Bijlage 3 - Addendum MER Willemspolder fase 1 inclusief bijlage en kaarten
Tekst van het document
Addendum Milieueffectrapportage Willemspolder fase 1
Status Definitief Versie 1.0 Datum 11 oktober 2021 Initiatiefnemer Dekker Grondstoffen B.V. Opstellers Fundamental Concepts | Dekker Grondstoffen B.V. |
Inhoud Inleiding ................................................................................................................................................... 3 1.
Bodemkwaliteit ............................................................................................................................... 4
2.
Stikstof ............................................................................................................................................. 9
Bijlagen 1. Stikstofberekening (LBP/Sight kenmerk: R087286aa.20AXCWA.jdb, d.d. 7 oktober 2021) Kaarten 1. Drogere oevergebieden (met projectie deelgebied af te graven landbodem) 2. Tijdelijk depot 3. Tijdelijke uitname PFAS houdende land- en waterbodem en landbodem klasse industrie
2
Inleiding In het Toetsingsadvies over de ontgronding en gebiedsontwikkeling Willemspolder fase 1 (d.d. 22 september 2021 / projectnummer: 3442) heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie) de juistheid en volledigheid van het milieueffectrapport en de aanvulling daarop (hierna: MER) getoetst. De Commissie oordeelt dat het MER de benodigde informatie bevat om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen bij de besluitvorming, met uitzondering van twee onderwerpen: bodemkwaliteit en stikstof. De commissie geeft over deze twee aspecten het volgende aan: •
•
Bodemkwaliteit: de onderbouwing in de Nota bodembeheer dat een gebiedspecifiek kader kan worden gehanteerd is niet correct. Daardoor is niet duidelijk of de vrijkomende grond (zoals bij het graven van de haven of de PFAS houdende bovenlaag in het gebied), daadwerkelijk gebruikt kan worden bij de herinrichting. De aanvulling gaat niet in op de situatie waarin er onvoldoende geschikte grond vrijkomt om de herinrichting volgens plan uit te voeren: wat betekent dit voor bijvoorbeeld transport, stikstof en het uiteindelijke eindbeeld? Stikstof: in de stikstofberekeningen zijn niet alle gegevens op de juiste manier meegenomen. De berekeningen voor de huidige situatie gaan ervan uit dat alleen dierlijke mest is gebruikt bij het bemesten van de weilanden. Bij de gebruikte hoeveelheden stikstof is dit wettelijk niet toegestaan, wat ertoe leidt dat de referentiesituatie de stikstofemissie overschat. Daarnaast is niet de volledige route van vrachtwagens met klei naar de steenfabriek Schipperswaard meegenomen in het model. Het gedeelte ten westen van de N323 ontbreekt. Dit betekent dat de effecten van stikstof mogelijk zijn onderschat.
De Commissie adviseert deze informatie aan het MER toe te voegen. Daarmee is de informatie beschikbaar om het milieubelang volwaardig mee te nemen in de besluiten over de ontgrondingsvergunning, het bestemmingsplan en andere besluiten. In dit addendum wordt de gevraagde informatie toegevoegd aan het MER en als aanvullende informatie ingebracht ten behoeve van de besluitvorming over de ontgrondingsvergunning, het bestemmingsplan en andere besluiten.
3
1. Bodemkwaliteit
1.1 Nadere uitwerking gebiedspecifiek bodembeleid In overleg met gemeente Neder-Betuwe (bevoegd gezag landbodem) en Rijkswaterstaat (bevoegd gezag waterbodem) worden de adviezen van de commissie uitgewerkt in een aangepaste versie van de Nota Bodembeheer (verder: Nota). Deze Nota bevat een gebiedspecifiek kader en lokale maximale waarden voor de toepassing van met PFAS verontreinigde waterbodem en voor landbodem uit het terrein van de voormalige steenfabriek die in de klasse industrie valt. 1.2 Aanpak in geval van niet toepasbare grond en waterbodem Dekker wil graag voorkomen dat bodemmateriaal onnodig uit het plangebied wordt afgevoerd naar een erkend verwerker, zoals een (baggerspecie)stortplaats. Dit heeft meerdere redenen: - Dit geeft extra inzet van materieel, transportbewegingen en uitstoot van o.a. CO2 en stikstof; - Omdat geen extern aanvulmateriaal wordt gebruik kan netto minder industriezand worden afgevoerd uit het gebied; - Extra uitvoeringskosten, stortkosten en minder opbrengsten uit delfstoffenwinning. Daarom is een terugvalscenario ontwikkeld, voor het geval dat in overleg met het bevoegd gezag niet tijdig tot een nadere uitwerking van gebiedspecifiek bodembeleid gekomen kan worden.
In dat geval wordt de PFAS houdende land- en waterbodem en landbodem van de klasse industrie tijdelijk uitgenomen en onbewerkt onder dezelfde condities opnieuw toegepast op of nabij de plaats van herkomst (hierna: tijdelijke uitname), zoals beschreven in artikel 36, derde lid van het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk). Tijdelijke uitname is op basis van het Bbk toegestaan zonder verplichte kwaliteitsbepaling, toetsing aan de functie en kwaliteit en meldingsverplichting. Daarnaast is de tijdelijke uitname praktisch toepasbaar binnen de reeds voorziene uitvoeringsmethode. Bij tijdelijke uitname gelden de volgende basisprincipes op grond van wet – en regelgeving: • Functionaliteit (art. 5 Bbk): in de beoogde toepassing is sprake van een nuttige toepassing omdat geen grotere hoeveelheid wordt toegepast dan volgens gangbare maatstaven nodig is voor het functioneren van de toepassing en dat de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waar deze plaatsvindt, of onder de omstandigheden waarin deze plaatsvindt. Het inrichtingsplan is namelijk ontworpen op basis van de aanwezige gebiedseigen grond, op basis van een gesloten grondbalans (m.u.v. de afvoer van bouwgrondstoffen); • Zorgplicht bodem (art. 13 Wbb) en zorgplicht oppervlaktewater (art.
7 Bbk): mocht door een onvoorzien voorval het aanwezige bodemmateriaal toch niet toepasbaar blijken dan wordt dit afgevoerd naar een erkend verwerker (zoals een reiniger of stortplaats). Gelet op de gesloten grondbalans betekent dit dat er dan minder bouwgrondstoffen uit het plangebied afgevoerd kunnen worden. Dit heeft geen effect op de realisatie van het inrichtingsplan en heeft geen negatieve effecten voor de bodem of het oppervlaktewater ten gevolg. In een voorkomend geval wordt hierover gerapporteerd in de jaarlijkse rapportage over de grondbalans in het kader van de Ontgrondingenwetvergunning. • Transport van grond of baggerspecie is bij tijdelijke uitname toegestaan: alle grondtransport ten behoeve van hergebruik vindt plaats binnen de grenzen van plangebied Willemspolder fase 1. Omdat 4
daarbij geen openbare wegen worden gebruikt is het niet nodig dat hierbij schriftelijke bescheiden aanwezig zijn. • Tijdelijke opslag van de grond of baggerspecie is bij tijdelijke uitname toegestaan: en is reeds voorzien in de uitvoeringsmethode van het project. Deze tijdelijke opslag duurt niet langer dan de looptijd van de aanlegwerkzaamheden waarop het tijdelijk verplaatsen of wegnemen is gericht. Volgens de toelichting op het Bbk hoeft deze vorm van tijdelijke opslag niet te worden gemeld, onderzocht of getoetst. Hieronder worden de vier aspecten uit artikel 36, derde lid Bbk, namelijk ‘zonder te zijn bewerkt, ‘onder dezelfde condities’, ‘op en nabij dezelfde plaats” en ‘in dezelfde toepassing’ nader gemotiveerd op basis van de toelichting op het Besluit Bodemkwaliteit (hierna: de toelichting) het Handvat tijdelijke uitname van grond en baggerspecie (Implementatieteam Bbk, werkgroep G&B 7 juli 2010, hierna: het handvat). A. Zonder te zijn bewerkt Er worden geen bewerkingen op het bodemmateriaal uitgevoerd anders dan het grondverzet zelf. Het is mogelijk dat er bijmenging met bijvoorbeeld baksteenresten aanwezig is. Het uitzeven daarvan is niet gericht op milieu hygiënische kwaliteitsverbetering en valt volgens de toelichting en het handvat niet onder de definitie van bewerking zoals bedoeld in artikel 36 Bbk.
