige wensen van de initiatiefnemer en optimaal gebruik maakt van de locatie-eigenschappen die op een andere locatie niet voorhanden zijn. 3.1.1

Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het geldende rijksbeleid.

3.2

Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

13

Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: − Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. − Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. − Circulaire economie: sluiten van kringlopen. − Biodiversiteit: werken met de natuur. − Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. − Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. − Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.

Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Toetsing Het plangebied is gelegen binnen een gebied dat is aangemerkt als ‘glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied’ en gedeeltelijk in ‘intrekgebied’. Glastuinbouw Met onderhavige ontwikkeling is er geen sprake van glastuinbouw. De regels omtrent glastuinbouw hebben geen betrekking op dit plan en zodoende is het plan niet in strijd met het beleid van de provincie ten aanzien van glastuinbouw. Intrekgebied De provincie streeft ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen. De provincie heeft vanuit de Drinkwaterwet een zorgplicht voor een duurzame Openbare drinkwatervoorziening. De provincie wil de beschikbaarheid van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening veiligstellen en daar bij besluiten rekening mee houden. Daarom zijn in intrekgebied geen bestemmingen mogelijk die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maken. Met het voorliggende plan wordt geen winning van fossiele energie mogelijk gemaakt, waarmee het niet in strijd is met het beleid van de provincie ten aanzien van intrekgebieden.

14

Romeinse Limes De kernkwaliteiten van de Romeinse Limes zijn forten (castella), burgerlijke nederzettingen, kampdorpen (vici) grafvelden, de militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens en scheepswrakken. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Romeinse Limes maakt ten opzichte van het op 8 april 2014 geldende bestemmingsplan geen activiteiten mogelijk die de kernkwaliteiten daarvan aantasten. Het plangebied van onderhavig plan is niet gelegen binnen de Romeinse Limes 3.2.2

Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het geldende provinciaal beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Neder-Betuwe Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Neder-Betuwe de omgevingsvisie Neder-Betuwe vastgesteld. Deze Omgevingsvisie laat zien wat de gemeente samen met haar bewoners belangrijk vinden voor de omgeving waarin we wonen, werken en waarin we onze vrije tijd doorbrengen. Het nodigt iedereen uit om bij te dragen aan de ontwikkeling van onze gemeente, van Neder-Betuwe, een gemeente in het rivierengebied. Hier heeft de loop van de rivieren eeuwenlang historie geschreven in het landschap. Maar ook in het karakter van onze inwoners. Een karakter van hard werken en naar elkaar omzien. Samen met elkaar strijden voor een toekomst voor ons allemaal. Dat kenmerkt ons motto: samen leven, werken en ondernemen, samen (voort)bouwen aan onze identiteit. De Omgevingsvisie bestaat uit 10 speerpunten, een richtinggevende kaart en een waardenkaart. Speerpunten Hieronder staan de tien speerpunten benoemd. − Een omgeving waarin inwoners een leven lang gezond en veilig kunnen leven, wonen en werken. − Een goed ondernemers- en vestigingsklimaat, diversiteit in werk voor onze inwoners en een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. − Wonen voor iedereen. − Een goede bereikbaarheid voor gebruikers van het OV, de auto, de fiets en voor de wandelaar. − Doorontwikkelen en beleefbaar maken van onze identiteit.

− Doorontwikkeling van de gemeente als centrum voor laanboomteelt en andere agrarische sectoren. − Opwekking en gebruik van energie op een duurzame manier. − Voorbereid zijn op de veranderingen in het klimaat. − Een gezonde, groene en biodiverse omgeving.

