Bijlage 17 bij de toelichting - Waterhuishoudkundige analyse
Tekst van het document
Waterhuishoudkundige analyse Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
Gemeente Neder‐Betuwe
Projectnummer: 3449.01 Datum: 31‐05‐2022 Versie: definitief, Versie 3
Waterhuishoudkundige analyse Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
Gemeente Neder‐Betuwe
Opdrachtgever:
GMB Onroerend Goed B.V.
Projectnummer:
3449.01
Datum: Versie:
Definitief, versie 3
Projectleider en rapporteur:
Ing. M. Teusink
Autorisatie:
Ing. M. Groenen
Opdrachtnemer:
Buro Ontwerp & Omgeving Velperweg 157 6824 MB Arnhem Postbus 2033 6802 CA Arnhem info@ontwerpenomgeving.nl www.ontwerpenomgeving.nl
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
INHOUD
Pagina
1
INLEIDING ............................................................................................................. 3 Aanleiding .............................................................................................................. 3 Doel van de waterhuishoudkundige analyse ........................................................ 3 Opbouw van de waterhuishoudkundige analyse .................................................. 4
2
PLANGEBIED ......................................................................................................... 5 Ligging plangebied ................................................................................................. 5 Huidige situatie ..................................................................................................... 6 Toekomstige situatie ............................................................................................. 7
3
GEBIEDKENMERKEN ............................................................................................. 9 Algemeen .............................................................................................................. 9 Maaiveldhoogte .................................................................................................... 9 Bodemopbouw .................................................................................................... 11 Infiltratiecapaciteit bodem .................................................................................. 13 Grondwater ......................................................................................................... 14 Oppervlaktewater ............................................................................................... 18 Hemelwater ......................................................................................................... 19 Kabels en leidingen ............................................................................................. 19 Beleidsuitgangspunten ........................................................................................ 21
4
WATERHUISHOUDKUNDIGE CONSEQUENTIES EN UITGANGSPUNTEN ............. 22 Algemeen ............................................................................................................ 22 Uitgangspunten ................................................................................................... 22 Bergingsopgave ................................................................................................... 23 Realisatie berging ................................................................................................ 25 Weg‐ en vloerpeilen ............................................................................................ 28 Vuilwaterriolering................................................................................................ 28
5
CONCLUSIES EN ADVIES ..................................................................................... 30
1.1 1.2 1.3
2.1 2.2 2.3
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
BIJLAGEN Bijlage 1: Grondwatergegevens Bijlage 2: Watertoets Bijlage 3: Beleidsuitgangspunten Bijlage 4: Ontwerp Bijlage 5: Themakaart water Bijlage 6: Meetresultaten grondwatermeetnet
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
2
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
1
Buro Ontwerp & Omgeving
INLEIDING In opdracht van GMB Services is door Buro Ontwerp & Omgeving een aangepaste waterhuis‐ houdkundige analyse opgesteld voor de toekomstige bedrijfsterrein ‘Bonegraaf‐Oost’ te Do‐ dewaard. De waterhuishoudkundige analyse van 21 oktober 2021 en 7 december 2021 is aan‐ gepast naar aanleiding van een gewijzigd ontwerp van de inrichting van de locatie.
1.1 Aanleiding De aanleiding tot het opstellen van de waterhuishoudkundige analyse is de voorgenomen uit‐ breiding van bedrijventerrein Bonegraaf in oostelijke richting (Bonegraaf‐Oost). Om de ontwikkeling mogelijk te maken en hiermee een wijziging in functie (van agrarisch naar bedrijfsterrein), dient een bestemmingsplan te worden opgesteld. De waterhuishoudkundige analyse dient als onderbouwing voor het aspect water bij het be‐ stemmingsplan en geeft uitgangspunten voor de toekomstige inrichting voor hemelwater, huishoudelijk afvalwater, grondwater en oppervlaktewater. 1.2 Doel van de waterhuishoudkundige analyse In bestemmingsplannen moet worden aangetoond dat de waterhuishouding ter plaatse niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen. Om de gevolgen in kaart te brengen, dient het instrument de Watertoets worden uitgevoerd. Naar aanleiding van de Watertoets, geeft het waterschap, in samenwerking met de gemeente, advies en uitgangs‐ punten met betrekking op de waterhuishouding. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van het rijk, provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Voor dit plan is op 11 oktober 2021 de digitale watertoets doorlopen.
Uit de toets blijkt dat de gangbare watertoetsprocedure gevolgd moet worden. Dit betekent dat er nader over‐ leg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. De waterhuishoudkundige analyse is gebaseerd op de bij Buro Ontwerp & Omgeving bekende gegevens. Voor het opstellen de analyse is geen geohydrologisch veldonderzoek verricht. Om die reden kan het zijn dat de aannames ten aanzien van de waterhuishouding in het gebied afwijken van de werkelijke situatie ter plaatse. Mocht naar aanleiding van de analyse blijken
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
3
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
dat bepaalde waterhuishoudkundige maatregelen getroffen moeten worden, dan kan het no‐ dig zijn om een geohydrologisch onderzoek uit te voeren. In een dergelijk onderzoek wordt de lokale waterhuishoudkundige situatie nauwkeuriger bepaald en worden de eventueel beno‐ digde maatregelen uitgewerkt tot een advies. 1.3 Opbouw van de waterhuishoudkundige analyse In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op de ligging van het plangebied, de huidige situatie binnen het plangebied en de situatie binnen het plangebied nadat de ontwikkeling is gereali‐ seerd. In hoofdstuk 3 volgen de gebiedskenmerken van het plangebied en de omgeving. De gebiedskenmerken hebben invloed op het functioneren van het watersysteem ter plaatse en geven inzicht in de (on)mogelijkheden van eventuele waterhuishoudkundige maatregelen. In hoofdstuk 4 worden de beleidsuitgangspunten behandeld die het kader vormen voor de wijze waarop in de toekomstige situatie het watersysteem moet functioneren. De resultaten uit de hoofdstukken 2 en 3 leiden tot de waterhuishoudkundige consequenties en uitgangspunten voor het initiatief welke in hoofdstuk 4 zijn beschreven. Het vijfde en laatste hoofdstuk bevat de conclusies en het advies.
