CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2m - Bijlage 13 bij de toelichting - Quickscan Wet natuurbescherming

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Kesteren, Pottemsche Veld’6.953 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BURO SRO B.V. T.a.v. mevr. L. Brouwer Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem

Datum

12 mei 2020

Kenmerk

BE/2020/307/r

Uw kenmerk

Email d.d. 30-03-2020

Auteur(s)

ing. G. Fairhurst

Collegiale toets

ir. T.W.D. Schrader

Quickscan Wet natuurbescherming Casterhoven West te Kesteren Aan de Casterhoven West, tussen de Cuneraweg en Hoofdstraat te Kesteren is een agrarisch perceel met bebouwing, kavelsloten en een bomenkwekerij gesitueerd. Bouwbedrijf J.G. Timmer is voornemens de bestaande bebouwing, met behoudens van de woning, op de planlocatie te saneren, de bomen te kappen en rooien en een nieuwe woonwijk te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘agrarisch’ naar ‘wonen’. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Casterhoven West, tussen de Cuneraweg en Hoofdstraat te Kesteren (figuur 1). Het betreft een agrarisch perceel met een bomenkwekerij. Om en door het perceel liggen kavelsloten en ten westen en noorden ligt een ringsloot. Ten noordoosten van de planlocatie ligt een kleine zanddepot met vergraven grond en ten zuiden van de planlocatie staat een woning en twee loodsen. De woning is opgetrokken uit stenen muren en heeft een wolfsdak met dakpannen en de loodsen zijn opgetrokken uit stenen en trespa platen met een damwandplaten dak. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt landelijkgebied en wordt omringt door agrarische kavels met aan de noordzijden Neder-Betuwe. Ten noordoosten wordt momenteel het plan Casterhoven gerealiseerd (figuur 3). Op circa 30 m ten noorden loopt het spoor en op circa 800 m ten zuiden ligt de A15.

2

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Casterhoven West te Kesteren (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de loodsen, kappen en rooien van de bomen en het dempen van een aantal kavelsloten voor de realisatie van nieuwbouw woonwijk. Hiervoor vindt er een functieverandering plaats van ‘agrarisch’ naar ‘wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • • •

saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen en rooien van bomen: kap- en rooiwerkzaamheden; dempen van de kavelsloten en uitgraven van de ringsloot: graaf- en dempwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO B.V.). Ten noorden van het plangebied wordt momenteel het plan Casterhoven gerealiseerd.

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen.

3

Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 10 april 2020 en is uitgevoerd door ir. T.W.D. Schrader. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 14 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht.

4

(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare

per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving, binnen een straal van 2 km, van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde vaatplanten: kleine wolfsmelk (NDFF 2010-2020). Kleine wolfsmelk is een soort die voornamelijk groeit kalkrijke, niet te sterk bemeste kleibodems. Doordat de planlocatie bestaat uit een bomenkwekerij, verharding en kortgeleden verzette grond (zanddepot) is de planlocatie ongeschikt als groeiplaats voor de kleine wolfsmelk. Ter plaatse van de planlocatie is tevens enkel inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status aangetroffen.

Enkele waargenomen soorten betreffen: akkerdistel, fluitenkruid, gewone paardenbloem, grote brandnetel, harig wilgenroosje, madelief, paarse dovenetel, pinksterbloem, scherpe boterbloem, raaigras, rode klaver, vergeet-me-nietje en vogelwikke. Op het terrein staan aangeplante bomen rijen met gecultiveerde bomen en struikensoorten, daarnaast staan er een aantal (solitaire) bomen en struiken als haagbeuk, rododendron en taxus. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten.

5

Grondgebonden zoogdieren In de omgeving, binnen een straal van 3 km, is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos en wezel (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, steenmarter en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Grondgebonden zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. De bever komt voor in overgangsgebieden van water naar land zoals moeras gebieden en uiterwaarden. Voor de bever is geen geschikt habitat aanwezig op en rondom de planlocatie en aanwezigheid van de soort kan derhalve uitgesloten worden. De bunzing, steenmarter en wezel zijn marterachtigen en komen voornamelijk voor in kleinschalige landschappen met afwisselende structuren. Groene elementen als houtwallen, bosschages, struwelen en begroeide oevers vormen belangrijke dekking-, migratie- en foerageergebieden.

