Bijlage 3 - Toelichting
Tekst van het document
NL.IMRO.1740.bpDOoranjelaan1-ont1
Bestemmingsplan "Oranjelaan 1 Dodewaard” Ontwerp
23 augustus 2023
Bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
2
bestemmingsplan "Oranjelaan 1 Dodewaard" (ontwerp)
bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
Inhoudsopgave
Toelichting
4
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel van het plan 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldende plannen 1.4 Leeswijzer
5 5 5 5 8
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie
9 9 9
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie
11 11 13 15 18
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Bedrijven en Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Externe veiligheid 4.7 Waterhuishouding 4.8 Ecologie 4.9 Archeologie & cultuurhistorie 4.10 Leidingen
19 19 21 21 23 24 25 28 30 32 33
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Inleidende regels 5.3 Bestemmingsregels 5.4 Algemene regels 5.5 Overgangs- en slotregels
34 34 34 34 35 36
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid
37 37
Hoofdstuk 7 Procedure 7.1 Overleg 7.2 Ontwerpfase 7.3 Vaststellingsfase
38 38 38 38
bestemmingsplan " Oranjelaan 1 Dodewaard " (ontwerp)
3
Bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
Toelichting
4
bestemmingsplan "Oranjelaan 1 Dodewaard" (ontwerp)
bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel van het plan
Aanleiding voor het voorliggende bestemmingsplan is het kunnen gebruiken van de voormalige brandweerlocatie op de hoek van Oranjelaan en Julianalaan in Dodewaard. Door de verhuizing van de brandweer naar Dalwagen enkele jaren geleden staat het noordelijk deel van het pand leeg. Dit deel is nog in bezit van de gemeente Neder-Betuwe. Het zuidelijk deel is inmiddels verkocht en wordt gebruikt door het gasthuis dat in het voormalige gemeentehuis van Dodewaard is gevestigd. Noordelijk deel zal door de gemeente verkocht worden en worden verbouwd tot drie wooneenheden. Voor het zuidelijk deel wordt naast het gebruik als gasthuis ook de mogelijkheid voor het gebruik van twee woningen toegestaan. Het doel van het voorliggende bestemmingsplan is het juridisch-planologisch mogelijk maken van het kunnen gebruiken van het voormalige gebouw van de brandweer voor wonen.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen op de hoek van Oranjelaan en Julianalaan in Dodewaard.
Afbeelding 1.1: globale ligging en begrenzing plangebied
1.3
Geldende plannen
Voor de in het bestemmingsplan begrepen gronden vigeert thans het volgende bestemmingsplan: •
‘Kernen Neder-Betuwe’. Dit plan is op 14 mei 2020 door de gemeenteraad van Neder-Betuwe is vastgesteld.
bestemmingsplan " Oranjelaan 1 Dodewaard " (ontwerp)
5
Bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
De gronden van het plangebied die deel uitmaken van het bestemmingsplan kennen voor het plangebied de volgende bestemmingen. (zie afbeelding 1.2): •
De enkelbestemming ‘Dienstverlening’
•
De enkelbestemming ‘Verkeer-Verblijfsgebied’
•
De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’
De voor ‘Dienstverlening’ aangewezen gronden zijn bestemd voor dienstverlening op de begane grond, wonen, ondersteunende horeca en niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps-of bedrijfsactiviteiten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen. Het bestaand aantal woningen mag volgens de planregels niet worden vergroot. De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. De volgende afbeelding toont met rood omlijnd het plangebied binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Kernen Neder-Betuwe’.
6
bestemmingsplan "Oranjelaan 1 Dodewaard" (ontwerp)
bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
Afbeelding 1.2: uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘’Witte vlekken’ Het beoogde gebruik van het bestaande pand voor wonen is op basis van het geldende bestemmingsplan niet mogelijk. Om die reden dient het bestemmingsplan te worden herzien.
bestemmingsplan " Oranjelaan 1 Dodewaard " (ontwerp)
7
Bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord.
8
bestemmingsplan "Oranjelaan 1 Dodewaard" (ontwerp)
bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Het plangebied bestaat voor het grootste deel uit de bestemming dienstverlening. Het noordelijk deel van het bestaande pand staat op dit moment leeg. Het zuidelijk deel is reeds door de gemeente verkocht en in gebruik als onderdeel van het gasthuis dat is gevestigd in het voormalige gemeentehuis van Dodewaard direct zuidelijk van het plangebied. In dit zuidelijk deel worden logies verstrekt. De volgende afbeelding toont de bestaande situatie met noordelijk in rood (nummer 1) het nu nog leegstaand deel dat nog in bezit is van de gemeente. Nummer 1a (blauw) betreft het deel van het pand dat nu reeds gebruikt wordt voor het verstrekken van logies.
