CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.1 - Bestemmingsplan Spoorstraat 3a Echteld Toelichting

Beeldvormende avond ('Het Beeld') 14 september 2023, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Echteld, Spoorstraat 3a’15.946 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

33

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Het voorliggende plan ziet op het uitbreiden van een agrarisch verwant bedrijf. De agrarisch verwante bedrijfsbestemming wordt uitgebreid en van vorm veranderd en er worden twee bedrijfsgebouwen gerealiseerd. In navolgende NIBM tool zijn de verkeersbewegingen ingevoerd. De gehanteerde verkeersbewegingen zijn een verdubbeling van het aantal voertuigen uit paragraaf 4.3. De toelichting voor de beoordeling van de luchtkwaliteit3 is opgenomen in de bijlagen.

NIBM-tool (bron: infomil.nl)

Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er in de omgeving van het plangebied geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering veroorzaakt voor de uitvoering van het onderhavige plan.

3

VanWestreenen. Toelichting beoordeling luchtkwaliteit. Kenmerk WW22070811. 8 juli 2022 34

4.7

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen verschillende bronnen. Dit zijn stationaire bronnen (bijv. een chemische fabriek of een LPG-tankstation), mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen) en relevante buisleidingen (bijv. hoge druk aardgasleidingen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans om slachtoffer te worden op een bepaalde plaats (plaatsgebonden risico) en de kans op een groot ongeval met meerdere slachtoffers binnen een groot invloedsgebied (groepsrisico). Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.

Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen (Bevi), hogedrukaardgasleidingen (Bevb) en transportrouten (Bevt - Basisnet) wettelijk geregeld. De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen.

Beleidsvisie externe veiligheid Gemeente Neder-Betuwe De gemeente heeft een beleidsmatige vrijheid om aan te geven hoe zij wil omgaan met externe veiligheidsrisico’s in bijvoorbeeld vergunningverlening voor opslag, vervoer en locaties van gevaarlijke stoffen en in ruimtelijke besluiten. Hiervoor heeft de gemeenteraad van Neder-Betuwe de beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld op 4 juni 2015.

35

Ambities voor landelijk gebied: − In het landelijk gebied wordt de uitbreiding of nieuwvestiging van een Beviinrichting niet toegestaan. Een uitzondering geldt voor de uitbreiding van een bestaand Bevi-bedrijf of de vestiging van een gebiedseigen risicobron (zoals een propaantank, een ammoniakkoelinstallatie en een mestvergistingsinstallatie), waarbij aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. − Andere stationaire risicobronnen kunnen worden toegestaan onder de voorwaarde dat wordt voldaan aan relevante veiligheidsafstanden Toetsing Het voorliggende plan ziet op het uitbreiden van een agrarisch verwant bedrijf. De agrarisch verwante bedrijfsbestemming wordt uitgebreid en van vorm veranderd en er worden twee bedrijfsgebouwen gerealiseerd. Om te inventariseren of er stationaire en mobiele bronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen is de Risicokaart Nederland geraadpleegd. Binnen het plangebied is er mogelijk opslag van gevaarlijke stoffen in de vorm van een propaantank maar er is geen sprake van een Bevi-inrichting. Op basis van de geldende wet- en regelgeving dienen eventuele veiligheidsrisico’s binnen het eigen terrein op gelost te worden en is een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd ter plaatse van de ontwikkellocatie.

Binnen 1000 m van het plangebied ligt de stationaire risicobron het LPG-tankstation aan de Voorstraat 45 te Echteld, deze risicobron is echter niet relevant voor de beoordeling van onderhavig bestemmingsplan gezien deze op circa 650 meter van het plangebied is gelegen. Binnen 4000 meter van het plangebied liggen de transportroute de Waal, de Betuweroute en de A15. − voor water geldt dat het invloedsgebied van een ongeval maximaal 1070 meter bedraagt. Het plangebied ligt buiten 1070 meter van de transportroute gevaarlijke stoffen over de Waal; − over de A15 worden stoffen vervoerd met een invloedsgebied van 880 meter. Het plangebied is op circa 270 meter van de A15 gelegen en daarmee binnen het invloedsgebied; − over de Betuweroute vindt transport plaats van stoffen met een invloedsgebied van meer dan 4000m. Het plangebied ligt op circa 350 meter van de Betuweroute en daarmee wel binnen het invloedsgebied (of de 1% letaliteitsafstand). Het plangebied ligt echter ruimschoots buiten de meest relevante zone voor het groepsrisico van de A15 en de Betuweroute (de 200 meter zone). Hierdoor kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Beperkte verantwoording groepsrisico Wettelijk kader Ten aanzien van het groepsrisico van de genoemde risicobronnen dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 van het Bevt.

