CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting

Raadsvergadering 26 september 2024, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Tielsestraat ong., Kesteren'16.903 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.8

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtin29

gen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Tenslotte zijn in de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente ambities opgenomen over het al dan niet toelaten van risicovolle activiteiten. Toetsing Het plan omvat de toevoeging van één nieuwe bedrijfswoning. Dit is een kwetsbaar object. Om te inventariseren of er stationaire en mobiele bronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de Atlas Leefomgeving met daarop de aspecten die vanuit externe veiligheid van belang kunnen zijn voor onderhavig plan.

Uitsnede Atlas leefomgeving met het plangebied zwart omkaderd (Bron: Atlas voor de leefomgeving).

Op meer dan een kilometer ten westen van het plangebied ligt bedrijventerrein ’t Panhuis. Op dit bedrijventerrein zijn enkele risicovolle bedrijven gevestigd. Onderhavig plangebied ligt echter ruimschoots buiten het invloedgebied van deze risicovolle bedrijven. Het plan zelf voorziet ook niet in het oprichten van een nieuwe stationaire risicobron, zoals Bevi-activiteiten, binnen de beoogde bestemming ‘Agrarisch’. De vestiging van een Bevi-inrichting binnen het plangebied is daarmee niet aannemelijk. Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid alleen relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones).

30

Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: − de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute en, − de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 7 maart 2023 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) ‘zeer kwetsbaar gebouw’, bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval op de Betuweroute Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenoemde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er in het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.

4.9

Kabels en leidingen Algemeen Veel distributie en transport in Nederland vindt plaats via kabels, leidingen en elektromagnetische straling. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met invloedsfeer van deze boven- en ondergrondse infrastructuur.

31

Zo mag bijvoorbeeld boven bepaalde kabels en leidingen niet gebouwd worden, omdat ze voor onderhoud toegankelijk moeten blijven. Leidingen voor het transport van brandstof kennen daarnaast veiligheidszones waarbinnen ook niet gebouwd mag worden. In de vorige paragraaf is er daarom vanuit het thema externe veiligheid ingegaan op de ligging van de ondergrondse aardgastransportleidingen nabij het plangebied. Het beleid voor kabels en leidingen is voornamelijk beschreven in het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4). Transport van brandstof via buisleidingen valt onder het onderwerp externe veiligheid. Aan hoogspanningslijnen en zendmasten wordt aandacht besteed in het kader van beleidsvernieuwing milieu en gezondheid. Dit actieprogramma komt voort uit het NMP4. Op Rijksniveau is een AMvB Buisleidingen opgesteld die in 2011 in werking is getreden. In deze AMvB zijn regels gesteld voor risico's en zonering langs buisleidingen en het opnemen van regels in uitwerkingsplannen. Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van leidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, zijn de volgende circulaires van belang: − de circulaire Zonering langs hoogdrukaardgasleidingen (1984); − de circulaire Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie (1991).

Voor hogedruk aardgastransportleidingen wordt in de circulaire aangegeven op welke wijze een verantwoorde zonering langs deze leidingen kan worden verkregen in nieuwe situaties. In deze circulaire staan zoneringscriteria voor nieuwe ruimtelijke plannen in de nabijheid van bestaande aardgastransportleidingen en voor de aanleg van nieuwe aardgastransportleidingen. De circulaire voor transportleidingen voor brandbare vloeistoffen sluit nauw aan bij de systematiek die is gebruikt in de circulaire voor hogedruk aardgastransportleidingen. Zo zijn er zoneringseisen geformuleerd die alleen van toepassing zijn op transportleidingen die aan de technische eisen uit deze circulaire voldoen. Voor de zonering rond leidingen voor gas en brandbare vloeistof zijn twee afstandstypen geformuleerd: de toetsingsafstand en de minimale afstand. Het streven dient erop gericht te zijn ten minste de toetsingsafstand aan te houden van de leiding tot de woonbebouwing of een bijzonder object. Met deze afstand wordt immers recht gedaan aan de veiligheidsnormen voor het plaatsgebonden risico (PR). De toetsingsafstanden dienen op de verbeelding zichtbaar gemaakt te worden. Planologische, technische en economische belangen kunnen leiden tot een kleinere afstand dan de toetsingsafstand. In die gevallen dienen in ieder geval de minimale afstanden te worden aangehouden.