Afbeelding 2.1: situatietekening van het bestaande pand.
bestemmingsplan " Oranjelaan 1 Dodewaard " (ontwerp)
9
Bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
Afbeelding 2.2: straatbeeld van het pand gezien vanaf de kruising Oranjelaan en Julianalaan. 2.2.1
Toekomstige situatie
Het voorliggende plan maakt het mogelijk om het voormalige pand van de brandweer te kunnen gebruiken en geschikt te maken voor de woonfunctie. In het noordelijk deel het pand worden drie wooneenheden beoogd. In het zuidelijk deel wordt naast het gebruik voor dienstverlening ook het gebruik van het bestaande pand voor twee woningen toegestaan. In het plangebied betekent dit een planologische toevoeging van vijf woningen ten opzichte van de huidige situatie.
10
bestemmingsplan "Oranjelaan 1 Dodewaard" (ontwerp)
bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden. Dit bestemmingsplan zal daarom ook aan dit beleid worden getoetst. Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. In het Barro waren regels opgesteld waarmee deze gebiedsbescherming juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd. 3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.'
bestemmingsplan " Oranjelaan 1 Dodewaard " (ontwerp)
11
Bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Volgens de nota van toelichting bij artikel 3.1.6, lid 2, aanhef en onder b, van het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen naar het oordeel van de Raad van State planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied.
Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt in het Bro de de daarop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Volgens jurisprudentie (Zaaknummer: 201501297/1/R4, datum uitspraak: 16 september 2015) is de bestemming van 11 nieuwe woningen niet te beschouwen als een “stedelijke ontwikkeling” zoals het Bro dat heeft bepaald; De ontwikkeling is te klein om sprake te kunnen zijn van een “woningbouwlocatie”. De beoogde ontwikkeling maakt vijf nieuwe woningen mogelijk. Planspecifiek Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van vijf nieuwe (nog niet bestemde) woningen mogelijk. Er is daarom op basis van jurisprudentie geen sprake van een “stedelijke ontwikkeling” zoals op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt verstaan. Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op maximaal vier opeenvolgende rechtsvragen in. Vraag 1. Is er sprake van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling? Nee, de ontwikkeling van vier woningen is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Vraag 2. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Deze vraag hoeft niet meer te worden beantwoord aangezien geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Toch kan worden gesteld dat er een hoge vraag naar woningen is in de gemeente Neder-Betuwe waaronder in Dodewaard. In de afgelopen 20 jaar is er met nieuwbouw gemixt gebouwd. Het realiseren van kleine woningen in een bestaand pand zorgt voor een toevoeging van betaalbare woningen. De behoefte is concreet. Vraag 3. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Ja, Het plangebied is gelegen in bestaand stedelijk gebied. Vraag 4. Waarom kan de ontwikkeling niet in bestaand stedelijk gebied plaatsvinden? Deze vraag is niet relevant aan gezien sprake is van een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Aan de vereisten van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt voldaan. 3.1.3 Conclusie In het voorliggende plan gaat het om de realisatie van nieuwe woningen in het goedkope segment. Er wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
12
bestemmingsplan "Oranjelaan 1 Dodewaard" (ontwerp)
bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Algemeen
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. 3.2.2
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn: 1. een duurzame economische structuur; 2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving. Ruimte in kleinere kernen en vrijgekomen bebouwing in het landelijk gebied kan worden benut voor wonen en nieuwe economische dragers en als versterking van de vitaliteit van het landelijk gebied. Bij de nadere invulling van de uitgangspunten wordt ruimte gelaten voor lokale of regionale initiatieven door gemeenten of regionale samenwerkingsverbanden. Bouwprogramma's voor nieuwe woningen zijn daarbij in regionaal verband afgestemd. Waar mogelijk kan lokaal maatwerk worden geleverd. De strategie van de provincie om de doelen van 'duurzame economische structuurversterking' en 'een gezonde en veilige leefomgeving' te bereiken wordt gevoed door het besef dat stad en land elkaar nodig hebben.
De provincie gaat voor: • sterke steden, van belang voor toekomstige aantrekkingskracht, waar kennis zich samenbalt en waar veel jongeren naar toe trekken, waar ook nu al de meeste mensen wonen en werken; • een vitaal platteland, waar mensen inspelen op grote veranderingen, waar inwoners zich actief inzetten voor hun gezamenlijke toekomst, een platteland met een eigen economische kracht en een grote natuurlijke en landschappelijke waarde, waar kwaliteit en vitaliteit samen op gaan. Als leidend principe hanteert de provincie de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. Dit houdt in dat in bestemmingsplannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling moet worden aangegeven hoe met de ladder is omgegaan, zie ook 3.1.3. De provincie hanteert voor de bepaling van bestaand stedelijk gebied de definitie uit het Bro. 3.2.3
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Planspecifiek De omgevingsvisie en verordening benoemen geen voor het initiatief relevante beleidsaspecten. Met betrekking tot de woningbouwafspraken en klimaatadaptatie geldt het volgende; 3.2.4 Woningbouwafspraken De Omgevingsverordening stelt ten aanzien van nieuwe woonlocaties (artikel 2.2.1.1) dat “in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio.”