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
4
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
2
Buro Ontwerp & Omgeving
PLANGEBIED
2.1 Ligging plangebied Ten noorden van de kern Dodewaard is industrieterrein Bonegraaf gesitueerd. Het industrie‐ terrein wordt in oostelijke richting uitgebreid (Bonegraaf‐Oost). Bonegraaf‐Oost is gelegen tussen het bestaande bedrijventerrein (westkant), de kern van Dodewaard (zuidkant), de A15 (noordkant) en agrarisch gebied (oostkant). Het te ontwikkelen gebied bestaat uit 3 delen, te weten: 1. Deelgebied 1, agrarisch perceel ten westen van het bosperceel; 2. Deelgebied 2, bosperceel; 3. Deelgebied 3, agrarisch perceel ten oosten van het bosperceel; Ad.1 agrarisch perceel ten westen van het bosperceel De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Dodewaard, sectie D, nrs. 2169, 21870, 1669, 1932, 1931 en 1410 en heeft een oppervlakte van circa 2,5 ha. Perceel 2102 en 2103 en een deel van de percelen 2242 en 2192 (op‐ pervlakte circa 3.300 m2), behoren ook tot het plangebied maar heb‐ ben reeds de bestemming ‘bedrij‐ venterrein’. Dit is vastgesteld in 2016. Ten behoeve van deze be‐ stemmingswijziging heeft reeds compensatie voor water plaatsge‐ vonden. In onderhavige waterhuis‐ houdkundige analyse wordt dit deel, qua te compenseren verhar‐ ding, derhalve buiten beschouwing gelaten. Ad. 2 bosperceel De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Dodewaard, sectie D, nr. 926 en heeft een oppervlakte van circa 1,9 ha. Figuur 1: Situering plangebied
Ad. 3 agrarisch perceel ten oosten van het bosperceel De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Dodewaard, sectie D, nr. 1172 en heeft een oppervlakte van 3,1 ha.
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
5
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
In figuur 1 is de globale ligging van het plangebied met het reeds gecompenseerde deel (oranje) weergegeven. 2.2 Huidige situatie Perceel 926 (deelgebied 2) betreft een bosperceel, met veelal hoge populieren en op enkele plekken onderbegroeiing, de bomen staan in 9 rijen met een onderlinge afstand van circa 5‐6 meter en zijn noord‐zuid georiënteerd. Aan de oostzijde van het bos bevindt zich een wandel‐ pad bestaande uit halfverharding. Langs het bosperceel zijn aan alle zijden watergangen aanwezig. Aan de zuidwestkant en aan de noordoostkant zijn inritten met duikers naar het perceel (dammetje) aanwezig. Het zuidelijk deel van perceel 926 is/was in gebruik als opslag. Perceel 1172 (deelgebied 3) is in gebruik als agrarisch perceel. Langs het perceel zijn aan alle zijden watergangen aanwezig. De percelen 2169, 21870, 1669, 1932, 1931 en 1410 (deelgebied 1) zijn in gebruik als agrarisch percelen. Langs het perceel zijn aan alle zij‐ den watergangen aanwezig. Aan de noord, zuid en oost‐ zijde zijn watergangen aan‐ wezig. Aan de westzijde be‐ vindt zich ter hoogte van per‐ ceel 1410/1931 en ter hoogte van perceel 2169 een watergang. Aan de zuidkant van perceel 1410 is een inrit aanwezig (dammetje).
Figuur 2: Situering plangebied
De watergang aan de noordkant van het plangebied ligt grotendeels op het kadastrale perceel gemeente Dodewaard, sectie D, nr. 2003 welke eigendom is van Waterschap Rivierenland. Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
6
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
In tabel 1 is een overzicht van het verhard en onverhard oppervlak voor de huidige situatie van het plangebied opgenomen. Tabel 1
Overzicht verhard en onverhard oppervlak bestaande situatie plangebied
Huidige situatie Bebouwd oppervlak Terreinverharding / infrastructuur totaal verhard Onverhard totaal onverhard
Oppervlakte (in m2) totaal 0 0 79.115 79.115
2.3 Toekomstige situatie Deelgebied 1 Het plan is om diverse bedrijfskavels op de locatie te realiseren. Voor het parkeren is uitgegaan van waterdoorlatende parkeervakken. De exacte bebouwing is nog onbekend, er is uitgegaan van de maximale bouwvlakken uit het bestemmingsplan. In figuur 3 en bijlage 4 is het ontwerp weergegeven. Deelgebied 2 en 3 De initiatiefnemer is voornemens een bedrijfsperceel met kantoor en diverse opslagloodsen op de locatie te realiseren. Op het buitenterrein zal tevens opslag plaatsvinden (deels verharding, deels grasbeton‐ blokken en deels stelconplaten welke uit elkaar zijn gelegen met hiertussen groen). Ook worden hier parkeerplaatsen gerealiseerd (gras‐ betonblokken). Het overig terrein zal bestaan uit groen en water waar‐ bij het bestaande bos deels behou‐ den blijft en een nieuw wandelpad wordt gerealiseerd. Het wandelpad zal bestaan uit een halfverharding. In figuur 3 en bijlage 4 is het ont‐ werp weergegeven.
