Bijlage 1j - Bijlage 9 bij de toelichting - Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Transect-rapport 1306 Kesteren, Hoofdstraat 70-70a Gemeente Neder-Betuwe (GD) Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO; verkennende fase)
1
2
Auteur
Drs. T. Nales
Versie Projectcode
Concept 17050008
Datum
01-06-2017
Opdrachtgever
Compactas Vastgoed b.v. Hamstraat 3 4043 LE Opheusden
Uitvoerder
Transect Australiëlaan 5-a
Onderzoeksmelding
3526 AB Utrecht 4544573100
Bevoegde overheid Adviseur namens bevoegde overheid
Gemeente Neder-Betuwe Omgevingsdienst Rivierenland
Beheer documentatie
Transect, Utrecht
Autorisatie Naam Drs. A.A. Kerkhoven (Senior archeoloog)
Datum
Paraaf
13-06-2017
ISSN: 2211-7067
© Transect, Utrecht Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
3
Australiëlaan 5-a 3526 AB Utrecht
T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl
Samenvatting In opdracht van Compactas Vastgoed b.v. heeft Transect in mei 2017 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Hoofdstraat 70-70a in Kesteren (gemeente Neder-Betuwe). De aanleiding voor het onderzoek vormt de sloop van de bestaande opstallen om er nieuwbouw in de vorm van woningen voor terug te plaatsen. Voor deze ontwikkeling is een bestemmingsplanwijziging nodig evenals de aanvraag van een omgevingsvergunning. Bij de herontwikkeling van het gebied zijn immers diverse bodemingrepen gepland, die op basis van het huidig bestemmingsplan vergunningsplichtig zijn. In het plangebied geldt volgens het bestemmingsplan “Witte Vlekken” een Waarde Archeologie 4. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning een archeologische waardestelling nodig is. Hiervoor dient een archeologisch vooronderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van het archeologisch vooronderzoek is vastgesteld dat in een deel van het plangebied oeverafzettingen van de Kesteren stroomrug begraven liggen. In de top van deze oeverafzettingen kunnen archeologische nederzettingsresten aanwezig zijn die dateren in het NeolithicumMiddeleeuwen. Hierop is de verwachting hoog. Deze oeverafzettingen bevinden zich in het centrale deel van het plangebied, zoals is terug te vinden in bijlage 7.
In de rest van het plangebied is sprake van een lage archeologische verwachting. Hier liggen onder komafzettingen restgeulafzettingen van de Kesteren stroomrug begraven. Deze restgeulafzettingen zijn doorgaans te nat en bieden geen bewoningsmogelijkheden, vanwaar aan deze gebiedsdelen een lage archeologische verwachting is toegekend. Advies In het plangebied bestaat het voornemen om de bestaande bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats nieuwbouw te realiseren. Het centrale deel van het plangebied heeft op grond van onderhavig onderzoek een hoge archeologische verwachting. In dit terreinsdeel zijn namelijk intacte oeverafzettingen aanwezig waarin de top theoretisch gezien nog resten aanwezig kunnen zijn. Voor dit gebied wordt geadviseerd een karterend booronderzoek uit te voeren (methode E2 uit de SIKBleidraad voor karterend booronderzoek). Voor de overige delen van het plangebied is sprake van een lage archeologische verwachting. Voor die gebiedsdelen worden geen aanvullende maatregelen voorgesteld. Voor die gebiedsdelen geldt echter wel dat wanneer tijdens de graafwerkzaamheden onverhoopt toch resten of belangwekkende zaken worden waargenomen, deze op grond van de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11 dienen te worden gemeld bij de bevoegde overheid (de gemeente Neder-Betuwe). Bovenstaande vormt een advies.
Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Neder-Betuwe) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
4
Inhoud 1.
Aanleiding
1
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek
2
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied
3
4.
Planvorming en consequenties toekomstig gebruik
5
5.
Beleidskader
6
6.
Landschap, geomorfologie en bodem
7
7.
Archeologische verwachting en bekende waarden
10
8.
Historische achtergronden en situatie, bodemverstoringen
12
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
16
10. Resultaten veldonderzoek
18
11. Beantwoording onderzoeksvragen
21
12. Conclusie en Advies
22
13. Geraadpleegde bronnen
23
Bijlage 1: Archeologische verwachtingskaart van de gemeente Neder-Betuwe
24
Bijlage 2: Stroomruggen
25
Bijlage 3: Geomorfologie
26
Bijlage 4: Hoogtekaart
27
Bijlage 5: Bodemkaart
28
Bijlage 6: Archeologische waardenkaart
29
Bijlage 7: Boorpuntenkaart
30
Bijlage 8: Foto’s van de boringen
31
Bijlage 9: Boorbeschrijvingen
32
1
1. Aanleiding In opdracht van Compactas Vastgoed b.v. heeft Transect 1 in mei 2017 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Hoofdstraat 70-70a in Kesteren (gemeente Neder-Betuwe). De aanleiding voor het onderzoek vormt de sloop van de bestaande opstallen om er nieuwbouw in de vorm van woningen voor terug te plaatsen. Voor deze ontwikkeling is een bestemmingsplanwijziging nodig evenals de aanvraag van een omgevingsvergunning. Bij de herontwikkeling van het gebied zijn immers diverse bodemingrepen gepland, die op basis van het huidig bestemmingsplan vergunningsplichtig zijn. In het plangebied geldt volgens het bestemmingsplan “Witte Vlekken” een Waarde Archeologie 4. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning een archeologische waardestelling nodig is. Hiervoor dient een archeologisch vooronderzoek te worden uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.0.
1
Transect Archeologie beschikt over een opgravingsvergunning ex artikel 45 van de Monumentenwet, verleend door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
1
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureau-Onderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze gegevens zijn aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur en van lokale amateurs of verenigingen.
Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (Hoofdstuk 10). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: •
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen?
•
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?
•
In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)?
•
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?
Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.0 (KNA 4.0). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.0 (KNA 4.0).
2
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente
Kesteren
Plaats
Neder-Betuwe
Toponiem
Hoofdstraat 70-70a
Kadastraal nummer
Kesteren, Sectie C nr. 29
Kaartblad
39E
Centrumcoördinaat
167.784,4 / 437.706,2
Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied ligt ten zuiden van de bebouwde kom van Kesteren (gemeente Neder-Betuwe) en omvat een tuincentrum en een woning aan de Hoofdstraat 70-70a. Het betreft een gebied met een oppervlakte van 7.900 m2. De ligging ervan is weergegeven in figuur 1. Het gebied grenst in het oosten direct aan de Hoofdstraat. De west- en noordgrens van het plangebied worden gevormd door de perceelgrenzen van aanliggende kavels. Ten tijde van het onderzoek was het noordelijk deel van het plangebied volledig in gebruik als tuincentrum, terwijl in het zuidelijk deel een woning aanwezig was met eromheen een tuin.
3
Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven).
4
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader
Bestemmingsplanwijziging (met wijzigingsbevoegdheid)
Planvorming
Sloop bestaande opstallen Nieuwbouw woningen
Bodemverstorende werkzaamheden
Sloopwerkzaamheden, graafwerkzaamheden
Het plangebied omvat een woning en een bedrijfspand dat ten tijde van het onderzoek dienst doet als tuincentrum. Het voornemen bestaat om deze panden te slopen en daarvoor in de plaats nieuwe woningen terug te plaatsen. Er zijn nog geen inrichtingsplannen, waaruit de toekomstige situatie alsmede de omvang van de voorgenomen bodemingrepen valt af te leiden. De planvorming bevindt zich immers nog in de aankoopfase.