15

− Behoud en ontwikkeling van sterke dorpen in een nieuwe en nauwe samenwerking met de gemeente. Toetsing De gemeente wil zorgen voor ruimte voor een in kwantitatieve zin én kwalitatieve zin goede, gevarieerde werkgelegenheid en een diversiteit aan bedrijvigheid. Daarbij hebben we de focus op het behoud en versterking van het lokale bedrijfsleven. Door het agrarische bedrijf te realiseren op een locatie in het buitengebied wordt het lokale bedrijfsleven versterkt. Door de uitbreiding wordt de agrarische sector binnen de gemeente doorontwikkeld. 3.3.2

Structuurvisie Neder-Betuwe 2018 Algemeen Op 5 maart 2018 heeft de gemeenteraad van Neder-Betuwe een herziening van de Structuurvisie Neder-Betuwe vastgesteld. In de Structuurvisie is beschreven dat de gemeente een aantrekkelijke, groene en veilige woonomgeving biedt. Het beleid van de gemeente is erop gericht om de Green Valley van Europa te worden, door de bekendheid als laanboomcentrum verder te ontwikkelen met ruimte voor innovatie. Daarnaast wil de gemeente zich profileren als groene, landelijke gemeente, met een aantrekkelijke omgeving om in te wonen, werken en recreëren. De structuurvisie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied waardoor voor een ieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen.

Uitsnede uit de structuurvisiekaart met aanduiding plangebied (bij benadering rood omkaderd)

Structuurvisiekaart Onderhavig plangebied ligt op structuurvisiekaart binnen de aanduidingen 'ontwikkeling laanboomteelt', ‘teeltrijke oeverwallen’, ‘waterbergingsgebied’ en ‘handhaven en versterken cultuurhistorische verdedigingslinies’.

16

Laanboomteelt Boomkwekerijen tekenen het landschap in Neder-Betuwe en hebben een grote sociaaleconomische betekenis voor de gemeente. De laanboomteelt is in Neder-Betuwe de belangrijkste grondgebruiker van het buitengebied. De gemeente wil deze bekendheid verder ontwikkelen en geeft boomkwekerijen de ruimte te groeien en zich verder te ontwikkelen met ruimte voor innovatie. Dit betekent dat het buitengebied, met uitzondering van de uiterwaarden en het Weidevogel- en ganzengebied, is ingezet om groei van deze sector mogelijk te maken. Teeltrijke oeverwallen De sedert eeuwenlang bewoonde oeverwallen onderscheiden zich door een kleinschalige en veelvormige opbouw. De dorpen en buurtschappen, waar woningen in een open lint langs de weg liggen, vormen een mozaïek met landbouwgronden. Op deze rijkere gronden bestaat de teelt voornamelijk uit fruit en laanbomen. De rijke geschiedenis is afleesbaar aan enkele landhuizen en (restanten van) kastelen. Bewaken landelijk karakter Het beleid in de visie is erop gericht om het landschappelijke karakter tussen Opheusden en Kesteren te behouden. Dit om te voorkomen dat beide kernen aan elkaar vast zullen groeien. Toetsing Het voorliggende plan ziet op de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Dit houdt in dat de gronden zullen worden aangewend t.b.v.

grondgebonden agrarische productie, namelijk teelt en opslag van bomen, waarbij het aansluit bij het voornemen om de bomenteeltsector verder te ontwikkelen. Het maakt hiervoor gebruik van de daarvoor geschikte teeltrijke oeverwallen. Met onderhavig plan wordt geen project gerealiseerd ten behoeve van een recreatieve langzaam verkeersroute. Dankzij het agrarische gebruik blijft het landelijk karakter bewaard. 3.3.3

Beleidsnotitie nieuwe agrarische bouwpercelen Algemeen In de beleidsnotitie nieuwe agrarische bouwpercelen zijn voorwaarden opgenomen waaraan een nieuw agrarisch bouwperceel op een maagdelijke locatie aan moet voldoen. Deze voorwaarden gelden bij verplaatsing én bij nieuw vestiging. Wanneer er sprake is van verplaatsing van een bestaand agrarisch bedrijf én van het algemeen belang (bv woningbouw) wordt er maatwerk geleverd. Het volwaardigheidscriterium wordt in dit geval vervangen door het criterium dat het bedrijfsmatige activiteiten dient te betreffen. Indien deze niet volwaardig zijn, wordt uitgegaan van een bouwvlak op maat. Indien het bestaande bedrijf reeds uit een bedrijfswoning beschikt dan kan deze ook direct op het nieuwe bouwperceel worden mogelijk gemaakt. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: 1. Situering in een agrarisch kom gebied is niet toegestaan. Er wordt gestreefd naar een locatie in de bestemming ‘Agrarisch gebied’, dat wil zeggen de gebieden zonder specifieke landschappelijke en/of natuurlijke waarden. In het agrarische oeverwalgebied zijn er evenwel mogelijkheden indien dit niet leidt tot aantasting van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurlijke waarden.