Er zijn in Nederland drinkwaterleidingen die dusdanig van belang zijn voor de drinkwatervoorziening, dat deze een zogenaamde belemmeringszone kennen waarvoor een toestemmingsplicht geldt. In principe mag er in deze belemmeringszone niet gebouwd worden. Veelal is dit geregeld middels een zakelijk rechtstrook. De grote van de be-

32

lemmeringszone is afhankelijk van de waterleiding. Naast de in de vorige paragraaf toegelichte aardgastransportleidingen, dient er dus ook mogelijk rekening gehouden te worden met de overige leidingen, die mogelijk onder of nabij het plangebied gelegen zijn. Toetsing In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen waar rekening mee dient te worden gehouden bij onderhavig plan. Het aspect kabels en leidingen vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig plan. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.10

Water Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling afgewogen. Beleid Rijksbeleid – Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van

(inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen

33

2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1. Klimaatadaptatie; 2. Waterveiligheid; 3. Zoetwater; 4. Grondwater; 5. Scheepvaart.

Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1 Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem.

2 Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd.

34

3 Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rivierenland Op 26 november 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Rivierenland vastgesteld.

In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende zeven programma’s: − Beschermen tegen overstromingen : Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen (onder andere de versterking van de dijken) vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Water eerlijk verdelen: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op het tegengaan van de bodemdaling, het bevorderen van biodiversiteit en een gezond (grond)water; − Voorbereiden op extreem weer: Dit thema focust zich op de beperking van steeds extremer weer, bijvoorbeeld door hittestress oppakken.

Het waterschap wil verder vroegtijdig meedoen aan projecten en goed samenwerken met partners; − Werken aan schoon water: In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol, alsmede de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch); − Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur: het bevorderen van biodiversiteit, het borgen van de waterkwaliteit voor drinkwater of het faciliteren van recreatief medegebruik zijn thema’s die aan bod komen; − Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit: de verduurzaming van de processen en het inspelen op de klimaatadaptativiteit vormen grote uitdagingen voor de komende jaren; − Toewerken naar circulariteit: het waterschap wil onder ander zuinig zijn op de grondstoffen d en het hergebruik stimuleren.

35

Toetsing Huidige Situatie De locatie waar de bedrijfswoning gerealiseerd zal worden is in de huidige situatie onverhard. Het kadastrale perceel waarop de bedrijfswoning is gepland wordt aan de noordkant begrensd door een B-watergang. Aan de westkant van het plangebied, direct langs de percelen C4451 en C3784 welke onverhard en onbebouwd zullen blijven, is een C-watergang gelegen. In het zuidelijke deel van perceel C3784 ligt eveneens een als type C getypeerd watervlak. Ten zuiden van ditzelfde perceel ligt verder een A-watergang waarvoor een beschermingszone is aangewezen. Binnen dit soort beschermingszones gelden geboden en verboden voor bepaalde activiteiten, werkzaamheden en beheer zoals vastgelegd in de bijhorende regelgeving in de Keur Waterschap Rivierenland 2014. Deze geboden en verboden zijn bedoeld om de dijken sterk en veilig te houden.

Uitsnede situering watergangen nabij plangebied (rode lijn) (bron: Legger Wateren, waterschap Rivierenland)

Toekomstige Situatie Voor onderliggend plan is een watertoets uitgevoerd 8. Hieruit volgt dat er een normale procedure gevolgd moet worden waarbij overleg met het Waterschap Rivierenland noodzakelijk is. Uit het overleg met het waterschap is naar voren gekomen dat er een vergunning benodigd is voor het compenseren van versnelde afvoer vanaf nieuw verhard oppervlak welke inmiddels verleend is met DSO kenmerk 2024020601280. Het waterschap heeft tot belang dat bij veranderingen van invloed op het watersysteem, het bergend vermogen van het watersysteem niet afneemt of overbelast wordt. Door toename in versneld afvoer van hemelwater, wordt het bestaande watersysteem

8

Waterschap Rivierenland (2022). Watertoets. Datum: 4 juli 2022. 36

overbelast en neemt het risico op wateroverlast toe. Om te voorkomen dat het watersysteem overbelast wordt, moet er waterberging worden aangelegd. De aanvraag is getoetst en voldoet aan de toetsingscriteria van het waterschap. De belangen van de aanvrager en het waterschap zijn verenigbaar als voldaan wordt aan de voorschriften zoals opgenomen in de vergunning.