Het heeft hier dan betrekking op zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid: a de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en

36

b voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Beheersbaarheid / bestrijdbaarheid Allereerst is het voor de bestrijdbaarheid van een ramp of zwaar ongeval van belang om de aanrijdtijden van de brandweer voor het plangebied te inventariseren. Vanuit de brandweerkazerne Tiel is de locatie binnen 11 minuten te bereiken, vanuit de brandweerkazerne Ochten binnen 6 minuten. Geconcludeerd wordt dat het plangebied en diens directe omgeving goed bereikbaar is voor de brandweer. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid bij het toxische scenario worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Ten aanzien van het brandbare scenario, zet de brandweer eveneens in op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied.

Verloop bij grootschalig brandweer optreden (Bron: Scenarioboekev.nl)

Wel is het van belang dat zich in het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen bevinden. Het is te veronderstellen dat gezien het gegeven dat op de locatie nieuwbouw wordt gerealiseerd, voldoende voorzieningen hiervoor aanwezig zijn. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen.

37

Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen en/of er een explosie plaatsvindt, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde toxische incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Immers, schuilen binnen de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit te overleven. Schuilen binnen de locatie is mogelijk binnen de nieuwbouw, zeker gezien het feit dat de bebouwing als gevolg van de hedendaagse energieprestatie-eisen goed geïsoleerd is en derhalve voldoet aan de nodige veiligheidseisen. Bovenstaand advies is ook van toepassing op het brandbare scenario. Echter, ook vluchtwegen van de bron af, in dit geval richting het noorden via de Spoortstraat en zuiden via de Pijpstraat, behoren tot de mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering veroorzaakt voor de uitvoering van het onderhavige plan.

4.8

Water Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.

38

Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen.

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1. Klimaatadaptatie; 2. Waterveiligheid; 3. Zoetwater; 4. Grondwater; 5. Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel.

De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden.

39

Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1. Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 2. Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd. 3. Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland.

In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rivierenland Op 26 november 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Rivierenland vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende zeven programma’s: − Beschermen tegen overstromingen : Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen (onder andere de versterking van de dijken) vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Water eerlijk verdelen: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.

Daarbij let het waterschap op het tegengaan van de bodemdaling, het bevorderen van biodiversiteit en een gezond (grond)water; − Voorbereiden op extreem weer: Dit thema focust zich op de beperking van steeds extremer weer, bijvoorbeeld door hittestress oppakken. Het waterschap wil verder vroegtijdig meedoen aan projecten en goed samenwerken met partners; − Werken aan schoon water: In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol, alsmede de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch);

40

− Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur: het bevorderen van biodiversiteit, het borgen van de waterkwaliteit voor drinkwater of het faciliteren van recreatief medegebruik zijn thema’s die aan bod komen; − Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit: de verduurzaming van de processen en het inspelen op de klimaatadaptiviteit vormen grote uitdagingen voor de komende jaren; − Toewerken naar circulariteit: het waterschap wil onder ander zuinig zijn op de grondstoffen en het hergebruik stimuleren. Een inzicht in de financiën wordt ook weergegeven. Bijna elk programma is onderverdeeld op dezelfde manier: ambitie op lange termijn, doelen, strategie en maatregelen planperiode. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Gemeentelijk Rioleringsplan Neder-Betuwe 2019-2023 Het beleid voor de rioleringszorg in Neder-Betuwe voor komende jaren (2019 tot en met 2023) wordt omschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). In het GRP maakt de gemeente inzichtelijk op welke wijze zij binnen deze planperiode haar riolerings- en watertaken invult, welke werkzaamheden zij hiervoor doet en gaat doen, wat het kost én op welke wijze deze kosten gedekt worden.

