Bijlage 2f - Bijlage 6 bij de toelichting - Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg ong. te Opheusden Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-0568
Datum:
27 mei 2022
Samensteller:
ir. ing. D. Bogers
Revisie
ing. B.C.E. Vleeshouwers. 4 september 2023
Collegiale toets:
ir. T.W.D. Schrader
Opdrachtgever:
Buro SRO Oost B.V.
Contactpersoon:
L. Arends
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
8
2.4
Houtopstanden
9
3 Beoordeling
11
3.1
Soortenbescherming
11
3.2
Gebiedsbescherming
18
3.3
Houtopstanden
21
4 Samenvatting
22
4.1
Soortenbescherming
22
4.2
Gebiedsbescherming
22
4.3
Houtopstanden
22
5 Conclusie
23
5.1
Conclusie
23
5.2
Uitvoerbaarheid
23
5.3
Vervolgstappen
23
5.4
Te treffen maatregelen
23
1 Inleiding Aan de Parallelweg ong. te Opheusden is een agrarisch perceel zonder bebouwing gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op deze locatie een nieuwe bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing te realiseren. Het bedrijf Gelderplant Export BV, nu gevestigd op circa 300 m afstand van de planlocatie, zal hier naartoe verplaatsen. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Parallelweg ong. te Opheusden. 4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Parallelweg ong. te Opheusden (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit een agrarisch perceel, ingericht als boomkwekerij. Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig. In het westen van de planlocatie is een oprit van betonplaten aanwezig. Rond de planlocatie liggen kavelsloten. Deze sloten liggen in een open gebied en zijn voedselrijk, helder, zonbeschenen en bevatten veel waterplanten. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Parallelweg ong. te Opheusden. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische percelen (voornamelijk boomkwekerijen) met bedrijfsbebouwing en vrijstaande woningen. Direct ten noorden van de planlocatie loopt een spoorweg. De dichtstbijzijnde snelweg ligt circa 600 m ten zuiden van de planlocatie. Circa 1,8 km ten noorden van de planlocatie stroomt de Nederrijn.
Figuur 1.3 Fotografische indruk van de omgeving ten noordoosten van de planlocatie. 5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een nieuwe bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing. De bestaande sloten blijven hierbij behouden. De functie van het perceel dient te wijzigen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • verwijderen van bomen die op het perceel gekweekt worden: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.4 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO).
6
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 12 mei 2022 en is uitgevoerd door ir. ing. D. Bogers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 3/8 bewolkt, 18 Celsius en windkracht 2-3 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
7
Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.
vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden.
8
Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders Natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Deze onderbouwing dient te worden vastgelegd in een versterkingsplan. Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe.
Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels. Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art. 4.1):
9
a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
10
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: gewone smeerwortel, grote ereprijs, herderstasje, klein kruiskruid, kleine brandnetel, moerasspirea, paardenbloem, raapzaad, riet, rode klaver, scherpe boterbloem, smalle weegbree en zilverschoon. De planlocatie is grotendeels onverhard en sterk verstoord i.v.m. het regelmatig omwoelen van de bodem op de boomkwekerij. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, beverrat, bosmuis, bruine rat, bunzing, damhert, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel, wild zwijn en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, damhert, rode eekhoorn en wild zwijn. Bevers leven in overgangsgebieden tussen water en land: in moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. De watergangen naast de planlocatie voldoen niet aan de habitateisen van de bever. Derhalve kan de aanwezigheid van de bever op de planlocatie uitgesloten worden.
De kleine marterachtigen (waaronder de bunzing) hebben een voorkeur voor kleinschalig cultuurlandschap met voldoende dekking en schuilgelegenheid in de vorm van onder andere laanvormige bosschages, braamstruwelen, ruige vegetatie, takkenhopen en stenenstapels. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van rust- en voortplantingsplaatsen van kleine marterachtigen. Hoewel de planlocatie, wegens de inrichting als boomkwekerij veel lijnvormige structuren bevat, is er gezien de inrichting van de omliggende omgeving (aanwezigheid van kavelsloten, heggen en andere boomkwekerijen) geen sprake van essentiële onderdelen van het leefgebied. Negatieve effecten ten aanzien van kleine marterachtigen zijn derhalve uitgesloten. Het damhert, de rode eekhoorn en het wild zwijn zijn alle drie kenmerkende soorten voor bosgebieden. Deze soorten zijn dan ook uitsluitend waargenomen in het natuurgebied ‘De Blauwe Kamer’, ten noorden van de Nederrijn (NDFF 2012-2022). De planlocatie betreft geen bosgebied en vormt voor deze soorten derhalve geen essentieel leefgebied. De bomen zijn wegens hun beperkte omvang ongeschikt voor
11
eekhoorns om nesten in te maken. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van het damhert, de rode eekhoorn en het wild zwijn uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5).
Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie staan enkel jonge en dunne bomen voor de kweek. Gezien de omvang van de bomen en het gebrek aan holten en andere schuilelementen, is het voor vleermuizen onmogelijk om in deze bomen een geschikte verblijfplaats te vinden. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Gezien er op de planlocatie geen bebouwing aanwezig is, faciliteert de planlocatie geen verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De planlocatie bevat geen lijnvormige structuren die een verbinding vormen tussen gebieden welke door vleermuizen gebruikt worden. De kweekbomen zijn tevens te laag om onderdeel te zijn van een vliegroute.
De kavelsloten rond de planlocatie worden binnen de beoogde ruimtelijke ingreep niet aangetast. Er is geen sprake van essentiële foerageergebieden voor vleermuizen, gezien in de directe omgeving van de planlocatie voldoende vergelijkbare percelen aanwezig zijn. Tevens zijn er in de nabije omgeving van de planlocatie kwalitatief betere foerageergebieden beschikbaar (zoals natuurgebieden en grote oppervlaktewateren). Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. De poelkikker gebruikt onder andere vennen, hoogveenputten, drinkpoelen en sloten als voortplantingswater. De soort komt voor in voedselrijke omstandigheden indien er sprake is van een goede waterkwaliteit en een rijke begroeiing van oever- en waterplanten. Het landhabitat bestaat uit heide, hoogveen, half natuurlijke graslanden, agrarisch gebied en laagveen. Overwintering vindt plaats op structuurrijke, vorst- en vochtvrije plekken.
De planlocatie betreft een boomkwekerij met weinig structuur en veel omgewoelde, onbegroeide grond. Er is vrijwel geen bodembedekkende vegetatie die voor de poelkikker beschutting, een geschikt microklimaat en voedsel faciliteert. De planlocatie vormt voor de poelkikker derhalve geen geschikt landhabitat. De kavelsloten rond de planlocatie zijn open, ondiep, zonbeschenen en bevatten een rijke watervegetatie. Tijdens het veldbezoek zijn in deze sloten circa 10 groene kikkers waargenomen, waaronder minimaal één poelkikker (figuur 3.1). 12
Figuur 3.1 Links: de sloot aan we westzijde van de planlocatie is gelegen in een open gebied. De sloot is zonbeschenen en bevat een uitbundige watervegetatie. Rechts: Tijdens het veldbezoek is er een poelkikker waargenomen in deze sloot, onder andere te herkennen aan de lichte iris en de grote ronde graafknobbel aan de achterpoten. Hoewel er binnen de beoogde ruimtelijke ingreep geen sprake is van aantasting van land- en overwinteringshabitat, dienen enkele maatregelen opgevolgd te worden om de aantasting van voortplantingswater van de poelkikker uit te kunnen sluiten: • De sloten op en rond de planlocatie worden niet aangetast door destructieve ingrepen zoals dempen graafwerkzaamheden. • De watergangen dienen hun open, zonbeschenen karakter te behouden om geschikte omstandigheden voor de poelkikker te waarborgen. Beschaduwing en bladinval dienen zoveel mogelijk voorkomen te worden. Binnen een straal van 3 meter van de kavelsloten mogen geen bomen geplaatst worden. Het aantal bomen dient beperkt te worden tot enkele bomen i.p.v. lange bomenrijen, zodat er nog voldoende lichtinval is op de sloten en niet te veel bladval in de watergang. Bomen dienen bij voorkeur niet ten oosten of zuiden van de sloten geplaatst worden zodat lichtinval niet beperkt wordt.