Figuur 3: Ontwerp
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
7
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
In onderstaande tabel is een overzicht van het verwachtte verhard en onverhard oppervlak voor de toekomstige inrichting van het plangebied opgenomen. Tabel 2
Overzicht verhard en onverhard oppervlak toekomstige situatie plangebied
Toekomstige situatie
Oppervlakte (in m2) Totaal plangebied
Daken*(A) Terreinverharding / infrastructuur (wegen, opslag, pa‐ den bestaande uit asfalt, klinkers, basalton en verhar‐ dingsplaten) Subtotaal verhard Onverhard groen Waterdoorlatende verharding (parkeren en deel pa‐ den/wegen) Wandelpad bestaande uit halfverharding Water (opp zomerpeil) Wadi (bodem) Subtotaal onverhard
18.901 24.203
Totaal oppervlak plangebied *(A)
Oppervlakte (in m2) Reeds gecompen‐ seerd gebied 2.000 780
Oppervlakte (in m2) Te compenseren ge‐ bied 16.901 23.423
2.780
40.324
43.104 25.983 4.373
nvt nvt
4.374
475 4.775 405
nvt nvt nvt
475 4.775 405
36.011
36.011
79.115
76.335
De exacte bebouwing ter plaatse van deelgebied 1 is nog onbekend. Er is uitgegaan van de maximale bouwvlakken uit het bestem mingsplan
Ten opzichte van de huidige situatie neemt het verhard oppervlak in de nieuwe situatie met circa 4 ha toe.
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
8
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
3
Buro Ontwerp & Omgeving
GEBIEDSKENMERKEN
3.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de omgevingskenmerken van het plangebied besproken die invloed hebben op het functioneren van het watersysteem ter plaatse. Dit betreft de beschrijving van de maaiveldhoogten, bodemopbouw, geohydrologische situatie, grondwaterstanden, opper‐ vlaktewater en de riolering. 3.2 Maaiveldhoogte Voor het bepalen van de maaiveldhoogtes is onder andere gebruik gemaakt van de Algemene Hoogtekaart Nederland (AHN3, www.ahn.nl). In afbeelding 4 is de ligging van het plangebied op de AHN opgenomen. Tevens is van het gebied is een terreininmeting beschikbaar. Deelgebied 1 Uit de inmeting blijkt dat het noordwestelijk deel van het weiland een maaiveldhoogte heeft van circa 6,1 m +NAP en aan de noordoostkant een hoogte van circa 6,2 m +NAP. De hoogte van het zuidwestelijk deel van het weiland is circa 6,7 m +NAP en ter plaatse van het zuidoos‐ telijk deel is deze hoogte circa 6,6 m +NAP. Op de hoogtekaart Algemene Hoogtekaart Neder‐ land zijn een tweetal ontwateringsgreppels zichtbaar. Deze zijn in het veld, mogelijk vanwege het hoge gras, niet waargenomen. Deelgebied 2 Ter plaatse van het bosperceel is alleen de hoogte van het wandelpad ingemeten. Het pad heeft aan de noordkant een globale hoogte van circa 6,4 tot 6,6 m +NAP en aan de zuidkant een globale hoogte van circa 6,5 tot 6,8 m +NAP.
Gezien de aanwezige bomen op het overig deel is hier geen hoogtemeting uitgevoerd, op de AHN is enkel een beperkte hoogte van het maaiveld bekend. Uit de gegevens van AHN lijkt het zuidelijk deel van het bosperceel een hoogte van circa 7 m +NAP te hebben. Het bosperceel ligt hoger dan het weiland, zie ook onderstaande foto.
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
9
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
Deelgebied 3 Uit de inmeting blijkt dat het noordwestelijk deel van het weiland een maaiveldhoogte heeft van circa 6,2 m +NAP en aan de noordoostkant een hoogte van circa 6,4 m +NAP. De hoogte van het zuidwestelijk deel van het weiland is circa 6,5/6,6 m +NAP en ter plaatse van het zuid‐ oostelijk deel circa 6,7/6,8 m +NAP. In het maaiveld zijn een drietal ontwateringsgreppels aan‐ wezig.