5
5. Beleidskader Onderzoekskader
Bestemmingsplanwijziging
Beleidskader
Bestemmingsplan
Onderzoeksgrens
500 m2 en dieper dan 30 cm –Mv
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2018 in werking zal treden. Het archeologiebeleid van de gemeente Neder-Betuwe staat verwoord in het bestemmingsplan Witte Vlekken, waarin aan het plangebied een archeologische waarde is toegekend. Deze waarden zijn gebaseerd op de archeologische beleidskaart van de gemeente Neder-Betuwe. Op de archeologische beleidskaart is per zone vastgelegd welke archeologische verwachting een gebied heeft. Het plangebied ligt op deze kaart in een zone met een hoge archeologische verwachting (bijlage 1).
Deze is vermoedelijk gebaseerd op de ligging van het plangebied op een oude stroomrug. De archeologische verwachtingswaarde in het plangebied zijn reden om beleidsmatig planregels te formuleren. Voor een gebied met een hoge verwachting geldt dat initiatieven die kleiner zijn dan 500 m2 en waarbij bodemingrepen niet dieper reiken dan 30 cm –Mv worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek (Waarde – Archeologie 4). Omdat de omvang van het plangebied de vrijstellingsgrenzen van het gebied met een hoge verwachting overschrijdt, geldt op basis van het bestemmingsplan voor het hele plangebied een archeologische onderzoeksplicht.
6
6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio
Midden-Nederland rivierengebied
Geomorfologie
Stroomrug|overstromingsvlakte
Maaiveld
4,0 m +NAP
Bodem
Ooivaaggrond
Grondwater
GWT-VII
Landschap Het plangebied ligt in het noordelijk deel van de Betuwe en maakt deel uit maakt van het MiddenNederlandse rivierengebied. Landschappelijk ligt het plangebied nabij de noordkant van het oude, pleistocene rivierdal van de Rijn, dat zich tussen circa 40.000 en 20.000 jaar geleden heeft kunnen vormen (Cohen e.a., 2012). Toentertijd lag er een brede riviervlakte, waarbinnen de riviergeulen in een verwilderd (‘vlechtend’) patroon verspreid lagen. Door de riviergeulen werd in het dal grof zand en grind afgezet, dat geologisch gezien wordt gerekend tot het Formatie van Kreftenheije (De Mulder e.a., 2003). De aanwezigheid van grof zand en grind wijst op hoge stroomsnelheden en sterke variaties in de (piek)afvoer (als gevolg van grote hoeveelheden (smelt)water). Op andere momenten lag de bedding van de riviervlakte langere perioden droog. Vanaf 15.000 jaar geleden begon dit beeld enigszins te veranderen aangezien toen het klimaat geleidelijk begon te verbeteren. In eerste instantie was sprake van enkele relatief kortdurende warmere perioden (respectievelijk het Bølling- en Allerød-interstadiaal, 14.650 tot 14.000 jaar geleden en 13.900 tot 12.850 jaar geleden). Gedurende deze oplevingen nam de vegetatie toe en werd de afvoer van rivierwater beter verdeeld.
De riviergeulen begonnen te kronkelen (meanderen) en sneden zich in de riviervlakte in, waardoor langzamerhand een “getrapt” rivierdal ontstond. In het dal werd tijdens overstromingen zogenaamd ‘Hochflutlehm’ afgezet, ook wel bekend als het Laagpakket van Wijchen (De Mulder e.a., 2003; Bennema en Pons, 1952). Pas vanaf 10.000 jaar geleden, in het Holoceen, zetten de verbeterde klimaatomstandigheden definitief door, waardoor de toenemende vegetatie de verstuivingen van rivierzand aan banden legde en de oevers van de r ivieren door de alsmaar kleiner wordende verschillen in afvoer zich stabiliseerden. Door de stabiele oevers traden de rivieren alleen nog bij hoogwater buiten de oevers. De klei die bij hoogwater buiten de rivieren werd afgezet wordt eveneens gerekend tot het Laagpakket van Wijchen. De zich insnijdende meanderende rivieren gingen onder invloed van een voortdurend stijgende zeespiegel in het Holoceen over in accumulerende meanderende rivieren, die meermalen hun loop verlegden en daardoor verschillende stroomgordels ontwikkelden. Hierdoor vond in het grootste deel van het rivierengebied afzetting plaats van zand (beddingafzettingen), zandige klei (oeverafzettingen) en zware klei (komafzettingen), die werden afgewisseld door veen. Daarbij werden de oudere afzettingen door jongere begraven.
Het moment waarop dit optreedt, hangt af van de ligging van de zogenaamde terrassenkruising (Berendsen & Stouthamer, 2001). De terrassenkruising is het punt waarop de netto insnijding overgaat in een netto accumulatie van sediment (Berendsen, 2005). De ligging van dit punt ligt niet vast maar is afhankelijk van het debiet, de sedimentlast van een rivier en de stijging c.q. daling van de zeespiegel. Berendsen en Stouthamer (2001) vermoeden dat de terrassenkruising rond 4.000 v. Chr. in de omgeving van Kesteren heeft gelegen (Neolithicum). Daarna raakten de Laat-Pleistocene en Vroeg-Holocene afzettingen afgedekt met holocene rivierafzettingen en kon het oude rivierenlandschap verdrinken, wanneer ze verder van een rivier verwijderd lagen. Op die punten trad door de aanhoudende stijging van het grondwater op grote schaal veenvorming op. 7
Geomorfologie De omgeving van het plangebied heeft vanaf het passeren van de terrassenkruising onder directe invloed gestaan van de Nederrijn, de Herveld/Lienden-, de Kesteren- en de Westerveld stroomrug (Cohen e.a., 2012; Berendsen en Stouthamer, 2001; bijlage 2). Het plangebied bevindt zich daarbij op de Kesteren stroomrug, terwijl de Westerveld stroomrug net ten zuiden van het plangebied ligt. De overige stroomruggen liggen ten noorden van het plangebied en volgen alle globaal het traject van de Nederrijn. Afzettingen van al deze stroomruggen bevinden zich aldus bijlage 2 in de ondergrond van het plangebied, maar de opbouw van de ondergrond zal hierbij hoofdzakelijk zijn bepaald door die van de Kesteren stroomrug. Deze is als rivier actief geworden tussen circa 3.200 en 2.500 v. Chr. Op basis van hoe de rivier gekarteerd is oogt de stroomrug een zijtak te zijn van de Herveld stroomrug, die actief is geweest in de periode tussen 4.000 v. Chr. en 300 v. Chr.. De Kesteren stroomrug zal ter plaatse van het plangebied bestaan uit een zandlichaam van enkele meters dikte (beddingafzettingen). Op basis van de zanddieptegegevens en verhangcijfers uit Cohen e.a. (2012) van deze stroomrug, liggen de beddingafzettingen op een diepte van circa 4,2 m +NAP. Aan de hand van deze gegevens ligt de top van het beddingzand naar verwachting op 2,0 tot 2,5 m –Mv.