Situatietekening bedrijfsplattegrond watersituatie (bron: VanWestreenen 2024)

De aanvrager is voornemens om 8.691 m2 aan nieuw verhard oppervlak te realiseren. Door toename van het verharde opperlak, kan het hemelwater niet meer ter plaatse in de bodem infiltreren. Het hemelwater zal daardoor versneld worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Om deze versnelde afvoer van dit hemelwater te kunnen bergen, dient de toename van het verharde oppervlak gecompenseerd te worden. De aanvrager heeft in zijn vergunningaanvraag aangegeven deze toename van het verharde oppervlak te willen compenseren door het nieuw graven van water. Daarnaast wordt er gecompenseerd voor een in het verleden gedempte tertiaire watergang (C-water 103775) met een wateroppervlak van 304m². In totaal wordt er 1770 m² aan waterberging (wateroppervlak) gegraven. Bij graven van open water, wordt compensatie waterberging berekend boven zomerpeil.

37

Principetekening 9, Uitstroomvoorziening type B

De aanvrager zal na verlenen van deze vergunning verantwoordelijk zijn voor het doelmatige onderhoud van het nieuw gegraven water. Het Waterschap Rivierenland blijft verantwoordelijk voor het onderhoud van primair water 102673. Met het nieuw graven van water zal de aanvrager voldoen aan de bovengenoemde compensatieplicht. Het nieuw te graven water moet aansluiten op het bestaande watersysteem. Daarbij moet rekening worden gehouden dat het zomerpeil in het nieuw te graven water gelijk is aan het watersysteem waarop wordt aangesloten; NAP + 5,65 meter.

38

Naast het waterschap hebben ook andere partijen belang bij de aanleg van nieuw water. In voorschriften is opgenomen dat eventueel aanwezige kabels en leidingen op voldoende afstand van de insteek van het nieuwe water liggen. Dit kan betekenen dat of de kabels en leidingen verlegd moeten worden of dat het nieuwe water op voldoende afstand van de bestaande kabels en leidingen wordt aangelegd. Uitgangspunt is dat de werkzaamheden uitgevoerd worden zoals opgenomen in de tekeningen bij de vergunning. Voor het verleggen van de kabels en leidingen moet contact worden opgenomen met de eigenaar van de kabels en leidingen. Verleggen van de aan te leggen water ten opzichte van de vergunde situatie, betekent een wijziging van de vergunning. Als het anders leggen van het water overwogen wordt, dient contact opgenomen te worden met de afdeling vergunningen toezicht en handhaving van het waterschap. De vergunninghouder is verantwoordelijk dat werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. Dat betekent niet altijd dat de vergunninghouder de werkzaamheden moet uitvoeren of daar opdracht toe moet geven. Bij kabels en leidingen zal met de eigenaar van de kabels en leidingen overlegd moeten worden over de uitvoering van de werkzaamheden. Een constructie die wordt aangelegd in een watergang moet blijvend goed functioneren.

Door de constructie en de watergang en directe omgeving te onderhouden en schoon te houden, kan goed functioneren zoveel mogelijk worden gegarandeerd. Daarnaast moet blijvende aandacht zijn voor beschadigingen en/of verzakkingen van de constructie en de watergang, de bijbehorende werken en het talud. Goed onderhoud betekent in ieder geval het verwijderen van mogelijke aanwezige baggerspecie en/of begroeiing en obstakels in de watergang en/of de dammen met duikers die de berging en doorstroming kunnen tegenhouden. Conclusie watervergunning Het belang van de aanvrager is afgewogen tegen de waterhuishoudkundige belangen. Uit de belangenafweging is gebleken dat verlening van de vergunning, met de daarin opgenomen voorschriften de doelstellingen van het waterschap voldoende beschermen. Op grond van de overwegingen bestaan daarom voor Waterschap Rivierenland geen bezwaren tegen het verlenen van de gevraagde vergunning. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

4.11

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.

