CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1f - Bijlage 5 bij de toelichting - Quicscan natuurwaardenonderzoek

Raadsvergadering 11 december 2025, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Opheusden, Tielsestraat 68’11.061 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QuickScan natuurwaardenonderzoek Tielsestraat 68 - Opheusden Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000

1

Colofon QuickScan natuurwaardenonderzoek Tielsestraat 68 - Opheusden Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Nobelstraat 7-5 7131 PZ Lichtenvoorde BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852

Opdrachtgever: Van Westreenen Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna

Projectnummer en versie: 7567 versie 1.0 Ligging plangebied: Tielsestraat 68 Opheusden Auteur: M. Mateman

Status: Definitief Rapportdatum: 6-06-2025 Veldwerk uitgevoerd door: J. van Middelkoop

De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.

2

Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................................................... 4 HOOFDSTUK 1

INLEIDING ................................................................................................................................ 6

HOOFDSTUK 2

HET PLANGEBIED ...................................................................................................................... 7

2.1 Situering ............................................................................................................................................ 7 2.2 Beschrijving van het plangebied........................................................................................................ 8 HOOFDSTUK 3

VOORGENOMEN ACTIVITEITEN .................................................................................................... 9

3.1

Algemeen ...................................................................................................................................... 9

3.2

Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ..... 9

3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ...................................................................................................... 10 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied............................................................................................ 11 HOOFDSTUK 4

TOETSINGSKADERS .................................................................................................................. 12

4.1 Algemeen......................................................................................................................................... 12 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 ........................................................................................................... 12 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming ............................................................................................. 12 4.4 Specifieke zorgplicht........................................................................................................................ 13 4.5 Regelgeving ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk .............................................................. 15 HOOFDSTUK 5

GEBIEDSBESCHERMING ............................................................................................................ 16

5.1 Algemeen......................................................................................................................................... 16 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone .................................................................. 16 5.3 Natura 2000 ..................................................................................................................................... 17 5.4 Slotconclusie.................................................................................................................................... 20 HOOFDSTUK 6

SOORTENBESCHERMING ........................................................................................................... 21

6.1 Verwachting en bureauonderzoek .................................................................................................. 21 6.2 Veldonderzoek ................................................................................................................................ 22 6.3 Resultaten ....................................................................................................................................... 23 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ........................................................................ 28 6.5 Historische gegevens en overige bronnen ...................................................................................... 31 6.6 Volledigheid van het onderzoek ...................................................................................................... 31 HOOFDSTUK 7

CONCLUSIES........................................................................................................................... 32

Bijlagen ...................................................................................................................................................... 34

3

SAMENVATTING Aan de noordwestzijde van het erf aan de Tielsestraat 68 in Opheusden is het voornemen om een loods te realiseren ten behoeve van de bestaande boomkwekerij. De nieuwe loods wordt gebouwd binnen het huidige agrarische gebruik en sluit aan op de bestaande bedrijfsbebouwing. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 13 mei 2025 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, voortplantings- en rustplaatsen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied.

Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels van de bescherming van het GNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000gebied, zoals geluid, trillingen en optische verstoring kunnen wél uitgesloten worden. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten benut als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een voortplantingsplaats en/of (winter)rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied en wordt niet als functioneel leefgebied voor reptielen beschouwd.

Door het bouwrijp maken van het plangebied en het bouwen van de nieuwe loods tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren waarvan mogelijk de voortplantingsplaats en/of rustplaats negatief worden beïnvloed, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van de voortplantingsplaats en/of rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde 4

grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt door de voorgenomen activiteiten niet af. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de (winter)rustplaats negatief beïnvloed wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling.

Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Stikstofberekening uitvoeren voor zowel de ontwikkel- als gebruiksfase; • Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels; • Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken);

5

HOOFDSTUK 1 INLEIDING Aan de noordwestzijde van het erf aan de Tielsestraat 68 in Opheusden is het voornemen om een loods te realiseren ten behoeve van de bestaande boomkwekerij. De nieuwe loods wordt gebouwd binnen het huidige agrarische gebruik en sluit aan op de bestaande bedrijfsbebouwing. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, voortplantings- en rustplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Gelderland (Gelders Natuurnetwerk).