Daar bovenop zullen oeverafzettingen aanwezig zijn, die bestaan uit zandige klei. Oevers ontstaan direct aan een rivier en konden onder invloed van variaties in waterstanden in de geul opslibben tot relatief hoger gelegen wallen. De oeverafzettingen zijn vermoedelijk uiteindelijk begraven onder overstromingssediment (komafzettingen) van latere rivieren, namelijk de Westerveld (2.500 – 2.000 v. Chr.)., de Herveld-Lienden (tot circa 300 v. Chr.) en de Nederrijn (tot circa 300 na Chr.). Archeologisch gezien vormen de oeverwallen van een rivier de aantrekkelijke vestigingsplaats voor (pre-)historische samenlevingen. Dit heeft mede te maken met de relatief hogere ligging in het landschap en de nabijheid van transportmogelijkheden en vis- en vers drinkwater. Ook op het moment dat een rivier inactief geworden is, blijft deze als hoger gelegen ruggen in het landschap achter. Dit biedt eveneens mogelijkheden voor bewoning in het over het algemeen vochtig en laag gelegen rivierenlandschap. Bodem en grondwater Op de bodemkaart bevindt het plangebied zich in een gebied waar kalkrijke poldervaaggronden te verwachten zijn (kaartcode Rn95C, bijlage 3). De poldervaaggronden bestaan hier naar verwachting voornamelijk uit zware zavel en lichte klei (sterk siltige en/of zandige klei).
Deze gronden zijn over het algemeen kleigronden met een grijze, door oxidatie rood-gevlekte ondergrond, die niet slap is. Daarbij worden ze gekenmerkt door een grijze humusarme bovengrond. Poldervaaggronden zijn wijd verbreid en komen over het algemeen veel in westelijk Nederland voor (de Bakker, 1966). In een poldervaaggrond kunnen begraven bodemniveaus aanwezig zijn, zogenaamde vegetatiehorizonten, die een indicatie vormen voor oudere bodemvorming. Een dergelijk niveau heeft zich in het rivierengebied kunnen vormen op het moment dat er sprake was van een verminderde afvoer en door een afgenomen opslibbing van sediment. Hierdoor trad begroeiing op en kon zich een humeus niveau vormen (laklaag of vegetatieniveau). Op het moment dat er sprake was van een toename in rivierafvoer, raakte dit niveau begraven. Het kenmerkt zich door een licht tot matig humeuze kleilaag in de bodem. Omdat het plangebied ten tijde van het onderzoek bebouwd en verhard is, moet rekening worden gehouden dat (delen van) het bodemprofiel zijn aangetast.
8
Grondwatertrap De grondwatertrap in het plangebied is VI. Dit betekent over het algemeen dat er sprake is van relatief hoger en droger gelegen gronden, waarbij de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 40 en 80 cm –Mv wordt aangetroffen en de gemiddeld laagste grondwaterstand zelfs dieper dan 120 cm –Mv. Vanuit archeologisch oogpunt betekenen dergelijke grondwaterstanden dat zowel organische (zaken als leer, hout) als anorganische resten goed in de bodem geconserveerd kunnen zijn gebleven. Voor wat betreft organische resten moet wel het voorbehoud worden gemaakt, dat door schommelingen in de grondwaterstand en door oxidatie (als gevolg van de relatief hoge grondwaterstand) deze enigszins kunnen zijn aangetast.
9
7. Archeologische verwachting en bekende waarden Wettelijk beschermd monument
Nee
AMK terrein
Nee
Verwachting gemeentelijke kaart
Hoog
Archeologische waarden en/of informatie
Nee
Archeologische verwachting Het plangebied heeft volgens het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status (als beschermd terrein van zeer hoge waarde). Ook staat het niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Op de gemeentelijke verwachtingskaart is aan het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied op een stroomrug. Van eenzelfde verwachting is op de IKAW ook sprake (bijlage 5). Bekende waarden In het plangebied zelf heeft in het verleden niet eerder onderzoek plaatsgevonden en zijn er geen vondsten of waarnemingen gedaan. In de directe omgeving zijn echter wel eerder waarnemingen gedaan en is eerder onderzoek verricht (bijlage 5). In de wijde omgeving van het plangebied is het gebied met name bewoond in de Romeinse tijd. In die periode lag immers ter plaatse van Kesteren een Romeins legerkamp, vermoedelijk in het noorden van het dorp. De locatie was strategisch gezien uitstekend om vanuit het zuiden van de Rijn (als toenmalige rijksgrens) zicht te houden op de Utrechtse Heuvelrug ten noorden van Rijn (als “vijandelijk” gebied).
Daarom zijn er in de omgeving van Kesteren met name vondsten bekend uit deze periode, waarvan de opgravingen van een Romeins grafveld (vlakbij de vermeende ligging van het castellum, nabij de Prinsenhof, vondstmelding 3144860100) in de jaren ’70 van de vorige eeuw de meest bekende is. Ook ten zuidoosten van het plangebied is een omvangrijke oude woongrond aanwezig (Pepelenwoerd; AMK terrein 3640) waar eveneens veel vondstmateriaal uit deze periode is waargenomen (300 m ten zuidoosten van het plangebied, o.a. vondstmeldingen 3069158100, 2726382100, 2697985100, 2838519100 en 2697993100). Oude woongronden worden gekenmerkt door hun hogere ligging en zijn te onderscheiden door een relatief donkerdere bovengrond (Garrison & Herz, 2007). Daarnaast bevatten deze gronden vaak fosfaatvlekken en houtskool als gevolg van intensieve bewoning of landgebruik. Op een afstand van 300 m ten noordoosten van het plangebied zijn enkele vondsten gedaan, die vermoedelijk dateren in de Romeinse tijd. Het zou daarbij gaan om een wrijfschaal en enkele andere niet-nader-meer te bepalen vondsten, aangezien deze in 1944-1945 als onderdeel van een collectie verloren zijn gegaan. Deze registratie is het enige dat resteert (vondstmelding 2918166100, 3144609100). In alle windrichtingen rondom het plangebied zijn in het verleden reeds archeologische onderzoeken uitgevoerd.
De resultaten van deze onderzoeken zullen daarom ook van directe relevantie zijn met betrekking tot de archeologische verwachting van het plangebied. • Onderzoeksmelding 2069456100: In 2004 is een omvangrijk booronderzoek uitgevoerd ten behoeve van Plan Zuid, vermoedelijk een uitbreidingsplan van de kern van Kesteren in de omgeving rond het plangebied. Tijdens dit onderzoek ligt zowel het gebied ten westen van het plangebied als ten oosten (tevens ten oosten van de Hoofdstraat) door middel van boringen 10
•
•
onderzocht. Tijdens het onderzoek is het plangebied landschappelijk in beeld gebracht, waarbij in het zuiden van het plangebied een restgeul van de Kesteren stroomrug is aangetroffen. Eromheen zijn oeverafzettingen, beddingafzettingen, crevasseafzettingen en overstromingsafzettingen (kom) in beeld gebracht (Buesink, 2004). Er is aanbevolen om ter plaatse van de gevonden oever- en beddingafzettingen evenals de crevasseafzettingen vervolgonderzoek uit te voeren door middel van een karterend onderzoek. Onderzoeksmelding 2230289100 en 2221621100: deze onderzoeken omvatten de opvolgende stappen van onderzoek op bovenstaande onderzoek. Er zijn binnen het gebied een drietal deelgebieden te onderscheiden. Tijdens het booronderzoek is het beeld van het voorgaande onderzoek van Buesink (2004) verfijnd en bevestigd. Omdat er geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen in het gebied zijn geen aanvullende stappen voor de deelgebieden geformuleerd (Koeman, 2008). Onderzoeksmelding 2407696100: In 2013 heeft aan de Hoofdstraat 74 in Kesteren een archeologisch vooronderzoek plaatsgevonden in het kader van de aanleg van een nieuw bedrijventerrein. Tijdens dit onderzoek zijn in het plangebied hoofdzakelijk komafzettingen gevonden en bleek de talud van de N233 en de toerit tot de Hoofdstraat tot grote diepte verstoord (1,2 m en dieper).