39

Toetsing Quick scan natuur Onderhavig plan betreft de realisatie van één nieuwe bedrijfswoning, een nieuw bedrijfsgebouw en de aanpassing van een bouwvlak. Ten behoeve van voorliggend plan is een quick scan9 natuur uitgevoerd. In de quick scan is het project zowel op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming getoetst. Navolgend worden de resultaten kort beschreven. Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten.

Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied is onderzocht op sporen en geschiktheid voor soorten met een jaarrond beschermd nest. Vanwege het ontbreken van bebouwing zijn er geen geschikte broedplekken voor holtebroeders als huismus en gierzwaluw en ook niet voor uilensoorten (steenuil/ kerkuil) aanwezig. Volgens het uitvoerportaal van de NDFF zijn er één of meerdere steenuilterritoria in de directe omgeving. Het plangebied betreft in de huidige situatie een marginaal foerageergebied voor deze soort. Door de nieuwe inrichting kan er een geschikter foerageergebied ontstaan door de aanplant van de (hoogstam)fruitboomgaard. In de directe omgeving blijft daarnaast voldoende leefgebied over voor deze soort.

Vanwege het ontbreken van (grote) bomen zijn er geen jaarrond beschermde nesten/ horsten van uilen of roofvogels aanwezig. De in het uitvoerportaal van de NDFF gemelde buizerd heeft geen nestmogelijkheden binnen het plangebied. Ook in de directe omgeving zijn geen horsten/ nesten waargenomen. De ingrepen dienen voor de zorgvuldigheid buiten het broedseizoen plaats te vinden of te starten (broedseizoen loopt globaal van maart tot en met augustus, afhankelijk

9

Eco Tierra. Quickscan flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming. Tielsestraat (ong.) te Opheusden. Q2022-JMW-2044, 22 juni 2022. 40

van soort en weersomstandigheden). Het gaat erom of een broedgeval wordt verstoord/ vernietigd of niet. Indien dit niet mogelijk is, dient er voorafgaande aan de werkzaamheden vastgesteld te zijn dat er geen broedgevallen aanwezig zijn binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Wanneer er broedgevallen aanwezig zijn dient gewacht te worden met de verstorende werkzaamheden totdat de jongen zijn uitgevlogen. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten aangaande andere vogelsoorten, mits aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan. Er zijn binnen het plangebied geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van marterachtigen zoals de das, wezel, hermelijn, bunzing, steen- en/of boommarter. Er zijn geen tot zeer beperkt mogelijkheden om te schuilen/ verblijven. Er is vrijwel geen onderbegroeiing aanwezig, het terrein wordt intensief gebruikt en er zijn geen holletjes, takkenhopen en dergelijke aanwezig. Marterachtigen zullen het plangebied derhalve niet snel gebruiken om te schuilen/ verblijven. Binnen het plangebied zijn geen nesten/ verblijfplaatsen van eekhoorn te verwachten. Door de provincie vrijgestelde soorten zoals konijn, haas en veldmuis kunnen worden verwacht binnen en nabij het plangebied. Dergelijke soorten zijn vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft.

Wel is de zorgplicht van toepassing Er zijn voorts geen negatieve effecten te verwachten aangaande grondgebonden zoogdieren. Er gaat geen significant foerageergebied verloren door het planvoornemen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een vliegroute voor vleermuizen. Er gaan daarom ook geen significante vliegroutes verloren in het kader van onderhavig project. Er zijn verder ook geen negatieve effecten te verwachten aangaande de soortgroepen amfibieën, reptielen en vissen en ongewervelden. De bevindingen omtrent deze diersoorten zijn specifiek toegelicht in het uitgevoerde flora en fauna onderzoek welke is bijgevoegd als bijlage van deze toelichting. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten.

Houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Stikstofberekening

41

Ten behoeve van voorliggend plan is een stikstofberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase10 en voor de aanlegfase11. Op grond van de AERIUS-berekening wordt voor de gebruiksfase geconcludeerd dat het leefgebied LG08 in de nabij gelegen Rijntakken worden belast door dit project. In de toelichting op de stikstofberekening is daarom een voortoets opgenomen. Voor de betreffende zoekgebieden (Lg08 – Nat, matig voedselrijk grasland) geldt dat ze zijn aangewezen voor de watersnip en kwartelkoning. Kijken we naar de kwartelkoning, dan is uit de gebiedsanalyse van de Rijntakken gebleken dat stikstofdepositie een zeer beperkt knelpunt voor de soort (pagina 56 en 57 van de gebiedsanalyse). Veel groter belang is het geschikt maken, dan wel houden, van broedgebieden. De soort is erg gebaat bij een late start van het maaiseizoen, en een tussentijdse stop in de maanden juli en augustus. Wanneer er gekozen wordt voor natuurlijk begraasde gras- en hooilanden moet dit in extensieve vorm plaatsvinden. Wanneer de graasdruk te intensief is heeft de soort last van te weinig beschutting en vertrappingsrisico. Indien er toch in de 2 broedperiodes wordt gemaaid moet dit volgens een speciaal maaiplan geschieden om te zorgen dat de vogels kans hebben om te verplaatsen voordat er gemaaid wordt.

De gebiedsanalyse concludeert dan ook dat er beter ingezet kan worden op de maaimomenten dan op beperken van de stikstofdepositie voor het halen van de instandhoudingsdoelstellingen voor deze soort. De zeer geringe toename van stikstofdepositie op deze hexagonen heeft dan ook geen significant negatief effect op de staat van instandhouding van deze soort. Voor de watersnip geldt dat de soort gedijt bij een drassig foerageergebied waardoor ze met hun snavel in de grond kunnen wroeten. Als mogelijke verstoring geldt dat recreatie een mogelijk negatief effect heeft op het broedeffect. Het is dan ook zeer de vraag of de in de berekening naar voren gekomen rekenpunten überhaupt geschikt zijn voor de soort. Het hexagoon ligt namelijk langs een toegangsweg naar een pont en een populair restaurant (restaurant ’t Veerhuis Opheusden). Welke uiteraard een grote recreatieve functie heeft. De gebiedsanalyse geeft als ontwikkelingskans aan dat de plas-dras verhouding moet worden verbeterd om meer gebied geschikt te maken voor het foerageren. Kortom, stikstofdepositie is niet (of op zijn minst minder) relevant voor de soort. Verder wijzen wij er op dat het belast hexagoon niet overbelast is, de achtergronddepositie is namelijk 1.543,15 mol en de KDW is 1.571 mol. De bijdrage van dit project is 0,01 mol op 0,0 hectare zoekgebied.

Hierdoor zal de zeer geringe toename van depositie op dit hexagoon niet leiden tot verslechtering van de instandhoudingsdoelen van het leefgebied in het N2000-gebied Rijntakken. Ook willen wij er op wijzen dat het slechts om een zeer klein deel van de zoekgebieden zijn die belast worden door dit project. Het gaat maar om 0,05 hectare (zie navolgende afbeelding).

10

VanWestreenen. Toelichting AERIUS-berekening, ten behoeve van het bedrijf op de locatie Tielsestraat ongenummerd. WW-16640-RO, 20 november 2023.

11

VanWestreenen. Rapportage Beoordeling stikstofeffecten Bouwfase. WW22111711, 17 november 2023. 42

Oppervlakte van het leefgebiedgedeelte binnen hexagoon.

Geconcludeerd wordt dat de zeer geringe toename van stikstofdepositie van 0,01 mol op enkel dit, niet overbelaste, hexagoon (met daarbinnen slechts 0,05 hectare zoekgebied) heeft dan ook geen significant negatief effect op de staat van instandhouding van de kwartelkoning en watersnip, noch op de ontwikkeling van de graslanden zelf. Ten behoeve van de aanlegfase is het volgende geconcludeerd. Gelet op de forse afstand van ca. 507 meter zijn er geen factoren die leiden tot een negatief effect op het dichtstbijzijnde, en daarmee maatgevende, Natura 2000-gebied. Uit de calculatie uit hoofdstuk 5 van de rapportage en de bijbehorende AERIUS-berekening blijkt dat in de toegepaste ‘worst-case’ benadering de stikstofdepositie niet leidt tot significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Derhalve kan op voorhand worden uitgesloten dat er bij onderhavig voornemen sprake zal zijn van significant negatieve effecten. Conclusie Met inachtneming van de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming en de broedende vogels, vormt het aspect ‘Natuur’ geen belemmering voor dit plan.