Op de planlocatie zijn enkel een aantal bomenrijen aanwezig, van de voormalige boomkwekerij, waardoor de planlocatie geen onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied van de voorgenoemde soorten. Ten westen van de planlocatie ligt een bomenrij, deze blijft in de beoogde ontwikkeling behouden. De bunzing en wezel geven de voorkeur aan droge ruimte als oude holen, takkenstappels en hole bomen als rust- en voortplantingsplaats. Dergelijke structuren zijn op de planlocatie niet aanwezig. De steenmarter geeft specifiek de voorkeur aan oude schuren en stallen al rust- en voortplantingsplaats, hierbij zal er veelal sporen als uitwerpselen, prenten en prooiresten aanwezig zijn. Dergelijke sporen zijn in en om de schuren niet aangetroffen. Daarnaast zijn er geen geschikte openingen aanwezig die de schuren toegankelijk maakt voor de steenmarter. Door bovengenoemde wordt de aanwezigheid van marterachtige niet verwacht en kunnen negatieve effecten uitgesloten worden. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis.

Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Dergelijke holten en scheuren zijn in de jonge gekweekte bomen niet aanwezig.

De te slopen schuren zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt

6

microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De schuren zijn opgetrokken uit stenen muren met trespa platen en een damwandplaten dak zonder dakbeschot. De muren en trespa platen sluiten direct aan waardoor er geen geschikte kruipruimten aanwezig zijn. Het damwandplanten dak sluit tevens direct aan op de muren waardoor er geen geschikte in- en uitvliegopeningen aanwezig zijn, tevens is door het ontbreken van een dakbeschot geen geschikte rust- of verblijfplaats aanwezig voor vleermuizen. Het is derhalve uit te sluiten dat de schuren op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Hoewel uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling worden deze niet aangetast doordat de luwte van de naastgelegen bomenrij behouden blijft en de overige structuren niet van essentieel belang zijn. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden.

Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën In de omgeving, binnen een straal van 3 km, is de aanwezigheid bekend van de bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2010-2020). Voor de poelkikker en rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn een aantal wegspringende groene kikkers aangetroffen op de planlocatie.

Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie bestaat uit een boomkwekerij met bebouwing, een deel verzette grond en een aantal kavelsloten en is omringd door een ringsloot. De poelkikker is een soort dat voornamelijk voorkomt in landschapstype als bos, heide en hoogveen. Daarnaast zijn er ook steeds meer waarnemingen bekent uit halfnatuurlijke graslanden, agrarische klei- en zandgronden, ruderale gronden en laagveengebieden (BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017; Creemers et al., 2009; NDFF, 2010-2020). Hieruit blijkt dat de soort minder kritisch is dan voorheen gedacht en dus minder sterk gebonden is aan voedselarme wateren. Indien er watergangen met water- en oevervegetatie en zonbeschenen kanten (figuur 4) aanwezig zijn in een omgeving met gebrek aan kwalitatief hoogwaardig voortplantingswater kan de soort hier voorkomen. Daarnaast zijn op 3 verschillende locaties binnen het plangebied groene kikkers waargenomen in de kavelsloten. Hierom kan aanwezigheid van de poelkikker in de watergangen niet volledig uitgesloten worden. Derhalve dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden in de periode mei- september om de aanwezigheid of afwezigheid van de soort vast te stellen.

De rugstreeppad is een pioniersoort die voornamelijk in (door de mens gecreëerde) dynamische gebieden voorkomt met een zandige en vergraafbare bodems. Hierdoor kunnen ruderale gronden en braakliggende terreinen geschikt habitat zijn voor de soort doordat hier vaak snel opwarmden wateren in ontstaan die geschikt zijn als voortplantingswater (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers et al., 2009). Doordat een deel van de planlocatie bestaat uit recent verzette grond (figuur 4) en hier tevens oppervlaktewater in aanwezig was, kan de aanwezigheid van de rugstreeppad niet volledig uitgesloten worden.

7

Derhalve dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aan- of afwezigheid van de soort. Dit kan middels vier veldbezoeken in de periode 15 april t/m augustus.

Figuur 4

Links zonbeschenen kavelsloot met oever- en watervegetatie en recht verzette grond met oppervlaktewater.