17

2. Een agrarisch bouwperceel wordt uitsluitend gesitueerd aan een verharde openbare weg en is goed ontsloten. 3. De oppervlakte van het nieuwe bouwperceel wordt afgestemd op de benodigde bebouwing (concreet bouwplan) met een max. oppervlakte van 1 ha, via wijziging onder de gebruikelijke voorwaarden te vergroten tot 1,5 ha. Toetsing Het voorliggende plan ziet op het vestigen van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Met voorliggende plan wordt een nieuw bouwvlak mogelijk gemaakt, dit oppervlakte van dit bouwvlak bedraagt minder dan 0,6 ha. De locatie is gelegen in ‘Agrarisch gebied’, in dit gebied zijn geen specifieke landschappelijke en natuurlijke waarden aanwezig. Het agrarisch bouwperceel wordt gesitueerd aan een verharde openbare weg en is goed ontsloten. 3.3.4

Conclusie gemeentelijk beleid Geconcludeerd kan worden dat het plan niet in strijd is met het gemeentelijke beleid.

18

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Een bestemmingsplan kan plan-m.e.r.-plichtig zijn. Dit is het geval als het plan kaders stelt voor latere m.e.r.-plichtige activiteiten en/of als voor het plan een passende beoordeling nodig is. Daarnaast kan een plan ook m.e.r.-plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt. Toetsing Onderhavig plan betreft de realisatie van één nieuwe bedrijfswoning en de realisatie van een loods bij een bestaande boomkwekerij. De ontwikkeling is daarmee kleinschalig te noemen en er is slechts sprake van een zeer beperkt nieuw ruimtebeslag. Gelet op de aard en omvang van dit plan is er daarom geen sprake van een activiteit zoals genoemd in het Besluit m.e.r. Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.2

Bodem Algemeen In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Hierom is een verkennend bodemonderzoek 2 uitgevoerd. De bevindingen van dit onderzoek zijn navolgend toegelicht. Toetsing In de bodem is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen. In de vaste bodem en in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. Analytisch zijn in de toplaag geen verhoogde gehalten aan OCB’s aangetoond. De verhoogd aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan geen bezwaren voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie.

2

VanWestreenen BV (2022) Verkennend bodem- en asbestonderzoek op de locatie aan de Tielsestraat ong. te Kesteren d.d. 16 juni 2022. 19

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.3

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Het plangebied ligt tussen de kernen Kesteren en Opheusden in het buitengebied. De omgeving van het plangebied kan worden getypeerd als gemengd gebied, aangezien het plangebied is gelegen in een gebied met diverse functies. Er bevinden zich bedrijven, (bedrijf)woningen en agrarisch bedrijven in de omgeving van het plangebied. De richtafstand kan zodoende met één afstandstap verkleind worden. Hinder van bestaande bedrijvigheid op de ontwikkeling In de eerste plaats is getoetst of de nieuwe functie past in de omgeving. Het plan voorziet in de toevoeging van een nieuwe bedrijfswoning en een bedrijfsgebouw. In de directe omgeving zijn verschillende bedrijven gevestigd. In navolgende tabel zijn de bedrijven weergegeven met de daarbij horende richtafstand en werkelijke afstand. Adres

Soort bedrijf

Tielsestraat 81 Tielsestraat 66a

Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) Mengvoeder

Tielsestraat 68

Veehouderij

Richtafstand

Werkelijke afstand 10 m (geluid) 10 m 10 m (gevaar) 100 m (geur / ge65 m luid) 50 m (stof) 30 m (gevaar) 50 m (geur) 65 m