6

HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Situering Het plangebied is gelegen aan de Tielsestraat 68 te Opheusden, in de gemeente Neder-Betuwe. Opheusden ligt in het westen van de provincie Gelderland, aan de zuidzijde van de Nederrijn. De directe omgeving van het perceel wordt voornamelijk gekenmerkt door agrarisch gebruik, met name boomkwekerijen, erven en bijbehorende bebouwing. De exacte locatie waar de loods gerealiseerd gaat worden ligt aan de noordwestzijde van het bestaande erf van een boomkwekerij en bevindt zich in een landelijk gebied met verspreide agrarische bebouwing en open veldstructuren. De dorpskern van Opheusden ligt op enige afstand ten zuidoosten van het plangebied. Op onderstaande kaart is de globale ligging van het plangebied weergegeven.

Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: Topotijdreis.nl).

7

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied betreft een deel van het agrarisch erf op het adres Tielsestraat 68 te Opheusden, behorend bij een bestaande boomkwekerij. De voorgenomen loods zal worden gerealiseerd aan de noordwestzijde van het erf. Het betreffende gedeelte van het perceel is deels verhard en deels braakliggend land. Verspreid over het terrein bevinden zich enkele zandbulten. Er is geen sprake van bebouwing op de locatie van de geplande loods. Het terrein maakt onderdeel uit van het functionele bedrijfsperceel en wordt op dit moment niet intensief gebruikt. Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich een sloot, die deel uitmaakt van het lokale waterafvoersysteem. Er is geen structuur van permanente beplanting. Op onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor een visuele indruk van de huidige situatie wordt verwezen naar de fotobijlage.

Begrenzing van het plangebied met een gele begrenzing aangeduid (bron: topotijdreis.nl).

8

HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 3.1 Algemeen Aan de noordwestzijde van het agrarisch erf op het adres Tielsestraat 68 te Opheusden is het voornemen om een nieuwe loods te realiseren. De loods zal worden gebruikt voor de opslag van materialen ten behoeve van de bestaande boomkwekerij. De loods wordt gebouwd op een deel van het perceel dat reeds gedeeltelijk verhard is; het overige deel bestaat uit grasland met enkele zandbulten. De nieuwbouw sluit aan op het bestaande gebruik van het terrein als agrarisch bedrijfsperceel. De overige bebouwing op het erf blijft ongewijzigd. In de onderstaande verbeelding is de gewenste eindsituatie weergegeven.

Plattegrond van de beoogde situatie (bron: Van Westreenen).

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet flora- en fauna-activiteit: • Het uitvoeren van graafwerkzaamheden en aanleg van fundering; • Het bouwen van een nieuwe loods; • Het verwijderen van vegetatie op het onverharde deel van het perceel; • Het permanent gebruik van de loods als onderdeel van het agrarisch bedrijf; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren voortplantings- en rustplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden;

9

Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Doden van dieren; • Afname en verdwijnen van functioneel leefgebied van dieren. 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de mogelijke effecten van de voorgenomen activiteit goed in beeld te brengen, is het in sommige gevallen noodzakelijk om ook buiten de directe grenzen van het plangebied te kijken. In dit geval betreft het de realisatie van een loods ten behoeve van een bestaande boomkwekerij. Het plangebied bestaat deels uit verhard terrein en deels uit grasland met zandbulten. Aan de westzijde bevindt zich een sloot. De directe omgeving bestaat uit agrarisch gebruik, verspreide erven en open percelen.

Tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden kunnen tijdelijke effecten optreden, zoals geluid, trillingen en visuele verstoring. Deze effecten blijven naar verwachting beperkt tot het directe erf en de aangrenzende slootzone. Vanwege de aard van het omliggende gebied (agrarisch, open, zonder nabijgelegen kwetsbare natuurstructuren) is de invloedsfeer klein en lokaal van karakter. Eventuele effecten op beschermde soorten beperken zich daarmee tot soorten die mogelijk gebruikmaken van het grasland of randen als foerageergebied (bijvoorbeeld vogels), voorkomen in of nabij de sloot (amfibieën), incidenteel voorkomen op open terreinen met opslag en vegetatie (bijvoorbeeld vlinders). Gelet op de beperkte schaal van de ingreep en het bestaande agrarische gebruik van het terrein worden significante effecten buiten het plangebied uitgesloten.