Het is tevens niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Uit 2012 is op de planlocatie een waarneming van een zonnende ringslang bekend (NDFF 20102020). Voor alle inheemse reptielen geld dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. De ringslang is een soort die voornamelijk voorkomt in waterrijke gebieden met een hoge waterkwaliteit en voldoende voedselaanbod (Creemers & Van Delft, 2009). De soort vermijdt voornamelijk omgevingen als bossen, struwelen en infrastructuur. In de omgeving dienen voldoende droge locaties aanwezig te zijn waar de eieren afgezet te kunnen worden, hierbij zijn structuren als (composterende)bladhopen, aangespoeld materiaal, muizenholen en door de mens aangelegde structuren als strobalen en composthopen. Dergelijke structuren zijn op de planlocatie niet aanwezig. Daarnaast is de ringslang erg gevoelig voor (menselijke)verstoring.

De planlocatie wordt door de boomkwekerij intensief gebruikt, daarnaast wordt in de directe omgeving momenteel werkzaamheden uitgevoerd als het verzetten van grond. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring maakt de planlocatie geen onderdeel uit van het essentieel leefgebied van de ringslang. Er is geen sprake van het wegnemen van essentiële habitatonderdelen als voortplantingsplaatsen, essentieel foerageergebied of een essentiële migratieroute. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer liggen een aantal kavelsloten en een ringsloot. In de omgeving binnen een straal van 3 km, is de aanwezigheid van beschermde de grote modderkruiper bekend (NDFF, 2010-2020). Een aantal kavelsloten hebben een rijke oever- en watervegetatie en zijn verbonden met de ringsloot en is hierdoor mogelijk geschikt als leefgebied voor de grote modderkruiper. Tevens zijn alle sloten in de directe omgeving met elkaar verbonden middels duikers, waardoor aanwezigheid van de soort niet uitgesloten kan worden. Binnen de beoogde ontwikkeling worden een aantal kavelsloten gedempt en de ringsloot verder uitgegraven.

Hierdoor kunnen negatieve effecten op de soort niet volledig uitgesloten worden en dient derhalve aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanof afwezigheid van de grote modderkruiper. Dit kan middels het scheppen van de watergang of middels het gebruiken van een elektroapparaat (in de ringsloot) tussen maart-juni óf oktobernovember indien er nog geen koude periode is aangebroken.

8

Om negatieve effecten in het kader van de algemene zorgplicht op algemene vissoorten te voorkomen dient één werkrichting aangehouden te worden van binnenuit richting de ringsloot om algemene soorten voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden. Insecten en andere ongewervelden In de omgeving, binnen een straal van 2 km, is de aanwezigheid van beschermde ongewervelde niet bekend (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek tevens geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boomkruiper, houtduif, koolmees, meerkoet, tjiftjaf, vink, wilde eend en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn op de planlocatie geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied.

Enkel ten westen in de bomenrij buiten de planlocatie is een groot nest waargenomen aannemelijk van een buizerd. De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Op de planlocatie staat een woning met een pannendak en een dakgoot, mogelijk biedt het dak geschikte nestlocaties voor de huismus. Echter wordt aanwezigheid van de soort niet verwacht doordat er zeer beperkt groenblijvende struiken en hagen aanwezig zijn en ten tijde van het veldbezoek de huismus niet is gehoord of waargenomen. De schuren zijn per definitie ongeschikt als nestlocatie doordat deze een damwandplaten dak zonder dakbeschot hebben. Hierdoor en doordat de woning behouden blijft is er geen sprake van afname van nestlocaties van de huismus.

De beoogde ontwikkeling leidt tevens tot zeer beperkte aantasting van groene delen, welke geen onderdeel uitmaken van het essentieel foerageergebied, en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. Wegens het ontbreken van geschikte in- en uitvliegopeningen welke leiden naar mogelijk geschikte nestlocaties kan de aanwezigheid van de gierzwaluw uitgesloten worden. In de schuren zijn geen openingen aanwezig die uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) toegang bieden. Hierdoor zijn er geen geschikte rust- en nestplaatsen aanwezig. Daarnaast maakt de planlocatie geen onderdeel uit van het essentieel leefgebied van beschermde uilensoorten doordat in de directe voldoende geschikt leefgebied aanwezig is in de vorm van afwisselende akker- en weidevelden en boomkwekerijen. Circa 250 m ten oosten van de planlocatie is in 2018 een territoria met nestplaats van de steenuil vastgesteld (Hovens et al., 2019).