De beddingafzettingen van de Kesteren stroomrug zijn amper binnen 2,0 m –Mv aanwezig. Onduidelijkheid bestaat tot welke stroomrug de gevonden oeverafzettingen behoren. Uiteindelijk is een zone binnen het plangebied aangewezen, waarbinnen sprake is van een hoge archeologische verwachting op resten uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen. Dit onderzoek zou moeten plaatsvinden in de vorm van een karterend onderzoek (Schorn, 2015).
Op basis van de bovenstaande informatie valt af te leiden dat naar verwachting oever- en beddingafzettingen vanaf een diepte van respectievelijk 1,0 tot 1,5 m en 2,0 tot 3,0 m –Mv te verwachten zijn. De oeverafzettingen zullen hiervan naar verwachting archeologische potentie hebben. De daaromheen liggende overstromingsvlaktes hebben naar verwachting een lage archeologische verwachting. Voor zover bekend zijn in de omgeving van het plangebied nog weinig vindplaatsen vastgesteld, hoewel het grafveld ten noorden van het plangebied en de woongrond ten zuidoosten van het plangebied vindplaatsen zijn die op een intensief bewoond landschap in de Romeinse tijd wijzen. Hoewel vondsten uit andere perioden ontbreken, zijn deze echter op voorhand niet uit te sluiten. De onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied hebben in ieder geval geen archeologische vindplaatsen opgeleverd.
11
8. Historische achtergronden en situatie, bodemverstoringen Historische bebouwing
Nee
Historisch gebruik
Weiland
Huidig gebruik
Tuincentrum, woning
Bodemverstoringen
Diversen, zie onderstaand
Historische achtergronden en situatie Het plangebied bevindt zich in het oorspronkelijk agrarisch buitengebied van Kesteren in het Lage Veld. Het gebied ligt hierbij zich tussen de Marsdijk in het noorden en de Pottemsche straat in het zuiden. Beide vormen dijken, waarbij de Pottemschestraat het Lage Veld scheidt van het Hoge Veld (ten zuiden van de Pottemschestraat). De naamgeving suggereert relatieve hoogteverschillen die vermoedelijk het gevolg zijn van oudere stroomruggen die al dan niet in de ondergrond van deze gebieden hebben gelegen. Gezien het gebruik van het toponiem “veld” was ten tijde van de ontginningen in de Late Middeleeuwen in ieder geval sprake van doorgaans relatief nattere omstandigheden. De Marsdijk en de Pottemsche straat vormen hierbij oost-west structuren in het landschap die parallel aan de Nederrijn gelegen zijn. Het Lage Veld lijkt daarbij vanuit de Marsdijk te zijn ontgonnen en kenmerkt zich door een sterk verkaveld langwerpig kavelpatroon. Een dergelijke strokenverkaveling is veelal kenmerkend voor zwaardere of relatief nattere gronden. Deze dateren in het algemeen uit de (Late) Middeleeuwen, aangezien vanaf toen als gevolg van de rivierbedijkingen de doorgaans natte terreinen werden ingepolderd en ontgonnen. Omdat deze gronden zich doorgaans moeilijker lieten bewerken, kregen ze een meer langwerpige vorm.
Op basis van historisch kaartmateriaal is te zien dat het plangebied in ieder geval in het begin van de 19e eeuw in onbebouwd gebied ligt. Het maakt deel uit van een tweetal langwerpige kavels, die even ten oosten van de Hoofdstraat liggen. Deze Hoofdstraat (hier “De Steeg”) lag toen anders dan dat de Hoofdstraat nu ligt, namelijk kaarsrecht. Het traject van de Hoofdstraat dat aan het plangebied grenst is namelijk van recente datum en verschijnt pas in de jaren ’70 van de vorige eeuw. Tot die tijd is het plangebied altijd in gebruik geweest als boomgaard. De huidige bebouwing (het woonhuis) in het plangebied dateert uit 1964 en verschijnt ook op kaartmateriaal vanaf de jaren ’70 van de vorige eeuw (bron: bagviewer.kadaster.nl). In het midden van de jaren ’90 van de vorige eeuw verschijnt vervolgens het tuincentrum, maar daaromheen blijft het plangebied hoofdzakelijk onbebouwd. Bodemverstoringen en bouwhistorische informatie Het is de verwachting dat als gevolg van de aanleg van de bebouwing en de ontwikkelingsgeschiedenis van het plangebied reeds bodemverstorende ingrepen hebben plaatsgevonden binnen het plangebied. Er is echter slechts weinig feitelijke informatie hierover voorhanden. Wel zijn verwachtingen uit te spreken. De aanleg van de bebouwing in het plangebied zal in ieder geval voor een gedeeltelijke verstoring van de bodem hebben gezorgd.
Het is echter niet bekend hoe omvangrijk deze verstoring is, aangezien bouwtekeningen van het pand niet voorhanden zijn. Er hebben verder in het verleden geen saneringen of ontgrondingen plaatsgevonden (www.bodemloket.nl). Tot slot is het plangebied tot in het derde kwart van de 20e eeuw in gebruik geweest als boomgaard (zie figuur 5). De aanplanting en het rooien van de bomen hebben mogelijk ook voor verstoringen van de oorspronkelijke bodemopbouw gezorgd.
12
Figuur 2: Uitsnede van de kadastrale Minuut uit 1811-1832. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 3: Uitsnede van een topografische kaart uit 1875. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
13
Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1935. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1953. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
14
Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1971. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1995. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
15
9. Gespecificeerde archeologische verwachting Kans op archeologische waarden
Hoog
Periode
Neolithicum – Nieuwe tijd
Stratigrafische positie
Cultuurlagen, de top van oever of crevasseafzettingen Vanaf een diepte van circa 50 cm –Mv
Diepteligging
In de ondergrond van het plangebied liggen oever- en beddingafzettingen begraven die afkomstig zijn van de Kesteren stroomrug. Ook kunnen er oeverafzetting en/of crevasseafzettingen aanwezig zijn die behoren tot de Westerveld stroomrug, die even ten zuiden van het plangebied ligt (Cohen e.a., 2012). De afzettingen zullen van elkaar gescheiden zijn door kleilagen (komafzettingen) van de andere stroomruggen in de omgeving van het plangebied. Op de oevers van de Kesteren (en mogelijk de Westerveld) stroomrug is theoretisch gezien bewoning mogelijk geweest vanaf het Neolithicum, de periode waarin de activiteit van de Kesteren stroomrug begon. Eventuele oever- of crevasseafzettingen van deze rivier zullen begraven liggen onder jongere afzettingen. Door de gefaseerde rivieractiviteit in het plangebied is het de verwachting dat archeologische resten zich op meerdere niveaus kunnen bevinden. Buesink (2004) heeft bijvoorbeeld oever- en beddingafzettingen van de Kesteren stroomrug in beeld gebracht, maar op een minder diep gelegen niveau ook een crevasse. Hoewel de Kesteren stroomrug slechts kortstondig als rivier actief was, bleef het altijd een hoger gelegen plek in het landschap. Tot wanneer het landschap bewoonbaar was, is niet helemaal duidelijk.