In het plan worden ook de kaders en uitgangspunten geschetst om een goed rioolbeheer te realiseren. Deze kaders en uitgangspunten komen voort uit wetten, het bestaand (gemeentelijk) beleid en ervaringen uit de voorgaande GRP's. Daarbij is tevens aangegeven wat de gemeente doet en wat van bewoners mag worden verwacht op het gebied van riool, hemel- en grondwater. Toetsing Binnen het plangebied is een beperkte hoeveelheid verharding aanwezig in de vorm van erfverharding en bebouwing. De korte zijden grenzen beide aan een watergang, aan de zijde van de Spoorstraat gaat het om een C-watergang en aan de Pijpstraat een B-watergang. Door de vergroting van de agrarisch verwante bestemming grenst het plangebied in zuidelijke richting eveneens aan een B-watergang. Dit is zichtbaar in navolgende afbeelding. Binnen de beschermingszones van de watergangen zal niet gebouwd worden.

41

Uitsnede waterlegger, plangebied is aangegeven met het rode kader (bron: legger Waterschap Rivierenland)

Voor onderhavig plan is de digitale watertoets 4 doorlopen, daarbij is naar voren gekomen dat de normale procedure5 gevolgd moet worden. Er is een toename van verhard oppervlak door de realisatie van twee bedrijfsgebouwen, parkeervoorzieningen en extra ontsluiting. Deze verharding dient gecompenseerd te worden. Ook eerder aangelegde verharding moet nog worden gecompenseerd. Navolgend volgt de watercompensatieberekening. Als uitgangspunt voor de compensatieberekening wordt T=10+10% als maatgevende bui gehanteerd. Dit betekent dat de te hanteren vuistregel gesteld wordt op 436 m3/ha Dakoppervlakte gebouw 1: Dakoppervlakte gebouw 2: Oppervlakte verhardingen: Oppervlakte bestaande bebouwing: Totaal:

1.355,25 m2 1.146,75 m2 5.009,41 m2 1.500,00 m2 + 9.011,41 m2

Eenmalige vrijstelling:

1.500,00 m2 -

Totaal te compenseren verharding:

7.511,41 m2

De compensatieberekening is zodoende als volgt: (7.511,41 m2 x 436 m3) / 10.000 m2 = 327,5 m3 Bij grondwatermetingen, geraadpleegd op dinoloket.nl, komt naar voren dat er sprake is van een gemiddeld hoogste grondwaterstand van +/- 35 cm onder maaiveld. Er is zodoende 327,5 / 0,3 = 1.091,7 m2 aan compensatieoppervlaktewater nodig. Dit aan-

4

Digitale Watertoets (doorlopen op 9 januari 2023).

5

Aanvraagformulier normale procedure in Waterschap Rivierenland (9 januari 2023). 42

tal oppervlaktemeters wordt gerealiseerd binnen het plangebied. De te realiseren waterberging is weergegeven in het watercompensatieplan6 Het afvalwater van de locatie wordt afgevoerd middels een drukriolering. Het hemelwater mag hier niet op aangesloten worden. Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering veroorzaakt voor de uitvoering van het onderhavige plan.

4.9

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing Het voorliggende plan ziet op het uitbreiden van een agrarisch verwant bedrijf. De agrarisch verwante bedrijfsbestemming wordt uitgebreid en van vorm veranderd en er worden twee bedrijfsgebouwen gerealiseerd. Het gedeelte van de uitbreiding bestaat hoofdzakelijk uit grasland, met daarop spaarzaam een aantal bomen en struiken/heggen. Daarnaast grenst het plangebied aan een aantal watergangen. Dat het plan negatieve effecten heeft op beschermde soorten is daarom niet op voorhand uit te sluiten. Soorten bescherming In verband met de Wet natuurbescherming (Wnb) is het noodzakelijk om voorafgaande aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden, zodoende is een quickscan flora en fauna uitgevoerd 7.

6

Van Westreenen. Watercompensatieplan. Projectnummer 202206LI-RDM Parts. 18-04-2023.

7

EcoTierra. Spoorstraat 3a te Echteld, Quickscan flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming. Kenmerk Q2022-WE-2011 V3.0. 19 januari 2023. 43

In navolgende tabel zijn de verschillende resultaten weergegeven.