bestemmingsplan " Oranjelaan 1 Dodewaard " (ontwerp)
13
Bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
De gemeenten in de regio Rivierenland werken al jarenlang samen op het gebied van wonen. De regio heeft een methodiek van kwalitatief programmeren ontwikkeld, die de instemming van de provincie heeft. Om de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte inzichtelijk te krijgen hebben de gemeenten van de regio Rivierenland afspraken gemaakt voor het opstellen en monitoren - actueel houden - van een regionaal woningbouwprogramma. Het regionale woningbouwprogramma is een dynamische lijst en wordt jaarlijks geactualiseerd. Alle projecten worden getoetst op vijf punten: 1. Plancapaciteit 2. Planstatus 3. Woonmilieu, prijs en woningtype 4. Ruimtelijke kwaliteit en meerwaarde voor de omgeving 5. Prioritering Met de beoogde herziening wordt een bestaand pand geschikt gemaakt voor het gebruik voor vijf woningen in het goedkope segment. De locatie is gelegen in een bestaand woongebied van Dodewaard en zal de bestaande leegstand tegengaan. Met de herziening is sprake van duurzaam ruimtegebruik door het benutten van bestaand vastgoed. Het tegengaan van leegstand bevordert de ruimtelijke kwaliteit en is een meerwaarde voor de omgeving. 3.2.5
Klimaatadaptatie
Ons klimaat verandert merkbaar en raakt alle facetten van onze leefomgeving. Wij streven ernaar om in 2050 in Gelderland goed voorbereid en toegerust te zijn op de gevolgen van klimaatverandering. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen vragen wij daarom om een toelichting op de maatregelen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Het gaat hierbij om risico's als waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Met betrekking tot waterveiligheid en wateroverlast zijn normen vastgesteld in de waterverordeningen. Ruimtelijke ontwikkelingen en weersextremen zijn hierop van grote invloed. Het is daarom ook belangrijk dat het waterschap betrokken wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente heeft de uitgangspunten voor de wijze waarop wordt omgegaan met het veranderende klimaat beschreven in de Lokale Adaptieve Strategie (LAS). Deze uitgangspunten gelden voor de gehele gemeente. Een aantal daarvan heeft betrekking op de beoogde ontwikkeling; a. Per nieuwe woning wordt minimaal 75m2 groen ontwikkeld conform uit te werken voorwaarden, eventueel in combinatie met waterbergende maatregelen of speelfuncties. b. Bestaande groenstructuren (indien van kwaliteit aangemerkt als bepalend groen) worden beschermd en ingepast bij nieuwbouwontwikkelingen. c.
Fietsroutes en wandelpaden (hoofdroutes) worden bij ontwikkelingen voorzien en ontworpen met >30% beschaduwing in volgroeide toestand. d. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt regenwater van woningen wordt niet op het gemengde riool aangesloten, maar afgekoppeld. Op termijn wordt dit bij alle bestaande bouw ook toegepast. e. Bij nieuwbouw moet minimaal 20 mm van de neerslag op eigen terrein geborgen worden. De berging moet binnen 24 uur weer beschikbaar zijn. f. Grote daken (>200 m2 en ongedeeld perceel) van nieuwe ontwikkelingen worden groenblauw vormgegeven met ruimte voor energieopwekking. De netbeheerder wordt hierbij vroegtijdig betrokken. g. Bij pottenteelt in ons gebied sturen we op waterbuffers op eigen terrein. Bij voorkeur worden waterbuffers landschappelijk ingepast met ecologische meerwaarde om de teloorgang van biodiversiteit te compenseren. Met de beoogde herziening is geen sprake van nieuwbouw maar wordt een bestaand pand geschikt gemaakt voor bewoning. Het pand zal worden verduurzaamd en het benutten van leegstaand vastgoed in plaats van het ontwikkelen van nieuw vastgoed betekent dat sprake is van een duurzame ontwikkeling.