Doordat tussen de planlocatie en dit territoria momenteel een woonwijk wordt gerealiseerd maakt de planlocatie door de barrière- en verstoringswerking van deze werkzaamheden geen onderdeel uit van het essentieel foerageergebied. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op de planlocatie. Wel is er een nest, aannemelijk van een buizerd, aangetroffen in de bomenrij ten westen van de planlocatie. Doordat de bomenrij behouden blijft is er geen sprake van afname van nestlocaties van in bomen broedende soorten als de buizerd, sperwer en ransuil. Daarnaast maakt de planlocatie

9

geen onderdeel uit van het essentieel foerageergebied en zijn er voldoende uitwijkmogelijkheden aanwezig. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.

Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

10

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 1,9 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 5). Op een afstand van circa 1 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op circa 1,2 km ligt een Groene Ontwikkelingszone (figuur 6).

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,9 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: Arcgis.com).

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van 1,2 km tot een Groene Ontwikkelingszone (bron: Arcgis.com).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van

11

stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuwbouwwijk. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • • •

Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.

Gezien er sprake is van een grote toename in stikstofemissie door het toevoegen van een nieuwbouwwijk, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

12

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft mogelijk een essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: poelkikker, rugstreeppad en grote modderkruiper. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of een Groene Ontwikkelingszone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden middels een AERIUS-calculatie. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

-

+/-

-

-

-

-

+/-

-

+/-

n

j

n

j

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

insecten en ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

+

+/-

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

+/-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

1,9 km

mogelijk

Aerius

Natuurnetwerk Nederland

1 km

geen

n.v.t.

Groene Ontwikkelingszone

1,2 km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

nee

nee

n.v.t.

Bomen

ja

ja

n.v.t.

n

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt met voorbehoud ten aanzien van de poelkikker, rugstreeppad, grote modderkruiper en het Natura 2000-gebied, niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de planlocatie een relevante functie heeft voor de poelkikker, rugstreeppad en grote modderkruiper. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkeling (vrijstellingsbesluit). Daarnaast dien voorafgaand

13

aan de werkzaamheden middels een berekening met de Aerius-Calculator de (mogelijk) negatieve effecten uit stikstofemissies inzichtelijk gemaakt te worden. Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De conclusie is dat de ontwikkeling aan de Casterhoven West te Kesteren uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen • Voorafgaand aan de werkzaamheden dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de poelkikker. Dit kan middels het scheppen en luisteren naar kooractiviteit in de periode mei- september. • Ten aanzien van de rugstreeppad dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Dit kan middels vier veldbezoeken in de periode 15 april t/m augustus. • Voorafgaand aan de werkzaamheden dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de grote modderkruiper. Dit kan middels het scheppen van de watergang of middels het gebruiken van een elektroapparaat (in de ringsloot) tussen maart-juni óf oktobernovember indien er nog geen koude periode is aangebroken. • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-calculator.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Om algemene vissoorten voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden en negatieve effecten te voorkomen dienen de dempwerkzaamheden in één werkrichting van binnenuit naar de ringsloot uitgevoerd te worden.

• Mogelijke overwinteringslocaties van amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

14

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Grote modderkruiper Misgurnus fossilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lesseona, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Steenuil Athene noctua, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011.

Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Hovens, J.P.M., C. de Koning & P.J.C.A. op het Veld, 2019. Quickscan natuurwetgeving Casterhoven fase 6 en 7 te Kesteren. Faunaconsult, Belfeld. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

15

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

16

Bijlage 1 Fotografische impressie

17

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Casterhoven West te Kesteren en bestaat uit een boomkwekerij met een woning, twee schuren en een aantal kavelsloten en een ringsloot. Hier de woning, welke behouden zal blijven.

Figuur 2

De binnenzijde van één van de schuren. Alle schuren hebben dezelfde bouwstijl.

18

Figuur 3

Eén van de kavelsloten op de planlocatie.

Figuur 4

Een deel van de boomkwekerij met daarnaast een stuk verzette grond.

Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

19

Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).

Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).

20

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).

21

Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van ongeveer 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).

Gedrag De rugstreeppad is een typische pionierssoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.

Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locaties specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017).

22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13164103/1