De baksteenresten kunnen (in gebroken vorm als puingranulaat) weer als bouwstof worden toegepast. De kwaliteit van de grond en baggerspecie zelf blijft hierdoor onveranderd of zal worden verbeterd. B. Onder dezelfde condities Toetsing aan kwaliteit en functie kan bij toepassing onder dezelfde condities achterwege blijven omdat de betreffende handelingen ter plaatse niet tot (extra) aantasting van de bodem(functie) leiden. De PFAS houdende land- en waterbodem en landbodem van de klasse industrie beperkt zich tot de bovengrond. Het bodemmateriaal wordt onder dezelfde condities toegepast door: • • •
bovengrond weer als bovengrond toe te passen; landbodem weer als landbodem toe te passen; waterbodem weer als waterbodem toe te passen.
Bovengrond Dat de maaiveldhoogten en het waterpeil variëren is een logisch gevolg van de gebiedskenmerken van een uiterwaard. Het gemiddelde waterpeil, dat correspondeert met het gemiddelde grondwaterpeil in de uiterwaard, is 4.50 m+NAP. Voor toepassing onder dezelfde condities als bovengrond is daarom aangehouden dat het materiaal boven de gemiddelde grondwaterstand van 4.50 m+NAP wordt toegepast. Daarmee wordt gewaarborgd dat in de bodem gelijkwaardige condities heersen en er geen sprake is van (extra) aantasting van de bodem(functie). Landbodem en waterbodem Om een onderscheid te maken tussen landbodem en waterbodem in de uiterwaard is gebruik gemaakt van de in de Waterwet aangewezen 'drogere oevergebieden'. Op grond van artikel 6.2, derde lid Waterwet, worden deze gebieden voor de toepassing van dat artikel niet gerekend tot het oppervlaktewaterlichaam waarin zijn gelegen. In deze drogere oevergebieden is voor het waterkwaliteitsaspect de Wet bodembescherming van toepassing. De voormalige steenfabriek en de omliggende terreinen betreffen zogenaamde ‘hoogwaterkerende gronden’, die op de kaartbijlagen bij de Waterregeling zijn aangewezen als drogere oevergebieden. Deze drogere oevergebieden worden beschouwd als landbodem. De te vergraven landbodem, in het kader van de nieuw aan te leggen haven, is weergegeven op kaart 1.
De overige ontgravingen binnen het plangebied vinden plaats in de waterbodem (uiterwaard van de Waal). 5
Uitsnede kaart 1 Drogere oevergebieden
Nadere uitwerking grondbalans Om de toepassing onder dezelfde condities voor project Willemspolder fase 1 te waarborgen is hieronder een nadere uitwerking van de grondbalans uit het MER gemaakt.
MER Figuur 47 Grondbalans Voorkeursalternatief
6
Aanvulling MER Figuur 34 Vakverdeling VKA
Op basis van de grondbalans uit het MER wordt 410.00m3 klei en 155.000m3 overige bovengrond binnen het plangebied toegepast. Een toets op de beschikbare toepassingsruimte wijst uit dat er ruim voldoende toepassingsruimte beschikbaar is in de waterbodem en landbodem, boven de gemiddelde grondwaterstand (4.50 m + NAP). Ook is er voldoende tijdelijke depotruimte beschikbaar (oppervlakte: 4,3 Ha / volume 250.000 m³) om materiaal dat niet direct kan worden toegepast tijdelijk op te kunnen slaan. Het tijdelijk depot is weergegeven op kaart 2. De PFAS houdende land- en waterbodem en landbodem van de klasse industrie beperkt zich tot de bovenste halve meter en de aanwezige zomerkade (aangelegd met bovengrond uit eerdere ontgronding) binnen het plangebied. De grond die vrijkomt bij de nieuw aan te leggen haven (deelgebied G) valt binnen de contour ‘drogere oevergebieden’ is aangemerkt als landbodem. Het overige materiaal betreft waterbodem. Op basis van een nadere uitwerking van de grondbalans uit het MER kan alle PFAS houdende waterbodem bij de herinrichting weer als waterbodem worden verwerkt (boven 4.50 m + NAP) in Vak A t/m D. De PFAS houdende landbodem van de klasse industrie uit vak G kan weer als landbodem worden verwerkt (boven 4.50 m + NAP) in de aan te legen grondwal op het bedrijfsterrein (Vak H).
De tijdelijke uitname is nader in beeld gebracht op de Kaart 3 (‘Tijdelijke uitname PFAS houdende land- en waterbodem en landbodem van de klasse industrie’). In onderstaande tabel is de tijdelijke uitname in hoeveelheden per vak uitgewerkt. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen land- en waterbodem.
7
C. In dezelfde toepassing Artikel 36 Bbk en de toelichting van het Bbk gaan van het begrip “dezelfde toepassing” uit. Met het oog op de controleerbaarheid moeten grond of baggerspecie in dezelfde toepassing worden teruggebracht. Binnen Willemspolder fase 1 wordt de bovenlaag met PFAS en/of van de klasse industrie weer onder dezelfde condities hergebruikt bij de realisatie van het inrichtingsplan. Dat wordt gewaarborgd door bovengrond als bovengrond toe te passen, landbodem weer als landbodem toe te passen en waterbodem weer als waterbodem toe te passen. Onder punt D. wordt dit nader gemotiveerd, waarbij het materiaal ook op of nabij dezelfde plaats wordt toegepast. Daardoor is sprake van hergebruik in dezelfde toepassing. D. Op of nabij dezelfde plaats Indien sprake is van dezelfde toepassing en aan de andere voorwaarden wordt voldaan, dan hoeft de grond of baggerspecie niet precies weer op de plaats van uitname te worden aangebracht. Het bodemmateriaal wordt hergebruikt binnen de duidelijk handhaafbare grenzen van het inrichtingsplan Willemspolder fase 1. Zoals onder punt B. is gemotiveerd vindt hergebruik onder dezelfde condities plaats. Voor het hergebruik vindt geen transport over de openbare weg plaats. Op basis van de ontgrondingenwet-vergunning wordt er planmatig en onder toezicht gewerkt volgens een grondstromenbalans en grondstromenplan.
Daarmee is toepassing op of nabij dezelfde plaats gewaarborgd. Op basis van deze nadere uitwerking van de grondbalans kan alle PFAS houdende land- en waterbodem en landbodem van de klasse industrie tijdelijk worden uitgenomen en op of nabij de plaats van herkomst worden toegepast, zoals beschreven in artikel 36, derde lid van het Besluit bodemkwaliteit. 1.3 Grondbalans, inzet materieel en berekeningen Alle PFAS houdende land- en waterbodem en landbodem van de klasse industrie kan worden hergebruikt binnen het project. Hierin is reeds voorzien in de uitvoeringsmethode van het project. Daarom zijn er geen effecten op de grondbalans, de inzet van materieel en daarvan afgeleide berekeningen zoals stikstof en luchtkwaliteit.
8
2. Stikstof
Op basis van het advies van de commissie heeft nadere afstemming met de provincie Gelderland als vergunningverlener in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) plaatsgehad en is een nieuwe stikstofberekening (zie bijlage 1: LBP/Sight kenmerk: R087286aa.20AXCWA.jdb, d.d. 7 oktober 2021) gemaakt. Daarbij is voor bemesting in de referentiesituatie rekening gehouden met de gebruiksnorm voor stikstof uit dierlijke mest volgens de Europese Nitraatrichtlijn en de Meststoffenwet. Dit is relevant omdat dierlijke mest een hogere emissiefactor heeft dan kunstmest. Hierdoor valt voor een aantal percelen de stikstofemissie in de referentiesituatie lager uit dan waar eerder mee gerekend is. Op aanwijzing van de vergunningverlener Wnb van provincie Gelderland is tevens rekening gehouden met de kengetallen uit de kaart met mestdeelgebieden conform de werkwijze van BIJ12. Ook is in de nieuwe berekening de volledige rijroute van vrachtwagens naar de steenfabriek Schipperswaard meegenomen. Op basis van de nieuwe stikstofberekening is er in de referentiesituatie sprake van een stikstofemissie van 216,04 mol/ha/jaar (was 280,64 mol/ha/jaar in voorgaand onderzoek). De beoogde situatie heeft een stikstofemissie van 71,11 mol/ha/jaar tot gevolg.
