CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2h - Bijlage 8 bij de toelichting - Quickscan ecologie

Raadsvergadering 25 april 2024, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Dodewaard, Dalwagen 78b (MFC)’6.310 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICKSCAN MFC DODEWAARD Conceptrapport

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 21-10-2022

VERANTWOORDING

Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:

Uitvoering: Adres:

RHO Adviseurs T. van Laere Adviseur Planvorming Weena 505 3013 AL Rotterdam (Delfse Poort) 010-2018679 toine.vanlaere@rho.nl

Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

Projectleider:

ing. J. Koorevaar

Auteur: Kwaliteitscontrole:

ing. J.C.H. den Hollander ing. J. Koorevaar

Projectcode: Status: Datum:

RANA22B0 Concept 21-10-2022

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2

SAMENVATTING

De initiatiefnemer is voornemens nieuwbouw en sloopwerkzaamheden uit te voeren aan en rondom Dalwagen 78B te Dodewaard. De geplande werkzaamheden betreffen permanente sloop van een aantal panden rondom de sporthal op het bovengenoemde adres en de bouw van een nieuw pand aan deze sporthal. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. De bebouwing in het projectgebied biedt mogelijk verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. In en direct om het projectgebied zijn verschillende soorten bomen met holtes aanwezig die mogelijk verblijfplaatsen bieden voor boombewonende soorten, zoals de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. De groenstructuren in en direct om het gebied kunnen tevens dienen als foerageergebied of vliegroutes voor vleermuizen. Door de werkzaamheden kunnen mogelijk verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen verloren gaan. In en direct om het projectgebied zijn bomenlanen en gevarieerd struweel te vinden. Dit kan dienen als leefgebied en potentiële verblijfplaats van kleine marterachtigen en biedt gelegenheid voor nestlocaties van broedvogels (met jaarrond beschermde nesten).

Door de werkzaamheden kunnen deze nestlocaties, leefgebied en potentiële verblijfplaatsen verloren gaan. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Doordat de geplande ontwikkeling kan leiden tot een (tijdelijke) toename in stikstofemissie, is er een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden. Aanbevolen wordt om aanvullend onderzoek uit te laten voeren naar zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van vleermuizen voor zowel gebouwgebonden als boomgebonden soorten, waarbij in de winterperiode de boomholtes endoscopisch kunnen worden onderzocht. In het gebied is ook het voorkomen van kleine marterachtigen niet uit te sluiten. Er dient aanvullend onderzoek verricht te worden naar eventuele verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van deze soorten. Tevens is er aanvullend onderzoek nodig naar jaarrond beschermde nesten van vogels. De bomen in het projectgebied vallen binnen de door de gemeenteraad vastgestelde bebouwde kom in het kader van houtopstanden in de Wet natuurbescherming. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden in de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het kappen van de bomen.

3

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding ...................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel .................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ................................................................................................. 5 1.2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 5 1.2.2 Soortbescherming ................................................................................................................. 6 1.2.3 Houtopstanden ..................................................................................................................... 7 1.2.4 Ontheffing en gedragscode ................................................................................................... 7 1.3 Leeswijzer ................................................................................................................................ 7 2 2.1 2.2

Projectgebied en ontwikkelingen ............................................................................................... 8 Projectgebied ........................................................................................................................... 8 Ontwikkelingen......................................................................................................................... 9

3 Soortbescherming .................................................................................................................... 10 3.1 Bronnenonderzoek ................................................................................................................. 10 3.2 Habitatscan............................................................................................................................ 10 3.2.1 Zoogdieren ......................................................................................................................... 10 3.2.2 Vogels ................................................................................................................................ 11 3.2.3 Amfibieën ........................................................................................................................... 12 3.2.4 Reptielen ............................................................................................................................ 12 3.2.5 Vissen ................................................................................................................................ 12 3.2.6 Ongewervelden ...................................................................................................................

