CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Quickscan Wet natuurbescherming

Raadsvergadering 13 juni 2024, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: VVGB Zonnepark Dodewaard8.421 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Wet natuurbescherming Zonnepark Dodewaard

Opdrachtgever: Pardal T.a.v. De heer Rob Harmsen Lengelseweg 70 7041 DS ‘s-Heerenberg Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:

204324 9-2-2023 N. Otten B. de Vries N. Otten Definitief 1

© 2023 Eelerwoude Onderzoek van Eelerwoude voldoet aan de eisen die het Ministerie van Economische zaken stelt. Eelerwoude is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. Het Netwerk heeft een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbende een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van flora en fauna. Desondanks zal nooit een 100% volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. Natuur is dynamisch, situaties kunnen veranderen. Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1

Inleiding ....................................................................................................................................................... 4

2

Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 5

2.1

Huidige situatie .......................................................................................................................................5

2.2

Voorgenomen ontwikkeling ...................................................................................................................6

3

Natuurwetgeving en -beleid........................................................................................................................ 7

3.1

Inleiding ..................................................................................................................................................7

3.2

Bescherming van soorten .......................................................................................................................7

3.3

Bescherming van gebieden .....................................................................................................................7

3.4

Bescherming van houtopstanden ...........................................................................................................8

3.5

Natuurnetwerk Nederland .....................................................................................................................8

4

Methode...................................................................................................................................................... 9

4.1

Inleiding ..................................................................................................................................................9

4.2

Bureauonderzoek ...................................................................................................................................9

4.3

Terreinbezoek .........................................................................................................................................9

5

Beschermde soorten ................................................................................................................................. 10

5.1

Inleiding ................................................................................................................................................10

5.2

Planten..................................................................................................................................................10

5.3

Zoogdieren ............................................................................................................................................10

5.4

Vogels ...................................................................................................................................................13

5.5

Reptielen...............................................................................................................................................14

5.6

Amfibieën .............................................................................................................................................15

5.7

Vissen ....................................................................................................................................................15

5.8

Ongewervelden ....................................................................................................................................16

6

Conclusie ................................................................................................................................................... 17

6.1

Beschermde soorten.............................................................................................................................17

6.2

Bescherming gebieden .........................................................................................................................18

6.3

Bescherming houtopstanden ...............................................................................................................18

6.4

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................18

6.5

Uitvoerbaarheid van de plannen ..........................................................................................................18

6.6

Geldigheid rapportage ..........................................................................................................................18

7

Opweg naar 100% natuurinclusief ontwikkelen, inrichten en beheren .................................................... 20

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 22

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 3

1 Inleiding De initiatiefnemer is voornemens een zonnepark te realiseren binnen het plangebied aan de oostkant van de Dalwagen in Dodewaard. Zie afbeelding 1 voor de ligging van het plangebied. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing wordt duidelijk hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

Afbeelding 1. Ligging van het plangebied.

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 4

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie De beoogde locatie voor het zonnepark ligt net ten noorden van de A15 en de Betuweroute, ten hoogte van Dodewaard. Aan de westzijde ligt de Dalwagen, aan de oost- en noordzijde liggen agrarische percelen. De totale omvang van de locatie is 9,6 hectare. De grond is momenteel in gebruik als grasland. Het plangebied betreft een weiland dat begraasd wordt door schapen. Er liggen watergangen rondom het plangebied en ook in het plangebied liggen enkele watergangen. Zie voor de begrenzing en een impressie afbeelding 1 en 2. In de omgeving bevinden zich wegen, een snelweg, spoor, boerderijen, weilanden en akkers.

Afbeelding 2. Impressie van het plangebied, 06-02-2023.

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 5

2.2 Voorgenomen ontwikkeling Initiatiefnemer is voornemens een zonnepark te realiseren. Het beoogde terrein voor het zonnepark is nu in gebruik als grasland dat wordt begraasd door schapen. Dit blijft ongewijzigd, zodat bij het zonnepark ook meervoudig ruimtegebruik wordt toegepast. Om dit te stimuleren worden randen van het zonnepark ingezaaid met een kruidenmengsel voor bijen en vlinders, en er worden aan de noord en oostkant singels met bomen en heesters aangeplant. Door dit extensief beheer ontstaat een gebied met kruidenrijk grasland dat ruimte biedt voor meervoudig ruimtegebruik. Mogelijk wordt een gedeelte van het terrein in gericht als plasdras, wat de biodiversiteit ten goede komt.