Wanneer de ontgrondingsactiviteiten voorbij zijn en er sprake is van een eindsituatie waarbij alleen de bouwgrondstoffen-hub in bedrijf is, daalt de depositie nog enigszins. Op alle overige polygonen van het Natura 2000-gebieden bedraagt het netto-effect ≤0,00 mol/ha/jaar, met uitzondering van 4 hexagonen direct rond het nieuwe bedrijfsterrein. Hier is er in de beoogde situatie sprake van een (lichte) toename van de stikstofdepositie. Het stikstofgevoelige habitattype dat volgens AERIUS hier aanwezig zou zijn is ZGLg11 (Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied). Onderdeel daarvan is leefgebied voor de kwartelkoning, een soort die is aangewezen voor het Natura 2000 gebied. Habitattype ZGLg11 (en leefgebied voor de kwartelkoning als onderdeel daarvan) is in de huidige situatie niet aanwezig en wordt in de toekomstige situatie ook niet ontwikkeld op deze locatie. Daarbij komt dat het Natura 2000 gebied is aangewezen als Vogelrichtlijngebied en niet als Habitatrichtlijngebied. Vooroverleg met de provincie wijst uit dat dit als een onvolkomenheid in het in AERIUS is onderkend. In de volgende versie van AERIUS wordt het stikstofgevoelige habitattype ZGLg11 op deze plaats uit het model verwijderd. Daarmee kan de conclusie worden getrokken dat er geen significant negatieve effecten vanuit stikstofdepositie optreden.
In dit addendum is ervoor gekozen om de aanpassing van AERIUS niet af te wachten maar ecologische effecten op Natura 2000-gebieden conform het huidige model te beoordelen. Hiertoe is nader advies gevraagd aan de betrokken ecoloog van SOVON. Op basis van het inrichtingsplan vindt in de toekomstige situatie ontwikkeling van droog hardhoutooibos (habitattype H91F0) plaats. In de worst case zou er een kwaliteitsbeperkend effect op dit habitattype kunnen zijn, maar omdat er geen sprake is van een Habitatrichtlijngebied is er ook geen effect op instandhoudingsdoelstellingen. Voor zover relevant wordt opgemerkt dat de kritische depositiewaarde (KDW) voor habitattype H91F0 in de toekomstige situatie niet wordt overschreden. De hoogst optredende totale depositie in 9
de beoogde situatie (= achtergronddepositie + depositie door activiteiten van de beoogde situatie) bedraagt 1.780 mol N/ha/jaar en ligt daarmee ruim onder de KDW van 2.071 mol N/ha/jaar voor droge hardhoutooibossen. Significant negatieve effecten nu en in toekomst zijn daardoor uit te sluiten. Uitgaande van de nieuwe stikstofberekening is er geen sprake van een significant nadelig effect voor Natura 2000 gebieden. De aanvullende berekeningen hebben geen invloed op het resultaat van de passende beoordeling uit het MER. Er is sprake van een legale beoogde situatie in het kader van de Wet Natuurbescherming. De resultaten hebben geen invloed op de fasering van de werkzaamheden.
10
Willemspolder fase 1 Onderzoek stikstofdepositie
Opdrachtgever Dekker Groep Contactpersoon Kenmerk R087286aa.20AXCWA.jdb Versie 02_001 Datum 7 oktober 2021 Auteur
Kelvinbaan 40, 3439 MT Nieuwegein | Postbus 1475, 3430 BL Nieuwegein | T (030) 231 13 77 | F (030) 234 17 54 E info@lbpsight.nl | www.lbpsight.nl | IBAN: NL62 RABO 036 42 36 558 | KvK 30073990 | BTW NL007076083B01
Inhoudsopgave
1
Inleiding ...................................................................................................................................... 3 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
2
Effectbepaling beoogde situatie .............................................................................................. 7 2.1 2.2
2.3
2.4 3
Algemeen .......................................................................................................................... 3 Locatie ten opzichte van Natura 2000-gebied .................................................................. 5 Onderzoeksopzet en -aanpak ........................................................................................... 6 Rekenmethode .................................................................................................................. 6 Leeswijzer ......................................................................................................................... 6
Beschouwde activiteiten ................................................................................................... 7 Emissies door ontgronding ............................................................................................... 7 2.2.1 Mobiele werktuigen droge winning (AERIUS-bron 1) .......................................... 7 2.2.2 Scheepverkeer (AERIUS-bronnen 2 en 3) en vrachtverkeer (AERIUS-bronnen 4 en 5) 8 Emissies door bouwgrondstoffen-hub en natte winning ................................................. 10 2.3.1 Mobiele werktuigen bouwgrondstoffen-hub (AERIUS-bron 6) ........................... 10 2.3.2 Scheepsverkeer t.b.v. natte winning, bouwgrondstoffen-hub en overnachten (AERIUS-bron 7) ............................................................................................................. 11 2.3.3 Wegverkeer (AERIUS-bron 8)............................................................................ 12 Rekenmodel beoogde situatie en vaststelling referentiejaar .......................................... 12 2.4.1 Controleberekening wegverkeer ........................................................................ 13
Effectbepaling referentiesituatie ........................................................................................... 15 3.1 3.2
3.3 3.4 3.5
Relevante emissiebronnen ............................................................................................. 15 Emissies door bemesting ................................................................................................ 15 3.2.1 Bepaling toegestaan gebruik ............................................................................. 15 3.2.2 Wijze van kwantificeren ...................................................................................... 16 3.2.3 NH3-emissie per perceel (AERIUS-bronnen 1 tot en met 16) ............................ 16 Emissies door agrarische werktuigen (AERIUS-bronnen 17 tot en met 32) .................. 17 Verantwoording gecontinueerd gebruik .......................................................................... 17 Rekenmodel voor referentiesituatie ................................................................................ 20
4
Resultaten salderingsberekening .......................................................................................... 22
5
Hoofdconclusies ..................................................................................................................... 25
Bijlagen AERIUS-uitvoerbestand beoogde situatie (VKA) AERIUS- uitvoerbestand controleberekening verkeer tot 5km AERIUS-uitvoerbestand Referentiesituatie AERIUS-uitvoerbestand verschilberekening Beoogd (VKA) - Referentie
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
2
1
Inleiding
1.1
Algemeen
Voorliggend onderzoek is opgesteld als onderdeel van de milieueffectrapportage (hierna: de m.e.r. (procedure)/het MER (rapport)) voor de herinrichting van Willemspolder fase 1. In dit rapport wordt het effect van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden nader onderzocht. Naast dat dit rapport een bijlage bij het MER vormt, vormt het een zelfstandig leesbaar rapport, mede ten behoeve van vergunningaanvragen Ontgrondingenwet/Waterwet/Natuurbeschermingswet/omgevingsvergunning onderdeel milieu en/of als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing van het bestemmingsplan. Het project beoogt de delfstoffenwinning mogelijk te maken waarna het gebied wordt ingericht voor hoogwaterveiligheid, natuurontwikkeling, recreatie, landschapsinrichting, duurzaamheid en mobiliteit. De Willemspolder vormt een uiterwaard rond de Waal. Samen met de Gouverneurspolder maakt de Willemspolder deel uit van de Midden-Waal. Willemspolder Fase 1 betreft het plangebied vanaf de Nieuweweg in IJzendoorn tot circa 500 m voor de Prins Willem-Alexanderbrug in Echteld. Fase 2 en 3 betreffen de resterende Willemspolder tot aan het Amsterdam Rijn-kanaal en de Gouverneurspolder. Op korte termijn kiest Dekker Grondstoffen BV (hierna Dekker) ervoor om eerst Willemspolder fase 1 te realiseren. Plan Dekker heeft een gebiedsvisie voor de inrichting van de Midden-Waal opgesteld.