12 3.2.7 Vaatplanten ........................................................................................................................ 12 3.2.8 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies ........................................................... 13 3.3 Effecten ................................................................................................................................. 13 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ....................................................................................................... 13 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming .................................................... 14 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied............................................................................ 14 3.4.2 Mitigerende maatregelen ..................................................................................................... 14 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming...................................................................................... 14 4 4.1

Gebiedsbescherming ............................................................................................................... 15 Effecten ................................................................................................................................. 15

5

Houtopstanden ......................................................................................................................... 16

6 6.1 6.2

Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................. 17 Conclusies ............................................................................................................................. 17 Aanbevelingen ....................................................................................................................... 17

7

Literatuur .................................................................................................................................. 19

Bijlage 1: Foto-impressie .................................................................................................................... 20 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ....................................................................................... 21 Bijlage 3: Locatie boomholtes en nesten ............................................................................................. 23

4

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING EN DOEL De initiatiefnemer is voornemens nieuwbouw en sloopwerkzaamheden uit te voeren bij de Dalwagen 78B te Dodewaard. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. Er kunnen als gevolg van de geplande ontwikkeling kapwerkzaamheden plaatsvinden. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden noodzakelijk.

1.2

NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Nationale Omgevingsvisie. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1

GEBIEDSBESCHERMING

Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in het NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

5

1.2.2

SOORTBESCHERMING

Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

6

1.2.3

HOUTOPSTANDEN

Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Hieronder zijn de meest relevante onderdelen uit dit hoofdstuk beschreven. De bepalingen in de Wet natuurbescherming kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor het kappen van bomen die wel onder houtopstanden Wnb vallen geldt een meldplicht bij Gedeputeerde Staten en een herplantplicht.

1.2.4

ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE

Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.

1.3

LEESWIJZER

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.

7

2

PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN

2.1

PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Neder-Betuwe in kilometerhok: X: 173 / Y: 436 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.

Afbeelding 1: Ligging projectgebied

Het projectgebied betreft verschillende panden. Aan de noordzijde van het projectgebied zijn twee gebouwen gelegen die bestaan uit laagbouw en zijn opgebouwd met bakstenen. Het kleinere gebouw aan de noordwestkant van het gebied heeft een houten daklijst en het grote gebouw aan de noordkant heeft een houten dakgootbekisting. Aan de oostzijde van het projectgebied is een sporthal gelegen, bestaande uit golfplaten met een bakstenen basis. In de bakstenen muren zijn open stootvoegen aanwezig. Het platte dak is bedekt met bitumen. In het gebied zijn twee parkeerterreinen waarvan er één is gelegen aan de Dalwagen en het andere parkeerterrein in het midden van het projectgebied. Tussen de parkeerplaatsen is een sloot aanwezig van circa één meter breed. Bij de parkeerplaatsen en rondom het terreinzijn rijen met bomen aanwezig met bomen als tamme kastanje, zomereik en es. Onder deze bomen groeien struiken en verschillende soorten grassen. In de noordoosthoek van het projectgebied is tevens een grasveld gelegen. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.

8

2.2

ONTWIKKELINGEN De geplande ontwikkeling betreft nieuwbouw en het uitvoeren van sloopwerkzaamheden. Dit houdt in dat de twee kleinere gebouwen aan de noordkant van het projectgebied permanent worden gesloopt. Tevens zal er een nieuw pand worden gebouwd tegen de westzijde van de reeds bestaande sporthal. Er zal een bomenrij met ondergroei worden gekapt en verdwijnen. De sloot die langs deze bomenrij loopt, zal tevens deels gedempt worden. In figuur 2 is de geplande ontwikkeling weergegeven.

Afbeelding 2: Geplande ontwikkeling (Bron: ICS Adviseurs)

9

3

SOORTBESCHERMING

3.1

BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.

Voor de provincie Gelderland zijn middels de omgevingsverordening soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten.

3.2

HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met de aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 19 september 2022 en is uitgevoerd door ing. J.C.H. den Hollander en ing. J. Koorevaar. De weersomstandigheden waren bewolkt, droog, 16 °C en windkracht 4 Bft. 3.2.1

ZOOGDIEREN

De bebouwing in het projectgebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. De bakstenen basis van de sporthal heeft op stootvoegen (afbeelding 3). Deze open stootvoegen kunnen door vleermuizen als invliegopening worden gebruikt en de ruimte in de spouwmuur kan als verblijfplaats worden gebruikt. Bij de daklijst en dakgootbekisting is eveneens ruimte aanwezig (afbeelding 4) die door vleermuizen als invliegopening kan worden gebruikt. Hier kunnen alle typen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig zijn. De bebouwing biedt potentiële verblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en de laatvlieger. Aangezien vleermuizen geen grip hebben op de gladde golfplaten en daardoor niet in eventuele openingen kunnen kuipen, worden deze niet verwacht hier verblijfplaatsen te hebben.