14
bestemmingsplan "Oranjelaan 1 Dodewaard" (ontwerp)
bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
3.2.6
Conclusie
Het bestemmingsplan maakt een ontwikkeling mogelijk waarbij deels leegstaand vastgoed wordt verduurzaamd en geschikt wordt gemaakt voor bewoning. Er is sprake van een duurzame ontwikkeling.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Neder-Betuwe De raad van de gemeente Neder-Betuwe heeft op 24 februari 2022 de 'Omgevingsvisie NederBetuwe' vastgesteld. De Omgevingsvisie schetst een toekomstbeeld met belangrijke waarden, die Neder-Betuwe kenmerken en wil behouden en versterken voor toekomstige ontwikkelingen. Daarnaast schetst de Omgevingsvisie ook een beeld waar de gemeente de komende jaren aan wil werken. Er zit geen einddatum aan de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie wordt (indien nodig) om de 4 jaar geactualiseerd. Als daar aanleiding toe is kan de Omgevingsvisie ook tussentijds aangepast worden. De Omgevingsvisie bestaat uit tien speerpunten, een richtinggevende kaart en een waardenkaart. De tien speerpunten zijn:
• • • • • • • • • •
Een omgeving waarin inwoners een leven lang gezond en veilig kunnen leven, wonen en werken Een goed ondernemers- en vestigingsklimaat, diversiteit in werk voor onze inwoners en een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt Wonen voor iedereen Een goede bereikbaarheid voor gebruikers van het OV,de auto,de fiets en voor de wandelaar Doorontwikkelen en beleefbaar maken van onze identiteit Doorontwikkeling van de gemeente als centrum voor laanboomteelt en andere agrarische sectoren Opwekking en gebruik van energie op een duurzame manier Voorbereid zijn op de veranderingen in klimaat Een gezonde, groene en biodiverse omgeving. Behoud en ontwikkeling van sterke dorpen in een nieuwe en nauwe samenwerking met de gemeente
Afbeelding 3.1.: Richtinggevende kaart Omgevingsvisie Neder-Betuwe
bestemmingsplan " Oranjelaan 1 Dodewaard " (ontwerp)
15
Bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
Planspecifiek Op de bovenstaande uitsnede van de richtgevende kaart van de Omgevingsvisie Neder-Betuwe is het plangebied aangeduid als onderdeel van de zone ‘kernen’. De gemeente Neder-Betuwe bouwt voor de eigen woningbehoefte. Algemeen uitgangspunt daarbij is 'inbreiding gaat voor uitbreiding'. Met de beoogde ontwikkeling wordt aan dit uitgangspunt voldaan. Het initiatief past daarmee binnen de Omgevingsvisie Neder-Betuwe. 3.3.2
Programma Wonen 2020-2030: Wonen voor iedereen
Op 1 februari 2016 heeft de gemeenteraad van Neder-Betuwe de woonvisie vastgesteld. In deze visie is het beleid met betrekking tot de woningmarkt, kansen, aanbod en behoefte opgenomen. Om richting te geven aan de ontwikkeling van de gemeente, biedt deze visie belangrijke handvatten voor de gemeente zelf, maar ook de partners met wie zij op het brede speelveld van het wonen samenwerkt. Binnen het Regionale Woningmarktonderzoek en de Regionale Woonagenda worden de kaders van de nieuwbouwopgave met de regiogemeenten en Provincie Gelderland afgestemd. Hiermee wordt gezorgd dat de nieuwbouwproductie past binnen de regionale behoefte. In 2019 is er een Regionaal Woningbehoefte Onderzoek uitgevoerd, waarna in 2020 de Regionale Woonagenda met bouwprogramma 2020-2030 is vastgesteld. Op 27 januari 2022 is het Programma Wonen 2020-2030: wonen voor iedereen, vastgesteld door de raad van de gemeente Neder-Betuwe. Dit is een verdiepend programma van de (concept) Omgevingsvisie Neder- Betuwe. In het Programma wonen is het beleid met betrekking tot de woningmarkt, het aanbod en de behoefte opgenomen. Om richting te geven aan de ontwikkeling van de gemeente, biedt het Programma Wonen belangrijke handvatten voor de gemeente zelf, maar ook de partners met wie zij op het brede speelveld van het wonen samenwerkt.
Het geeft een kwalitatieve inkleuring aan de woningbouwontwikkeling van zowel nieuwbouw als bestaande bouw en alle facetten die hiermee samenhangen. Dit borgt de gemeente door randvoorwaarden te stellen voor de realisatie van sociale huur en sociale koop. Om wonen voor iedereen te realiseren ziet de gemeente de volgende aandachtspunten die gebaseerd zijn op onderzoek, bestaande beleidskaders en discussie met inwoners, professionals en de raad: 1. Betaalbaar voor iedereen Midden 2021 staat de woningmarkt in heel Nederland onder spanning, ook in Neder-Betuwe. In de koopsector is dit bijvoorbeeld te zien aan de steeds hoger wordende prijzen van koopwoningen en een afname van het aantal beschikbare woningen. In de huursector is de spanning te zien aan de lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen. Door het grote tekort aan woningen en de groei van huishoudens wordt het steeds moeilijker om aan een woning te komen. Vooral voor de lagere inkomens, starters en kwetsbare groepen is de situatie nijpend. Maar ook spoedzoekers en middeninkomens hebben moeite met het vinden van een betaalbare woning. Dit geldt voor zowel de koop- als de huursector. 2. Beschikbaar voor iedereen We zetten in op gevarieerde woningbouw in elke kern, zowel qua woningtype als prijsklasse. Dit doen we voor onze lokale inwoners en om aan de autonome inwonersgroei van de gemeente te voldoen.