4.12

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Parapluregeling Archeologie gemeente Neder-Betuwe In het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' is door de gemeente Neder-Betuwe voor het gehele plangebied van de gemeente Neder-Betuwe de archeologische verwachtingswaarde geregeld. Op basis van de trefkans, de potentie/waarde van (mogelijke) archeologische vindplaats(en) en de staat van de bodem wordt de volgende clustering aangehouden:

43

− alle AMK (Archeologische Monumentenkaart) - terreinen, lokale en nationale vindplaatsen, oude woongronden en historische kernen (I); − alle gronden met een hoge archeologische trefkans (bv. crevassen/rivierduinen, stroomgordels en stroomruggen) (II); − alle gronden met een gemiddelde archeologische trefkans (III) − alle gronden met een lage archeologische trefkans (IV); − alle gronden met een verstoorde bodem als gevolg van laan- en fruitboomteelt (V). Op basis van de voornoemde clustering geldt voor de gemeente Neder-Betuwe het volgende bestemmingsregime:

Archeologische waarden en vrijstellingsgrenzen Bron: Gemeente Neder-Betuwe

Op grond van de bovengenoemde verwachtingswaarden worden in dit bestemmingsplan drie archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Voor historische kernen en bekende vindplaatsen (in rood) wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen. Voor de verstoringsoppervlakte en -diepte is hier een lage vrijstellingsgrens gekozen: 100 m2 en 30 cm diep. De gebieden met een hoge archeologische trefkans (in oranje) worden voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Voor deze gronden bedraagt de maximale verstoring 1.000 m2 en 30 cm diep. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' wordt toegekend aan gronden met een gemiddelde archeologische trefkans (in lichtbruin). Voor deze gronden bedraagt de maximale verstoring 10.000 m2 en 30 cm diep. Voor de gronden met een lage archeologische trefkans (in groen) wordt geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Naast de archeologische (verwachtings)waarden, zijn ook behoudenswaardige cultuurhistorische objecten aangeduid op de archeologische beleidskaart (in geel). Deze zijn echter (nog) niet voorzien van een juridisch-planologische bescherming, Toetsing Voor het hele plangebied is de ‘Parapluregeling Archeologie’ van kracht. Binnen het plangebied zijn ‘Waarde - Archeologie-1’ en Waarde - Archeologie-2’, maar binnen het toekomstig bouwvlak is geen archeologische waarde opgenomen.

Vanuit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Kesteren’ was ter plaatse van het bouwvlak de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie-5’ van kracht. Op gronden waar deze dubbelbestemming van kracht was moest bij nieuwe bouwactiviteiten met een 44

oppervlakte groter dan 2.000 vierkante meter via archeologisch onderzoek worden aangetoond dat een gebouwen zijnde ter plaatse geen behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ is een archeologisch onderzoek12 uitgevoerd, in dit onderzoek is aangetoond dat er in het toekomstige bouwvlak geen archeologische resten aanwezig zijn. Het totale oppervlak dat in de toekomstige situatie zal worden voorzien van bebouwing en verharding bedraagt niet meer dan 995 vierkante meter. Voor de bouwactiviteiten ten gunste van het beoogde gebruik is vanuit het huidige archeologische regime dan ook geen verder onderzoek noodzakelijk. In het zuidelijk en het zuidwestelijke deel van het plangebied is de ‘Parapluregeling Archeologie’ van kracht. Dit is weergegeven in de navolgende afbeelding, het plangebied is rood omkaderd binnen deze afbeelding. Vanuit dat plan zijn op die plekken de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde - Archeologie 2’ van kracht. Vanuit deze dubbelbestemmingen bestaat de eis dat er archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bouwactiviteiten die dieper reiken dan 30 centimeter, en een groter oppervlak hebben dan resp. 100 vierkante meter (vanuit de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’) en/of ‘1.000 vierkante meter (vanuit de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’).