20

Tielsestraat 64 Tielsestraat 83a Tielsestraat 85 Tielsestraat 85

Tuinbouw Tuinbouw Hovenier Opslag vuurwerk

10 m (geluid) 10 m (geluid) 30 m (geluid) 10 m (geluid) 10m (gevaar)

130 m 220 m 320 m 350 m

De werkelijke afstand welke in de voorgaande tabel is weergegeven is de locatie van de beoogde bedrijfswoning ten opzichte van het bestemmingsvlak van het bedrijf in kwestie. Uit het overzicht van omliggende bedrijven blijkt dat de beoogde bedrijfswoning binnen de richtafstand van het bedrijf aan de Tielsestraat 66a is gelegen. Daarnaast blijkt uit het overzicht van omliggende bedrijven dat de richtafstanden van geluid en gevaar van het bedrijf aan de Tielsestraat 81 gelijk zijn aan de daadwerkelijke afstand. Voor de Tielsestraat 66a geldt dat de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten op grotere afstand zijn gelegen, aangezien de bedrijfswoning van Tielsestraat 66a tussen de bedrijfsbebouwing en de beoogde bedrijfswoning van onderhavig plan is gelegen. De daadwerkelijke afstand tussen de bedrijfsactiviteiten en de beoogde bedrijfswoning is zodoende 90 meter. Dit is echter nog steeds binnen de richtafstand van 100 meter voor geluid en geur. Dit betekent dat voor de Tielsestraat 66a nadere onderbouwing met betrekking tot geur en geluid noodzakelijk is. Gezien de richtafstanden van geluid en gevaar van het bedrijf aan de Tielsestraat 81 gelijk zijn aan de daadwerkelijke afstand, is er nader geluidsonderzoek uitgevoerd. Tevens is er een nadere onderbouwing met betrekking tot gevaar toegevoegd.

Hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling In de tweede plaats moet worden bepaald of de omgeving de nieuwe functie toelaat. Met het voorliggende plan wordt een nieuwe hinder veroorzakende functie mogelijk gemaakt in de vorm van een boomkwekerij. De boomkwekerij (tuinbouw) heeft een richtafstand van 10 meter ten opzichte van omliggende gevoelige functies. De naastgelegen woning op Tielsestraat 83 is de dichtstbij gelegen gevoelige functie. De afstand tussen de woonbestemming en het toekomstige agrarische bouwvlak is minimaal 11 meter. Het plan vormt daarom ook geen belemmering voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van aanwezige gevoelige functies. Geuronderzoek Mengvoederbedrijf (Tielsestraat 66a) In het kader van het voorliggende plan is een geuronderzoek 3 uitgevoerd met betrekking tot het mengvoederbedrijf. Het onderzoeksbureau heeft geurverspreidingsberekeningen uitgevoerd voor de realisatie van een bedrijfswoning op 66 meter afstand van diervoederbedrijf Van Tuijl in Opheusden. De geuremissie van Van Tuijl is door de Omgevingsdienst Regio Arnhem in 2014 gemeten. De geurconcentratie bij de geplande woning is op basis van deze gemeten geuremissie gelijk aan 0,6 ouE/m 3 als 98 percentiel. Op basis van het Informatiedocument voor diervoederbedrijven is hierbij bij de geplande bedrijfswoning sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

3

Buro Blauw. Geuronderzoek woningbouw Tielsestraat Opheusden. BL2022.11071.01-C01. November 2022. 21