De visie komt voort uit de wens van Dekker om haar eigendommen in dit gebied in te zetten voor toekomstige projecten op het vlak van bouwgrondstoffenvoorziening in combinatie met de maatschappelijke opgaven. De ambitie is het agrarisch areaal om te vormen tot riviernatuur zoals stroomdalgrasland en ooibos en de gebieden in te richten en open te stellen voor recreanten. Daarnaast krijgt het bestaande bedrijfsterrein een nieuwe duurzame invulling. Randvoorwaarden voor de ontwikkeling zijn aanvaardbare milieueffecten en een positieve bijdrage aan de lokale leefomgeving. Het plan gaat uit van de aanleg van hoogwatergeulen die qua schaal in lijn zijn met de al aanwezige plassen in het gebied. Op deze plaatsen wordt dieper water toegestaan ten gunste van de bouwgrondstoffenvoorziening. Daarnaast worden ondiepere stromende geulen aangelegd om de ecologische waterkwaliteit te verbeteren. Doel is om in lijn met de programmatische aanpak grote wateren ‘toekomstbestendige grote wateren te creëren waar hoogwaardige natuur goed samengaat met een krachtige economie’. Gebied Willemspolder fase 1 grenst direct aan het kantoor van Dekker aan de Waalbandijk 1 in IJzendoorn. De Nieuweweg vormt als het ware een scheidingsdam tussen de overnachtingshaven van Rijkswaterstaat en de voormalige zandwinplassen (Oostplas en Westplas).
Deze plassen worden door twee landtongen verdeeld en staan door een open verbinding (invaart) met de Waal in contact. De Nieuweweg ontsluit het bedrijfsterrein aan de Waal, een voormalige steenfabriek met bedrijfswoning, kantoor en op- en overslagfaciliteiten.
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
3
Een deel van het bedrijfsterrein is rond 1975 legaal opgehoogd met zogenaamde pyrietslakken. Aan de oostzijde van het bedrijfsterrein is in het verleden bouw- en sloopafval gedeponeerd. Deze deellocaties worden beschouwd als voormalige stortplaatsen. Naast de Waalbandijk, die de primaire waterkering vormt, is in het plangebied een zomerkade als secundaire waterkering aanwezig. Tussen de Waalbandijk en de Waardweg liggen twee poelen, genaamd 1e en 2e Run. Ter hoogte van de Heersweg en Koepelweg ligt een derde zandwinplas die ’t Spijker wordt genoemd. Tussen de Waal en de zomerkade ligt een natuurlijke oeverwal. De westelijke begrenzing van het plangebied op circa 500 meter van de Prins Willem-Alexanderbrug is gekozen op basis van de eigendomspositie van Dekker.
Figuur 1.1 Overzicht plangebied en omgeving 1: 2: 3: 4: 5: 6: 7: 8: 9: 10: 11: 12:
Overnachtingshaven RWS Toegangsweg kantoor Dekker Kantoor Dekker Kern IJzendoorn Nieuweweg Poelen 1e en 2e Run Waardweg Oostplas Voormalige stortplaats Bedrijfsterrein voormalige steenfabriek Landtongen Pyrietslakkenstort
13: Westplas 14: Invaart 15: Dijkzone 16: Zomerkade 17: Koepelweg 18: Heersweg 19: Plas ’t Spijker 20: Oeverwal 21: Waal 22: Waalbandijk 23: Prins Willem-Alexanderbrug
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
4
Wijze van onderzoek De systematiek voor de MER en het onderzoek is als volgt opgebouwd: 1. Referentiesituatie, de huidige situatie van het plangebied met de autonome ontwikkelingen vormen samen de referentiesituatie. 2. Basisalternatief, in de afgelopen jaren is de nodige voorbereiding getroffen om een plan voor de uitvoering op te stellen, ook wel het basisalternatief genoemd. 3. Voorkeursalternatief, het basisalternatief wordt geoptimaliseerd aan de hand van vijf doelstellingen. Per doelstelling zijn diverse optimalisaties en alternatieven geïnitieerd. De optimalisaties en alternatieven zijn in een expertmeetings beoordeeld op haalbaarheid en milieueffecten (zie het MER voor deze resultaten). Daarbij zijn conflicterende belangen in beeld zijn gebracht. Hieruit is het voorkeursalternatief (VKA) gevormd. In dit rapport wordt het VKA kwantitatief beoordeeld, en betreft tevens de aan te vragen situatie (= beoogde situatie). 4. Tijdelijke situatie en Gebiedsvisie Midden-Waal, tenslotte wordt ook een beoordeling van de tijdelijke situatie tijdens de realisatie en het VKA als onderdeel van de gebiedsvisie MiddenWaal gemaakt. In het onderstaande schema is deze werkwijze geschematiseerd. Schematisch overzicht werkwijze
Referentie situatie: bestaande situatie + autonome ontwikkeling
1.2
Basis alternatief
Optimalisaties
Varianten
Bouwgrondstoffenbehoefte
Bouwgrondstoffenbehoefte
Hoogwaterveiligheid
Hoogwaterveiligheid
Natuurontwikkeling
Natuurontwikkeling
Landschapsinrichting en recreatie Duurzaamheid en mobiliteit
Landschapsinrichting en recreatie Duurzaamheid en mobiliteit
Voorkeurs alternatief (VKA)
Tijdelijke situatie
Gebiedsvisie Midden-Waal (incl. VKA
Locatie ten opzichte van Natura 2000-gebied
Het projectgebied Willempolder is omgeven door Natura 2000-gebied Rijntakken. Dit gebied strekt zich uit van de grens met Duitsland langs de vertakkingen van de Rijn naar het Ketelmeer, richting de Lek en langs de Waal tot Zaltbommel/Waardenburg.
Figuur 1.2 Aanduiding van de locatie van de Willemspolder (rode stip) en Natura 2000-gebied (groen)
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
5
1.3
Onderzoeksopzet en -aanpak
In dit onderzoek zijn voor het aspect stikstofdepositie de volgende vragen beantwoord: 1. Is er sprake van een vergunningplicht ingevolge de Wet natuurbescherming? Hiervoor is het nodig de stikstofemissies door de beoogde activiteiten in kaart te brengen en te modelleren in het rekenprogramma AERIUS. Aan de hand van de rekenresultaten wordt bepaald of er sprake is van een bijdrage. Als er een bijdrage is >0,00 mol N/ha/jaar is, is er sprake van vergunningplicht. 2. Zo ja, is er mogelijkheid te salderen met reeds bestaande activiteiten die onherroepelijk komen te vervallen door het voorgenomen project? Het kan zijn dat er op de locatie reeds activiteiten uitgevoerd worden die stikstofdepositie veroorzaken. Door de verandering van gebruik kunnen deze activiteiten komen te vervallen omdat ze niet samen uitgevoerd kunnen worden. In dat geval wijken de bestaande activiteiten ten gunste van de beoogde activiteiten. Het is daarom noodzakelijk om van deze activiteiten de stikstofemissies te kwantificeren. 3. Zo ja, is de netto-depositie kleiner of hooguit gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar? Hiervoor is het nodig om de beoogde situatie modelmatig in AERIUS af te zetten tegen de situatie van activiteiten die komt te vervallen.
Ondanks dat de beoogde situatie een depositie-effect kan veroorzaken, bestaat de mogelijkheid dat het depositie-effect na aftrek van de vervallen activiteiten kleiner is dan voorheen. Wanneer dit het geval is, is er per saldo geen toename en daarmee geen significant negatieve effecten. Samen levert deze onderzoeksopzet een beeld op van het te verwachten effect, de haalbaarheid om een vergunning aan te vragen en de verandering in depositie op geaffecteerde stikstofgevoelige natuur.
1.4
Rekenmethode
Voor de uitvoer van de berekeningen is de AERIUS Calculator gebruikt (versie 2020).
1.5
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 zijn de emissies door de beoogde situatie gekwantificeerd. Hier volgt een tussenconclusie uit en wordt bepaald of er sprake is van vergunningplicht. In het navolgende hoofdstuk volgt een vergelijking met de referentiesituatie. Samen vormt dit een vergelijking waarmee door een verschilberekening een netto-effect bepaald is. Hier volgt de hoofdconclusie uit.