10

3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt niet gelijkgesteld aan het plangebied. Hieronder is het plangebied en het onderzoeksgebied weergegeven. Indien verder in deze rapportage gesproken wordt over plangebied wordt onderstaand onderzoeksgebied bedoeld.

Hierboven zijn het plangebied (geel) en het onderzoeksgebied (rood en geel) weergegeven (bron: topotijdreis.nl).

11

HOOFDSTUK 4 TOETSINGSKADERS 4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal): 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van, van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3.

Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; 12

d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Andere Soorten (Artikel 11.54 Bal) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b.

het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig.

4.4 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

13

Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht.

Het is niet geheel duidelijk wat de consequenties zijn van een effect van een activiteit op soorten die vermeld staan op de Rode Lijst, evenals het toetsen van het effect van een activiteit op ‘trekvogels’. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de 14

aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1° van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2° van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3° dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4° voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e.

tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen Nieuw is de zorgplicht voor het aantasten van belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van vogels en soorten van de Rode lijst. Voor activiteiten die leiden tot overtreding van een verbodsbepaling dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen te worden (dit heette in de Omgevingswet een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit). Indien sprake is van het aantasten van belangrijk leefgebied of natuurlijke habitat van een Rode lijstsoort, dient een document opgesteld te worden. Dit zal vergelijkbaar zijn met een ecologisch werkprotocol (EWP). In een EWP wordt beschreven op welke wijze een negatief effect op beschermde soorten, soorten van de Rode Lijst en belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voorkomen kan worden, of hoe dit hersteld kan worden. Ook wordt een monitoringsplicht ingevoerd tijdens en na de uitvoering van de werkzaamheden, indien maatregelen getroffen worden. Dit geldt alleen voor belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats.

4.5 Regelgeving ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk Het Besluit kwaliteit leefomgeving is een AMvB onder de Omgevingswet waarin onder andere regelgeving over de bescherming van Gelders Natuurnetwerk (GNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opgenomen. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale omgevingsverordening van de provincie Gelderland.

15

HOOFDSTUK 5 GEBIEDSBESCHERMING 5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Gelders Natuurnetwerk. 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte.

De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provincie dekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities.

16

Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Het plangebied ligt op minimaal 350 meter afstand van gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) behoren. Daarnaast ligt het plangebied op minimaal 345 meter afstand van gronden die tot de Groene Ontwikkelingzone (Go) behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven.

GNN

Go

Het plangebied ligt buiten gronden die tot GNN en Go behoren.

Ligging van Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (GO) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met het rode kader aangeduid. Gronden die tot de GNN behoren worden met de donkergroene kleur aangeduid. Gronden die tot Go behoren worden met de lichtgroene kleur aangeduid (bron: gelderland.maps.arcgis.com).

Beschermingsregime De bescherming van het GNN en de GO kennen geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten de GNN en Go ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. de GNN en GO. 5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De 17

Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’.

Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

18

Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 345 meter afstand van Nederlands Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000-gebied zijn de Rijntakken. Op de onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Minimaal 345 meter afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren.

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met blauwe en groene kleur (Rijntakken) aangeduid (bron: atlasleefomgeving.nl).

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied aan de Tielsestraat 68 te Opheusden ligt op circa 345 meter afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied: De Rijntakken. Hoewel het Natura 2000-gebied zich op enige afstand bevindt, dient het effect van de voorgenomen werkzaamheden – de bouw van een loods ten behoeve van een boomkwekerij – zorgvuldig te worden beoordeeld. Vanwege de aard van de werkzaamheden (grondverzet, funderingswerkzaamheden, bouw van een loods) kunnen tijdelijke effecten als geluid, trillingen en visuele verstoring lokaal optreden. Tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied liggen de woningen aan de Rijnbandijk 129b, 131 en 133, gezien de afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebied en de aanwezigheid van deze woningen reiken geluid, trillingen en visuele verstoring niet tot het Natura 2000gebied Rijntakken. Lichtverstoring is gezien de afstand en de aard van de loods (bedrijfsopslag, geen permanente verlichting) evenmin aan de orde. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Tijdens de uitvoeringsfase zal naar verwachting zwaarder bouwmaterieel worden ingezet, zoals een kraan, shovel en transportvoertuigen, en vinden meerdere verkeersbewegingen plaats voor aan- en afvoer van materiaal. Ondanks de beperkte tijdsduur van de werkzaamheden, is de afstand tot Natura 2000 (345 19