De ODRA heeft het rapport van Buro Blauw beoordeeld (3). Hierin concludeert ODRA dat: − De gehanteerde meetgegevens uit 2014 gedateerd zijn; − Er niet nagegaan is of de werking van het biofilter (met een door ODRA in 2014 gemeten) rendement van 22% inmiddels verbeterd is. Dan zal feitelijk sprake zijn van een lagere geuremissie dan de gemeten waarde van 6*106 ouE/u; − Er geen rekening gehouden is met diffuse geuremissies; − Er is sprake van geurbelasting door veehouderij. Op grond hiervan adviseert ODRA een nieuw geuronderzoek uit te voeren dat gebaseerd is op recente meetgegevens. Buro Blauw heeft in een reactienotitie4 opgesteld met daarin de volgende punten: 1 Gedateerde meetgegevens. Meetgegevens uit 2014 zijn niet gedateerd en goed bruikbaar voor het beoordelen van de geurbelasting in de omgeving in de huidige situatie. Meet- en analysemethoden zijn niet zodanig veranderd dat meetresultaten uit 2014 vanuit de meetmethodiek niet meer toegepast zouden kunnen worden. Dit onder de voorwaarde dat er geen significante veranderingen in het productieproces opgetreden zijn. Dit betreft dan met name de hoeveelheid geproduceerde diervoeders per jaar (productiecapaciteit) of de productiemiddelen. Het is voor de initiatiefnemer van de woningbouw niet mogelijk om na te gaan of dit het geval is.

Laat staan dat de initiatiefnemer – zonder de medewerking van Van Tuijl – in staat zal zijn zelf geuremissiemetingen te laten uitvoeren. En dan nog, zal de medewerking van de toezichthouder (ODRA) nodig zijn geweest om vast te stellen of metingen onder representatieve bedrijfsomstandigheden uitgevoerd worden. Wijzigingen in de productiecapaciteit of productiemiddelen moeten door Van Tuijl gemeld worden aan het bevoegde gezag, de gemeente Overbetuwe. De gemeente heeft ook het geurrapport van Buro Blauw (laten) beoordelen. Hierin had ook aangegeven kunnen worden of er sinds 2014 voor geur significante gemelde wijzigingen in de productiecapaciteit en de productiemiddelen gemeld zijn door Van Tuijl. Daar staat tegenover dat bij de berekening van Buro Blauw uitgegaan is van worstcase aannames. Dit betreft de emissieduur van het biofilter van 24*7 uur per dag. De metingen van de ODRA zijn uitgevoerd tijdens bedrijfstijd. Het is te verwachten dat de bedrijfsduur van Van Tuijl kleiner is dan 24 uur per dan en 7 dagen per week. Buiten bedrijfstijden zal de geuremissue van Van Tuijl lager zijn. Bovendien is getoetst aan het aanvaardbaar hinderniveau voor nieuwe woningen in de aaneengesloten woonbebouwing. Hierin wordt voldaan.

Hier is sprake van de bouw van een bedrijfswoning in het buitengebied, waarbij – ook volgens het geurbeleid van de provincie Gelderland – een soepeler norm kan worden toegepast.

4

Buro Blauw. Reactie op beoordeling door ODRA van geurrapport BL2022.11071.01-V01. 20-11-2023. 22

Kortom er is in de berekening voldoende ruimte om er van uit te kunnen gaan dat bij de bouwlocatie van de bedrijfswoning in de omgeving van Van Tuijl sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat voor geur. 2 Er is mogelijk sprake van een verbeterd geurrendement van het biofilter Ook hier is het voor de initiatiefnemer niet mogelijk om een eventuele betere werking van het biofilter - zonder medewerking van Van Tuijl en de ODRA – vast te stellen. Maar als dit daadwerkelijk het geval is, leidt dit alleen tot een nog lagere geurbelasting bij de geplande bedrijfswoning. Deze opmerking is dus niet relevant. 3 Er is geen rekening gehouden met diffuse geuremissies In het hierboven vernoemde informatiedocument over geuremissies van diervoederbedrijven wordt aangegeven dat maximaal 10% van de geuremissies veroorzaakt worden door andere geurbronnen dan de productielijnen. Bij Van Tuijl is een geuremissie na het biofilter, bij een geurverwijderingsrendement van 22%, gemeten van 6*106 ouE/u. Hieruit volgt een ongereinigde geuremissie van 6/(1-0,22) = 7,7*106 ouE/u. Diffuse geuremissies zijn maximaal 10% van deze waarde, of te wel 0,8 *106 ouE/u. Dit is een verwaarloosbare geuremissie. Diffuse geuremissies zijn niet relevant voor de geurbelasting bij de geplande bedrijfswoning.