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
6
2
Effectbepaling beoogde situatie
2.1
Beschouwde activiteiten
In de beoogde situatie worden de volgende activiteiten beschouwd: Ontgronding - Mobiele werktuigen ter ondersteuning van de ontgronding. De zuig- en klasseerinstallatie zijn elektrisch en vormen daarmee geen relevante activiteit voor het aspect stikstofdepositie. - Scheepvaart vanaf de projectlocatie tot de Waal. Schepen worden gebruikt om het gewonnen materiaal af te voeren. De verwachting is dat 90% van het af te voeren materiaal per schip zal plaatsvinden. - Vrachtverkeer vanaf de projectlocatie naar elders. De verwachting is dat 10% van het af te voeren materiaal per as wordt vervoerd. - Voor de overslag op de projectlocatie worden ook vrachtwagens ingezet. Bouwgrondstoffen-Hub - Dekker is van plan binnen het projectgebied een bouwgrondstoffen-hub te realiseren. Hiermee kan een efficiënte toelevering voor onder andere de bouwsector en grondstoffenverwerkende industrie in Nederland worden gerealiseerd. Hier worden mobiele werktuigen bij gebruikt. - Voor de aan- en afvoer van bouwgrondstoffen wordt zoveel mogelijk gebruikgemaakt van schepen. In onderstaande paragrafen wordt ingegaan op de emissiekwantificering die bij de hierboven genoemde activiteiten horen.
2.2
Emissies door ontgronding
2.2.1 Mobiele werktuigen droge winning (AERIUS-bron 1) Sinds de eerste berekeningen1 is een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar gekomen (AERIUS 2020). Met de release van de huidige versie is een aanzienlijke aanpassing gedaan aan de tabellen met emissiekengetallen die onderdeel uitmaken van de AERIUS-calculator. Hierbij zijn ook getallen voor ammoniakemissie (NH3) opgenomen. Onderhavig onderzoek is daarop aangepast. De droge winning betreft een ontgraving en gedeeltelijke afvoer van 1.050.000 m 3 klei en 155.000 m3 bovengrond. Tijdens de natte winning worden alleen elektrisch aangedreven werktuigen ingezet (zuiger en klasseerinstallatie). Voor de afvoer wordt gebruikgemaakt van schepen. Deze zijn in AERIUS-bron 7 opgenomen. In figuur 2.1 is de grondbalans voor de droge winning weergegeven.
1
Willemspolder fase 1 in Willemspolder - Stikstofdepositie. LBPSIGHT rapport R087286aa.20AXCWA.jdb van 28 september 2020
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
7
Figuur 2.1 Grondbalans (VKA) We benadrukken dat deze machines alleen worden ingezet tijdens de droge winning die voorafgaat aan de natte winning. De bepalende machine voor de inzetduur is de hydraulische graafmachine. Per dag kan 2.500 m3 verwerkt worden. Bij afvoer en verzet van 640.000 m3 in totaal betekent dit dat er jaarlijks circa 40 werkdagen voor de mobiele werktuigen zijn. In tabel 2.1 zijn de aangepaste emissiegegevens opgenomen. Tabel 2.1 Emissiekwantificering mobiele werktuigen – droge ontgronding ter verwerking in gebied Hydraulische graafmachine
Wiellader
Bulldozer
Volvo 380E
Volvo L90H
CAT D6T
Brandstof
Diesel
Diesel
Diesel
Vermogen (kW)
226
137
149
Belasting (bron: AERIUS)
69%
55%
55%
Draaiuren/jaar
400
320
320
0,8 (bouwjaar: ≥2015)
0,9 (bouwjaar: ≥2015)
0,9 (bouwjaar: ≥2015)
49,9
27,1
29,5
Type
Emissiefactor (gram NOx/kWh) (bron: AERIUS) Jaarvracht NOx (kg) Emissiefactor (gram NH3/kWh) (bron: AERIUS) Jaarvracht NH3 (kg)
0,00241 (bouwjaar: ≥2015) 0,2
0,00283 (bouwjaar: ≥2015) 0,00283 (bouwjaar: ≥2015) 0,1
0,1
Zoals te zien in bovenstaande tabel is voor de mobiele werktuigen uitgegaan van relatief nieuw materieel. Het gemiddelde mobiele werktuig in Nederland kan ouder zijn dan bovengenoemd. Dekker zal echter alleen materieel inzetten dat minimaal aan de Europese Stage IV-emissienorm voldoet. Dit zijn machines die vanaf circa 2014/2015 op de markt zijn gekomen. 2.2.2 Scheepverkeer (AERIUS-bronnen 2 en 3) en vrachtverkeer (AERIUS-bronnen 4 en 5) Dit betreffen de scheepvaartbewegingen en vrachtautobewegingen ten behoeve van de droge winning. In onderstaande tabellen is de kwantificering van vervoersbewegingen opgenomen.
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
8
Tabel 2.2 Kwantificering afvoer per schip (droge winning) Afvoer van klei uit plangebied
Kwantificering
Totale afvoer van klei
640.000 m3
Totale afvoer van klei
1.024.000 ton
90% afvoer per schip
921.600 ton
Laadcapaciteit schepen (type M8)
2.500 ton
Totaal aantal scheepsladingen
368
Gem. aantal scheepsladingen per jaar (over 6 jaar)
61
Gem. aantal scheepvaartbewegingen per jaar (over 6 jaar)
122
Gem. aantal scheepvaartbewegingen per jaar (over 6 jaar, oost) Gem. aantal scheepvaartbewegingen per jaar (over 6 jaar, west)
62 60
Tabel 2.3 Kwantificering afvoer per vrachtauto (droge winning) Afvoer van klei uit plangebied
Kwantificering
Totale afvoer van klei
640.000 m3
Totale afvoer van klei
1.024.000 ton
10% afvoer per vrachtauto
102.400 ton
Laadcapaciteit vrachtauto
30 ton
Totaal aantal vrachtautoladingen
3.413
Gem. aantal vrachtwagenladingen per jaar (over 6 jaar)
569
Gem. aantal vrachtwagenbewegingen per jaar (over 6 jaar)
1.138
Tabel 2.4 Kwantificering vrachtauto voor verwerking in het gebied (droge winning) Afvoer van klei uit plangebied
Kwantificering
Totale verwerking van klei
410.000 m3
Totale verwerking van klei
656.000 ton
Laadcapaciteit vrachtauto
30 ton
Totaal aantal vrachtautoladingen (bij 100% per as)
21.867
Gem. aantal vrachtwagenladingen per jaar (over 6 jaar)
3.644
Gem. aantal vrachtwagenbewegingen per jaar (over 6 jaar)
7.289
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
9
De huidige versie van AERIUS is niet meer in staat om te rekenen met Europese emissienormen voor wegverkeer (Euro-klassen). Dit heeft ertoe geleid dat in de aangepaste berekening is uitgegaan van gemiddelde emissiegetallen voor wegverkeer. Ook is het rekenjaar aangepast van 2020 naar 2021 omdat niet eerder dan in 2021 gestart wordt met de werkzaamheden. De verwachting is dat in de toekomst emissies als gevolg van wegverkeer verder dalen. Door uit te gaan van 2021 worden voor deze emissiebronnen uitgegaan van een worstcasescenario.
2.3
Emissies door bouwgrondstoffen-hub en natte winning
2.3.1 Mobiele werktuigen bouwgrondstoffen-hub (AERIUS-bron 6) Voor de bouw en het gebruik van de bouwgrondstoffen-hub worden mobiele werktuigen ingezet. In het rapport werd al uitgegaan van volledig gebruik van de hub. Zolang deze nog niet geheel in gebruik is, kan er sprake zijn van bouwen. Het uitgangspunt is dat de bouwactiviteiten beperkt blijven tot het bouwen van hallen/loodsen met kleine kantoorvoorzieningen en terreininrichting. Het gebruik van mobiele werktuigen blijft hierbij beperkt tot enkele dagen/weken. Daarom wordt aangenomen dat de bouw- en aanlegactiviteiten passen binnen de uren die al opgenomen zijn in de berekening voor het volledig in bedrijf zijn van de hub. In figuur 2.2 is een schets weergegeven van de inrichting van de hub.