Er vinden geen overtredingen plaats volgens de Wet natuurbescherming of overige wetgeving. Wel dient er rekening gehouden te worden met de zorgplicht. Gebiedsbescherming Door de uitbreiding van het bedrijf is stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, gezien de afstand van +/- 700 m tot de Rijntakken, niet op voorhand uit te sluiten. Daarom is de stikstofdepositie voor de aanlegfase en gebruiksfase8 berekend met behulp van Aerius Calculator.

8

VanWestreenen. Rapportage Beoordeling stikstofeffecten, Spoorstraat 3a Echteld. WW23030111, 23 maart 2023. 44

Aanlegfase Uit de berekening van de realisatiefase blijkt dat er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/j verkregen worden op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden. De verkeersbewegingen en mobiele werktuigen verband houdende met de realisatiefase zullen dan ook geen significante toename van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben. Negatieve significante effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de realisatiefase zijn dan ook uitgesloten. Gebruiksfase Uit de berekening van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/j verkregen worden op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden. De verkeersbewegingen verband houdende met de gebruiksfase zullen dan ook geen significante toename van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden tot gevolg hebben. Negatieve significante effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de gebruiksfase zijn dan ook uitgesloten. Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect natuur geen belemmering veroorzaakt voor de uitvoering van het onderhavige plan.

4.10

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Voor de gemeente Neder-Betuwe is de Nota Archeologiebeleid 2016 met de bijbehorende archeologische beleidskaart vastgesteld. In de herziene archeologische beleidskaart 2016 is het plangebied opgesplitst in twee archeologische verwachtingen. Een gedeelte heeft een hoge archeologische trefkans en een gedeelte heeft een lage archeologische trefkans. In navolgend schema zijn de verschillende mogelijke waardes en trefkansen weergegeven met de daarbij behorende vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek.

45

In navolgende afbeelding is een uitsnede van de archeologische beleidskaart weergegeven.

Uitsnede archeologische beleidskaart, plangebied is blauw omkaderd.

In de parapluregeling ‘Archeologie’ is, aan de hand van de Nota Archeologiebeleid 2016 met de bijbehorende archeologische beleidskaart, de bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ voor het gedeelte met de hoge trefkans toegekend. Hiervoor geldt dat er enkel gebouwd mag worden als het nieuw te bebouwen oppervlak niet groter is dan 1.000 m2. Hiervan kan afgeweken worden indien op basis van een archeologisch onderzoek is aangetoond dat archeologische waarden niet worden geschaad. In het gedeelte binnen het plangebied waarvoor een lage trefkans geldt is in de Nota archeologiebeleid geen grenswaarde meer opgenomen voor het realiseren van bouwwerken.

46

Er is een archeologisch bureauonderzoek in combinatie met een verkennend booronderzoek10 uitgevoerd, omdat de oppervlakte van de toekomstige bodemverstoring 2.500 m2 bedraagt met een diepte van 2 meter beneden maaiveld. Specifieke archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Het plangebied ligt grotendeels op een kalkhoudende ooivaaggrond met zware zavel en lichte klei en deels op een kalkloze poldervaaggrond met zware zavel tot lichte klei. Verder bevindt het plangebied zich deels op een rivieroeverwal en deels in een rivierkomvlakte. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd. De vindplaatsen van het Paleolithicum tot en met de Bronstijd zullen zich (als deze aanwezig zijn) onder de rivierafzettingen bevinden. Deze zullen mogelijk vernietigd zijn door de afzettingen van de rivier. In dit gebied wordt de top van deze laag verwacht tussen de 5 en 6 meter beneden maaiveld. Dit betekend dat deze laag in dit onderzoek niet verstoord zal worden. De kans op het aantreffen van resten uit deze perioden in dit onderzoek is dan ook laag. Voor de periode IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen geldt een hoge verwachting.