Op een gegeven moment zijn de Kesteren stroomrug en eventuele crevasses begraven geraakt en eventuele hoogteverschillen met betrekking tot de omgeving van het plangebied genivelleerd. Het plangebied is toen in de overstromingsvlakte van de Herveld/Lienden-stroomrug en de Nederrijn komen te liggen. Afhankelijk hoe hoog het plangebied lag (als gevolg van verschillen in zetting) kon het terrein mogelijk bewoond worden. In de omgeving zijn wel vindplaatsen vlak aan het maaiveld gevonden uit de Romeinse tijd, maar deze zijn doorgaans gekoppeld aan jongere stroomruggen in de ondergrond. In de Middeleeuwen is het plangebied vermoedelijk te nat geweest, totdat de aanleg van dijken en inpoldering bewoning vanaf de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd weer mogelijk maakten. Het plangebied kent hierom een hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Neolithicum-Romeinse tijd en een middelhoge op resten uit de Vroege-Middeleeuwen en Late Middeleeuwen. De verwachting op resten uit de Nieuwe tijd is laag. Er is geen historische bebouwing aanwezig aan het begin van de 19 e eeuw, waardoor de verwachting op oudere bebouwing (uit de perioden daarvòòr) in het plangebied hiermee laag is. Stratigrafische positie Het archeologisch niveau begint al direct onder het maaiveld en wordt gevormd door de eventueel aanwezige cultuurlagen (van de oude woongrond).
Ook de top van oever- of crevasseafzettingen van de Kesteren en/of Westerveld stroomrug vormen een relevant archeologisch niveau binnen het plangebied. Ook hierin kan zich een cultuurlaag ontwikkeld hebben. Deze kenmerkt zich doorgaans als een donkere cultuurlaag, die indicatief is voor zowel de aanwezigheid en diepteligging van archeologische resten als de mate van intactheid ervan. Hoe ouder een cultuurlaag, hoe minder uitgesproken (lees: donkergekleurd) deze zal zijn.
16
Complextypen In het plangebied worden nederzettingsterreinen, sporen van landgebruik en grafvelden verwacht. Nederzettingsterreinen in het rivierengebied zouden zich kunnen kenmerken door een cultuurlaag of dichte vondstenstrooiing, hetgeen met name te danken is aan de lengte van de bewoningsduur van bewoning op een bepaalde plek. In een vochtige omgeving als die van het rivierengebied was de bewegingsruimte voor nederzettingen namelijk niet al te groot, waardoor bewoning vaak geconcentreerd bleef op vaste plekken. Daarentegen zullen sporen van landgebruik (waaronder ook grafvelden) zich juist kenmerken door grondsporen en verkleuringen in de bodem en in veel mindere mate door de aanwezigheid van vondstmateriaal. Derhalve kan over de aanwezigheid van laatstgenoemde complexen enkel uitspraken gedaan worden op basis van de mate van intactheid van de bodem. Deze is naar verwachting in delen van het plangebied door de bomenteelt lokaal aangetast of mogelijk tijdens de nieuwbouw van de bebouwing in het gebied. In hoeverre daardoor eventueel aanwezige archeologische resten verdwenen zijn, is niet bekend. De bodemopbouw in het plangebied dient hierom met behulp van veldonderzoek te worden getoetst.
17
10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem als de bodemopbouw zelf te bepalen. In totaal zijn in het plangebied zeven boringen gezet (boring 1 tot en met 7). De boringen zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Beneden de grondwaterspiegel is gebruik gemaakt van een gutsboor met een diameter van 3 cm, aangezien met een Edelmanboor slappe klei beneden het grondwater uit de boorkop sleurt. De boringen zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 8 en 9. Na beschrijving zijn de monsters handmatig doorzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De boringen zijn gelijkmatig in het plangebied uitgezet en verspreid in de onbebouwde gebiedsdelen. De ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 7. De coördinaten van de boorpunten zijn met een meetlint uitgezet en de hoogte is aan de hand van het AHN bepaald.
Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek viel het plangebied qua inrichting in twee delen op te splitsen. Het zuidelijk deel van het plangebied betrof een woning met daaromheen een tuin. Het maaiveld in de tuin liep daarbij in zuidelijke richting af. De woning in dit gebied bevindt zich op een (kunstmatige) verhoging met achter de woning een schuur. Het noordelijk deel van het plangebied bestaat uit een schapenwei (in het noordwestelijk deel van het plangebied) en een tuincentrum met parkeerplaats (in het noordoostelijk deel van het plangebied). Hier zijn geen maaiveldverschillen aan het maaiveld waar te nemen. Ook zijn geen archeologische indicatoren aan het maaiveld waar te nemen vanwege de aanwezigheid van een dichtbegroeide grasmat, een parkeerplaats en de inrichting van het tuincentrum.
Figuur 5: Foto's van het plangebied ten tijde van het onderzoek.
18
Bodemopbouw en lithologie De opbouw van de ondergrond in het plangebied is onder te verdelen in een zuidelijk deel, een centraal deel en een noordelijk deel, waarbij het zuidelijk en noordelijk deel lithogenetisch gezien vermoedelijk hetzelfde zijn. In het zuidelijk deel (boring 4) is op een diepte van 220 cm –Mv matig fijn zand aangetroffen. Dit zand betreft rivierbeddingzand gezien de matige sortering en afronding van het sediment. Dit rivierbeddingzand behoort vermoedelijk tot de Kesteren stroomrug, zoals valt af te leiden uit het bureauonderzoek. Daarbovenop bevindt zich een 100-cm dik pakket zwak zandige klei. De klei is zwak van consistentie, vertoont enige gelaagdheid en kenmerkt zich door het voorkomen van kalkconcreties. Dergelijke concreties worden op de overgang nabij voormalige restgeulen gevonden. Dit proces hangt samen met het uittreden van grondwater vanuit nabijgelegen beddingafzettingen op het contactvlak van meer kleiige geulafzettingen. Ook zijn in de top van de afzettingen schelpresten aanwezig. Op grond van bovenstaande sedimentaire karakteristieken is dit pakket als restgeulafzetting geïnterpreteerd. In de top van dit pakket is tevens een zwartgrijze c.q. donkergrijze kleilaag aanwezig. Dit betreft een laklaag, een aquatische bodem die zich onder afgenomen sedimentatie kan vormen.
Een dergelijk niveau wordt vaak in een de oorspronkelijk lage terreindelen gevonden, zoals overstromingsvlakten en voormalige restgeulen (wanneer deze inactief zijn). Deze laklaag bevindt zich op een diepte tussen 100-120 cm –Mv en dateert vermoedelijk ergens in de Bronstijd (na het einde van inactiviteit van de Kesteren stroomrug). De top van het bodemprofiel bestaat achtereenvolgens uit een stug pakket sterk siltige klei van 50 cm en een omgewerkte pakket sterk zandige humeuze klei. De onderste kleilaag betreft overstromingsafzettingen (komafzettingen) die dateren na de inactiviteit van de Kesteren (vanaf de Bronstijd). De bovenste kleilaag is geïnterpreteerd als de bouwvoor. Eenzelfde beeld is aangetroffen in het noordelijk deel van het plangebied (boring 1, 2 en 5). In boring 2 is op een diepte van 220 cm –Mv beddingzand waargenomen, in boringen 1 en 5 is binnen 300 cm – Mv geen beddingzand aangetroffen. Dit zand bestaat evenals in het zuidelijk deel van het plangebied uit matig gesorteerd en afgerond zand, hoewel het matig grof is. Ook hier is zwak tot matig zandige grijze slappe klei gevonden, die geïnterpreteerd is als restgeulafzetting. Tevens zijn hier mangaanconcreties en een laklaag gevonden, gelijk aan het zuidelijk deel van het plangebied.