Op het bedrijfsterrein worden de volgende activiteiten uitgevoerd: 1. Haven voor scheepvaart, onderwateropslag/overslag/bewerking bouwgrondstoffen 2. Depot voor opslag bouwgrondstoffenopslag op land 3. Opslag materieel/duurzame startups op buitenterrein
4. Bedrijfshal voor ondersteunende bedrijfsactiviteiten en duurzame startups 5 en 6. Resterend terrein voor logistiek, opslag en parkeren
Figuur 2.2 Inrichtingsschets bouwgrondstoffen-hub (VKA) Omdat het gaat om mobiele werktuigen, geldt voor deze bron dat de emissiekwantificering aangepast moet worden voor de meest recente emissiekengetallen. In tabel 2.5 is de nieuwe emissiekwantificering opgenomen. Tabel 2.5 Emissiekwantificering mobiele werktuigen – bouwgrondstoffen-hub Hydraulische graafmachine op Intern transport terrein AERIUS graafmachine, AERIUS wiellader, 200 AERIUS graafmachine, AERIUS kiepbak, 280 150 kW, >2015 kW, >2015 150 kW, >2015 kW, >2014 Hydraulische kraan overslag
Type
Wiellader
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
10
Hydraulische kraan overslag
Wiellader
Hydraulische graafmachine op terrein
Intern transport
Brandstof
Diesel
Diesel
Diesel
Diesel
Vermogen (kW)
150
200
150
280
Belasting (bron: AERIUS)
69%
55%
69%
84%
Draaiuren/jaar
2.500
2.500
2.500
7.500 (3 stuks)
Emissiefactor (gram NOx/kWh) (bron: AERIUS)
0,8
0,9
0,8
0,9
Jaarvracht NOx (kg)
207,0
247,5
207,0
1587,6
Emissiefactor (gram NH3/kWh) (bron: AERIUS)
0,00251
0,00271
0,00251
0,00236
0,7
0,8
0,7
4,2
Jaarvracht NH3 (kg)
Ook hier wordt uitgegaan van relatief nieuw materieel. Buiten dat het de ambitie is van Dekker om modern materieel in te zetten, is tegen de tijd dat de realisatie daadwerkelijk van start gaat met grote waarschijnlijkheid sprake van een alom vertegenwoordiging van Stage IV- of moderner materieel. 2.3.2
Scheepsverkeer t.b.v. natte winning, bouwgrondstoffen-hub en overnachten (AERIUS-bron 7) De bouwgrondstoffen-hub wordt voornamelijk per schip ontsloten. Er zullen schepen zijn die gebruikmaken van bouwgrondstoffen-hub, maar kunnen ook schepen zijn die komen overnachten, of komen laden aan de Emmy/Yvonne. In tabel 2.6 is de kwantificering van scheepsverkeer opgenomen. Tabel 2.6 Kwantificering van scheepsverkeer Scheepsverkeer
Natte winning
Bouwgrondstoffenhub
Overnachten
Kwantificering Productie Emmy/Yvonne per jaar
1.000.000 ton
Laadvermogen per schip (type M8)
2.500 ton
Aantal schepen per jaar
400
Aantal bewegingen per jaar
800
Verladingscapaciteit per jaar
500.000 ton
Laadvermogen per schip (type M8)
2.500 ton
Aantal schepen per jaar
200
Aantal bewegingen per jaar
400
Verwacht aantal bezoeken per etmaal
2
Gemiddeld scheepstype
M8
Verwacht aantal bezoeken per jaar
730
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
11
Scheepsverkeer
Totaal
Kwantificering Aantal bewegingen per jaar
1.460
Aantal scheepvaartbewegingen per jaar
2.660
In de haven komt een walstroomvoorziening en bij overnachten komen schepen langszij de elektrische winwerktuigen Emmy/Yvonne. De schepen kunnen voor de stroomvoorziening op deze winwerktuigen aansluiten. Hierdoor zal geen sprake zijn van ligemissies. 2.3.3 Wegverkeer (AERIUS-bron 8) De bouwgrondstoffen-hub wordt voornamelijk per schip ontsloten toch zal sprake zijn van wegverkeer. Het uitgangspunt hierbij is dat er 13 personenauto’s en 1 vrachtauto per dag de hub bezoeken. Dit leidt tot 26, respectievelijk 2 bewegingen per etmaal. Deze zijn gemodelleerd vanaf het voormalige fabrieksterrein naar de Waalbandijk.
2.4
Rekenmodel beoogde situatie en vaststelling referentiejaar
Aan de hand van de emissiekwantificering is een AERIUS-model aangepast. In figuur 2.3 is dat model weergegeven. In de beoogde situatie vindt een jaarlijkse emissie plaats van circa 2,9 ton NOx en <0,1 ton NH3. Voor de beoogde situatie is in tabel 2.7 de maximale depositie per gebied weergegeven, zie ook bijlage I. Tabel 2.7 Maximaal effect per gebied Max. depositie (mol N/ha/jaar)
Referentiejaar
Rijntakken
71,16
2000 (1996*)
Veluwe
0,04
2000
Binnenveld
0,02
2000
Kolland en Overlangbroek
0,02
2004
Landgoederen Brummen
0,01
2004
Sint Jansberg
0,01
2004
0,01
2004
0,01
2004
0,01
2004
0,01
2004
Natura 2000-gebied
Lingegebied & DiefduikZuid Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen De Bruuk
* Voor het deel ‘De Kil van Hurwenen en omstreken’ geldt dat het referentiejaar 1996 is.
De belangrijkste conclusie die uit bovenstaande resultaten volgt is dat er sprake is van een effect door stikstofdepositie als gevolg van de activiteiten door de beoogde situatie. In het volgende hoofdstuk wordt bezien of door intern salderen sprake is van een ‘resteffect’ en of er
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
12
vergunningplicht ingevolge de Wet natuurbescherming bestaat.
Figuur 2.3 Gehanteerd AERIUS-model (beoogde situatie = VKA)
2.4.1
Controleberekening wegverkeer
In een recente uitspraak van de Raad van State2 is geconcludeerd dat de huidige versie van AERIUS Calculator de depositiebijdrage door wegverkeer op een afstand van meer dan 5 km vanaf de bron niet meerekent. Dit zou kunnen betekenen dat de berekende depositiebijdrage van de totale gebruiksfase mogelijk te laag is in Natura 2000-gebieden die op afstanden van meer dan 5 km zijn gelegen van de bronnen. Om dit te controleren zijn, op basis van de ‘Handreiking3 - Bepalen depositie-effect wegverkeer binnen 5 km’, berekeningen uitgevoerd van de beoogde situatie, ter hoogte van rekenpunten op 3, 4, 5 km (4,99 km) afstand vanaf de wegverkeerbronnen. De locatie van de rekenpunten is in figuur 2.4 weergegeven. De resultaten van deze controleberekening zijn opgenomen in bijlage II. Uit deze bijlage blijkt dat de reikwijdte van de depositie van het verkeer niet groter is dan 3 km, aangezien de berekende deposities op de rekenpunten in bijlage II vanaf 3 km alle 0,00 mol N/ha/jaar zijn. Enige stikstofdepositie door de verkeersbewegingen op grotere afstand dan ca. 5 km van de verkeersbronnen kan dus worden uitgesloten. Daarmee zijn de resultaten voor de beoogde situatie accuraat.
2 3
Afdeling bestuursrechtspraak, Raad van State, Uitspraak 201702813/1/R3 van 20 januari 2021 Het betreft een handreiking om de geschiktheid van de AERIUS berekening met verkeersbronnen te beoordelen. De handreiking heeft geen wettelijke status.
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
13
Figuur 2.4 Rekenpunten gelegen op 3, 4, en 5 km van de rijroute.
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
14
3
Effectbepaling referentiesituatie
Uit het voorgaande hoofdstuk is gebleken dat het jaar 2000 het vroegste referentiejaar is. Dit betekent dat er geen geaffecteerde Natura 2000-gebieden aangewezen zijn vóór dat jaar. Er zijn wel gebieden na die tijd aangewezen. Het is van belang om de laagst mogelijk vergunde situatie in beeld te brengen vanaf het moment van aanwijzing.