Uit onderzoek van de verhuisstromen blijkt dat we, ondanks gunstige ligging aan de A15, geen grote toestroom hebben vanuit de Randstad. De woningbouwprogrammering is afhankelijk van de bestaande woningen, de behoefte en nieuwbouwmogelijkheden per kern. 3. Vindbaar voor iedereen Het vinden van een woning is op dit moment geen vanzelfsprekendheid. Het is fijn om te weten welk actueel aanbod er is in de gemeente is. Ook is het handig om te weten bij wie u moet zijn of hoe u kunt reageren om een woning te huren of kopen. Elke verhuurder en verkoper mag zelf bepalen hoe zij dit doen. De gemeente aan de slag om dit voor inwoners beter inzichtelijk te maken. 4. Lagere inkomens In de dorpen van Neder-Betuwe wordt al jaren gemixt gebouwd. Daarmee bedoelen we dat er verschillende woningtypen en prijsklassen gerealiseerd worden: van sociale huur tot luxe villa's. De
16
bestemmingsplan "Oranjelaan 1 Dodewaard" (ontwerp)
bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
keuze wat er gebouwd wordt moet aansluiten bij wat nodig is. De bevolking verandert en dat betekent ook dat het bouwprogramma moet veranderen: meer eenpersoonshuishoudens en zorg aan huis, waarbij het merendeel van deze inwoners een inkomen heeft waarmee ze alleen kans maken op een woning in de sociale huur of lage koop. 5. Starters Het begrip starter wordt vaak gebruikt, maar wie is nou die starter? De groep starters wordt door iedereen op een andere manier gedefinieerd. Toch worden starters op de woningmarkt vaak wel gezien als 'jonge mensen'. Hierbij denkt men al snel aan de groep 25-35 jaar, vooral bij koopstarters. De groep tot 25 jaar wordt vaak niet meegenomen als starter op de woningmarkt. Je kan huurstarters en koopstarters onderscheiden. Huurstarters starten óf in de sociale huur óf in de particuliere huur. Voor koopstarters gaat het veelal om het bemachtigen van een sociale of goedkope koopwoning, waarbij ze zelf geen zelfstandige koopwoning achter laten. Het kan daarbij wel zijn dat deze koopstarter al een stukje wooncarrière in de (sociale) huur heeft doorlopen en daardoor een huurwoning achterlaat. 6. Senioren Vanaf 65 jaar val je onder de noemer senior. Neder-Betuwe telt 2.500 inwoners van 65 tot 75 jaar (ruim 10% van de bevolking) en 1.650 inwoners van 75 jaar of ouder (bijna 7% van de bevolking).
Onze gemeente is daarmee iets minder vergrijsd dan het landelijk gemiddelde. De komende jaren zal de vergrijzing in Neder- Betuwe verder toenemen. Dat betekent ook een toenemende zorgvraag en een toenemende vraag naar passend wonen. Het belangrijkste is dat 55-plussers, die nog geen senior zijn, zich ervan bewust moeten worden dat ze tijdig kiezen voor een passende woning. Nadenken over verhuizen of verbouwen als de zorgvraag er is, betekent dat er weinig keuze en/of tijd is voor het vinden van een gewenste woning of verbouwen van de bestaande woning. Als er niet op tijd verhuisd is, moet de huidige woning via de WMO aangepast worden op de hulpvraag. De gemeente wil het woonklimaat de komende jaren verder versterken en verbeteren zodat NederBetuwe een sterke gemeente met vitale kernen blijft. Dit wil de gemeente bereiken door actief woonbeleid te voeren op de volgende aandachtspunten: 1. Toevoegen van duurzaam aantrekkelijke woningen Landelijk zijn er drie trends die van invloed zijn op de woningmarkt en het gewenste woningaanbod: • Vergrijzing in combinatie met het langer zelfstandig thuis wonen. • Diverse doelgroepen die zich gaan beroepen op de reguliere woningmarkt: statushouders, arbeidsmigranten, zorgvragers. • Meer kleinere huishoudens bestaande uit 1 a 2 personen.
Net als de landelijke ontwikkeling zet ook in Neder-Betuwe de vergrijzing zich voort, maar zit rond 2035 op haar hoogtepunt. Daarnaast kent Neder-Betuwe, in tegenstelling tot andere regiogemeenten, zich door het hoge aandeel grote gezinnen en een langer stijgende demografische ontwikkeling. De ambitie is om tot een meer gevarieerde woningvoorraad te komen. 2. Inzetten op een realistische nieuwbouwambitie Het hanteren van een realistische woningbouwambitie is belangrijk om ervoor te waken dat het woningaanbod in kwaliteit en kwantiteit goed aansluit bij de woningbehoefte. Op basis van de Regionale woonagenda en bouwprogramma 2020-2030 wordt uitgegaan van minimaal 950 en maximaal 1400 nieuwbouwwoningen voor gemeente Neder-Betuwe. 3. Woningbouw in elke kern, volwaardige afronding van huidige plannen Om de kernen vitaal te houden is het belangrijk dat elke kern de mogelijkheid behoudt om nieuwe woningen aan de voorraad toe te voegen, als hier voldoende behoefte aan is. De woningbehoefte wordt regelmatig onderzocht en het woningbouwprogramma wordt hieraan getoetst. Nieuwe initiatieven worden beoordeeld op hun bijdrage aan het invullen van de vraag. Het is belangrijk dat de plannen die in de afgelopen jaren zijn voorbereid -en waarvan de behoefte is bewezen- nu ook daadwerkelijk worden gerealiseerd.
bestemmingsplan " Oranjelaan 1 Dodewaard " (ontwerp)
17
Bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
4. Verder verduurzamen van de woningvoorraad De komende jaren wil de gemeente verder met het energiezuiniger en levensloopgeschikter maken van de bestaande woningvoorraad. In de nieuwbouw houden we vast aan de energieprestatienorm uit het Bouwbesluit. 5. Betaalbare woningen voor kwetsbare doelgroepen Kwetsbare doelgroepen zijn doelgroepen die niet zonder extra maatregelen aan passende woonruimte kunnen komen. Hierbij richt men op huishoudens met lage inkomens en lage middeninkomens. Circa 30% van de woningen in gemeente Neder-Betuwe is een sociale huurwoning. Om de opgave blijvend te kunnen invullen is bij nieuwbouw de realisatie van minimaal 30% sociale huur noodzakelijk.