meter) relatief klein en betreft het een gevoelig habitatgebied (Rijntakken). Om te bepalen of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op nabijgelegen stikstofgevoelige habitattypen, is het noodzakelijk om een stikstofberekening (AERIUS-berekening) uit te voeren. Zonder een dergelijke berekening kan een toename van stikstofdepositie op voorhand niet worden uitgesloten. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt als gevolg van de exploitatie van de nieuwe loods mogelijk toe ten opzichte van de huidige situatie. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie habitattypen in Natura 2000gebied, dient een stikstofberekening voor de gebruiksfase uitgevoerd te worden. 5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels van de bescherming van het GNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden.

Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000gebied, zoals geluid, trillingen en optische verstoring kunnen wél uitgesloten worden.

20

HOOFDSTUK 6 SOORTENBESCHERMING 6.1 Verwachting en bureauonderzoek 6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); • Veldbezoek op 15-05-2025 door ervaren ecoloog; 6.1.2 Bronnenonderzoek Op 13 Mei 2025 is de NDFF geraadpleegd om te kijken of er beschermde planten en dieren zijn waargenomen in het plangebied en de directe omgeving. In het plangebied zijn geen waarnemingen opgenomen. In het zoekgebied zijn 8 waarnemingen vastgesteld in de periode 2020-2025 van de soortgroepen: grondgebonden zoogdieren (1), vogels (4) en vaatplanten (3) (NDFF, 2025). Relevante waarnemingen van soorten die mogelijk binding hebben met het plangebied zijn: -

Steenmarter ten zuiden van het plangebied. Dood exemplaar in augustus 2024. Zie gele cirkel op de onderstaande kaart; Huismus ten zuiden van het plangebied. Losse waarneming in januari 2025. Zie gele cirkel op de onderstaande kaart; Torenvalk ten zuidwesten van het plangebied. Losse waarneming in januari 2025. Zie rode cirkel op de onderstaande kaart. Buizerd ten zuiden van het plangebied. Losse waarneming in januari 2021. Zie paarse cirkel op de onderstaande kaart; Kievit ten noorden van het plangebied. Losse waarneming in januari 2021. Zie oranje cirkel op de onderstaande kaart.

Deze waarnemingen worden verder behandeld onder resultaten. De overige waarnemingen vormen verder geen relevantie voor deze studie. Voor de verspreiding van de waarnemingen in het zoekgebied, zie onderstaande luchtfoto.

Met de zwarte lijn wordt het zoekgebied in de NDFF weergegeven. De cirkels geven de relevante waarnemingen aan en met de groene stippen worden de overige waarnemingen aangeduid in het plangebied (rode omlijning) en nabije omgeving (periode 2020-2025) (bron: NDFF). 21

6.2 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 15 mei 2025 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van broedvogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar broedvogels. De meeste vogelsoorten bezetten een territorium in deze tijd van het jaar en vertonen territorium-indicerend gedrag (zang/balts). Veel vogelsoorten bezetten een nestplaats en een klein deel heeft al uitgevlogen jongen. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal.

Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie die het onderzoeksgebied heeft voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf- en krab, en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen bezetten de zomer- en kraamverblijfplaats in deze tijd van het jaar. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment van de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken in het plangebied.

Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en geschikt voor onderzoek naar voortplantingswateren. De meeste amfibieënsoorten bezetten in deze tijd van het jaar de voortplantingswateren. Enkele soorten zoals heikikker en bruine kikker kunnen de voortplanting reeds voltooid hebben en eisnoeren/klompen in wateren afgezet hebben. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Reptielen De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar reptielen. Bij geschikte weersomstandigheden, warm en zonnig weer, kunnen de meeste reptielen die in Nederland voorkomen begin mei waargenomen worden. Bij koud weer zijn de meeste reptielen niet actief. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor reptielen en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen

22

voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het normale verspreidingsgebied. Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als dag- en nachtvlinders, reptielen, libellen, bladmossen, sporenplanten, vissen, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuw leefgebied koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren en planten. In het plangebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht zoals beschermde weekdieren (platte schijfhoren en Bataafse stroommossel) en kevers (juchtleerkever, vermiljoenkever en vliegend hert). De voorgenomen ontwikkelingen vinden plaats buiten het functionele leefgebied van bovengenoemde soorten. Mogelijk komen er populaties van beschermde nachtvlinders (teunisbloempijlstaart), voor in de omgeving van het plangebied. Voor bovenstaande soort geldt dat het plangebied niet als geschikt leefgebied wordt beschouwd omdat waardplanten ontbreken.