Afbeelding 3: Open stootvoegen

Afbeelding 4: Ruimte achter daklijst

10

In het projectgebied zijn verspreid over vier verschillende bomen, zes boomholtes aangetroffen (afbeelding 5 & 6) die kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen en zijn op kaart ingetekend terug te vinden in bijlage 3. Hier kunnen alle typen verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen aanwezig zijn. Soorten die hier verwacht worden zijn: de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis.

Afbeelding 5: Boomholte in meest zuidoostelijk boom

Afbeelding 6: Boomholte in meest noordoostelijk boom

De bomenlanen ten zuiden en ten westen van het projectgebied vormen een lijnvormig element dat door vleermuizen als vliegroute kan worden gebruikt. Deze bomen kunnen eveneens door vleermuizen als foerageergebied worden gebruikt omdat deze luwte bieden en insecten aantrekken. In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen van de bever, boommarter, bunzing, damhert, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en de wezel bekend. De bever is een watergebonden soort en prefereert een habitat dat bestaat uit overgangsgebied van zoete wateren naar land. In het projectgebied en directe omgeving is enkel water aanwezig wat niet voldoet aan de eisen van de bever aangezien deze van onvoldoende formaat zijn en geen ruimte bieden voor burchten. Bovendien zijn er tijdens de habitatscan geen sporen van de bever aangetroffen waardoor de aanwezigheid van de soort kan worden uitgesloten. Voor de boommarter en steenmarter zijn geen geschikte verblijfplaatsen zoals takkenbossen en grote holen onder de grote of in bomen aanwezig in het projectgebied. In het projectgebied zijn boomholtes aanwezig maar deze zijn van onvoldoende grootte voor deze martersoorten. In het projectgebied worden geen beschermde functies verwacht al is het niet uit te sluiten dat hier een passerend individu is waar te nemen ondanks de onvoldoende verbinding met omliggende geschikte gebieden.

De kleine marterachtigen de bunzing, hermelijn en de wezel maken gebruik van verblijfplaatsen zoals holen, takkenhopen en struwelen. In het projectgebied is geschikt struweel aanwezig in de vorm van dicht struikgewas en ruige begroeiing en zijn kleine ondergrondse holen niet uitgesloten. Deze onderdelen zouden wel verblijfplaatsen kunnen bieden voor kleine marterachtigen maar zouden ongeschikt zijn voor de boom- of steenmarter. Derhalve kan het voorkomen van de bunzing, hermelijn en de wezel in het projectgebied niet worden uitgesloten. Door het ontbreken van potentieel habitat van het damhert zoals bosrijke gebieden, wordt het damhert niet in het projectgebied verwacht voor te komen. De eekhoorn komt voor in parken en bosrijke gebieden. Binnen het projectgebied zijn geen nesten in bomen waargenomen en kan het voorkomen van verblijfplaatsen van deze soort worden uitgesloten binnen dit gebied. Daarnaast biedt het projectgebied geschikt habitat voor algemene (vrijgestelde) zoogdieren zoals de egel, verschillende muizensoorten, konijn en de haas.

3.2.2

VOGELS

Nestplaatsen van de gierzwaluw en de huismus bevinden zich in en bij bebouwing. In het projectgebied is geen bebouwing aanwezig met geschikte nestlocaties. In de gebouwen zijn geen potentiële invliegopeningen of ruimtes aanwezig. Derhalve kan de aanwezigheid van de gierzwaluw en de huismus uitgesloten kan worden. 11

In het projectgebied is een potentieel jaarrond beschermd nest voor vogels waargenomen (afbeelding 7). In verband met de grote van het nest kan deze een nestlocatie bieden voor de volgende soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied: de boomvalk, buizerd, havik, ransuil en de sperwer.