Planspecifiek Het plan geeft in kwalitatieve zin invulling aan de vraag naar woningen door de bestemming van betaalbare woningen in een reeds bestaand pand. Hiermee sluit het plan op het Programma Wonen 2020-2030.
3.4
Conclusie
Het bestemmingsplan is passend binnen de beleidskaders van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Neder-Betuwe.
18
bestemmingsplan "Oranjelaan 1 Dodewaard" (ontwerp)
bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
4.1
Verkeer & parkeren
4.1.1
Verkeer
4.1.1.1 Regelgeving De gemeenteraad heeft op 8 maart 2018 het Neder-Betuws Verkeer- en Vervoerplan (NBVVP) vastgesteld. Dit geeft de visie weer hoe de gemeente Neder-Betuwe nu en in de toekomst om gaat met vraagstukken op het gebied van verkeer en vervoer dan wel de mobiliteit. Het plan bestaat uit twee onderdelen: • Beleidsrapportage met daarin de visie van de gemeente tot 2025. Belangrijk onderdeel hierin is ook het Uitvoeringsprogramma, waarin staat welke projecten de gemeente de komende jaren wil uitvoeren en voor welke projecten geld beschikbaar is. • Achtergrondrapportage met daarin achtergrondinformatie bij de beleidsrapportage. In de achtergrondrapportage zijn de resultaten van de inventarisatie en (knelpunt)analyse opgenomen. Ruimtelijke ontwikkelingen hebben effect op de verkeersafwikkelingen en kunnen effect hebben op de leefbaarheid. De gemeente vindt het daarom belangrijk dat er sprake is van een samenhang tussen de drie pijlers van het NBVVP (leefbaarheid, bereikbaarheid en verkeersveiligheid). Deze samenhang is in het uitgangspunt ‘Verkeer op de juiste plaats’ tot uiting gebracht: een beperkt aantal doorgaande wegen zorgt voor de verwerking van het verkeer en in de overige gebieden staat de kwaliteit van de leefomgeving en verkeersveiligheid centraal.
4.1.1.2 Doorwerking bestemmingsplan De verkeersaantrekkende werking van de uitbreiding is berekend met behulp van de kengetallen uit de digitale publicatie "ASVV 2012" en de "Neder-Betuwe Nota Parkeernormen". Volgens deze nota ligt het plangebied in een stedelijke zone die typeren is als niet-stedelijk/rest bebouwde kom. Daarnaast hanteert de nota de maximale normen uit de ASVV 2012. In onderstaande tabel is de verkeersaantrekkende werking uitgewerkt. Hierbij is het uitgangspunt genomen de verkeersgeneratie voor een vrijstaande koopwoning. Hiermee is sprake van een worst-case scenario. onderdeel
Aantal woningen
Maximaal kengetal verkeersgeneratie verkeersgeneratie per weekdag per woning per weekdag
rijwoning
5
8,6
43 mvt
Volgens de kengetallen leidt de beoogde ontwikkeling tot een verkeersaantrekkende werking van maximaal 43 motorvoertuigen per weekdag. De ontwikkeling is goed ontsloten direct op de bestaande wegenstructuur. De capaciteit van de bestaande infrastructuur is groot genoeg waardoor moet worden geconcludeerd dat geen verkeershinder te verwachten is. 4.1.2
Parkeren
4.1.2.1 Regelgeving Het gemeentelijke parkeerbeleid is vastgelegd in "Neder-Betuwe Nota Parkeernormen" en bevat de hoofdlijnen van het beleid. In deze nota heeft de gemeente zoveel mogelijk aangesloten bij de CROW-richtlijnen. Dit document wordt gebruikt bij het opstellen van de parkeerbalans. In onderstaande tabel is de parkeerbalans uitgewerkt. woningtype
aantal
Hoek-/ tussenwoning 5
parkeernorm aantal parkeerplekken benodigd 2,4
12
In totaal zijn er 12 parkeerplaatsen nodig. Aan de noordzijde van het plangebied liggen vijf plaatsen binnen de huidige bestemming ‘Dienstverlening’ die bij het vorige gebruik toebehoorden aan de
bestemmingsplan " Oranjelaan 1 Dodewaard " (ontwerp)
19
Bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
brandweerkazerne. Door het wegvallen van dit gebruik kunnen deze worden ingezet voor de vijf woningen. Ook aan de oostzijde van het pand is nog eens ruimte voor het parkeren van zeven auto’s op het eigen terrein. Er rond het pand voldoende ruimte om in het parkeren voor de nieuwe woningen te kunnen voorzien. Middels de regels van het bestemmingsplan (artikel 9 van de regels) is verzekerd dat bij de ontwikkeling het aantal parkeerplaatsen dat volgens de geldende parkeernormen van de gemeente op het terrein aanwezig zal zijn.