Afbeelding 4:
Hoogteligging (Bron: www.ahn.nl)
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
10
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
Op de hoogtekaarten zijn de rond de percelen aanwezige sloten goed zichtbaar. De te realiseren infrastructuur zal aan de westkant aansluiten op de Einsteinstraat, deze heeft een hoogte van 6,8 m +NAP. 3.3 Bodemopbouw De bodemopbouw is van belang omdat de textuur en samenstelling van de bodem bepaalt hoe makkelijk water kan infiltreren en hoe goed de bodem water vasthoudt. Bodemkaart Volgens de Bodemkaart van Nederland betreft de bodem van het plangebied een ‘Kalkloze poldervaaggrond’, die is opgebouwd uit zavel en lichte klei. Dinoloket Voor het bepalen van de regionale bodemopbouw is gebruik gemaakt van het DINO‐loket. Tabel 3 geeft de globale bodemopbouw binnen het plangebied weer. Tabel 3
Bodemopbouw (Dinoloket)
m‐mv 0 – 4,7
Formatie Holocene afzettingen, complexe eenheid
4,7 – 8,2
Formatie van Kreftenheye, tweede zandige eenheid
8,2 – 14,7
Formatie van Kreftenheye, derde zandige eenheid
14,7 – 21,0
Formatie van Waalre, eerste kleiige eenheid
21,0 – 49,2
Formatie van Peize en Formatie van Waalre, tweede zandige eenheid
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
Beschrijving Formatie Complexe eenheid, bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, met weinig veen, fijn en grof zand en een spoor grind Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen
11
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
In onderstaande afbeelding 5 is de bodemopbouw inclusief de lithoklassen tot circa 20 m‐mv weergegeven.
Afbeelding 5:
Bodemopbouw incl. lithoklassen (Bron: Dinoloket)
Uit de gegevens blijkt dat de bovengrond tot circa 5,5 m‐mv waarschijnlijk bestaat uit klei met hierin van 1,5 tot 3,0 m‐mv een veenlaag. Hieronder is tot circa 14,5 m‐mv overwegend matig grof zand te verwachten met enkele laagjes fijn zand. Waarschijnlijk is hierna weer een kleilaag van circa 0,5 meter aanwezig waarna zich lagen met kleiig zand, zandige klei en leem afwisse‐ len met zand (grof en midden). Bodemonderzoek Op deellocatie 3 is een bodemonderzoek verricht. Hieruit blijkt dat de bovengrond voorname‐ lijk bestaat uit matig siltige klei met sporen plantenresten. Plaatselijk is de klei zwak humeus en/of bevat sporen roest en zeer plaatselijk zijn bijmengingen met zand aanwezig. De ondergrond bestaat voornamelijk uit sterk tot uiterst siltige klei met plantenresten welke plaatselijk roesthoudend is (laagjes, sporen). Plaatselijk is de bodemlaag van 0,5 tot 1,0 m‐mv zwak humeus. In één boring in de noordoostelijke hoek is van 0,5 tot 0,8 m‐mv een laag met matig grof, matig siltig, zand aangetroffen welke sporen plantenresten, laagjes roest en laagjes klei bevat. In de diepere ondergrond (vanaf circa 1,5 m‐mv) bevat de klei plaatselijk ook veen (sporen, brokken).
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
12
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
Over het algemeen is vanaf 2,5 m‐mv zwak kleiige veen aanwezig welke laagjes klei en plan‐ tenresten bevat. Ter plaatse van een gedempte sloot is de veenlaag vanaf 1,5 of 1,8 m‐mv waargenomen. Ter plaatse van de overige terreindelen is vooralsnog geen bodemonderzoek verricht. 3.4 Infiltratiecapaciteit bodem In het plangebied is de doorlatendheid van de bodem ter plaatse niet gemeten. Op basis van de bodemopbouw kan een grove schatting gemaakt worden van de doorlatendheid van de bodem, zie tabel 4. Tabel 4 geeft de hydrologische bodemopbouw van diverse grondsoorten weer, wanneer de bodem humeus is, is de doorlatendheid significant lager. Tevens is in tabel 4 de classificatie van de doorlatendheid zoals weergegeven in het Cultuurtechnisch Vademecum opgenomen. Tabel 4
K‐waarden grondsoorten
Grondsoort
Doorlaatfactor max [m/dag]
Zwak siltig klei Matig tot sterk siltig klei Sterk siltig klei Zwak zandige tot sterk zandige klei Kleiig en uiterst fijn zand
Doorlaatfactor min [m/dag] <0,0001 0,0001 0,001 0,01 0,1
Zeer fijn tot matig fijn zand Matig grof tot zeer grof zand Uiterst grof zand en grind Kalkzandsteen
1,0 10 100 0,5
10 100 1000 5,0
Kleiig veen Veen
0,005 0,1
0,1 1,0
Classificatie Zeer slecht doorlatend
0,001 0,01 0,1 1,0
Slecht doorlatend 0,1‐0,5: matig doorlatend 0,5 ‐1,0: vrij goed doorlatend Goed doorlatend Zeer goed doorlatend 0,5 ‐1,0: vrij goed doorlatend 1,0‐5,0: goed doorlatend Slecht doorlatend 0,1‐0,5: matig doorlatend 0,5 ‐1,0: vrij goed doorlatend
Bodemlagen met een minimale doorlatendheid van 1,0 m/dag worden geschikt geacht voor infiltratie van hemelwater. Op basis van de gegevens uit DINO loket en de bij het bodemonderzoek boringen ter plaatse van deelgebied 3 wordt niet verwacht dat de bodem onder de huidige omstandigheden ge‐ schikt is voor infiltratie. De bodem kan middels grondverbetering, ophoging en drainage mo‐ gelijk wel geschikt worden gemaakt voor infiltratie.