Daarnaast zijn alle beschermde planten (grotendeels) gebonden aan natuurreservaten zoals Natura 2000gebied. Alle beschermde planten stellen kritische eisen aan de standplaats (vochtgehalte, zuurgraad en voedselrijkdom) en bijbehorend beheer. Dergelijke standplaatsen zijn niet aanwezig op voedselrijke plekken waar het beheer ontbreekt of niet gericht is op verschraling. Het plangebied sluit ook niet aan op de eisen die beschermde vissen en libellen stellen aan het habitat. Open water is weliswaar aanwezig maar wordt niet nadelig beïnvloed bij uitvoer van voorgenomen werkzaamheden. Door het ontbreken van specifieke waardplanten zoals: wilg, sleedoorn en teunisbloem worden beschermde dag- en nachtvlinders niet behandelt in deze rapportage. 6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Uit gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied waarnemingen zijn gedaan van onder andere buizerd, kievit, torenvalk en huismus.

Het plangebied zelf, dat deels verhard is en verder bestaat uit grasland met zandbulten, is ongeschikt als nestelplaats voor deze soorten. Gezien het open karakter van het terrein, het gebrek aan dichte struiken of bomen en de hoge mate van verstoring is het plangebied matig geschikt voor vogels om een nestplaats te bezetten. De aangrenzende sloot en erfbeplanting is gecontroleerd op de aanwezigheid van vogelnesten, deze zijn niet aangetroffen. Ook in de aangrenzende stal zijn geen nesten van bijvoorbeeld huiszwaluwen of boerenzwaluwen aangetroffen die door de bouw van de nieuwe opslagloods verstoord kunnen worden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden (zoals braakballen, prooiresten of uitwerpselen) voor het gebruik van het terrein als nest- of rustplaats door uilen of roofvogels zoals kerkuil, steenuil, buizerd of torenvalk. De openheid van het terrein maakt het mogelijk dat deze soorten het gebied incidenteel gebruiken als foerageergebied, maar structureel gebruik wordt uitgesloten. Op het terrein zijn geen bezette nesten aangetroffen maar mogelijk worden broedende vogels in beplanting in de omgeving van het terrein negatief beïnvloed door het bouwen van de loods. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels neemt door de voorgenomen activiteiten af. Deze afname leidt niet tot wettelijke consequenties.

23

Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: • Uitvoeren van werkzaamheden (graafwerk, bouwen) tijdens het broedseizoen van vogels; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende grondgebonden zoogdiersoorten als bosmuis, huisspitsmuis, rosse woelmuis, veldmuis. Daarnaast foerageren steenmarter, bunzing en egel mogelijk incidenteel in het plangebied. Bosmuizen, huisspitsmuizen, rosse woelmuizen en veldmuizen benutten het plangebied als foerageergebied maar mogelijk bezetten deze soorten een voortplantingsplaats en/of rustplaats in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen spullen en materialen. Een verblijfplaats van een egel wordt niet in het plangebied verwacht omdat dichte struiken met een strooisellaag of andere structuurelementen ontbreken. Voor steenmarter en kleine marterachtigen wezel, bunzing en hermelijn geldt dat het plangebied een matig geschikt leefgebied vormt. Het plangebied bestaat uit een ruderaal terrein op een actief agrarisch erf waar sprake is van een hoge mate van verstoring. Er ontbreekt beplanting met een dichte structuur en strooisellaag en andere vormen van beschutting waar deze soorten een voortplantingsplaats en/of rustplaats in kunnen bezetten.

Steenmarters bezetten doorgaans verblijfplaatsen in gebouwen, aangezien er geen bebouwing in het plangebied aanwezig wordt een voortplantingsplaats en/of rustplaats van een steenmarter ook uitgesloten in het plangebied. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Uitvoeren grondverzet; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een voortplantingsplaats en/of rustplaats in het plangebied bezetten. In het plangebied ontbreken geschikte voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen voor vleermuizen zoals gebouwen, holenbomen of bomen met loshangend schors. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en worden geen voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de bomen langs het plangebied.