Uitsnede uit bestemmingsplan ‘Parapluregeling Archeologie’ met plangebied bij benadering rood omkaderd. (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Op de percelen waar de ‘Parapluregeling Archeologie’ van kracht is ook de uitzonderingsregel vastgesteld waarbij werken en/of werkzaamheden die het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en lei-

12

Synthegra (2022) Bureau- en Inventariserend Veldonderzoek, verkennend en karterend Booronderzoek Datum: 3 juni 2022. 45

dingen, het rooien van bestaande boomgaarden en vervanging door nieuwe bomen worden toegestaan. Gelet op de bovenstaande bevindingen kan worden gesteld dat onderhavig plan niet zorgt tot een verplichting tot archeologisch onderzoek. Het toekomstige gebruik van de percelen waar ‘Parapluregeling Archeologie’ van toepassing is, is geheel in lijn met de toegestane activiteiten vanuit datzelfde plan. De omvang van de beoogde bebouwing blijft ruimschoots binnen de 2.000 vierkante meten wat betekent dat er vanuit het op die locatie geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Kesteren’ eveneens geen verplichting bestaat tot het uitvoeren archeologisch onderzoek. Uit het voornoemde onderzoek blijkt voorts dat de beoogde bouwactiviteiten niet plaats vinden in gebieden met archeologische resten. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.13

Cultuurhistorie Algemeen Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Toetsing In het plangebied zijn geen bestaande monumenten of beschermde dorpsgezichten aanwezig. Veruit het grootste gedeelte van het plangebied blijft in haar aanzien en uitstraling dezelfde streekeigen uitstraling behouden. Ook blijft het gebruik van de gronden hetzelfde De nieuwbouw sluit aan bij de lintbebouwing van de Tielsestraat. De rooilijn de bedrijfswoning sluit aan op het gevarieerde en landelijke beeld van de Tielsestraat en de veranderende schaalgrootte richting het westen van de locatie.

Door de beoogde situering het bedrijfsgebouw blijft deze qua uitstraling ondergeschikt aan de lintbebouwing aan de Tielsestraat. Met onderhavig worden voorts geen ontwikkelingen of werkzaamheden toegestaan die een bedreiging vormen voor in de omgeving van het bestemmingsplan aanwezige cultuurhistorische waarde. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

46

4.14

Explosieven Algemeen Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Neder-Betuwe verschillende gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor niet gesprongen Conventionele Explosieven (CE) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Dit betekent dat bij te verrichten werkzaamheden in de bodem, mogelijk aanwezige explosieven een reëel gevaar kunnen opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving.

Toetsing De gemeente Neder-Betuwe heeft op basis van literatuuronderzoek en historische bronnenmateriaal de risico's op het voorkomen van explosieven uitgezocht. Uit het rapport Vooronderzoek Gemeente Neder-Betuwe (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Rapport 1662057-VO-02, 28 maart 2017) blijkt dat de gehele gemeente verdacht is op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. De risico's op het voorkomen van explosieven in verdachte en niet-verdachte gebieden zijn weergegeven op een CE-bodembelastingkaart. Voorafgaand aan het uitvoeren van bodemingrepen in het plangebied zal detectieonderzoek naar explosieven moeten worden verricht. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning. Conclusie Het aspect explosieven levert geen belemmering op voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.15

Klimaatadaptatie Algemeen Met betrekking tot waterveiligheid en wateroverlast zijn normen vastgesteld met resultaats- en inspanningsverplichtingen voor de waterschappen. Deze normen zijn vastgelegd in de provinciale waterverordeningen voor de waterschappen (Waterverordening Waterschap Rivierenland, Waterverordening Waterschap Vallei en Veluwe en Waterverordening Waterschap Rijn en IJssel). Ruimtelijke ontwikkelingen en weersextremen zijn hierop van grote invloed. Het is daarom van belang dat hiermee bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden en dat het waterschap hierbij wordt betrokken. Daarnaast vormen de effecten en gevolgen van droogte en hitte een belangrijke problematiek om rekening mee te houden. In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 2.65b (klimaatadaptatie) 1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. waterveiligheid; b. wateroverlast; 47