4 Geuremissies door veehouderij In het advies van de ODRA is ook gekeken naar de geurconcentratie ter hoogte van de bedrijfswoning veroorzaakt door veehouderijbedrijven in de omgeving. Hierbij wordt een waarde berekend van 7,9 ouE/m3 als 98 percentiel. Deze waarde voldoet net aan de toegestane waarde in het buitengebied van 8 ouE/m3. Wat hierbij relevant is dat de geurbelasting bij de geplande bedrijfswoning volledig bepaald wordt door de toegestane geuremissie van een nabijgelegen veehouderij. Deze veroorzaakt een factor 13 hogere geurbelasting bij de bedrijfswoning dan diervoederbedrijf Van Tuijl. Resumerend is Buro Blauw van mening dat een actualisatie van het geurrapport van de effecten van Van Tuijl op de geurbelasting van de geplande nieuwe bedrijfswoning: − Zonder medewerking van Van Tuijl en de ODRA niet uitvoerbaar is; − Weinig toevoegt aan de conclusies in het huidige rapport. Er is al uitgegaan van worstcase berekeningen en de geurbelasting bij de geplande bedrijfswoning wordt gedomineerd door een nabijgelegen veehouderij. Memo akoestiek industrielawaai In een notitie ‘aspect geluid van bedrijven’5 is een eerste beschouwing gedaan in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing met betrekking tot het aspect geluid vanwege bedrijfsactiviteiten.

Dit betekent dat onderzocht is of 1) de voorgenomen realisatie van een nieuwe woning resulteert in een inperking van de exploitatiemogelijkheden van bestaande bedrijven en of 2) ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5

Tecmap. Notitie 2022232-1: Tielsestraat te Opheusden, Aspect geluid van bedrijven. 20220232-1 V3. 10 oktober 2023. 23

Uit de eerste beschouwing blijkt dat de nieuw te bouwen woning is gelegen binnen de aanbevolen richtafstand tot aanwezige bedrijfsactiviteiten. Wat betreft de inrichting aan de Tielsestraat 66a geldt dat in de directe nabijheid sprake is van geluidgevoelige objecten van derden die op kortere afstand van de inrichting zijn gelegen dan de nieuw te bouwen woning. Het betreft hier de woningen gelegen aan de Tielsestraat 66, 68, 70, 75, 79 en 81. Wanneer ter hoogte van de bestaande woningen aan de van toepassing zijnde geluidnormen wordt voldaan, is dit ook het geval ter hoogte van de nieuw te bouwen woning. Anders gezegd: de nieuw te bouwen woningen resulteert niet in een inperking van de exploitatiemogelijkheden van dit bedrijf. Bij de inrichting aan de Tielsestraat 81 is sprake van woningen die op een vergelijkbare korte afstand van de inrichting zijn gelegen (Tielsestraat 79, 66b , 68 en 70). De nieuw te bouwen woning is projecteert op 13 meter afstand van de ontsluitingsweg van het opslagbedrijf. Wanneer sprake is van transportbewegingen in de dagperiode is geen sprake van een inperking van de exploitatiemogelijkheden van het bedrijf. De mogelijkheid voor eventuele transportbewegingen in de avond- en nachtperiode door zware vrachtwagens wordt beperkt door de aanwezigheid van de bestaande woningen.

Conclusie Uit de eerste beschouwing blijkt dat de nieuw te bouwen woning is gelegen binnen de aanbevolen richtafstand tot de aanwezige bedrijfsactiviteit (Tielsestraat 66a). Om een goed woon- en leefklimaat bij de nieuw te bouwen woning te realiseren moet rekening worden gehouden met een karakteristieke geluidwering van tenminste 20 dB. Verder blijkt uit de eerste beschouwing dat de realisatie van de nieuwe woning niet hoeft te resulteren in een inperking van de exploitatiemogelijkheden van aanwezige bedrijvigheden. Bij de aanwezige bedrijven wordt de milieuruimte bepaald door de reeds aanwezige woningen. Gevaar (Tielsestraat 81) Opslaggebouwen betreffen geen inrichting zoals genoemd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Dit betekent dat belangrijke milieuvoorschriften, waaronder gevaar, zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Op grond van deze wet- en regelgeving geldt dat de veiligheidsrisico’s opgelost dienen te worden binnen het eigen terrein. Een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is daarmee gewaarborgd; net als de ontwikkelingsmogelijkheden van de opslaggebouwen. Conclusie Bij de realisatie van de woning zal rekening worden gehouden met een karakteristieke geluidwering van 20dB. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