Afbeelding 4.1.: Ligging parkeerplaatsen rond het pand.
20
bestemmingsplan "Oranjelaan 1 Dodewaard" (ontwerp)
bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
4.2
Bodem
4.2.1
Regelgeving
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). 4.2.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Het plangebied is reeds geruime tijd nagenoeg volledig verhard en in gebruik geweest voor dienstverlenende activiteiten. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de bodemkwaliteit nadelig zou zijn beïnvloed door deze activiteiten. De beoogde woonfunctie is bovendien voorzien in een bestaand pand waardoor contact met de bodem niet aan de orde is. Geconcludeerd moet worden dat de bodem geschikt is voor het beoogd gebruik.
4.3
Geluid
4.3.1
Regelgeving
Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen.
Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde "dove" gevel heeft. Een "dove gevel" is een bouwkundige constructie:
bestemmingsplan " Oranjelaan 1 Dodewaard " (ontwerp)
21
Bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
• •
waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering; waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woonen leefklimaat. 4.3.2
Wegverkeerslawaai
Regelgeving In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt. Bij vaststelling van een bestemmingsplan dient voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek te worden verricht (art.76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.
Tabel 4.1: overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg) De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Doorvertaling bestemmingsplan Het plan omvat nieuw geluidgevoelige objecten in de vorm van woningen. Een toetsing aan de geluidhinder ten gevolge van verkeers- en industrielawaai is derhalve nodig. Echter omdat de directe omgeving van het plangebied bestaat uit wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur is toetsing aan de Wgh niet nodig. De omgeving bestaat uit een rustige woonwijk met langzaam rijdend verkeer. Aangenomen kan worden dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat. 4.3.3
Industrielawaai
De te bestemmen woningen zijn gevoelige objecten. In de nabijheid van het plangebied vinden geen industriële activiteiten plaats die negatieve effecten zullen hebben op het woon-, en leefklimaat van de nieuwe woningen. Er vinden geen overschrijdingen plaats van de richtwaarden uit de VNG-publicatie en grenswaarden uit het Activiteitenbesluit voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, maximale geluidniveau en de indirecte hinder. 4.3.5
Conclusie
Het aspect geluid is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
22
bestemmingsplan "Oranjelaan 1 Dodewaard" (ontwerp)
bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
4.4
Bedrijven en Milieuzonering
4.4.1
Regelgeving
Regelgeving Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom dient aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek.
Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied. Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Naast de omgevingstypen 'rustige woonomgeving' en 'gemengd gebied' kent de VNG-publicatie ook het type 'gebied met functiemenging'. Het begrip 'gebied met functiemenging' heeft geen betrekking op de typering van een gebied maar op de toelaatbaarheid van hinderveroorzakende functies, zoals stadscentra, dorpskernen, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en (delen van) woongebieden met kleinschalige dan wel ambachtelijke bedrijvigheid.
Tabel 4.2: richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. Hiertoe wordt ten aanzien van het geluidsaspect gebruik gemaakt van de beoordelingssystematiek uit de VNG-publicatie. Tijdens het inwerking zijn van inrichtingen zullen deze worden getoetst aan het Activiteitenbesluit. 4.4.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Omgevingstype In de handreiking wordt onderscheid gemaakt tussen twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied. In een gemengd gebied mag een kleinere richtafstand worden aangehouden dan in een rustige woonwijk. De richtafstanden mogen dan met één 'afstandsstap' worden teruggebracht.
bestemmingsplan " Oranjelaan 1 Dodewaard " (ontwerp)
23
Bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
Het omgevingstype van voorliggend plangebied is gemengd gebied. In de omgeving komen direct naast woningen ook andere functies voor, zoals detailhandel en dienstverlening. Invloed overige omliggende inrichtingen op plan Hieronder staat een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving, de SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object (woning) binnen het plangebied. In het hier bovengenoemde onderzoek is ook het aspect geluidhinder van de omgeving op onderhavig plan getoetst en is rekening gehouden met het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Voor de milieuaspecten staat hieronder een overzicht met de maatgevende richtafstanden. bedrijf SBIcategorie richtwerkelijke code afstand afstand Dienstverlening (Pluimenburgsestraat 19)
5510
1
0m
ca. 3 m
Detailhandel (Oranjelaan 3a)
47
1
0m
ca. 20 m
Volgens de toetsing aan de hand van "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009) liggen er geen milieugevoelige onderdelen van het plan binnen de richtafstanden van de omliggende bedrijven. De dienstverlenende activiteiten direct zuidelijk van het plangebied en waartoe ook het zuidelijk deel van het plangebied zelf toe behoort bestaan uit het verlenen van logies. Deze activiteiten bestaan al jaren naast de in de omgeving voorkomende woningen en hebben nooit tot enige (geluid)hinder geleid. De aanwezige en toegestane activiteiten (Hotels en Pensions SBI-code 5510) zijn allen onder te brengen onder de milieucategorie 1. De richtafstand, rekening houdend met een gemengd gebied is 0 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Noordelijk van het plangebied is een perceel met de bestemming “Detailhandel” (SBI-code: 47). Op basis van deze bestemming zijn activiteiten mogelijk binnen milieucategorie 1. Ook hiervoor geldt, rekening houdend met een gemengd gebied, dat de richtafstand 0 meter bedraagt. Hieraan wordt voldaan. Op basis van de bestaande activiteiten in de omgeving en de regels uit het bestemmingsplan moet op basis van de VNG-systematiek geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat voor de beoogde nieuwe woningen in het plangebied.