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 6

3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze kan leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer sprake is of kan zijn van een overtreding, dan dient er onderzocht te worden of een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming is een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedsbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Gevolgen plangebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: Op ongeveer 1,2 kilometer afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 7

de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Op 2 november 2022 heeft De Raad van State de vrijstelling m.b.t. stikstof voor de bouw afgeschaft. Op 1 juli 2021 was alleen een berekening voor de gebruiksfase nog voldoende. Op 2 november 2022 is deze vrijstelling dus komen te vervallen. Bij elke aanvraag dient ook een berekening toegevoegd te worden voor de bouwfase. In de berekening van de bouwfase wordt de hoeveelheid stikstofdepositie bepaald van bouwmaterieel dat ingezet wordt om het gebouw te realiseren. Aan de hand van deze uitstoot wordt er gekeken of deze stikstofdepositie niet in omringende Natura2000 gebieden terecht komt. Een stikstofberekening voor de (permanente) gebruiksfase, is niet noodzakelijk. In de huidige situatie worden de percelen gebruikt als begraasde weilanden. Ook handelingen als bemesting, maaien en hooien vinden plaats. In de toekomstige fase zal er een extensief beheer worden toegepast.

Hierdoor neemt de stikstofdepositie in de toekomstige situatie niet toe ten opzichte van de huidige situatie en het huidige gebruik. Hiernaast is dit vele malen kleiner dan de aanlegfase.

3.4 Bescherming van houtopstanden Het kappen of rooien van bomen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Gevolgen plangebied Binnen het plangebied staan geen bomen. Hierdoor is overtreding ten aanzien van houtopstanden niet aan de orde.

3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Dit Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk en hebben hiervoor soms een andere benaming. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Een toetsing aan het natuurbeleid is alleen noodzakelijk als de ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan. Daarnaast moet het plangebied in het NNN of een andere door de provincie beschermde natuurzone liggen. In een aantal provincies kent het natuurbeleid externe werking. Dit betekent dat in die provincie bij een ontwikkeling waarvoor een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is altijd een toetsing aan het natuurbeleid moet worden uitgevoerd. Gevolgen plangebied Het plangebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk. Het plangebied is eveneens niet gelegen binnen een gebied toegewezen als leefgebied akker- of weidevogels. Een toetsing aan het natuurbeleid is daarom niet noodzakelijk. Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 8

4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is (indien beschikbaar) gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). • Verspreidingsatlassen.

4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het plangebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door B. de Vries uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 6 februari 2022 bij 5 °C, licht bewolkt weer en windkracht 2 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

• •

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

•

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

•

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, Sovon Vogelonderzoek Nederland, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

•

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 9

5 Beschermde soorten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.2 Planten Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Het plangebied bestaat voor het grootste deel uit beweid en bemest grasland, waardoor de grond rijk aan voedingsstoffen is. Hier zijn alleen algemene plantensoorten aangetroffen zoals ridderzuring en grote brandnetel. Binnen het plangebied staan geen bomen. De aanwezige sloten en greppels hebben weinig vegetatie. Daarnaast is een deskundigenbeoordeling van de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied uitgevoerd op basis van een biotoopanalyse. Gelet op de aanwezige terreintypen, het beheer en de functie van het plangebied (schapenbegrazing op weiland) is het uit te sluiten dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden op basis van het aanwezige biotoop uitgesloten, waardoor geen sprake is van negatieve effecten op beschermde planten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet nodig.

5.3 Zoogdieren 5.3.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis, en mogelijk ook de tweekleurig vleermuis. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats.

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 10

Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

In het plangebied zijn geen bomen of gebouwen aanwezig. Verblijfplaatsen van boom of gebouw bewonende vleermuizen zijn dan ook uit te sluiten. Foerageergebieden en vliegroutes Vleermuizen foerageren rond opgaande vegetatie, vaak in beschutting van bomen, huizen of andere structuren die zorgen voor luwe plekken (zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes). Het plangebied kan gebruikt worden als foerageergebied. Dit is geen essentieel foerageergebied doordat ook de omgeving geschikt is als foerageergebied. Als vliegroutes gebruiken vleermuizen lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen, zoals boomrijen. Dergelijke elementen zijn niet aanwezig in het plangebied, een aanwezige vliegroute kan dan ook worden uitgesloten (zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes). Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen.

Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaatsen Door het ontbreken van bebouwing en bomen binnen het plangebied kunnen verblijfplaatsen van zowel gebouw- als boombewonende vleermuissoorten worden uitgesloten in het plangebied. Overtreding ten aanzien van vleermuisverblijfplaatsen als gevolg van de voorgenomen ingreep is dan ook uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 11

Foerageergebieden en vliegroutes Met betrekking tot het foerageergebied van de vleermuizen zal de herinrichting geen effect hebben op de functionaliteit van het gebied als zodanig. Door de plannen gaat er nauwelijks tot geen foerageergebied verloren. Daarnaast betreft het potentieel foerageergebied binnen het plangebied geen essentieel foerageergebied, aangezien er in de omgeving meer en beter foerageergebied aanwezig is. Wel wordt geadviseerd rekening te houden met onderstaande maatregelen: • werkzaamheden uitsluitend overdag uitvoeren (m.n. in actieve periode van vleermuizen- april t/m november); • verlichting minimaliseren; • toepassen van niet uitstralende armaturen (zie kader- Verlichting); • voorkom verlichting van boomkronen in de omgeving van het plangebied. Met deze maatregelen blijft het plangebied geschikt als foerageergebied. Ook blijft het aangrenzend gebied geschikt als potentieel leefgebied. Aangezien het plangebied, door de ligging in een groene, waterrijke omgeving, geen essentieel leefgebied vormt is nader onderzoek naar het gebruik van het plangebied door vleermuizen niet noodzakelijk. Een ontheffing in het kader van de beschermde soorten van de Wet natuurbescherming is eveneens niet noodzakelijk. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet nodig.

Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien. Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:

• • •

verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is; verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven; beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;

Hiernaast staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.

5.3.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: haas, konijn en diverse algemene muizen en spitsmuizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leefen foerageergebied. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Verblijfplaatsen van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt zijn soorten zoals bunzing, steenmarter en bever. Voor steenmarter ontbreekt (leegstaande) bebouwing, voor bunzing en bever is het gebied ongeschikt van wege respectievelijk het gebrek aan struweel en begroeiing langs de watergangen. Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 12

Hierdoor zijn verblijfplaatsen uit te sluiten. Mogelijk kunnen deze wel het plangebied gebruiken als migratieroute of onderdeel van hun leefgebied (foerageergebied). Echter, er zijn geen sporen van de soorten aangetroffen tijdens het veldbezoek. Daarnaast is het plangebied geen essentieel leefgebied gezien de omgeving geschikter is, zoals rond de plas verderop. Voor de overige niet-vrijgestelde soorten valt het plangebied buiten het bekende verspreidingsgebied. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een tijdelijk beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Gelderland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor bovenstaande soorten, de soorten met een bescherming, bunzing, bever en steenmarter geldt dat negatieve effecten zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zijn ter plaatse van de werkzaamheden uit te sluiten. Eventueel maakt het plangebied wel onderdeel uit van het leefgebied van bunzing of bever. Voor deze soorten blijft na de werkzaamheden het plangebied geschikt als onderdeel van hun leefgebied.

Een negatief effect op beschermde grondgebonden zoogdieren is daarom uitgesloten. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet nodig.

5.4 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. Binnen het plangebied staan geen bomen. Nesten van boom bewonende soorten zijn daarom uit te sluiten. Ook zijn er geen horsten (grote vogelnesten) in de bomen langs de weg naar het plangebied aangetroffen.

Er is geen bebouwing aanwezig, waardoor nesten van gebouw bewonende soorten eveneens zijn uit te sluiten. Mogelijk dat enkele soorten met jaarrond beschermde nesten wel het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied, zoals buizerd, havik en roek. Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In deze situatie zijn enkele vogelsoorten te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als ekster, koolmees, pimpelmees en zwarte kraai. Deze kunnen nestelen in de bomen en struweel buiten het plangebied.