3.1
Relevante emissiebronnen
Voor de referentiesituatie is het van belang de relevante bronnen te selecteren. Hiervoor geldt dat een groot gedeelte van het gebied momenteel gebruikt wordt als landbouwgebied. Op landbouwgronden is bemesting mogelijk. Voorts is het voor landbouwgebieden noodzakelijk dat ze bewerkt worden. Dit gebeurt doorgaans met tractoren. Door de verbranding van diesel komt hier stikstof bij vrij. De bouwgrondstoffen-hub is gesitueerd op een voormalig steenfabrieksterrein. Dit betreft een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer waar een vergunning voor afgegeven is. Hiermee kan gesaldeerd worden mits er nog steeds sprake is van een gerealiseerde capaciteit die zonder aanvullende vergunningen weer in gebruik genomen kan worden. De steenfabriek is in een dusdanige staat dat zonder omgevingsvergunning voor de herbouw van het pand niet gestart kan worden met de productie. Daarom is besloten de emissies van de steenfabriek niet in dit onderzoek op te nemen. In de referentiesituatie worden daarom de volgende activiteiten beschouwd: Bemesting Agrarische gronden mogen bemest worden. Bemesting zorgt voor stikstofemissie in de vorm van NH3. Gebruik van agrarische werktuigen Op agrarische gronden wordt doorgaans gebruikgemaakt van tractoren. Door het verbrandingsproces komen stikstofemissies vrij in de vorm van NOx.
In onderstaande paragrafen wordt ingegaan op de emissiekwantificering die bij de hierboven genoemde activiteiten horen.
3.2
Emissies door bemesting
3.2.1 Bepaling toegestaan gebruik Bemesting van landbouwgronden is toegestaan. Dit is geregeld in Artikel 8 van de Meststoffenwet. Dit artikel heft de verbodsbepaling uit Artikel 7 op door te stellen dat bemesting van landbouwgronden is toegestaan mits de stikstofgebruiksnorm niet overschreden wordt.
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
15
3.2.2 Wijze van kwantificeren Voor de wijze van kwantificeren van de ammoniakemissie per perceel, wordt gebruik gemaakt van de methode op basis van kengetallen van de Rijksoverheid 4. De kengetallen zijn afgeleid van de INITIATOR-data van RIVM en zijn een naar agrarische regio´s herleid gemiddelde, met in achtneming van de stikstofgebruiksnorm. Voor de agrarische regio waar het plangebied betrekking op heeft geldt een kengetal5 van 34,05 kg ammoniak/ha/jaar 3.2.3 NH3-emissie per perceel (AERIUS-bronnen 1 tot en met 16) In tabel 3.1 zijn de NH3-emissie gekwantificeerd aan de hand van de oppervlakte en het bovengenoemde kengetal. De emissies zijn gemodelleerd als een vlakbron in AERIUS, waarbij zo veel mogelijk de specifieke vormen van de percelen gerespecteerd zijn. Tabel 3.1 Emissiekwantificering bemesting in kg NH3/jaar AERIUS-bron
Perceel X,Y (RD)
Oppervlakte (ha)
NH3-emissie (kg/jaar)
1
163772, 434392
7,897
268,9
2
164172, 434067
5,005
170,4
3
163766, 434174
1,996
68,0
4
163947, 434045
2,260
77,0
5
163852, 433956
5,753
195,9
6
163525, 433904
2,159
73,5
7
163340, 433985
8,727
297,2
8
163525, 434035
4,398
149,8
9
163255, 433770
1,769
60,2
10
163556, 434560
3,220
109,6
11
163704, 434548
4,196
142,9
12
163865, 434613
3,264
111,1
13
164050, 434684
4,067
138,5
14
164251, 434807
0,288
9,8
15
164413, 434960
4,217
143,6
16
164851, 435129
0,920
31,3
4 5
Zie onder vraag 22 van https://www.bij12.nl/onderwerpen/stikstof-en-natura2000/veelgestelde-vragen/ https://www.bij12.nl/emissie-bemesting/#14/51.8987/5.5241
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
16
3.3
Emissies door agrarische werktuigen (AERIUS-bronnen 17 tot en met 32)
Op landbouwgronden worden landbouwmachines gebruikt zoals tractoren. Deze stoten NOxemissies uit. Er kan een verbruik van 135 liter diesel per hectare per jaar worden aangehouden 6. Samen met de al bekende perceelgroottes kan het dieselverbruik per perceel worden bepaald. Dit is opgenomen in tabel 3.2. De emissies zijn gemodelleerd als een vlakbron in AERIUS, waarbij zo veel mogelijk de specifieke vormen van de percelen gerespecteerd zijn. Tabel 3.2 Dieselverbruik agrarische werktuigen Perceel X,Y
Oppervlakte (ha)
Liters/jaar
Motor
17
163772, 434392
7,8969
1.066
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
18
164172, 434067
5,0046
676
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
19
163766, 434174
1,9959
269
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
20
163947, 434045
2,2603
305
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
21
163852, 433956
5,7525
777
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
22
163525, 433904
2,1592
291
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
23
163340, 433985
8,7271
1.178
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
24
163525, 434035
4,3981
594
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
25
163255, 433770
1,7689
239
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
26
163556, 434560
3,22
435
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
27
163704, 434548
4,1957
566
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
28
163865, 434613
3,2639
441
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
29
164050, 434684
4,0673
549
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
30
164251, 434807
0,2882
39
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
31
164413, 434960
4,2173
569
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
32
164851, 435129
0,9202
124
AERIUS standaard STAGE III, 75-130 kW, Cat. M
AERIUS-bron
3.4
Verantwoording gecontinueerd gebruik
Er moet aangetoond worden dat de landbouwpercelen tijdens het eerste referentiejaar (1996) al gerealiseerde capaciteit was. Aan de hand van onderstaande kaartuitsnede is dat aangetoond. De bron een topografische kaart uit 1996 waar de lichtgroene kleur landbouwareaal betreft.
6
AgentschapNL. (2012, december). Dieselbesparing in de melkveehouderij - Kansen op energiebesparing in de melkveehouderij. Opgeroepen op 3 augustus 2020, van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
17
Figuur 3.1 Topografische kaart Willemspolder 1996 De beeldbank van Rijkswaterstaat bevat luchtfoto’s van de Willemspolder die laten zien dat er sprake was van agrarisch gebruik.
Figuur 3.2 Luchtfoto van de Willemspolder, gezien vanuit het oosten, gemaakt op 28 juni 1995 (bron: https://beeldbank.rws.nl/MediaObject/Details/118927)
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
18
Figuur 3.3 Luchtfoto van de Willemspolder, gezien vanuit het westen, gemaakt op 6 september 1996 (bron: https://beeldbank.rws.nl/MediaObject/Details/142419) In Google Earth is van het gebied een historische luchtfoto uit 1985 opgenomen. Het gebied was destijds minder ontwikkeld dan nu, maar het laat wel zien dat op de percelen die ingezet worden voor intern salderen sprake was van agrarisch gebruik.
Figuur 3.4 Luchtfoto van de Willemspolder, situatie 1985 (bron: Google Earth)
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
19
3.5
Rekenmodel voor referentiesituatie
Aan de hand van de emissiekwantificering in dit hoofdstuk is het AERIUS-model voor de referentiesituatie opgesteld. In figuur 3.5 is de geografische weergave van het AERIUS-model opgenomen. Dit betreft de referentiesituatie voor het jaar 2000, die sindsdien onafgebroken toegestaan is geweest. In bijlage III van deze rapportage is het AERIUS-uitvoerbestand van deze situatie opgenomen.
Figuur 3.5 Gehanteerde AERIUS-modeluitbreiding In de gehanteerde referentiesituatie bedraagt de NOx-emissie circa 88 kg per jaar en de NH3emissie circa 2.048 kg per jaar. In tabel 3.3 is het maximale depositie-effect weergegeven in geval van voortzetting van de referentiesituatie. Hierbij zijn alleen de Natura 2000-gebieden weergegeven waar in het VKA een rekenkundig effect is bepaald. Onderstaande waarden betreffen de deposities die momenteel toegestaan zijn op basis van de referentiesituatie.