4.4

Verkeer en parkeren Algemeen Bij het realiseren van een nieuwe functie dient gekeken te worden naar verkeersaspecten als ontsluiting en bereikbaarheid, parkeren en verkeersveiligheid. De eigenschappen van het project zijn daarom getoetst op de geldende parkeernormen in het

24

plangebied. Hierbij is voor de aspecten ‘Parkeren’ en ‘Verkeer’ gebruikgemaakt van de geldende CROW-cijfers en van het in 2018 vastgestelde bestemmingsplan ‘Parapluregeling Parkeren’ met de daaraan gekoppelde ‘Nota Parkeernormen Neder‐Betuwe 2017‐1’. In de ‘Nota Parkeernormen Neder‐Betuwe 2017‐1’ is aangegeven dat de gemeente Neder-Betuwe moet worden beschouwd als een Niet-Stedelijke gemeente. De voorzieningen voor het openbaar vervoer in Neder-Betuwe zijn in het algemeen beperkt. Vandaar dat geheel Neder-Betuwe ook beschouwd wordt als ‘rest bebouwde kom’. Deze categorie wordt ook aangehouden voor het bepalen van de verkeersgeneratie door middel van de CROW-cijfers. Verkeer Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van een bedrijfswoning met enkele ondergeschikte bijgebouwen en een bedrijfsloods. De bedrijfswoning wordt ontsloten op de Tielsestraat. De toevoeging van één bedrijfswoning en bedrijfsloods zorgt voor een beperkte verkeersaantrekkende werking. In de geldende CROW-cijfers geldt voor een vrijstaande koopwoning een verkeersgeneratie van 8,6. De bedrijfsloods kan het best gezien worden als een arbeidsextensief en bezoekersextensieve categorie waarvoor per 100 m2 bvo een verkeersgeneratie van 5,7 wordt gehanteerd. De bedrijfsloods is 780 m2, zodoende is er sprake van een maximale verkeersgeneratie van 7,8 x 5,7 = 44,46.

Samen met de bedrijfswoning is er een verkeersgeneratie van 44,46 + 8,6 = 53. Deze verkeersgeneratie kan worden opgevangen op de bestaande infrastructuur. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. De planlocatie wordt ontsloten op de Tielsestraat, dit is een 60 km/h weg met één rijstrook. Volgens het handboek wegontwerp heeft een weg waarbij de snelheid 50-60 km/h bedraagt een capaciteit nodig van 1500-1800 per rijstrook per uur. Voor de Tielsestraat geldt zodoende een capaciteit van maximaal 1800 verkeersbewegingen per uur. De huidige intensiteit blijft ruim onder de 1800 verkeersbewegingen per uur. De toename in verkeer kan ontsloten worden op deze weg. Parkeren Aan de hand van de ‘Nota Parkeernormen Neder‐Betuwe 2017‐1’ geldt voor vrijstaande woningen, wat de bedrijfswoning feitelijk is, binnen de bebouwde kom 2,7 parkeerplaatsen per woning en buiten de bebouwde kom 2,8 parkeerplaatsen per woning. Indien er wordt gerekend met de hoogste norm, dus die voor buiten de bebouwde kom, dan biedt het plangebied alsnog ruimschoot plaats om de parkeerbehoefte op eigen terrein te lossen. Het beoogde bedrijfsgebouw laat zich qua gebruik het beste typeren als “Loods/schuur t.b.v. agrarisch bedrijf”.