c. droogte; en d. hitte. 3. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Toetsing Binnen het plangebied wordt een woongebouw gerealiseerd. Zoals eerder in paragraaf 4.10 naar voren is gekomen is er sprake van een toename van 994 m2 aan verhard gebied. Vuistregel daarbij is dat 436 m³ waterberging per hectare verhard oppervlak nodig is. Zodoende zal er (994 x 436) / 10.000 = 43,3 m3 aan waterberging gerealiseerd moeten worden. De infiltratievoorziening dient boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand gelegen te zijn. Het hemelwater wordt ter plaatse geborgen in infiltratie- of waterbergende voorzieningen, hiermee wordt wateroverlast tegengegaan in natte periode en door het water vast te houden eveneens droogte tegengegaan in een droge periode. Door het verhard oppervlak te beperken en veel groen aan te leggen en te behouden wordt ingespeeld om hitte tegen te gaan. Conclusie Het aspect klimaatadaptatie levert geen belemmering op voor de uitvoerbaarheid van het plan.

48

5

Wijze van bestemmen

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

49

2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3

Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Bestemmingsplan

5.2.1

Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het be-

50

stemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2

De specifieke bestemmingen Voor onderhavig plan is bij de regeling aansluiting gezocht bij het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Kesteren’. Het plan bevat de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 1', ‘Waarde - Archeologie 2’ en ‘Waterstaat - Beheerszone watergang’. Agrarisch De agrarische gronden behorende het plangebied zijn bestemd als ‘Agrarisch’, waarbij het perceel dat kadastraal bekenstaat onder de kadastrale gemeente Opheusden sectie C en nummer 3877 is voorzien van een bouwvlak. Een bedrijfswoning is binnen de bestemming agrarisch toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning’. Deze gronden buiten het bouwvlak zijn voorts alleen bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, hobbymatig agrarisch grondgebruik en extensief recreatief medegebruik. Indien binnen het bouwvlak opgenomen zijn binnen de bestemming agrarisch ook bedrijfsgebouwen en teeltondersteunende voorzieningen toegestaan. In de bouwregels voor de gronden buiten dit bouwvlak zijn mogelijkheden opgenomen om een aantal specifieke bouwwerken, geen gebouw zijnde onder voorwaarden op te richten. Waarde - Archeologie 1 De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’ is voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden in de bodem.

Dit wordt gewaarborgd door bij bodemingrepen waarbij de oppervlakte groter is dan 100 m² en dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld wordt gegraven een archeologisch onderzoek verplicht te stellen. Voor de gronden met de gebiedsaanduiding ‘overige zone – aangetast’ geldt dit voor bodemingrepen waarbij dieper dan 0,5 m onder het bestaande maaiveld wordt gegraven. Waarde - Archeologie 2 De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ is voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden in de bodem. Dit wordt gewaarborgd door bij bodemingrepen waarbij de oppervlakte groter is dan 1.000 m² en dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld wordt gegraven een archeologisch onderzoek verplicht te stellen. Voor de gronden met de gebiedsaanduiding 'overige zone - aangetast' geldt dit voor bodemingrepen waarbij dieper dan 0,5 m onder het bestaande maaiveld wordt gegraven. Waterstaat - Beheerszone watergang De voor ‘Waterstaat - Beheerszone watergang’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming, beheer en verbetering van watergangen en voorzieningen voor de waterhuishouding.

51

5.2.3

Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.

52

6 6.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt met het bepaalde in afdeling 6.4 het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten, wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan. De zogenaamde “aangewezen bouwplannen” waarbij een exploitatieplan verplicht is en welke zijn opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn: − de bouw van een of meer woningen; − de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m2 of met een of meer woningen; − de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; − de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m2 bedraagt; − de bouw van kassen met een oppervlakte van tenminste 1.000 m2. Het voorliggende plan wordt volledig gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal.

Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.

53

In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de resultaten van het overleg worden samengevat en van een antwoord worden voorzien. Met directe omwonenden is een participatieavond gehouden. Hieruit blijkt dat zij positief staan tegenover de voorgenomen ontwikkeling. Hierbij zijn wel een aantal aanbevelingen uitgesproken, welke meegenomen zijn in de ontwikkeling. 6.2.2

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken voor een ieder van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 ter inzage gelegen. In deze periode zijn drie zienswijzen binnengekomen. De beantwoording van de zienswijzen is verwerkt in de zienswijzennota en het ontwerpbestemmingsplan is vervolgens gewijzigd vastgesteld.

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14530155/1