Centraal in het plangebied is onder in de boringen op een minder diep niveau rivierbeddingzand waargenomen (boringen 3, 6 en 7). Hier is het zand op een diepte tussen 160-170 cm –Mv aangetroffen waarop zich een matig stevig pakket zwak tot matig zandig pakket klei bevindt. De top van dit pakket bestaat uit een uiterst siltige klei. Zowel de zandige als siltige klei is bruingrijs van kleur en geïnterpreteerd als oeverafzetting, waarvan de top zich bevindt op circa 80-90 cm –Mv. Daarop ligt een sterk siltige klei, die geïnterpreteerd is als komafzetting. Deze is sterk aangerijkt met mangaan en ijzervlekken en wijst op enige bodemvorming in de top van de klei. De bovenste 20-50 cm van het profiel wordt gevormd door de bouwvoor. Deze bestaat uit een pakket wortelhoudend sterk humeuze donkerbruingrijze klei. In boring 6 is op een diepte tussen 50 en 80 cm een sterk humeuze donkergrijsbruine ophooglaag aangetroffen, die zich kenmerkt door de aanwezigheid van houtskool. De exacte herkomst van deze laag is onduidelijk en heeft mogelijk iets weg van een cultuurlaag. “Harde” (archeologische) indicatoren om de ouderdom van deze laag te bevestigen, zijn echter niet gevonden. Boring 3 is tot slot gestaakt in puin. Het is onduidelijk wat de aard van dit puin is, maar na herhaaldelijk verplaatsen is uiteindelijk deze boorlocatie op een diepte van 50 cm –Mv gestaakt. Het is 19
niet exact duidelijk waar het puin mee samenhangt, aangezien in dit gebied niet eerder bebouwing heeft gestaan. Mogelijk hangt het samen met een voormalige demping van een sloot, die op historisch kaartmateriaal is waar te nemen. Archeologische indicatoren Tijdens het veldonderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Wel is sprake van een verdachte laag, zoals besproken in voorgaande hoofdstuk. Opgemerkt moet worden dat het opsporen van indicatoren niet het hoofddoel van dit onderzoek is geweest. Het opsporen van archeologische indicatoren vereist een meer intensieve en gebiedsgerichte onderzoeksstrategie. Archeologische interpretatie Op basis van het veldonderzoek vastgesteld dat in een noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied restgeulafzettingen aanwezig zijn, terwijl in het centrale deel oeverafzettingen aanwezig zijn. Het onderscheid tussen deze afzettingen is gemaakt op basis van de mate van rijping, de kleur en de diepteligging van de beddingafzettingen. Ook valt op dat in c.q. nabij de restgeulafzettingen sprake is van een laklaag, een zwartgekleurd bodemniveau dat doorgaans op natte(re) omstandigheden wijst. Hierom is aan het centrale deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend, te meer om dat hier ook een niet nader definieerbare cultuurlaag op een diepte van 50-80 cm –Mv in boring 6 is waargenomen.
De relatief hoge ligging van dit deel van het plangebied in het rivierenlandschap en de mate van intactheid van de oeverafzettingen maakt de aanwezigheid van een vindplaats in dit deel in de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen mogelijk. Eventuele resten bevinden zich op of in de top van de oeverafzettingen rond een diepte van circa 80-100 cm –Mv. Aan de rest van het plangebied is een lage archeologische verwachting toegekend. Dit is gebaseerd op de vermeende ligging van restgeulafzettingen. De aanwezigheid van restgeulafzettingen maakt het plangebied doorgaans te nat c.q. drassig voor bewoning. De aanwezigheid van water-gerelateerde zaken zoals scheepswrakken, visfuiken en beschoeiing in die afzettingen zijn echter nog wel mogelijk. Dergelijke resten kunnen echter met behulp van regulier archeologisch prospectief onderzoek niet worden opgespoord.
20
11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Tijdens het veldonderzoek zijn in het plangebied oever- en restgeulafzettingen gevonden als onderdeel van de Kesteren stroomrug. De verbreiding van de oever- en geulafzettingen is weergegeven in bijlage 7.
2.
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In het centrale deel van het plangebied zijn op basis van het verkennend booronderzoek oeverafzettingen aanwezig, waarvan de top het archeologisch relevante bodemniveau vormt. Dit niveau bevindt zich op een diepte van circa 80-100 cm –Mv en bestaat uit een uiterst siltige tot matig zandige bruingrijze, matig stevige klei. In boring 6 is op de top van de oeverafzettingen een donkergekleurde niet-gedefinieerde cultuurlaag waargenomen, bestaande uit een humeuze donkergrijsbruine klei met houtskool. Andere archeologische indicatoren, die deze laag dateren, zijn tijdens het veldonderzoek niet gevonden. In de rest van het plangebied zijn restgeulafzettingen waargenomen. Deze zijn gezien hun relatief natte ontstaanswijze niet als archeologisch relevant aangemerkt.
3.
In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Er zijn geen aanwijzingen dat de top van de oeverafzettingen op enige wijze verstoord zouden zijn.
4.
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Op grond van onderhavig onderzoek is ter plaatse van de oeverafzettingen een hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van nederzettingsresten uit de periode Neolithicum – Vroege Middeleeuwen. Op de plek waar restgeulafzettingen worden vermoed, is de archeologische verwachting laag. De aanwezigheid van restgeulafzettingen maakt het plangebied doorgaans te nat c.q. drassig voor bewoning. De aanwezigheid van watergerelateerde zaken zoals scheepswrakken, visfuiken en beschoeiing in die afzettingen is echter nog wel mogelijk.
21
12. Conclusie en Advies Conclusie Op basis van het archeologisch vooronderzoek is vastgesteld dat in een deel van het plangebied oeverafzettingen van de Kesteren stroomrug begraven liggen. In de top van deze oeverafzettingen kunnen archeologische nederzettingsresten aanwezig zijn die dateren in het NeolithicumMiddeleeuwen. Hierop is de verwachting hoog. Deze oeverafzettingen bevinden zich in het centrale deel van het plangebied, zoals is terug te vinden in bijlage 7. In de rest van het plangebied is sprake van een lage archeologische verwachting. Hier liggen onder komafzettingen restgeulafzettingen van de Kesteren stroomrug begraven. Deze restgeulafzettingen zijn doorgaans te nat en bieden geen bewoningsmogelijkheden, vanwaar aan deze gebiedsdelen een lage archeologische verwachting is toegekend. Advies In het plangebied bestaat het voornemen om de bestaande bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats nieuwbouw te realiseren. Het centrale deel van het plangebied heeft op grond van onderhavig onderzoek een hoge archeologische verwachting. In dit terreinsdeel zijn namelijk intacte oeverafzettingen aanwezig waarin de top theoretisch gezien nog resten aanwezig kunnen zijn. Voor dit gebied wordt geadviseerd een karterend booronderzoek uit te voeren (methode E2 uit de SIKBleidraad voor karterend booronderzoek).