Mede gelet op het feit dat de in de omgeving bestaande bedrijfsactiviteiten al begrensd zijn door bestaande woningen en woonbestemmingen zal het toevoegen van vijf nieuwe woningen in het bestaande pand de bedrijfsbelangen niet schaden.
4.4.3
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Regelgeving
In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO).
24
bestemmingsplan "Oranjelaan 1 Dodewaard" (ontwerp)
bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. 4.5.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan betreft het bestemmen van 5 nieuwe woningen. Deze ontwikkeling is daarom een ontwikkeling die kleiner is dan 1500 woningen met één ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. De concentraties van luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het plangebied zijn op basis van de Atlas voor de Leefomgeving tevens ruim beneden de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. 4.5.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
bestemmingsplan " Oranjelaan 1 Dodewaard " (ontwerp)
25
Bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden.
De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (“Wvgs”) ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, dient de minister maatregelen te nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 meter). Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).
Beleidsvisie externe veiligheid 2015-2018 Neder-Betuwe wil een aantrekkelijke gemeente zijn om te wonen en te werken. Dat stelt eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Externe veiligheidsrisico's zijn daar een onderdeel van. Externe veiligheid gaat over het beschermen van burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. De risico's - veroorzaakt door het werken met - opslaan van of vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn niet uit te sluiten. We kunnen ze wel beheersen door een adequate uitvoering van relevante taken en vooraf afspraken te maken hoe met de huidige en toekomstige risico's wordt omgegaan. Doel van deze beleidsvisie externe veiligheid is het bieden van een toetsingskader dat duidelijk maakt hoe om te gaan met externe veiligheidsrisico's. De ambities in deze visie zijn naast de wettelijke regels met name van toepassing bij het vaststellen van omgevingsbesluiten en de vergunningverlening voor risicobedrijven. Ook zijn in deze visie ambities met betrekking tot de organisatie van de uitvoering van de wettelijke regels opgenomen. Door toepassing van deze ambities worden ad hoc besluiten voorkomen. De gemeente past de uitgangspunten en ambities in deze visie verder toe bij andere gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbij externe veiligheid een rol speelt. De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie, waarbij: 1.
de externe veiligheidsrisico's goed in beeld zijn gebracht; 2. de gemeentelijke organisatie zich bewust is van de aanwezige risico's; 3. een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en hun gevolgen voor de externe veiligheid; 4. beleidsuitvoering en handhaving zorgen voor de beheersbaarheid van bestaande en nieuwe EV risico's; 5. communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico's en de te volgen gedragsrichtlijn bij een calamiteit.
26
bestemmingsplan "Oranjelaan 1 Dodewaard" (ontwerp)
bestemmingsplan “Oranjelaan 1 Dodewaard”
4.6.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In en in de nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele risicobronnen. Het gaat om: • Cuneraweg • Autosnelweg A15 • Betuwespoorlijn Bedrijven met gevaarlijke stoffen Voor de beoordeling van de veiligheidsrisico's in de nabijheid van de meest risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. In de gemeentelijke Beleidsvisie externe veiligheid is opgenomen dat nieuwe risicovolle activiteiten niet worden toegestaan binnen een woongebied, waarbij een uitzondering kan worden gemaakt voor de vestiging van een gasdrukmeet- en regelstation, mits de relevante veiligheidsafstand hiervan niet over een bouwvlak voor een (beperkt) kwetsbaar object komt te liggen. Het plan ligt niet in het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. Het plan omvat voorts geen nieuwvestiging van Bevi-activiteiten en vuurwerkverkooppunten. Transport gevaarlijke stoffen over wegen en spoor Voor de beoordeling van de veiligheidsrisico's vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), de Regeling basisnet en de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) het relevante toetsingskader.
Uit de gemeentelijke signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de autosnelweg A15 en Betuwespoorlijn. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, zoals blijkt uit onderstaande tabel. Er kan daarom worden volstaan met de uitgevoerde inventarisatie. AFSTANDEN PLAATSGEBONDEN RISICO EN GROEPSRISICO PER TRANSPORTROUTE
transportroute
afstanden obv Bevt
Werkelijk afstand
PR 10-6/jr
GR invloed
- autosnelweg A15
30 m
880 m
ca 1.100 m
- Betuwespoorlijn
30 m
4000 m
ca 1.150 m
Buisleiding (transportleidingen) Voor de beoordeling van de veiligheidsrisico's vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang. Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een relevante buisleiding. 4.6.3