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 13

Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van het agrarisch buitengebied. Onder andere de volgende grondbroedende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het plangebied kievit, graspieper en mogelijk veldleeuwerik. Binnen het plangebied kunnen deze soorten tot broeden komen. Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Nesten van jaarrond beschermde soorten zijn niet aangetroffen en door het ontbreken van bomen of bebouwing ook uit te sluiten. Mogelijk dat enkele vogels met jaarrond beschermde nesten het plangebied wel als onderdeel van hun leefgebied gebruiken. Nader onderzoek is niet noodzakelijk omdat het plangebied geen essentieel leefgebied is. De omgeving is geschikter en na de werkzaamheden zal het plangebied weer geschikt zijn als onderdeel van het leefgebied. Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Enkel de bomen en struweel vlak buiten het plangebied vormen geschikte nestgelegenheid. Deze blijven behouden en ook na de werkzaamheden is het plangebied te gebruiken als leefgebied voor deze soorten.

Daarnaast zijn in de omgeving voldoende alternatieve leefgebieden aanwezig. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve leefgebied te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk in gebruik zijnde nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van in gebruik zijnde nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te verstoren, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen1. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen in gebruik zijnde nesten van broedvogels worden verstoord en is een broedvogelcheck door een ecoloog voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk.

Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Conclusie: Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren en indien er binnen het broedseizoen wordt gewerkt dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels en is een broedvogelcheck door een ecoloog voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk.

5.5 Reptielen Voorkomen en functie Het plangebied valt buiten het bekende verspreidingsgebied van de in Nederland voorkomende (beschermde) reptielen (bron: RAVON Verspreidingsatlas Reptielen, 2023). Beschermde reptielen zijn daarnaast gebonden 1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang

is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 14

aan specifieke terreinen zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied (bron: NDFF, 2023). Effecten en ontheffing Aangezien het plangebied buiten het bekende verspreidingsgebied van beschermde reptielen valt en het aanwezige biotoop ongeschikt is kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet nodig.

5.6 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker en bastaardkikker kunnen de sloten en greppels in het plangebied gebruiken als waterbiotoop, en kunnen het plangebied verder gebruiken als landbiotoop. De watergangen hebben steile oevers. Er is weinig watervegetatie in de watergang die als dekking kan dienen tegen roofdieren. Er zijn geen werkzaamheden gepland aan de watergangen. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Het plangebied valt buiten het bekende verspreidingsgebied van de in Nederland voorkomende beschermde amfibieën (bron: RAVON Verspreidingsatlas Amfibieën, 2023). Beschermde amfibieën zoals heikikker en kamsalamanders zijn daarnaast gebonden aan specifieke terreinen zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop. Voor de rugstreeppad ontbreekt open zand en pioniervegetatie. Ook zijn er geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën in en rondom het plangebied (bron: NDFF, 2023). Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep leidt niet tot verlies van waterhabitat. De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt tijdelijk verlies landbiotoop van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”.

Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Gelderland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde. Conclusie: werkzaamheden in de watergangen uitvoeren buiten de kwetsbare periode (maart tot september) om aan de zorgplicht te voldoen. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet nodig.

5.7 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn diverse watergangen aanwezig. Op de steile oevers is weinig diversiteit in vegetatie en ook zijn er weinig tot geen waterplanten aanwezig. Uit bronnenonderzoek blijkt dat grote modderkruiper in Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 15

het verleden is waargenomen in het plangebied en voorkomt in de omgeving van het plangebied. Binnen het plangebied zijn diverse watergangen aanwezig met algemene vissoorten, waar grote modderkruiper ook mogelijk voorkomt. Effecten en ontheffing Er vinden geen werkzaamheden plaats aan de watergangen. Effecten op beschermde vissen zoals grote modderkruipers zijn uit te sluiten mits er geen werkzaamheden plaatsvinden aan de watergangen. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissoorten is dan niet aan de orde. Conclusie: mits er geen werkzaamheden plaatsvinden aan de watergangen is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet nodig.

5.8 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) komen beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel en vliegend hert niet voor in of in de omgeving van het plangebied verwacht. Dit doordat het plangebied bestaat uit beweid en begraasd grasland en het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere bestaat uit goed ontwikkelde watergangen met waterplanten, krabbenscheer, heideterreinen en/of venranden. Er zijn ook geen beschermde ongewervelden aangetroffen tijdens het veldbezoek waar met schepnet is gezocht naar platte schijfhoren. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Daarnaast wordt met het realiseren van natuurvriendelijke oevers op later termijn een positief effect verwacht op ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet nodig.

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 16

6 Conclusie 6.1 Beschermde soorten 6.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een tijdelijk beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als haas, bruine kikker en diverse algemene muizensoorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, daarnaast voldoende leefgebied aanwezig blijft in de omgeving en het relatief algemene soorten betreft.