In de omgeving van dit plangebied zijn meerdere vindplaatsen uit bovengenoemde perioden. De meest opvallende is de IJzertijd vindplaats ten westen van het plangebied. Daarnaast ligt een deel van het plangebied op een oeverwal, welke in deze perioden bewoond werden door hun gunstige ligging. Als laatste ligt het plangebied langs de stroomgordel van de Bommel. Langs deze stroomgordel zijn resten uit deze perioden bekend. Voor de Nieuwe tijd geldt een middelhoge verwachting. Op basis van het historisch onderzoek is bekend dat het plangebied dicht bij een oude weg ligt en dat de omgeving al vanaf de 19e eeuw bewoond was. In het plangebied zelf is echter geen bebouwing bekend, wat de kans op resten uit die periode doet slinken. Daarom geldt er voor deze periode geen hoge maar een middelhoge verwachting. Op basis van de onderzochte gegevens kan verwacht worden dat de bodem intact is. Er zijn geen aanwijzingen van verstoringen en in een boring in de buurt van het plangebied bleek de bodem intact te zijn. Veldonderzoek Op basis van het gespecificeerde verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek is aan de hand van de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek een verkennend booronderzoek met een boordichtheid van ten minste 10 boringen per hectare uitgevoerd. Aangezien het plangebied circa 1,5 ha. groot is, zijn verspreid over het plangebied in totaal 13 boringen gezet.

Vanwege het geringe oppervlak, de terreinomstandigheden (bebouwing, verhardingen, begroeiing etc.) en de vorm van het plangebied zijn de boringen zo gelijkmatig mogelijk over het plangebied verdeeld. De exacte boorlocaties zijn ingemeten met een GPS met handheld.

10

Synthegra B.V. Bureau- en Inventariserend Veldonderzoek, verkennend booronderzoek Spoorstraat 3a te Echteld Gemeente Neder-Betuwe. Projectnummer S220048. 12-12-2022. 47

Er is geboord met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot een halve meter onder de beoogde verstoringsdiepte, namelijk twee meter beneden maaiveld. Eén boring is tot 4 meter beneden maaiveld gezet. Het opgeboorde sediment is verbrokkeld en versneden en geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De boringen zijn lithologisch beschreven conform de NEN 5104 en bodemkundig geïnterpreteerd. Archeologische interpretatie veldonderzoek Er is een intact bodemprofiel aangetroffen. Tussen 2 en 4 meter beneden maaiveld is een laag veen aangetroffen. Deze laag is afgedekt door een laag komklei met matig tot sterk sitlige klei. Hierop is een laag oeverafzettingen aangetroffen in het noordelijke deel van het plangebied. In het zuidelijk deel ontbrak deze laag. Deze laag is echter kalkrijk. Er zijn dus geen sporen van rijping aangetroffen en ook sporen van een cultuurlaag ontbreken. Er zijn dus geen aanwijzingen gevonden voor een mogelijk archeologisch niveau. Aanbeveling Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied zoals omschreven in de vergunningsaanvraag geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. Op basis van de resultaten van het booronderzoek is waarschijnlijk geen archeologische vindplaats in het plangebied aanwezig.

Hierdoor zullen geen archeologische resten vernietigend worden bij de geplande werkzaamheden in het gebied Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmering veroorzaakt voor de uitvoering van het onderhavige plan.

4.11

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Het voorliggende plan ziet op het uitbreiden van een agrarisch verwant bedrijf. De agrarisch verwante bedrijfsbestemming wordt uitgebreid en van vorm veranderd en er worden twee bedrijfsgebouwen gerealiseerd. Na toetsing aan de Cultuurhistorische Waarden kaart van de provincie Gelderland blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied. Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering veroorzaakt voor de uitvoering van het onderhavige plan.

48

4.12

Explosieven Algemeen Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Neder-Betuwe verschillende gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor niet gesprongen Conventionele Explosieven (CE) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Dit betekent dat bij te verrichten werkzaamheden in de bodem, mogelijk aanwezige explosieven een reëel gevaar kunnen opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving. Toetsing De gemeente Neder-Betuwe heeft op basis van literatuuronderzoek en historische bronnenmateriaal de risico's op het voorkomen van explosieven uitgezocht. Uit het rapport Vooronderzoek Gemeente Neder-Betuwe (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Rapport 1662057-VO-02, 28 maart 2017) blijkt dat de gehele gemeente verdacht is op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. De risico's op het voorkomen van explosieven in verdachte en niet-verdachte gebieden zijn weergegeven op een CE-bodembelastingkaart. Voorafgaand aan het uitvoeren van bodemingrepen in het plangebied zal detectieonderzoek naar explosieven moeten worden verricht. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning. Conclusie Het aspect explosieven levert geen belemmering op voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.13