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
13
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
3.5 Grondwater Grondwaterstromingsrichting Via de website www.grondwatertools.nl is onderstaande afbeelding gecreëerd. Hieruit blijkt dat het grondwater een verwachte stijghoogte heeft van 5,5 á 6 m +NAP. Op basis van de isohypsen stroom het grondwater in westelijke richting.
Afbeelding 6:
Isohypsen (Bron: www.grondwatertool.nl)
Grondwaterstanden De grondwaterstand fluctueert echter gedurende het jaar. In de winter worden vaak de hoog‐ ste grondwaterstanden gemeten en de laagste standen worden in de zomer gemeten. De jaar‐ lijkse variatie van de grondwaterstand op een locatie kan worden gekarakteriseerd door de gemiddeld hoogste (GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Met de GHG kan wor‐ den bepaald of er binnen een plangebied mogelijkheden zijn voor infiltratie/waterberging. Daarnaast heeft de GHG invloed op het gebruik van het plangebied. Er dient afhankelijk van het gebruik een minimale afstand aanwezig te zijn tussen het maaiveldniveau en de GHG. Deze ontwateringsdiepte moet voldoende zijn om problemen met bijvoorbeeld draagkracht en natte kruipruimtes te voorkomen. In het DINO loket zijn geen monitoringspeilbuizen binnen het plangebied aanwezig.
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
14
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
Buiten het plangebied bevinden zich monitoringspeilbuizen met recentere gegevens, de dichtstbijzijnde peilbuizen zijn eveneens geraadpleegd.
Afbeelding 7:
peilbuizen (Bron: www.diniloket.nl)
De gegevens van de monitoringspeilbuizen zijn opgenomen in tabel 5 en in bijlage 1. Tabel 5
Grondwatergegevens Dinoloket
Locatie en peilbuis
Westkant plange‐ bied B39H0170 Westkant plange‐ bied B39H3488*(A) Zuidwestkant plan‐ gebied B39H3487
Filterstel‐ ling m‐mv
Meetperi‐ ode
Maaiveld‐ hoogte m +NAP
7,2 – 8,2
1973 ‐ 1992
6,46
Gemiddelde GHG grondwater‐ stand m‐mv m m‐mv m‐ +NAP +NAP Data te oud om te gebruiken
GLG
m‐mv
m‐ +NAP
1,27 – 3,34
2012 ‐ 2019
6,9
0,85
6,05
0,32
6,58
1,32
5,58
2,06 – 3,06
2012 ‐ 2019
6,66
1,24
5,42
0,65
6,01
1,77
4,89
*(A) Onderliggend model voldoet niet aan alle statistische eisen, waardoor getoonde karakteristieken een grotere onzekerheid hebben.
De grondwaterstand in peilbuis B39H3487 bevindt zich dieper dan in peilbuis B39H3488. Mo‐ gelijk wordt dit veroorzaakt door beïnvloeding van een nabijgelegen watergang. Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
15
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
De GLG en de GHG kunnen vertaald worden naar een klasse‐indeling: grondwatertrappen. De op basis van de bodemkaart van Nederland blijkt dat ter plaatse van de locatie sprake is van grondwatertrap VbI. Dit houdt in dat da GHG zich tussen de 0,25 en 0,4 m‐mv bevindt en de GLG zich dieper dan 1,2 m‐mv bevindt. Op basis van de grondwatertrappen kan worden geconcludeerd dat de grondwaterstanden binnen het plangebied sterk kunnen variëren. In droge periodes kunnen de grondwaterstanden diep wegzakken, terwijl in de natte periodes het grondwater dicht onder het maaiveld kan staan. Uit de gegevens van Dinoloket blijkt dat de grondwatertrap ter plaatse van de peilbuis aan de westkant van het gebied V betreft (GHG<0,4 m‐mv en GLG>1,2 m‐mv) en aan de zuidkant VI betreft (GHG 0,4‐0,8 m‐mv en GLG >1,2 m‐mv). Tijdens de uitvoering van bodemonderzoek ter plaatse van het oostelijk agrarisch perceel zijn de in Tabel 6 weergegeven grondwaterstanden gemeten. Tabel 6
Grondwaterstanden
Peilbuis
Hoogte boven‐ kant peilbuis (M+NAP)
Filterstelling (m ‐mv)
Grondwater‐ stand (m ‐mv) tijdens bemon‐ stering 28‐09‐2021
Grondwater‐ stand (m +NAP) tijdens bemonstering 28‐09‐2021
Grondwater‐ stand (m +NAP) 01‐10‐2021
Grondwater‐ stand (m +NAP) 01‐10‐2021
04
7.280
1,80 ‐ 2,80
0,97
5.810
0,68
6.100
10
7.257
2,00 ‐ 3,00
0,49
5.767
0,49
6.047
13
7.196
1,50 ‐ 2,50
0,71
5.986
0,68
6.016
21
7.429
1,80 ‐ 2,80
1,12
5.809
0,80
6.129
25
7.324
1,50 ‐ 2,50
0,86
5.964
‐
Het grondwater staat tijdens bemonstering op 28 september 2021 over het algemeen een stuk ondieper dan tijdens plaatsing van de peilbuizen op 20 en 21 september 2021. Een mogelijke verklaring hiervoor is het feit dat voorafgaand de plaatsing van de peilbuizen er sprake was van een relatief droge periode. Tijdens de hoogte inmeting van de peilbuizen op 1 oktober 2021 is in 4 peilbuizen nogmaals de grondwaterstand bepaald, hieruit blijkt dat deze nog steeds toeneemt. Tijdens de veldwerkzaamheden op het oostelijk agrarisch perceel zijn over het algemeen roest waarnemingen gedaan tot aan het maaiveld. Dit duidt erop dat deze lagen afwisselend nat en droog zijn en hiermee dat sprake is van een schommelende grondwaterstand. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er te weinig gegevens zijn om de GHG en GLG op de locatie vast te stellen. De verwachte GHG ligt tussen de 0,25 en 0,4 m‐mv en de verwachte GLG ligt dieper dan 1,1 m‐mv.