6.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Vleermuizen Door het ontbreken van bebouwing en bomen binnen het plangebied kunnen verblijfplaatsen van zowel gebouw als boom bewonende vleermuissoorten worden uitgesloten. Met betrekking tot het foerageergebied van de vleermuizen zal de herinrichting geen effect hebben op de functionaliteit van het gebied als zodanig. Door de plannen gaat er geen tot nauwelijks foerageergebied verloren. Wel wordt geadviseerd rekening te houden met onderstaande maatregelen: • werkzaamheden uitsluitend overdag uitvoeren (m.n. in actieve periode van vleermuizen- april t/m november); • verlichting minimaliseren; • toepassen van niet uitstralende armaturen (zie kader- Verlichting); • voorkom verlichting van boomkronen langs het plangebied. Met deze maatregelen blijft het plangebied en het aangrenzend gebied en de bomen daar geschikt als potentieel leefgebied. Aangezien het plangebied, door de ligging in een groene omgeving, geen essentieel leefgebied vormt is nader onderzoek naar het gebruik van het plangebied door vleermuizen niet noodzakelijk. Een ontheffing in het kader van de beschermde soorten van de Wet natuurbescherming is eveneens niet noodzakelijk.

Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen2 uit te voeren. Indien er binnen het broedseizoen wordt gewerkt dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels en is een broedvogelcheck door een ecoloog voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk. Vissen Mits er geen werkzaamheden plaatsvinden aan de watergangen is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grote modderkruiper niet nodig. 2 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang

is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 17

6.1.3 Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing is, bijvoorbeeld door de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.

6.2 Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten: De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Op 2 november 2022 heeft De Raad van State de vrijstelling m.b.t. stikstof voor de bouw afgeschaft. Bij elke aanvraag dient nu ook een berekening toegevoegd te worden voor de bouwfase. In de berekening van de bouwfase wordt de hoeveelheid stikstofdepositie bepaald van bouwmaterieel dat ingezet wordt om het gebouw te realiseren. Aan de hand van deze uitstoot wordt er gekeken of deze stikstofdepositie niet in omringende Natura2000 gebieden terecht komt. Het uitvoeren van een stikstofberekening in AERIUSCalculator is voor de aanlegfase noodzakelijk. Een stikstofberekening voor de (permanente) gebruiksfase, is niet noodzakelijk. In de huidige situatie worden de weilanden gebruikt voor bijvoorbeeld bemesting, maaien en hooien. In de toekomstige fase zal er een extensief beheer worden toegepast. Hierdoor neemt de stikstofdepositie in de toekomstige situatie niet toe ten opzichte van de huidige situatie en het huidige gebruik.

6.3 Bescherming houtopstanden Binnen het plangebied staan geen bomen. Hierdoor is de bescherming van houtopstallen niet aan de orde.

6.4 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk. Het plangebied is eveneens niet gelegen binnen een gebied toegewezen als leefgebied akker- of weidevogels. Een toetsing aan het natuurbeleid is daarom niet noodzakelijk.

6.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Mits rekening gehouden wordt met de voorgenoemde maatregelen en werkwijze is geen overtreding van de natuurwetten en natuurbeleid aan de orde. Vanuit de eisen van de natuurbescherming is het plan derhalve uitvoerbaar.

6.6 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 18

Tabel 1. Resultaten (mogelijk) aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied. Vervolg Beschermingsregime

Soort(groep)

Gebruik gebied

Effect ruimtelijke ontwikkelingen

Ontheffing

Nader onderzoek/mitigerende en/of compenserende maatregelen

“Andere soorten”