Klimaatadaptatie Algemeen Met betrekking tot waterveiligheid en wateroverlast zijn normen vastgesteld met resultaats- en inspanningsverplichtingen voor de waterschappen. Deze normen zijn vastgelegd in de provinciale waterverordeningen voor de waterschappen (Waterverordening Waterschap Rivierenland, Waterverordening Waterschap Vallei en Veluwe en Waterverordening Waterschap Rijn en IJssel). Ruimtelijke ontwikkelingen en weersextremen zijn hierop van grote invloed. Het is daarom van belang dat hiermee bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden en dat het waterschap hierbij wordt betrokken. Daarnaast vormen de effecten en gevolgen van droogte en hitte een belangrijke problematiek om rekening mee te houden. In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 2.65b (klimaatadaptatie) 1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. waterveiligheid; b. wateroverlast;

49

c. droogte; en d. hitte. 3. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Toetsing Bij de planontwikkeling van het nieuwe bedrijventerrein is een adaptieve vormgeving van essentieel belang is. Hierbij is aandacht voor zaken als wateroverlast, droogte en hitte. Uitgangspunt is dat alle nieuwe bebouwing afgekoppeld is en dat het (hemel)water opgevangen wordt op het terrein zelf. Parkeervoorzieningen worden met een open verharding uitgevoerd waardoor ook hier water kan infiltreren. Verder is rekening gehouden met de aanleg van voldoende bomen en groen. Naast het vergroten van de biodiversiteit zorgt dit ook voor schaduwwerking wat hittestress tegengaat. Conclusie Het aspect klimaatadaptatie levert geen belemmering op voor de uitvoerbaarheid van het plan.

50

5

Wijze van bestemmen

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

51

2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3

Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Bestemmingsplan

5.2.1

Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het be-

52

stemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2

Bijzonder in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Agrarisch De voor “Agrarisch” aangewezen gronden zijn bestemd voor bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag, landschappelijke beplanting, watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen en extensief dagrecreatief medegebruik. De gronden zijn niet voorzien van een bouwvlak zodoende zijn er geen bouwmogelijkheden voor gebouwen opgenomen. Bedrijf - Agrarisch verwant De voor "Bedrijf - Agrarisch verwant" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - agrarisch onderzoeksbedrijf’ zijn bestemd voor een bedrijf gericht op de ontwikkeling, productie, verkoop, reparatie, onderhoud en revisie van agrarische machines en machines voor het groenonderhoud. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor bijbehorende voorzieningen, bijbehorende bewoning en landschappelijke beplanting. De gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - onverharde testbaan’ zijn bestemd voor een onverharde testbaan voor het testen van agrarische machines en machines voor het groenonderhoud, hier zijn geen gebouwen toegestaan. De bouwhoogte van bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning mag maximaal 9 meter bedragen, de goothoogte maximaal 4 meter.

De bedrijfswoning mag maximaal een inhoud hebben van 750 m3 en bijgebouwen bij de bedrijfswoning mogen maximaal een bouwhoogte hebben van 7 meter en een goothoogte van 3 meter. Waarde - Archeologie 2 De voor “Waarde - Archeologie 2” aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. Op de binnen deze bestemming bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving omschreven doeleinden, alsmede ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen, mits het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; of het nieuw te bebouwen oppervlak niet groter is dan 1.000 m²; Het bovenstaande geldt niet voor zover het bouwen in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld.

53

6 6.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Doorgaans is de vraag of er gemeentelijke kosten zijn en hoe deze verhaald worden. Deze vraag omhelst tevens eventuele planschade. Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Het project zelf wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkeling van de locatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de anterieure exploitatieovereenkomst aan de initiatiefnemer worden doorberekend.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Omgevingsdialoog In het kader van het voorliggende plan heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden. De omwonenden hebben hun op- of aanmerkingen door kunnen geven over het planvoornemen. Het verslag van de bijeenkomst is als bijlage aan dit bestemmingsplan gevoegd.

6.2.2

Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader wordt het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan betrokken instanties.

6.2.3

Zienswijzen Op de bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan zal het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage worden gelegd. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13067764/1