Voor de overige delen van het plangebied is sprake van een lage archeologische verwachting. Voor die gebiedsdelen worden geen aanvullende maatregelen voorgesteld. Voor die gebiedsdelen geldt echter wel dat wanneer tijdens de graafwerkzaamheden onverhoopt toch resten of belangwekkende zaken worden waargenomen, deze op grond van de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11 dienen te worden gemeld bij de bevoegde overheid (de gemeente Neder-Betuwe). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Neder-Betuwe) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
22
13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • www.ahn.nl • www.ruimtelijkeplannen.nl • www.watwaswaar.nl • www.bodemloket.nl • www.bodemdata.nl • bagviewer.geodan.nl Literatuur: • Bakker, H. de, 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade. • Bakker, H. de en J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus. Wageningen. • Bennema, J. & L.J. Pons, 1952, Donken, fluviatiel Laagterras en Eemzee-afzettingen in het westelijk gebied van de grote rivieren. Boor en Spade 5: 126-137. • Berendsen, H.J.A., 2005. De vorming van het land. Assen (Fysische geografie van Nederland). Vierde, geheel herziene druk. • Berendsen, H.J.A./ E. Stouthamer (eds.), 2001. Palaeogeographical development of the RhineMeuse delta, the Netherlands. Assen. • Buesink, A., 2004. Archeologisch vooronderzoek Plan Zuid, Kesteren. Synthegra Rapport 2004-076 • Koeman, 2008. Archeologisch onderzoek Kesteren-Zuid, Kesteren. Synthegra Archeologie Rapport P0502675. Doetinchem • Cohen, K.M., 2003.
Differential Subsidence within a coastal prism: Late Glacial – Holocene tectonics in the Rhine Meuse delta, the Netherlands. Ph.D. Thesis Utrecht University. • Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik, A.H. Geurts, 2012. Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn‐Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Universiteit Utrecht. Digitale Dataset. • Garrison, E.G. & N. Herz, 2007. Geological Methods for Archaeology, Oxford University Press, London. • Mulder, E.F.J., M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland. Houten. • Schorn, E.A., 2015. Kesteren, Hoofdstraat 73. Inventariserend Veldonderzoek. Archeodienst rapport, Zevenaar • Stouthamer, E., 2001. Holocene avulsions in the Rhine-Meuse delta, the Netherlands. Ph.D. Thesis Utrecht University. NGS 283.
23
Bijlage 1: Archeologische verwachtingskaart van de gemeente Neder-Betuwe
24
Bijlage 2: Stroomruggen
25
Bijlage 3: Geomorfologie
26
Bijlage 4: Hoogtekaart
27
Bijlage 5: Bodemkaart
28
Bijlage 6: Archeologische waardenkaart
29
Bijlage 7: Boorpuntenkaart
30
Bijlage 8: Foto’s van de boringen
Boring 7
Boring 2
31
Bijlage 9: Boorbeschrijvingen
32
Projectnaam Projectcode Beschrijver: Boormethode: Boordiameter:
Kesteren, Hoofdstraat 70-70A 17050008 T. Nales Edelman/guts 7/3 cm
X-coordinaat Y-coordinaat Z-coordinaat
Boordatum: CIS-code:
167,764 437,771 6.4 m NAP
Opmerking:
GWS Gt GWS na boring
-
Boorpuntnummer
1
Boorpuntnummer
2
12-2-2017 4544573100
Landgebruik Bodemkaart Geom. kaart
-
-
[-Mv]
Textuur
Gr
Org
VAM
plr
Kleur
Laaggrens
Consist.
M50
20 60 90 110 120 140 200 300
Kz3 Kz1 Ks4 Ks3 Ks4 Kz1 Kz1 Kz1
-
h3 h2 -
-
wo -
drbrgr librgr librgr gr gr drbrgr librgr blgr
scherp scherp scherp scherp scherp scherp scherp EB
MST MST ST ST MST MST SL SL
-
Projectnaam Projectcode Beschrijver: Boormethode: Boordiameter:
Fe
GW
Hor
M
Lith.
Bijzonderheden
or or or or r r r
1 1 1 1 1 2 1 1
-
X C -
-
X OEV OEV KOM OEV OEV OEV OEV
omg fe vl lkl lkl -
1 1 1 2 1 1 1 1
Kesteren, Hoofdstraat 70-70A 17050008 T. Nales Edelman/guts 7/3 cm
X-coordinaat Y-coordinaat Z-coordinaat
Boordatum: CIS-code:
167,761 437,722 6.6 m NAP
Opmerking:
o/r Ca
GWS Gt GWS na boring
-
12-2-2017 4544573100
Landgebruik Bodemkaart Geom. kaart
-
-
[-Mv]
Textuur
Gr
Org
VAM
plr
Kleur
Laaggrens
Consist.
M50
o/r Ca
Fe
GW
Hor
M
Lith.
Bijzonderheden
20 55 60 110 130 160 200 220 250
Kz3 Kz1 Kz1 Ks3 Kz3 Zs3 Kz2 Kz2 Zs1
-
h3 h2 -
-
wo -
drbrgr br librgr gr or|gr gr grbr grbr blgr
scherp scherp scherp scherp scherp scherp scherp scherp EB
MST MST MST MST MST MST MST MST MST
mf
o or or or or or r r
1 1 1 2 3 1 1 1 1
-
X Aap1 C -
-
X OMG OEV KOM GEU GEU GEU GEU BED
omg Mn++ -
1 1 1 1 3 3 3 3 3
Projectnaam Projectcode Beschrijver: Boormethode: Boordiameter:
Kesteren, Hoofdstraat 70-70A 17050008 T. Nales Edelman/guts 7/3 cm
X-coordinaat Y-coordinaat Z-coordinaat
Boordatum: CIS-code:
167,756 437,672 6.3 m NAP
Opmerking:
GWS Gt GWS na boring
-
Boorpuntnummer
3
Boorpuntnummer
4
12-2-2017 4544573100
Landgebruik Bodemkaart Geom. kaart
-
-
[-Mv]
Textuur
Gr
Org
VAM
plr
Kleur
Laaggrens
Consist.
M50
50
Kz3
-
h3
-
wo
drbrgr
scherp
MST
-
Projectnaam Projectcode Beschrijver: Boormethode: Boordiameter:
Fe
GW
Hor
M
Lith.
Bijzonderheden
-
1
-
X
-
X
omg
1
Kesteren, Hoofdstraat 70-70A 17050008 T. Nales Edelman/guts 7/3 cm
X-coordinaat Y-coordinaat Z-coordinaat
Boordatum: CIS-code:
167,752 437,623 6.4 m NAP
Opmerking:
o/r Ca
GWS Gt GWS na boring
-
12-2-2017 4544573100
Landgebruik Bodemkaart Geom. kaart
-
-
[-Mv]
Textuur
Gr
Org
VAM
plr
Kleur
Laaggrens
Consist.
M50
o/r Ca
Fe
GW
Hor
M
Lith.