In het kader van het huidige inrichtingsplan wordt derhalve geadviseerd een gedeelte bomen niet of op een andere locatie aan te planten (figuur 3.2). Indien deze maatregelen niet opgevolgd kunnen worden, is er mogelijk sprake van overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. In dat geval zijn vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming vereist.
13
Figuur 3.2 De omcirkelde bomen in het huidige inrichtingsplan leiden mogelijk tot aantasting van leefgebied van de poelkikker. De heikikker maakt gebruik van drie habitattypen welke op zeer korte afstand tezamen dienen te komen. Watersystemen zijn ondiep, voedselarm en enigszins zuur, vaak betreffen dit vennen of moerasgebieden. Het landhabitat waar de heikikker gedurende de actieve periode aanwezig is dient ruig en te allen tijde vochtige te zijn. Veelal betreffen dit vochtige heidelandschappen of vochtig halfnatuurlijke graslanden. Overwintering vindt plaats op vochtvrije, beschutte plaatsen. De planlocatie vormt, wegens het ontbreken van structuurrijke, ruige en vochtige omstandigheden, voor de heikikker geen geschikt land- of overwinteringshabitat. Gezien de soort minder kritisch is dan uit de literatuur blijkt, vormen de kavelsloten mogelijk geschikt voortplantingswater voor de heikikker. Echter zijn waarnemingen van de heikikker zijn enkel bekend uit 2017 op een locatie circa 1,5 km ten zuidoosten van de planlocatie (NDFF 2012-2022). Derhalve wordt de aanwezigheid van de soort op de planlocatie niet verwacht en zijn vervolgstappen ten aanzien van de heikikker niet noodzakelijk. De kamsalamander komt voor in bosrijk gebied met houtwallen of struweel.
Het voortplantingswater heeft een rijke watervegetatie, is licht voedselrijk, niet zuur, slechts beperkt beschaduwd en er mogen geen vissen of watervogels in voorkomen. De sloten op en rond de planlocatie zijn erg voedselrijk. Ook is er wegens het ontbreken van bos, houtwalen of struweel geen geschikt landhabitat aanwezig voor de kamsalamander. Het voorkomen van de kamsalamander is enkel bekend in een bosrijk gebied met poelen op circa 1,8 km ten noordoosten van de planlocatie (NDFF 2012-2022). Wegens het ontbreken van geschikt leefgebied en de afwezigheid van waarnemingen in de nabije omgeving kan de aanwezigheid van de soort op de planlocatie uitgesloten worden.
14
De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bevat bij voorkeur geen vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). De planlocatie betreft een boomkwekerij omringd door kavelsloten. De kavelsloten rond de planlocatie bevatten veel waterplanten en kikkers. Derhalve is er op en rond de planlocatie geen sprake van geschikte voortplantingswateren voor de rugstreeppad. De aanwezigheid van de soort wordt op/rond de planlocatie niet verwacht. De rugstreeppad is slechts één keer waargenomen in 2015 aan de overzijde van de Nederrijn, op circa 1,8 km afstand van de planlocatie (NDFF 2012-2022). Maatregelen om kolonisatie te voorkomen zijn derhalve niet noodzakelijk. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen.
Er is ten aanzien van amfibieën, indien tijdens de werkzaamheden en de inrichting van het perceel rekening gehouden wordt met enkele maatregelen ten aanzien van de poelkikker (H5.4), geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Ringslangen jagen langs het water en zonnen op open, rustige plekken. Op relatief vochtige plaatsen, zoals in bladhopen, mesthopen, vermolmde boomstobben en opgeworpen broeihopen, worden eieren gelegd. De slang overwintert op droge plaatsen in holen, compost- en bladhopen, houtstapels, onder oude boomstammen en in dichte struiken. Het voorkomen van de ringslang is vrijwel uitsluitend bekend in natuurgebieden rond de Nederrijn (NDFF 2012-2022). Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de mate van menselijke verstoring is het voorkomen van de ringslang en andere beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten.
Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2012-2022). De grote modderkruiper prefereert ondiepe wateren met een dikke modderlaag en uitbundige waterplantengroei. Gezien de aanwezigheid van veel waterplanten in de kavelsloten op de planlocatie, is dit potentieel leefgebied voor de grote modderkruiper. Echter wordt de aanwezigheid van de soort niet verwacht, gezien er binnen een straal van 2 km slechts één grote modderkuiper populatie bekend is, op circa 1,5 km afstand van de planlocatie (NDFF 2012-2022). Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep vinden geen demp- of graafwerkzaamheden plaats aan de sloten op en rond de planlocatie. Tevens zullen de eerder beschreven maatregelen ten aanzien van de poelkikker voordelig zijn voor de grote modderkruiper. Derhalve is er geen sprake van aantasting van leefgebied van de grote modderkuiper. Mogelijk leiden de beoogde (bouw)werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Derhalve is de overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de grote modderkruiper en andere vissen uitgesloten.
15
Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos, grote weerschijnvlinder, teunisbloempijlstaart en rivierrombout (NDFF 2012-2022). De grote vos, grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart zijn soorten die onder andere gebonden zijn aan een bosrijke omgeving. Waardplanten zijn van de grote vos zijn iep; ook zoete kers en sommige wilgensoorten worden gebruikt (Vlinderstichting grote vos, 2021). De waardplant van de grote weerschijnvlinder betreft vooral boswilg en soms grauwe wilg (Vlinderstichting grote weerschijnvlinder, 2021). Waardplanten voor de teunisbloempijlstaart zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. De planlocatie vormt, wegens het ontbreken van bos en geschikte waardplanten voor deze soorten, geen (essentieel) leefgebied voor de grote vos, grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart. Negatieve effecten ten aanzien van deze soorten zijn uitgesloten. De rivierrombout wordt vooral langs grote rivieren aangetroffen. Het habitat bestaat uit zandige substraten in ondiepe, onbegroeide en stromingsluwe delen van de grote rivieren, zoals achter kribben (Vlinderstichting rivierrombout, 2021). Gezien de planlocatie geen geschikte habitatonderdelen bevat, zijn negatieve effecten ten aanzien van de rivierrombout uitgesloten.
Op de planlocatie is geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: aalscholver, ekster, houtduif, merel, pimpelmees en spreeuw. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 20132023). Echter zijn er op circa 250 ten oosten en circa 300 m ten westen twee territoriums van de steenuil vastgesteld. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten.
Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Wegens de afwezigheid van bebouwing op de planlocatie, kan het voorkomen van nestlocaties van huismus uitgesloten worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is.
Gezien de afwezigheid van bebouwing kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden.
16
Door gebrek aan bebouwing op de planlocatie kan het voorkomen van nesten van uilen met jaarrond beschermde nesten uitgesloten worden (kerkuil en steenuil). Op de planlocatie zijn geen sporen aangetroffen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil). In een straal van 300 m rondom de planlocatie zijn twee territoria van steenuilen vastgesteld. Deze bevinden zich op woonerven ten westen en oosten van de planlocatie. Op deze erven zijn bomen, gazons en gebouwen aanwezig die als geschikt leefgebied kunnen dienen. Daarnaast bestaan de aangrenzende percelen van deze woonerven uit boomgaarden, weilanden en akkerlanden met voldoende uitkijkpunten. De planlocatie betreft een boomgaard met spillen en weinig ondergroei. Daarnaast is er een toegangsweg aanwezig bestaande uit betonplaten. Binnen de grenzen van planlocatie zijn geen geschikte uitkijkpunten aanwezig voor de steenuil. Derhalve is de planlocatie niet aantrekkelijk voor steenuilen. In de directe omgeving van de planlocatie zijn meerdere woonerven aanwezig met een gevarieerd habitat aan bomen, hekken en gazons die als uitkijkpunt/foerageergebied gebruikt kunnen worden voor steenuilen. In de nieuwe situatie worden er nieuwe bomen aangeplant, gebouwen gerealiseerd en gazons aangelegd op de planlocatie. Deze zullen bevorderend zijn voor het leefgebied van de steenuilen in de omgeving.