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
20
Tabel 3.3 Maximaal effect bij voortzetting referentiesituatie Natura 2000-gebied
Max. depositie (mol N/ha/jaar)
Rijntakken
216,04
Veluwe
0,25
Binnenveld
0,17
Kolland en Overlangbroek
0,08
Landgoederen Brummen
0,03
Sint Jansberg
0,02
Lingegebied & Diefduik-Zuid
0,02
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek
0,02
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
0,02
De Bruuk
0,02
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
21
4
Resultaten salderingsberekening
Met een verschilberekening wordt de beoogde situatie modelmatig in AERIUS afgezet tegen de activiteiten die komen te vervallen. Ondanks dat de beoogde situatie een depositie-effect kan veroorzaken, bestaat de mogelijkheid dat het depositie-effect na aftrek van de vervallen activiteiten kleiner is dan voorheen. Wanneer dit het geval is, is er per saldo geen toename en daarmee geen significant negatieve effecten. In bijlage IV zijn de resultaten van deze interne saldering berekeningen in AERIUS opgenomen. Uit bijlage IV blijkt dat er alleen nog in Natura 2000-gebied Rijntakken een toename van de depositie optreedt van maximaal 6,0 mol N/ha/jaar. Een toename van depositie treedt echter alleen op bij 4 hexagonen (in totaal 4 hectare). Op alle andere locaties is er sprake van een afname van de depositie. In onderstaande uitsnede uit AERIUS is dit zichtbaar: bij hexagonen die een licht- tot donkergroene kleur hebben neemt de stikstofdepositie in de beoogde situatie af ten opzichte van de referentiesituatie. Bij licht- tot donkerpaarse hexagonen is er sprake van een toename. Uit onderstaande drie figuren blijkt dat er bij vier hexagonen een toename is van de depositie.
Figuur 4.1 Overzicht van resultaten verschilberekening intern salderen: bij groene hexagonen treedt een afname op van de stikstofdepositie
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
22
Figuur 4.2 Overzicht van resultaten verschilberekening intern salderen: bij groene hexagonen treedt een afname op van de stikstofdepositie, bij paarse is er een toename.
Figuur 4.3 Detail van resultaten verschilberekening intern salderen: bij groene hexagonen treedt een afname op van de stikstofdepositie, bij paarse is er een toename.
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
23
Het stikstofgevoelige habitattype dat volgens AERIUS hier aanwezig zou zijn is ZGLg11 (Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied, in geel weergegeven in figuren 4.2 en 4.3). Drie van de vier hexagonen waar een toename wordt berekend, zijn onderdeel van het bedrijfsterrein zelf. Het betreffende habitattype kan daar niet aanwezig zijn. Ook binnen het vierde hexagoon waar een toename wordt berekend, is het betreffende habitattype niet aanwezig. Dit deel van Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen op basis van de Vogelrichtlijn. Bij Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogelrichtlijn is sprake van relevant hexagoon wanneer het hexagoon (deels) overlapt met het leefgebied van een soort met een doelstelling. Daarvan is hier geen sprake. Habitattype ZGLg11 komt hier feitelijk niet voor (het zal daarom uit de habitatkaart worden gehaald bij de volgende versie van AERIUS). Het zal zich ook niet ontwikkelen aangezien hier droog hardhoutooibos ontwikkeld wordt (habitattype H91F0). De kritische depositiewaarde (KDW) voor dit habitattype is 2.071 mol N/ha/jaar. De hoogst optredende totale depositie in de beoogde situatie (= achtergronddepositie + depositie door activiteiten van de beoogde situatie) bedraagt 1.780 mol N/ha/jaar, en ligt daarmee ruim onder de KDW voor droge hardhoutooibossen.
Significant negatieve effecten nu en in toekomst zijn daardoor uit te sluiten.
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
24
5
Hoofdconclusies
Aan de hand van de uitgevoerde berekeningen kunnen de volgende conclusies getrokken worden: - De voorgenomen activiteiten hebben door de inzet vervoersmiddelen en mobiele werktuigen NOx-emissies tot gevolg. - In de beoogde situatie is er sprake van een daling van NH3-emissie en een stijging van NOxemissies ten opzichte van de referentiesituatie. - De totale emissie voor de maximale beoogde situatie (VKA) bedraagt circa 2,9 ton NOx/jaar. Dit is in de situatie dat er tegelijkertijd sprake is van het in bedrijf zijn van de bouwgrondstoffenhub en de ontgronding. In de referentiesituatie was de emissie circa 0,1 ton NOx/jaar en 2,0 ton NH3/jaar. - Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich in de planlocatie. Het gaat hierbij om het gebied Rijntakken. - Met behulp van het rekenprogramma AERIUS is het netto-effect bepaald (verschilberekening beoogd minus referentie). Op alle berekende Natura 2000-gebieden, m.u.v. vier hexagonen binnen Rijntakken, bedraagt het netto-effect ≤ 0,00 mol/ha/jaar. - Op de betreffende vier hexagonen, en daar om heen, komt thans geen stikstofgevoelig habitattype voor. De totale depositie in de beoogde situatie staat de beoogde ontwikkeling van droog hardhoutooibos in de omgeving van de bouwgrondstoffen-hub niet in de weg.
- Uitgaande van de rekenresultaten is er geen significant negatief effect voor Natura 2000gebieden te verwachten: er is vanwege intern salderen geen sprake van vergunningplicht en daarmee is er sprake van een inpasbare beoogde situatie in het kader van de Wnb. - Op basis van de beoogde situaties zoals opgenomen in bijlage I tot en met IIV blijkt dat de referentiesituatie met afstand de grootste impact heeft, tot 216,04 mol N/ha/jaar. De beoogde situatie heeft een veel kleinere impact tot maximaal 71,11 mol N/ha/jaar. Wanneer de ontgrondingsactiviteiten voorbij zijn en er sprake is van een eindsituatie waarbij alleen de bouwgrondstoffen-hub in bedrijf is, daalt de depositie nog enigszins. Dit onderzoek heeft voor het aspect stikstofdepositie aangetoond dat voor het project Willempolder – fase 1 van Dekker een inpasbare situatie ingevolge de Wet natuurbescherming bestaat.
LBP|SIGHT BV
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
25
AERIUS-uitvoerbestand beoogde situatie (VKA)
R087286aa.20AXCWA.jdb | versie 02_001 | 7 oktober 2021
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Beoogd Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RiTFn2VQQcxH (07 oktober 2021) pagina 1/16
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
LBP|SIGHT
Waalbanddijk 1, 4053 JB IJzendoorn
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Willemspolder - Beoogde situatie (VKA)
RiTFn2VQQcxH
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
07 oktober 2021, 17:29
2021
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Situatie 1
NOx
2.953,51 kg/j
NH3
8,16 kg/j
Resultaten
Natuurgebied
Bijdrage
Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Rijntakken
71,16
Toelichting
Resultaten
Willemspolder - Beoogde situatie (VKA)
Beoogd
RiTFn2VQQcxH (07 oktober 2021) pagina 2/16
Resultaten
Locatie Beoogd
Emissie Beoogd
Bron Sector
Emissie NH3
Emissie NOx
< 1 kg/j
106,53 kg/j
Scheepvaart oost Scheepvaart | Binnenvaart: Vaarroute
-
16,62 kg/j
Scheepvaart west Scheepvaart | Binnenvaart: Vaarroute
-
14,79 kg/j
VRW uit Wegverkeer | Buitenwegen
< 1 kg/j
22,61 kg/j
VRW overslag Wegverkeer | Buitenwegen
< 1 kg/j
34,50 kg/j
Bouwgrondstoffen-HUB - Mobiele werktuigen Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
6,21 kg/j
2.249,10 kg/j
Mobiele werktuigen Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
Resultaten
Beoogd
RiTFn2VQQcxH (07 oktober 2021) pagina 3/16
Resultaten
Bron Sector
Scheepsverkeer bij bouwgrondstoffen-hub Scheepvaart | Binnenvaart: Vaarroute
Wegverkeer Wegverkeer | Buitenwegen
Resultaten
Beoogd
Emissie NH3
Emissie NOx
-
502,61 kg/j