Afbeelding 7: Jaarrond beschermd nest

3.2.3

AMFIBIEËN

In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van de heikikker, kamsalamander, poelkikker en de rugstreeppad. De waterpartij is erg smal en het water lijkt van onvoldoende kwaliteit. Tevens is het talud te steil voor de rugstreeppad. Derhalve worden deze soorten wegens het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen in het projectgebied. De sloot kan door algemene amfibieën, zoals de bruine kikker, gewone pad en de kleine watersalamander worden gebruikt als voortplantingswater. Het struweel in het projectgebied kan door deze soorten worden gebruikt als landbiotoop.

3.2.4

REPTIELEN

Het projectgebied biedt geen geschikt habitat voor verblijfplaatsen van de ringslang, welke bekend is voor te komen in de omgeving van het projectgebied. In het projectgebied zijn voor de ringslang geen geschikte overwinterplaatsen of plekjes om veilig te kunnen zonnen. Daarnaast is er onvoldoende verbinding met gebieden waar de soort bekend is voor te komen en kan deze soort worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied.

3.2.5

VISSEN

In de omgeving van het projectgebied is de grote modderkruiper bekend voor te komen. De watergang in het projectgebied bevat geen geschikt habitat voor de grote modderkruiper wegens het ontbreken van watervegetatie. Derhalve kan vanwege het ontbreken van geschikt habitat deze soort worden uitgesloten in het projectgebied. Andere beschermde vissoorten worden eveneens niet verwacht.

3.2.6

ONGEWERVELDEN

De onderzochte groep ongewervelden bestaat onder andere uit dagvlinders, libellen en weekdieren. In de omgeving zijn waarnemingen van de rivierrombout en de platte schijfhoren bekend. De rivierrombout is enkel bekend langs grote rivieren voor te komen. Er is geen potentieel voortplantingshabitat voor de rivierrombout aanwezig in het projectgebied. Derhalve kan het voorkomen van deze soort worden uitgesloten binnen het projectgebied. De platte schijfhoren komt voor in zoete en heldere wateren met een rijke begroeiing. De aanwezige wateren zijn troebel en er zijn geen geschikte waterplanten aanwezig voor deze soort. Derhalve kan het voorkomen van de platte schijfhoren eveneens worden uitgesloten in het projectgebied.

3.2.7

VAATPLANTEN

Grote leeuwenklauw groeit op vochtige, voedselrijke en kalkhoudende gronden. Standplaatsen van de grote leeuwenklauw betreffen akkers, bermen, dijken en spoorwegen maar kunnen ook op kerkhoven en campingterreinen worden aangetroffen. In Nederland is de soort voornamelijk verspreid over Limburg, Zeeland en de kuststrook maar kan ook elders worden aangetroffen. Muurbloem groeit op zonnige plaatsen op oude en verweerde muren die met een zachte kalkspecie zijn gevoegd. Standplaatsen betreffen oude en verweerde muren van kerken, ruïnes, stadsmuren en kloostermuren. In Nederland is de verspreiding van de soort beperkt tot stedelijke gebieden. Het projectgebied bevat derhalve geen geschikte standplaatsen voor deze twee plantensoorten. Gedurende de habitatscan zijn deze soorten tevens niet waargenomen. 12

3.2.8

MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES

Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van de aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep

Functies

Bescherming Wnb

Mogelijk aanwezig in:

Algemene broedvogels

Nesten

Artikel 3.1 (VR)

Struweel en bomen

Algemene amfibieën

Leefgebied

Artikel 3.10 (Wnb A)

Groenstructuren en waterpartijen

en zoogdieren* Broedvogels met

Artikel 1.1 (Zorgplicht) Nesten

Artikel 3.1 (VR)

Bomen

Verblijfplaatsen

Artikel 3.10 (Wnb A)

Dichte groenstructuren met struweel

Verblijfplaats(en),

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)

Bebouwing spouwmuur / dakrand,

jaarrond beschermde nesten Bunzing, hermelijn en wezel Vleermuizen

foerageergebied, vliegroutes *Vrijgesteld in de provincie Gelderland

3.3

boomholtes Groenstructuren en bomenrijen

EFFECTEN

Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn.