Vrijgestelde grondgebonden zoogdieren

Leefgebied

Tijdelijke aantasting leefgebied, doden, op termijn weer geschikt leefgebied

Nee, vrijstelling

Zorgplicht

Habitatrichtlijn

Grote modderkruiper

Mogelijk onderdeel leefgebied

Leefgebied blijft behouden

Nee, mits

Geen werkzaamheden aan de watergangen uitvoeren

Habitatrichtlijn

Vleermuizen

Geschikt foerageergebied

Geen essentieel foerageergebied, beperkte effecten

Nee

Verlichtingsmaatregelen ten aanzien van naastgelegen bomenrij

Vogelrichtlijn

Vogels

Broedlocatie en onderdeel leefgebied

Mogelijke verstoring

Nee, mits

Werkzaamheden buiten broedseizoen uitvoeren, zorgplicht

Vogels jaarrond

Vogels vaste broedlocaties

Mogelijk onderdeel leefgebied

Geen verblijfplaatsen aanwezig, leefgebied blijft behouden

Nee, mits

Werkzaamheden buiten broedseizoen uitvoeren, zorgplicht

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 19

7 Opweg naar 100% natuurinclusief ontwikkelen, inrichten en beheren Als Eelerwoude dagen wij onze opdrachtgevers uit natuurinclusief te ontwikkelen, in te richten en te beheren. Én daarmee samen maximaal impact te maken. Zo werken we samen aan een gezonde toekomst voor huidige en toekomstige generaties. Vanuit deze ambitie geven wij u het volgende advies mee: • Vroeger was ons land veel natter, soorten van natte gebieden en overgangen tussen land en water die ooit erg algemeen waren zijn daardoor nu zeldzamer dan voorheen. Dit geldt ook voor relatief algemene soorten als bruine kikker, dotterbloem en kleine watersalamander. En ook voor de zeldzame en beschermde grote modderkruiper is nat gebied van belang. Voor deze soort zijn wateren met een brede riet- en plasdraszones belangrijk. Door waar mogelijk kleine wateren en moerasgebiedjes aan te leggen ontstaat extra leefgebied voor de kenmerkende flora en fauna van ons waterland, zoals de grote modderkruiper. • In Europa gaat het slecht met de biodiversiteit van graslanden. Ook in Nederland zijn veel ooit algemene vlindersoorten en wilde bijen van graslanden als het icarusblauwtje, kleine vuurvlinder, hooibeestje, pluimvoetbij en grasbij buiten de natuurgebieden teruggedrongen tot bermen, slootkanten en kleine overhoekjes.

Doordat deze soorten nu nog op veel plekken voorkomen zijn ze relatief makkelijk te helpen door het oppervlak bloemrijk grasland toe te laten nemen. Voor een vergroting van het oppervlak bloemrijk grasland is een ecologisch verantwoord maaibeheer noodzakelijk. Zodra hiermee wordt gestart komen de bloemen, vlinders en bijen vaak vanzelf. Het inzaaien van een strook met een wild bloemenmengsel van bijvoorbeeld Cruydt-Hoeck geeft een eerste aanzet richting ecologische zone waar veel vlinders en bijen baat bij hebben. • Het is inmiddels algemeen bekend. Het aantal insecten loopt wereldwijd terug, ook in Nederland blijkt dit uit meerdere studies. Insecten zijn erg belangrijk in het ecosysteem als plaagbestrijders, bestuivers en als voedsel voor vogels en andere dieren. In het plangebied worden bomen en struiken aangeplant, dit is natuurlijk positief, en kan met slimme keuzes nog meer bijdragen aan de biodiversiteit. Door te kiezen voor soorten die van nature voorkomen (gebiedseigen soorten) en waarvan de zaden uit Nederland komen (genetisch autochtoon) kunnen insecten uit de omgeving optimaal van deze bomen en struiken profiteren. Wist u dat op een Amerikaanse eik twaalf soorten insectensoorten voorkomen en op een inheemse zomereik of wilg meer dan 400? Dit komt doordat onze insecten al duizenden jaren samenleven met inheemse bomen en struiken.

Kies bij het planten voor inheemse bomen die zijn opgekweekt uit Nederlandse zaden of stekken. 100% natuurinclusieve leefomgeving. Daar gaan we samen voor!

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 20

Literatuurlijst • • • •

ESRI Nederland (2023). https://www.esri.nl/nl-nl/home Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. NDFF (2023). Nederlandse Databank Flora en Fauna. https://www.ndff.nl/ SOVON Vogelonderzoek Nederland. (2002). Atlas van de Nederlandse broedvogels, - Nederlandse fauna 5. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European invertabrate Survey – Nederland.

Soortinformatie: • www.nederlandsesoorten.nl • www.verspreidingsatlas.nl • www.Ravon.nl Waarnemingen: • ndff-ecogrid.nl

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 21

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 3. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (afbeelding 8). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.

3 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de

bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 22

Afbeelding 2. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaande afbeelding geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 23

Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Nietopzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.

Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moet inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.

Zonnepark Dodewaard | Eelerwoude | 24

Kader - Staat van instandhouding •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

•

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

•

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriële Regeling.

Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebieden een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14172502/1