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
16
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
Door GMB is een grondwatermeetnet inge‐ richt. Ter plaatse van het oostelijk weiland wor‐ den sinds 17 december 2021 vier peilbuizen ge‐ monitoord (004, 010, 021 en 025) en ter plaatse van het westelijk weiland wordt per 14 januari 2022 één peilbuis gemonitoord (310). De peilbuizen zijn weergegeven in afbeelding 9. De meetgegevens zijn opgenomen in bijlage 6. De hoogste grondwaterstand worden tot nu toe gemeten in peilbuis 021 (07‐02‐2022, 6,63 m +NAP, 0 m‐mv) en de laagste grondwater‐ standen in peilbuis 004 (18‐03‐2022, 5,79 m +NAP, 0,52 m‐mv).
Afbeelding 8:
Situering monitoringspeilbuizen
Grondwateronttrekking Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich op circa 2,7 km waterwingebied ‘Hemmen’ Het plangebied bevindt zich in het intrekgebied, zie onderstaande afbeelding.
Afbeelding 9:
Grondwaterwingebied, boringsvrije zone en intrekgebied (kaart provincie Gelderland)
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
17
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
3.6 Oppervlaktewater Voor het bepalen van de aanwezige watergangen op de planlocatie en in de directe omgeving is de leggerkaart van het Waterschap Rivierenland geraadpleegd. Binnen het plangebied, tussen deelgebied 2 (bosperceel) en deelgebied 3 (agrarisch perceel oost) is een C‐watergangen aanwezig. Aan de zuidkant van het plangebied is een A‐wa‐ tergang gesitueerd. Het water van de zuidkant van het plangebied stroomt via een A‐water‐ gang (ten oosten van deelgebied 3) en een B‐ watergang (ten westen van deelgebied 2) in noordelijke richting naar de A‐watergang ten noorden van de onderzoekslocatie. Aan de westzijde van deelgebied 1 bevinden zich 2 B‐watergangen. De noordelijke water‐ gang watert af op de noordelijke A‐watergang. De zuidelijke watergang watert af op de zuide‐ lijke A‐watergang. Het plangebied valt onder het peilbesluit Over‐ Betuwe Figuur 10 geeft de ligging van het plangebied weer, binnen de legger van het Waterschap. Afbeelding 10:
legger
Het planbied bevindt zich globaal tussen de Neder‐Rijn en de Waal. De rivier de Neder‐Rijn is gestuwd en heeft een stuwpeil van NAP +6 m stroomafwaarts van de stuw bij Driel en NAP +8 m stroomopwaarts. De dynamiek van de Neder‐Rijn is beperkter dan in de rivier de Waal, aan‐ gezien deze ongestuwd is. Hierdoor kan de waterstand in de rivier in de zomer lager uitzakken. In de peilgebieden wordt middels een stuwpeil een waterpeil nagestreefd. In de hoger gelegen gebieden is de aanvoer van water beperkt mogelijk waardoor het handhaven van de peilen niet altijd mogelijk is. In droge periodes kan het peil in de watergangen uitzakken met mogelijk droogval als gevolg. In natte situaties kan er sprake zijn van een hoge kweldruk als gevolg van hoge rivierstanden, waardoor de streefpeilen niet altijd gehandhaafd kunnen worden. Om deze reden is in Overbetuwe geen peilbesluit van toepassing, en worden zogenaamde streef‐ peilen gehanteerd. Binnen het peilgebied LNG008 waarin het plangebied zich bevindt wordt gestreefd naar een zomerpeil van 5,7 m +NAP en een winterpeil van 5,5 m +NAP.