3.3.1

EFFECTEN ONTWIKKELINGEN

De te verwachten effecten op soorten en functies zijn beschreven bij permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep

Effect

Verbodsbepaling

Algemene amfibieën

Opzettelijk doden

Artikel 1.1 (zorgplicht)

en zoogdieren* Broedvogels

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Broedvogels met

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

jaarrond

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

beschermde nesten

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Bunzing, hermelijn

Opzettelijk doden

Artikel 3.10 (Wnb A) Lid 1a

en wezel

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.10 (Wnb A) Lid 1b

Vleermuizen

Opzettelijk doden

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats *Vrijgesteld in de provincie Gelderland

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4

Tijdelijke effecten Het gebruik van nachtelijke verlichting gedurende de werkzaamheden in de actieve periode van vleermuizen kan verstoring veroorzaken voor vleermuizen die gebruik maken van foerageergebieden of vliegroutes rondom het projectgebied. Indien het gebruik van nachtelijke verlichting in de actieve periode van vleermuizen voorkomen wordt is er geen sprake van verstoring en is er geen effect te verwachten. Permanente effecten Permanente effecten op beschermde natuur als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten.

13

Bij de verwijdering van groenstructuren kunnen er mogelijk nesten van (broed)vogels verstoord of vernietigd worden. Tevens kunnen hierbij verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en vleermuizen verloren gaan. Bij de sloop van de huidige bebouwing kunnen er mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen worden vernietigd, waarbij aanwezige individuen kunnen worden gedood. Foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen kunnen hierbij ook verloren raken.

3.4

AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING

3.4.1

AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED

Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor beschermde vleermuizen, kleine marterachtigen en broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen evenals de aanwezigheid van kleine marterachtigen en naar jaarrond beschermde nesten van broedvogels. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, watervleermuis en de rosse vleermuis. Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en de wespendief.

3.4.2

MITIGERENDE MAATREGELEN

Om overtreding op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig binnen het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nesten aanwezig in bomen die worden gekapt of die zich binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten zullen (indien jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Er zijn mogelijk vaste verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden aanwezig. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten zullen (indien individuen worden waargenomen) nader te specificeren maatregelen getroffen dienen te worden over verstoring te voorkomen. Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen mogelijk bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd.

Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene zoogdieren worden gedood. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.

3.4.3

ONTHEFFING W ET NATUURBESCHERMING

De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor broedvogels (met jaarrond beschermde nesten), kleine marterachtigen of vleermuizen en verstoring of beschadiging niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.

14

4

GEBIEDSBESCHERMING

Het projectgebied ligt niet binnen beschermde natuurgebieden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op circa 700 meter van het projectgebied en betreft de Rijntakken. Dit maakt tevens deel uit van het NNN. In afbeelding 8 is de ligging van het projectgebied weergegeven ten opzichte van de beschermde natuur.

Afbeelding 8: Projectgebied ten opzichte van beschermde natuur (bron: gelderland. maps. Arcgis.com)

4.1

EFFECTEN Het projectgebied bevindt zich in de nabijheid van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en delen van het NNN bevinden zich op onvoldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. Indirecte negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden en delen van het NNN kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Het is aannemelijk dat de ruimtelijk ontwikkelingen een toename in stikstofemissie tot gevolg zullen hebben. Tijdens de realisatie zal er sprake zijn van gebruik van groot materieel en een toename in het aantal verkeersbewegingen. Dit kan leiden tot een toename in de stikstofemissie. In de Wet natuurbescherming (artikel 2.9a) is een partiële vrijstelling geïntroduceerd van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector. De verwachting is echter dat deze vrijstelling niet lang meer van toepassing zal zijn. In de gebruiksfase is er sprake van een verandering van het gebruik. Indien de nieuwe bebouwing wordt aangesloten op het gasnetwerk kan dit leiden tot een toename in de stikstofemissie. In de nieuwe situatie kan er mogelijk sprake zijn van een toename in het aantal verkeersbewegingen. Een berekening met behulp van de AERIUS-Calculator is benodigd om uitsluitsel bieden of er een effect te verwachten is op Natura 2000-gebieden.

Deze berekening dient te voldoen aan de meest recente wetgeving.