Gelet op de inrichting en het kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige 24

elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een (winter)rustplaats bezetten onder strooisel en bladeren en in holen en gaten in de grond. Op ruime afstand van het plangebied in de omgeving van de Nederrijn komen rugstreeppadden voor. Door het ontbreken van waarnemingen van rugstreeppad in de directe omgeving van het plangebied wordt deze soort uitgesloten in het plangebied.

Verspreiding van rugstreeppadden in de omgeving van het plangebied. de ligging van het plangebied wordt weergegeven met de rode ster, waarnemingen van rugstreeppadden met de groene stippen (bron: NDFF, 2025). Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. daarnaast neemt door het bebouwen en verharden van het plangebied het oppervlakte foerageergebied voor amfibieën af, deze afname leidt niet tot wettelijke consequenties. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Uitvoeren grondverzet;

25

Reptielen Op ongeveer 400 meter afstand ten noorden van het plangebied ter hoogte van de Rijnbandijk zijn in 2022 en 2023 ringslangen waargenomen, zie onderstaande afbeelding.

Waarnemingen van ringslangen uit 2020 en 2023 ter hoogte van de Rijnbandijk, weergegeven met de groene stippen (NDFF, 2025).

De buitenruimte rondom het plangebied bestaat uit verharding, intensief beheer agrarisch cultuurland, dit betreft een matig geschikt leefgebied voor ringslangen. Het plangebied bestaat uit een ruderaal terrein met meerdere zandbulten en gras. Er zijn weinig geschikte plekken aanwezig waar een ringslang onder weg kan kruipen. Daarnaast staat het plangebied niet in verbinding met open water wat door ringslangen benut wordt als plek om te migreren. Aangezien het plangebied een matig geschikt leefgebied vormt voor ringslangen en de dichtstbijzijnde waarnemingen op relatief grote afstand in een geschikter biotoop zijn gedaan, in/nabij Natura 2000-gebied rijntakken, wordt de aanwezigheid van ringslangen uitgesloten in het plangebied. Er worden naast ringslang ook geen overige reptielsoorten in het plangebied verwacht omdat het plangebied buiten het verspreidingsgebied van deze soorten ligt en het plangebied voor alle overige reptielen die in Nederland voorkomen geen geschikt leefgebied vormt. Rode-lijstsoorten Het plangebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van Rode-lijstsoorten. De Rode-lijstsoorten huismus en boerenzwaluw kunnen incidenteel in het plangebied foerageren. Beide soorten bezetten geen nestplaats in het plangebied en de functie van het plangebied als foerageergebied neemt niet af.

Er worden geen overige Rode-lijstsoorten verwacht zoals planten, paddenstoelen of korstmossen. Deze zijn namelijk (grotendeels) gebonden aan plekken met specifieke standplaatsfactoren zoals Natura 2000gebied. Alle Rode-lijst-planten, -paddenstoelen en – korstmossen stellen kritische eisen aan de standplaats/substraat (vochtgehalte, zuurgraad en voedselrijkdom) en eventueel bijbehorend beheer.

26

Dergelijke standplaatsen zijn niet aanwezig op voedselrijke plekken waar het beheer ontbreekt of niet gericht is op verschraling. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de populatie Rode-lijstsoorten niet af en gaat geen foerageergebied of leefgebied van Rode-lijstsoorten verloren. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

27

6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het bouwrijp maken van het plangebied en het bouwen van de nieuwe loods tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Bouwrijp maken terrein en bouwen loods buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); Grondgebonden zoogdieren Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren waarvan mogelijk de voortplantingsplaats en/of rustplaats negatief worden beïnvloed, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van de voortplantingsplaats en/of rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (zie onderstaande tabel voor toepasbare vangmiddelen), of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt door de voorgenomen activiteiten niet af.

Toepasbare vangmiddelen om beschermde grondgebonden zoogdieren weg te vangen uit het plangebied. Deze vangmiddelen zijn het hele jaar toepasbaar in de gehele provincie (bron: Omgevingsverordening Gelderland d.d. 20-03-2023).

28

Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora en faunaactiviteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Amfibieën Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16275526/1