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
18
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
Zowel in de noordelijke als de zuidelijke A‐watergang bevindt zich een duiker. Op 22 juli 2021 is het oppervlaktewater nabij deze duikers gepeild ten opzichte van de binnen bovenkant dui‐ ker. In verband met de begroeiing is een globale peiling uitgevoerd. De resultaten staan in tabel 7. Tabel 7
Peilen oppervlaktewater 22‐07‐2021
Duiker
Hoogte bob oost‐ kant (m +NAP)
Inwendige diame‐ ter duiker (m)
Hoogte binnen‐ kant duiker (m +NAP)
Afstand binnen bovenkant duiker tot opp. water (m)
Globale water‐ hoogte in m +NAP
Noord Zuid
5,05 5,07
0,8 0,8
5,58 5,87
Circa 0,13 Circa 0,18
5,45 5,69
Tijdens het uitlezen van het grondwatermeetnet zijn de waterstanden in de noordelijke en zuidelijke watergang tevens gepeild en weergegeven in onderstaande tabel 8. Tabel 8
Peilen oppervlaktewater tijdens uitlezen grondwatermeetnet
Datum
Noordelijke watergang
Zuidelijke watergang
14‐01‐2022 18‐03‐2022
5,65 5,54
‐ 5,75
3.7 Hemelwater Het plangebied betreft in de huidige situatie een onverhard gebied bestaande uit agrarische percelen en bos. Overtollig hemelwater dat niet direct infiltreert vloeit af, deels via aangelegde greppels, richting het oppervlaktewater. 3.8 Kabels en leidingen Riolering De kern Dodewaard bestaat uit een aantal onderbemalingsgebieden waaronder bedrijventer‐ rein Bonegraaf (noord en west). De kern Dodewaard is grotendeels voorzien van een gemengd stelsel waarin vuilwater en hemelwater samen ingezameld en onder vrijverval getranspor‐ teerd wordt naar het eindgemaal aan de Hoge Hofstraat. De onderbemalingen op bedrijven‐ terrein Bonegraaf zijn voorzien van een verbeterd gescheiden stelsel. Binnen het plangebied is in de huidige situatie geen riolering aanwezig. Aan de Einsteinweg bevindt zich riolering (PVC Ø 200 mm). De b.o.b. van het riool bevindt zich op 5,83 m +NAP. Dit riool is afkomstig van de Bonegraafseweg en steek de Dalwagen over om vervolgens een A‐watergang te kruisen richting de Einsteinweg.
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
19
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
De b.o.b. van de duiker is 5,06 m +NAP, de b.o.b. van het riool bedraagt 5.61 m +NAP. De duiker is van beton heeft een inwendige diameter van 600 mm.
Afbeelding 11:
Overzicht rioolstelsel Dodewaard
Overige kabels en leidingen Door het projectgebied loopt aan de noordkant van oost naar west een hogedruk gasleiding met een diameter van 159 mm. De gasleiding lijkt op basis van de profielen op circa 1 m‐mv te liggen. De exacte ligging van de gasleiding dient middels het graven van proefsleuven vast‐ gesteld te worden. Verder bevinden zich binnen het plangebied geen kabels en leidingen.
Figuur 12. Situering gasleiding(oranje)
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
20
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
3.9 Beleidsuitgangspunten De beleidsuitgangspunten van de verschillende overheidslagen met betrekking tot het aspect water zijn weergegeven in bijlage 3. Deze uitgangspunten worden gebruikt om in hoofdstuk 4 de waterhuishoudkundige consequenties in beeld te brengen en waterhuishoudkundige uit‐ gangspunten voor de ontwikkeling te formuleren.
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
21
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
4
Buro Ontwerp & Omgeving
WATERHUISHOUDKUNDIGE CONSEQUENTIES EN UITGANGSPUNTEN
4.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de consequenties van de voorgenomen ontwikkeling voor de water‐ huishouding behandeld. Daarnaast wordt ingegaan op de waterhuishoudkundige uitgangs‐ punten voor de ontwikkeling. Om inzicht te krijgen welke aspecten een rol spelen binnen t.a.v. de voorgenomen ontwikkeling is de digitale watertoets van Waterschap Rivierenland ingevuld. De resultaten en de samenvatting zijn opgenomen in bijlage 2. 4.2 Uitgangspunten In onderstaande tabel worden de uitgangspunten die van toepassing zijn op de waterhuishou‐ ding in het plangebied weergegeven. Tabel 9
Uitgangspunten
Maaiveldhoogte Infiltratiecapaciteit GHG Maatgevende afvoer watergang De maximaal toelaatbare peilstijging Bergingseis voor compensatie in open water*(A) Bergingseis voor compensatie in technische voor‐ ziening*(A) Drooglegging onder maaiveld Drooglegging onder straatpeil Drooglegging onder bouwpeil Ontwatering onder vloerpeil
Uitgangspunt 6,1‐7,0 0,0001‐0,001 0,25 ‐ 0,4 1,5 0,3 43,6 66,4
m +NAP m/dag m‐mv l/s/ha m mm/m² mm/m2
Eenheid
0,7 1,0 1,3 0,25 0,35 0,7 0,7 300
m m m m boven as weg (tonrond) m boven as weg (V‐profiel) m m mm
Bron Onderhavige analyse Onderhavige analyse Onderhavige analyse Waterschap Waterschap/gemeente Waterschap Waterschap Waterschap Waterschap Waterschap Gemeente