15

5

HOUTOPSTANDEN

De bomen in het projectgebied vallen binnen de door de gemeenteraad vastgestelde bebouwde kom in het kader van houtopstanden in de Wet natuurbescherming (afbeelding 9). De bepalingen ten aanzien van houtopstanden in de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het kappen van de bomen.

Afbeelding 9: Grens bebouwde gelderland.datasets.arcgis.com)

kom

Dodewaard

(blauw

vlak)

en

locatie

projectgebied

(rood)

(bron:

16

6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

6.1

CONCLUSIES Het projectgebied en de directe omgeving herbergen mogelijk functies voor broedvogels (met jaarrond beschermde nesten, kleine marterachtigen en vleermuizen. De bebouwing in het projectgebied biedt mogelijk verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. In en direct om het projectgebied zijn verschillende soorten bomen met holtes aanwezig die mogelijk verblijfplaatsen bieden voor boombewonende soorten zoals de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. De groenstructuren in en direct om het gebied kunnen tevens dienen als foerageergebied of vliegroutes voor vleermuizen. Door de werkzaamheden kunnen mogelijk verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen verloren gaan. In en direct om het projectgebied zijn bomenlanen en gevarieerd struweel te vinden. Dit kan dienen als leefgebied en potentiële verblijfplaats van kleine marterachtigen en biedt gelegenheid voor nestlocaties van broedvogels (met jaarrond beschermde nesten). Door de werkzaamheden kunnen deze nestlocaties, leefgebied en potentiële verblijfplaatsen verloren gaan. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten.

Doordat de geplande ontwikkeling kan leiden tot een toename in stikstofemissie zowel in de realisatiefase als de gebruiksfase, is er een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden. De bomen in het projectgebied vallen binnen de bebouwde kom van de gemeente Neder-Betuwe. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden in de Wet natuurbescherming niet van toepassing voor het kappen van de bomen.

6.2

AANBEVELINGEN Er is aanvullend onderzoek benodigd naar jaarrond beschermde nesten van vogels, verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn en de wel en verblijfplaatsen van vleermuizen, zie tabel 3. Het onderzoek naar vleermuizen dient gericht te zijn op verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. Het onderzoek naar marterachtigen is gericht op verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn, en de wezel. Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient gericht te zijn op nesten van de boomvalk, buizerd, havik, ransuil en de sperwer. Het is aan te bevelen om de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren (globaal maart augustus), om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Indien broedgevallen ten tijde van de werkzaamheden aanwezig zijn mogen deze niet worden verstoord of vernietigd. Wanneer er beschermde functies worden vastgesteld tijdens aanvullende onderzoeken en negatieve effecten niet kunnen worden voorkomen, is er een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig voor de uitvoering van de werkzaamheden.

Voor het verkrijgen van de ontheffing dienen er mitigerende maatregelen te worden getroffen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst NoordHolland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Het dempen van de sloot dient in één richting plaats te vinden. Er dient gewerkt te worden richting het te handhaven water. Indien dit niet mogelijk blijkt dat dienen de individuen te worden weggevangen.

17

Tabel 3: Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep

Aanvullend onderzoek

Onderzoeksperiode

Algemene broedvogels

Nesten, indien niet buiten het broedseizoen

Binnen de periode 1 maart t/m 15 juli

gewerkt wordt Jaarrond

beschermde

Nestlocaties

Binnen de periode 1 maart t/m 15 juli

Vleermuizen

Zomer- en kraamverblijfplaatsen

15 mei t/m 15 juli

Vleermuizen

Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen

15 augustus t/m 1 oktober

Kleine marterachtigen

Functioneel leefgebied en verblijfplaatsen

1 mei t/m 31 augustus

nesten van broedvogels

18

7

LITERATUUR

BIJ12 (2017) Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument huismus, versie 2.0, BIJ12 juni 2022. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill (2011) Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Klein Breteler, A. & E. Veneklaas Slots (2022) Inpassingsplan MFC Dodewaard, Locatie sporthal De Eng en inpassing, ICS Adviseurs, Zwolle. Netwerk Groene Bureaus (2017) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020) Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020. Internet https://gelderland.maps.arcgis.com/ NDFF www.gbif.org www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl

19

Bijlage 1: Foto-impressie

20

Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in kilometerhok 173/436 Soortgroep Naam Bescherming Amfibieën