Bijzonderheden
25 50 100 120 140 190 220 260 280
Kz3 Ks3 Ks3 Ks3 Kz1 Kz1 Kz1 Zs3 Z
-
h3 h2 h1 h2 -
-
wo -
drbrgr grbr grbr drgr drgr ligr ligr drgr drgr
scherp scherp scherp scherp scherp scherp scherp scherp EB
MST MST MST MST MSL MSL MSL MSL MSL
mg mg
or or r r r r r r
1 2 2 1 1 1 1 1 1
-
X Aap1 C -
-
X OPG KOM GEU GEU GEU GEU BED BED
omg hk kalkconcreties laklaag, sch++ kalkconcreties kalkconcreties, veel -
1 1 1 1 1 1 1 1 1
Projectnaam Projectcode Beschrijver: Boormethode: Boordiameter:
Kesteren, Hoofdstraat 70-70A 17050008 T. Nales Edelman/guts 7/3 cm
X-coordinaat Y-coordinaat Z-coordinaat
Boordatum: CIS-code:
167,803 437,750 6.3 m NAP
Opmerking:
GWS Gt GWS na boring
-
Boorpuntnummer
5
Boorpuntnummer
6
12-2-2017 4544573100
Landgebruik Bodemkaart Geom. kaart
-
-
[-Mv]
Textuur
Gr
Org
VAM
plr
Kleur
Laaggrens
Consist.
M50
50 70 100 110 120 140 200 300
Kz3 Ks3 Ks3 Ks3 Ks4 Kz1 Kz1 Kz1
-
h3 h2 h1 h2 -
-
wo -
drbrgr grbr grbr gr gr drbrgr librgr blgr
scherp scherp scherp scherp scherp scherp scherp EB
MST MST MST ST MST MST SL SL
-
Projectnaam Projectcode Beschrijver: Boormethode: Boordiameter:
Fe
GW
Hor
M
Lith.
Bijzonderheden
or or or or r r r
1 2 2 1 1 2 1 1
-
X X C -
-
X X KOM KOM OEV OEV OEV OEV
opg bakst puin fe vl lkl lkl -
1 1 1 2 1 1 1 1
Kesteren, Hoofdstraat 70-70A 17050008 T. Nales Edelman/guts 7/3 cm
X-coordinaat Y-coordinaat Z-coordinaat
Boordatum: CIS-code:
167,793 437,701 6.2 m NAP
Opmerking:
o/r Ca
GWS Gt GWS na boring
-
12-2-2017 4544573100
Landgebruik Bodemkaart Geom. kaart
-
-
[-Mv]
Textuur
Gr
Org
VAM
plr
Kleur
Laaggrens
Consist.
M50
o/r Ca
Fe
GW
Hor
M
Lith.
Bijzonderheden
30 50 80 110 130 160 175
Kz3 Ks2 Ks3 Ks4 Kz1 Kz2 Zs3
-
h3 h2 h3 -
-
wo -
drbrgr drgr drgrbr librgr brgr brgr librgr
scherp scherp scherp scherp scherp scherp EB
MST MST MST MST MST MST MST
mg
or or or or
1 1 1 2 2 2 1
-
X Aa1 Aa2 C -
-
X OPG OPG OEV OEV OEV BED
omg ST hk, ST fe vl
1 1 1 2 2 1 1
Projectnaam Projectcode Beschrijver: Boormethode: Boordiameter:
Kesteren, Hoofdstraat 70-70A 17050008 T. Nales Edelman/guts 7/3 cm
X-coordinaat Y-coordinaat Z-coordinaat
Boorpuntnummer
Boordatum: CIS-code:
167,773 437,656 6.2 m NAP
Opmerking:
GWS Gt GWS na boring
-
12-2-2017 4544573100
Landgebruik Bodemkaart Geom. kaart
-
-
[-Mv]
Textuur
Gr
Org
VAM
plr
Kleur
Laaggrens
Consist.
M50
o/r Ca
Fe
GW
Hor
M
Lith.
Bijzonderheden
20 40 90 120 170 180 200
Kz3 Ks3 Ks3 Kz1 K|Z Zs3 Z
-
h3 h2 -
-
wo -
drbrgr grbr librgr grbr grbr gr gr
scherp scherp scherp scherp scherp scherp EB
MST MST MST MST MST MST MST
mg -
o or or r r -
1 2 1 1 1 1 -
-
X Aap1 C -
-
X OPG OEV OEV OEV BED BED
omg hk Mn, fe vl fe vl grind
1 1 1 3 3 3 -
7
Transect-rapport 1357 Kesteren, Hoofdstraat 70-70a Gemeente Neder-Betuwe (GD) Inventariserend Veldonderzoek (IVO), karterende fase
T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl
Australiëlaan 5-a 3526 AB Utrecht
Colofon
Titel
Kesteren, Hoofdstraat 70-70a, gemeente Neder-Betuwe (GD). Een Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek (IVO), karterende fase.
Rapportnummer
Transect-rapport 1357
Auteur
J. Rap MA
Versie
Concept
Datum
25-07-2017
Projectnummer
17050008
Onderzoeksmelding
4561542100
Opdrachtgever
Comixus b.v. De Smalle Zijde 7e 3903 LL Veenendaal
Uitvoerder
Transect b.v. Australiëlaan 5-a 3526 AB Utrecht
Bevoegde overheid
Gemeente Neder-Betuwe
Toetsing
Omgevingsdiesnst Rivierenland
Beheer documentatie
Transect b.v. Utrecht
Omslagafbeelding
Foto van het plangebied
Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA-prospector
Datum 24-08-2017
Paraaf
ISSN: 2211-7067
© Transect, Utrecht Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Australiëlaan 5-a 3526 AB Utrecht
T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl
Samenvatting In opdracht van Comixus b.v. heeft Transect b.v. in juli 2017 een Inventariserend veldonderzoek (IVO), karterende fase, uitgevoerd in een plangebied aan de Hoofdstraat 70-70a in Kesteren (gemeente Neder-Betuwe). De aanleiding van het onderzoek vormt de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging en omgevingsvergunning ten behoeve van de herontwikkeling van het plangebied, waarbij de bestaande kavels zullen worden opgesplitst en een aantal nieuwe woningen zal worden gerealiseerd. In het plangebied heeft reeds een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, plaatsgevonden. Op grond van dit onderzoek is sprake van een archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische resten in een deel van het destijds onderzochte plangebied. Daarom wordt geadviseerd een aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren, in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, karterende fase (Nales, 2017). Op basis van het karterend veldonderzoek is vastgesteld dat het plangebied een lage verwachting heeft op het aantreffen van archeologische resten. In geen van de gezette boringen in het onderzochte gebied zijn archeologische indicatoren aangetroffen, waarmee de aanwezigheid van een intacte vindplaats in het onderzoeksgebied niet waarschijnlijk is.
Bij de voorgenomen ingrepen in het plangebied - de bouw van een aantal nieuwe woningen - zullen daarom naar verwachting geen archeologische resten verstoord worden. Advies Omdat voor het plangebied een lage verwachting op het aantreffen van intacte archeologische resten is vastgesteld, is het onwaarschijnlijk dat tijdens de voorgenomen ingrepen in het plangebied een archeologische vindplaats verstoord zal worden. Daarom bestaan er vanuit archeologisch opzicht geen bezwaren tegen het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Neder-Betuwe, om op basis van de resultaten van dit onderzoek en het afgegeven advies een selectiebesluit te nemen. Kanttekening Onderhavig onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke methoden en inzichten en is erop gericht om de kans op het onverwacht aantreffen dan wel het ongezien vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische resten niet gegarandeerd worden. Wanneer bij graafwerkzaamheden toch onverhoopt waardevolle resten worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2015 te worden gemeld bij de bevoegde overheid, de gemeente NederBetuwe.
Inhoud 1.
Aanleiding.............................................................................................................................. 4
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek ............................................................. 5
3.
Achtergrondinformatie en archeologische verwachting ....................................................... 6
4.
Resultaten veldonderzoek ..................................................................................................... 8