Doordat de planlocatie in de huidige staat minder aantrekkelijk is voor de steenuil en er voldoende aantrekkelijkere gebieden aanwezig zijn rondom de planlocatie zal de steenuil geen negatieve effecten ervaren met betrekking op de beoogde ontwikkeling op de planlocatie. Derhalve is er geen sprake van aantasting van leefgebied en negatieve effecten op de aanwezige territoria van steenuilen in de omgeving. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie zijn wegens beperkte beschuttingsmogelijkheden weinig prooidieren aanwezig. In de nabije omgeving is tevens voldoende alternatief leefgebied aanwezig. Derhalve is er op de planlocatie geen sprake van essentieel leefgebied van ransuilen en andere roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties.
Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden omtrent het verwijderen van eventuele bomen worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
17
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3.3).
Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,2 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een nieuwe bedrijfswoning en bedrijfspand voor een reeds in Opheusden gevestigd bedrijf (circa 300 m afstand van de planlocatie). Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot een lokale verplaatsing en mogelijk een toename van het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase.
Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a). De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.
18
Gezien er een geringe afstand (1,1 km) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS-Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 1,3 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,2 km ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.4). Op een afstand van circa 670 m ligt Weidevogelgebied (figuur 3.5). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 1,1 km van de planlocatie (figuur 3.6). Op een afstand van circa 6 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur (geen kaartweergave). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,3 km tot het Gelders Natuurnetwerk en circa 1,2 km tot de Groene Ontwikkelingszone (bron: www.gldanders.planoview.nl).
19
Figuur 3.5 De planlocatie ligt op een afstand van circa 670 m tot Weidevogelgebied (bron: www.gldanders.planoview.nl).
Figuur 3.6 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,1 km tot Ganzenrustgebied (bron: www.gldanders.planoview.nl).
20
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Er is enkel sprake van het verwijderen van kweekgoed. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
21
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming Delen van de planlocatie zijn mogelijk leefgebied voor de poelkikker. Om overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming te voorkomen, dient rekening gehouden te worden met enkele maatregelen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming. *Een aanvullend onderzoek naar de poelkikker is wel noodzakelijk wanneer de omschreven maatregelen ten aanzien van deze soort (zie H5.4) niet gewaarborgd worden.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen Amfibieën Poelkikker Reptielen
Nee art. 3.5
Nee*
Mogelijke functie planlocatie
Voortplantingswater
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Gelders Natuurnetwerk Groene ontwikkelingszone Weidevogelgebied Ganzenrustgebied Beschermingszone natte landnatuur
1,2 km 1,3 km 1,2 km 670 m 1,1 km
Stikstof Geen Geen Geen Geen
AERIUS N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
6 km
Geen
N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
22
5 Conclusie 5.1
Conclusie De realisatie van een nieuwe bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing aan de Parallelweg ong. te Opheusden is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van poelkikkers in de kavelsloten, (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3 Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
23
Maatregelen ten aanzien van de poelkikker • De sloten op en rond de planlocatie worden niet aangetast door destructieve ingrepen zoals dempen graafwerkzaamheden. • De watergangen dienen hun open, zonbeschenen karakter te behouden om geschikte omstandigheden voor de poelkikker te waarborgen. Beschaduwing en bladinval dienen zoveel mogelijk voorkomen te worden. Derhalve mogen er geen bomen binnen een straal van 3 meter van de kavelsloten geplaats worden. • Een andere oplossing is het aantal bomen te verminderen tot enkele bomen i.p.v. lange bomenrijen, zodat er nog voldoende lichtinval is op de sloten. Bomen dienen bij voorkeur niet ten oosten of zuiden van de sloten geplaatst worden (figuur 5.1).
Figuur 5.1 De omcirkelde bomen in het huidige inrichtingsplan leiden mogelijk tot aantasting van leefgebied van de poelkikker.
24
Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) (2021) Kennisdocument Heikikker (Rana arvalis) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.gldanders.planoview.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
25
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Parallelweg ong. te Opheusden en bestaat uit een agrarisch perceel, ingericht als boomkwekerij. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing.
Figuur 2
Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig. Een gedeelte van het perceel is voorzien van betonplaten.
26
Figuur 3
Rond de planlocatie liggen kavelsloten welke begroeid zijn met submerse vegetatie.
Figuur 4
Links van de sloot bevindt zich de planlocatie. Het gebied rechts van de sloot valt niet binnen de planlocatie, en blijft binnen de beoogde ruimtelijke ingreep behouden.
27
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 28