Bastaardkikker1 1

Afstand

Wnb A

< 2km < 1km

Amfibieën

Gewone pad

Wnb A

Amfibieën

Heikikker

HR IV & Bern II

< 3km

Amfibieën

Kamsalamander

HR IV & Bern II

< 1km

Wnb A

< 1km

1

Amfibieën

Kleine watersalamander

Amfibieën

Poelkikker

HR IV

< 1km

Amfibieën

Rugstreeppad

HR IV & Bern II

< 2km

Ongewervelden

Platte schijfhoren

HR IV

< 2km

Ongewervelden

Rivierrombout

HR IV & Bern II

< 3km

Reptielen

Ringslang

Wnb A

< 4km

Vaatplanten

Grote leeuwenklauw

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

Muurbloem

Wnb B

< 5km

Vissen

Grote modderkruiper

Wnb A

< 1km

Vleermuizen

Franjestaart

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

Gewone baardvleermuis

HR IV & Bern II

< 3km

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis

HR IV

< 1km

Vleermuizen

Gewone grootoorvleermuis

HR IV & Bern II

< 2km

Vleermuizen

Laatvlieger

HR IV & Bern II

< 1km

Vleermuizen

Meervleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

Rosse vleermuis

HR IV & Bern II

< 3km

Vleermuizen

Ruige dwergvleermuis

HR IV & Bern II

< 1km

Vleermuizen

Watervleermuis

HR IV & Bern II

< 5km*

Vogels

Boerenzwaluw

Cat. 5

< 4km*

Vogels

Boomkruiper

Cat. 5

< 5km

Vogels

Boomvalk

Cat. 4

< 5km

Vogels

Bosuil

Cat. 5

< 5km

Vogels

Buizerd

Cat. 4

< 5km

Vogels

Ekster

Cat. 5

< 5km

Vogels

Gierzwaluw

Cat. 2

< 5km*

Vogels

Havik

Cat. 4

< 5km

Vogels

Huismus

Cat. 2

< 1km

Vogels

Huiszwaluw

Cat. 5

< 5km*

Vogels

Kerkuil

Cat. 3

< 5km

Vogels

Koolmees

Cat. 5

< 5km

Vogels

Pimpelmees

Cat. 5

< 5km

Vogels

Ransuil

Cat. 4

< 5km

Vogels

Slechtvalk

Cat. 3

< 2km

Vogels

Sperwer

Cat. 4

< 5km

Vogels

Spreeuw

Cat. 5

< 5km

Vogels

Steenuil

Cat. 1

< 4km*

Vogels

Torenvalk

Cat. 5

< 5km

Vogels

Wespendief

Cat. 4

< 5km

Vogels

Zwarte kraai

Cat. 5

< 5km

Zoogdieren

Aardmuis1

Wnb A

< 1km

Zoogdieren

Bever

HR IV

< 2km

Zoogdieren

Boommarter

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

Bosmuis1

Wnb A

< 2km

Zoogdieren

Bunzing

Wnb A

< 2km

Zoogdieren

Damhert

Wnb A

< 5km

21

Soortgroep

Naam

Bescherming

Afstand

Zoogdieren

Dwergmuis1

Wnb A

< 2km

1

Zoogdieren

Dwergspitsmuis

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

Eekhoorn

Wnb A

< 3km

Zoogdieren

Egel1

Wnb A

< 1km

Zoogdieren

Haas

1

Wnb A

< 4km*

Zoogdieren

Hermelijn

Wnb A

< 5km

1

Zoogdieren

Huisspitsmuis

Wnb A

< 3km

Zoogdieren

Konijn1

Wnb A

< 1km

Zoogdieren

1

Ree

Wnb A

< 1km

Zoogdieren

Rosse woelmuis1

Wnb A

< 2km

Zoogdieren

Steenmarter

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

Veldmuis1

Wnb A

< 2km

Zoogdieren

Vos

1

Wnb A

< 2km

Zoogdieren

Wezel

Wnb A

< 2km

Wnb A Woelrat1 * = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. 1 = Vrijstelling Zoogdieren

< 2km

22

Bijlage 3: Locatie boomholtes en nesten

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13934261/1