Voor dergelijke gebouwen is in de ‘Nota Parkeernormen Neder‐Betuwe 2017‐1’ geen minimale noch maximale parkeernorm vastgesteld mits kan worden aangetoond dat het betreffende gebouw wordt gebruikt voor eigen agrarisch bedrijfsvoering. De toekomstige situatie, zoals beschreven in paragraaf 2.2 gaat uit van gebruik van een eigen agrarische bedrijfsvoering. Er hoeft daarbij dus geen rekening gehouden te houden met een minimale of maximale parkeernorm. De bebouwing die wordt mogelijk gemaakt in onderhavig plan betekent dus geen toename van de parkeerdruk in de omgeving van het plangebied.

25

Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.5

Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Toetsing Omdat er met onderhavig plan sprake is van de realisatie van een geurgevoelig object (bedrijfswoning), is de geurbelasting binnen het plangebied beoordeeld. Ten aanzien van de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting betreft de geurbelasting van individuele veehouderij op een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting betreft de gebiedsbelasting: cumulatieve geurbelasting in een gebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen. Op circa 65 m van het plangebied is aan de Tielsestraat 68 een veehouderij aanwezig.

De kalverhouder aan de Tielsestraat 68 heeft 3 stallen met kalveren vergund. Om te berekenen of de vergunde emissie een geurbelasting heeft die onder de norm blijft is een berekening met V-stacks6 gedaan. De vergunde stalkenmerken zijn ingevoerd zoals weergegeven in onderstaande tabel:

Op grond van het Activiteitenbesluit bedraagt in niet-concentratiegebieden de normstelling ter plaatse van een (burger)woning van derden in het buitengebied 8 OU E/m3 en ter plaatse van een woning in de bebouwde kom 2 OUE/m3. In de gewenste situatie bedraagt de geurbelasting op de beoogde woning als volgt:

6

V-Stacks. Tielsestraat 68. 22-08-2022. 26

Uit de berekening blijkt dat in de gewenste situatie aan de geldende normstellingen uit het Activiteitenbesluit kan worden voldaan en dat de woning gebouwd kan worden volgens het plan. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.6

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het gevoelige functies mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een bedrijfswoning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Wegen met een maximale snelheid van 30 km/uur zijn formeel uitgesloten van akoestisch onderzoek. Toetsing Vanwege het toevoegen van een geluidsgevoelig object is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer7 op de gevels van een nieuw te bouwen geluidgevoelige bestemming aan de Tielseweg te Opheusden. Uit het onderzoek blijkt dat, uitgaande van de door de gemeente aangeleverde verkeersgegevens, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden vanwege het verkeer over de Tielseweg. Dit betekent dat geen hogere waarde procedure als bedoeld in de Wet geluidhinder hoeft te worden doorlopen. Voor het bepalen van de te realiseren gevelgeluidwering moet worden uitgegaan van de cumulatieve geluidbelasting zonder aftrek op basis van artikel 110g Wet geluidhinder.

Bij een geluidbelasting van maximaal 53 dB Lden exclusief aftrek betekent dit dat de karakteristieke geluidwering GA(;k) ter plaatse moet voldoen aan de minimale eis van 20 dB volgens het Bouwbesluit. Om dit te bereiken worden geen bijzondere eisen gesteld aan de gevel- en dakopbouw. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.7

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de bui7

TecMap. Tielsestraat ong. te Opheusden, Akoestisch onderzoek. 20220232-1, 29 november 2022. 27

tenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Er is een berekening gemaakt middels de NIBM-tool. Voor de toename van het aantal verkeersbewegingen is hierbij uitgegaan van de verkeersgeneratie welke is bepaald in paragraaf 4.4. Er is sprake van een toename van 53 voertuigbewegingen per etmaal,

28

er wordt een percentage van 25% aangehouden voor zwaar verkeer ten behoeve van de bedrijfsvoering. De resultaten van de NIBM-tool zijn hierna weergegeven.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2023

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

53

Aandeel vrachtverkeer

25,0%

NO2 in μg/m3

0,17

3

0,02

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er in de omgeving van het plangebied geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14438688/1