Ontwatering onder straatpeil Gemeente Ontwatering onder maaiveld Gemeente Maximale peilstijging infiltratie/bergingsvoorzie‐ Gemeente/waterschap ning basis Maximale peilstijging infiltratie/bergingsvoorzie‐ 500 mm Gemeente ning i.o.m. waterschap Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen met 10% opslag vanwege de klimaatverandering (T=100+10%) mag er geen inundatie optreden. Bij een regenbui die eenmaal per 10 jaar optreedt met 10% opslag vanwege klimaatverandering (T=10+10%) moet er voor het straatpeil nog een drooglegging van 1,00 m zijn ten opzichte van zomerpeil. Afstromend hemelwater van terreinverharding Afstromen naar oppervlaktewater via berm of bodempassage zodat het water eerst bij bedrijven wordt gezuiverd Dakwater Direct, bij voorkeur oppervlakkig, afwateren naar open water *(A) maatwerkberekening
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
22
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
4.3 Bergingsopgave Ten opzichte van de huidige situatie zal het verhard oppervlak in de nieuwe situatie met circa 4 hectare toenemen, zie paragraaf 2.3. Op basis van de toename van het verhard oppervlak binnen het plangebied is een doorverta‐ ling gemaakt naar de bergingsopgave, volgens de eerder genoemde uitgangspunten. Voor berging in een technische voorziening betreft de (statische) bergingsopgave 66,4 mm. De ontworpen wadi heeft bij 30 cm peilstijging een berging van 128 m3 (zie paragraaf 4.4). Bij een bergingsopgave van 66,4 mm kan hierop maximaal 1.928 m2 aan verharding afwateren. Uitgaande van 4.373 m2 aan waterdoorlatende verharding met hieronder 30 cm zandcunet met 30% berging betreft de berging in de waterbergende parkeervakken 394 m3 (zie paragraaf 4.4). Bij een bergingsopgave van 66,4 mm kan hierop maximaal circa 5.934 m2 verharding af‐ wateren. De berging welke in open water gerealiseerd wordt kent een bergingsopgave van 43,6 mm. Uitgaande van deze (statische) bergingsopgave is de te bergen hoeveelheid, afkomstig van de van de verharding welke niet afwatert op wadi en de waterbergende parkeervakken, 1.415 m3. Uitgangspunt is dat deze benodigde berging in de watergangen welke (deels) behoren tot het plangebied wordt gerealiseerd. Tabel 10
Benodigde berging op basis van toename verhard oppervlak
Toename verhardoppervlak Toename verhard oppervlak compensatie in wadi 66,4 mm bergingsopgave tech‐ nische voorziening wadi Toename verhard oppervlak compensatie in waterdoorla‐ tende verharding 66,4 mm bergingsopgave tech‐ nische voorziening waterdoor‐ latende verharding Toename verhard oppervlak compensatie in open water 43,6 mm bergingsopgave open water Totale benodigde berging Totale bergingsopgave
Statische berging technische voorziening Statische berging open water (wadi) 40.324 m2 2 1.928 m ‐ 128 m3 5.934 m2
‐
394 m3
‐
‐
32.462 m2
‐
1.415 m3
522 m3 1.937 m3
1.415 m3
Binnen het plangebied worden delen van de middelste watergangen gedempt. De be‐ staande bergingscapaciteit moet worden gewaarborgd. Afname van berging dient volledig te worden gecompenseerd in hetzelfde of een benedenstrooms gelegen peilgebied. Het aantal Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
23
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
te compenseren kubieke meters wordt berekend op basis van een peilstijging van 30 cm bo‐ ven zomerpeil of boezempeil. Het zomerpeil is 5,7 m +NAP. Tabel 11
Benodigde compensatie demping watergang
Te dempen watergang Peilstijging 30 cm
Benodigde compensatie Circa 311 m2 93,3 m3
In de structuurschets ‘Bonegraaf‐Oost’ is aangegeven dat een bestemmingsplanprocedure doorlopen wordt voor een nieuwe brandweerkazerne op Dalwagen, ten zuiden van Bonegraaf‐ Oost. De daarvoor benodigde watercompensatie kan niet volledig worden gerealiseerd op het terrein van de brandweerkazerne zelf. Er wordt gezocht naar een geschikte locatie, waarbij compensatie op Bonegraaf‐Oost in eerste instantie voor de hand lijkt te liggen. Het gaat con‐ creet om 32 m3 die dan toegevoegd zou moeten worden aan de waterberging van Bonegraaf‐ Oost. Hiermee zal bij de verdere planontwikkeling rekening gehouden moeten worden indien de bestemmingsplanprocedure voor de brandweerkazerne succesvol wordt afgerond. Tabel 12
Benodigde compensatie elders Benodigde compensatie 32 m3 32 m3
Elders
Zoals in onderstaande tabel samengevat weergegeven betreft de bergingsopgave in totaal 2.062 m3. Tabel 13
Totale bergingsopgave
O.b.v. toename verhard oppervlak O.b.v. te dempen watergang I.v.m. compensatie elders
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
Benodigde compensatie 1.937 m3 93,3 m3 32 m3 2.062 m3
24
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
4.4 Realisatie berging Algemeen Alle initiatiefnemers/grondeigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor het realiseren van de noodzakelijke waterberging die aangelegd moet worden vanwege de toename van verhard terrein. Voor het realiseren van berging kan worden gedacht aan groene zones welke worden ingericht als wadi/zaksloot. Hierbij dient de infiltratiecapaciteit van de bodem minimaal 1 m/dag te zijn. Op basis van de gegevens uit Dinoloket en uit het verrichte bodemonderzoek wordt niet ver‐ wacht dat de bodem onder de huidige omstandigheden geschikt is voor infiltratie/bodempas‐ sage. De bodem kan middels grondverbetering, ophoging en drainage wel geschikt worden gemaakt voor infiltratie. Uit klimaatadaptatief oogpunt kan gekozen worden voor blauwgroene daken. Naast water‐ berging is het dak geluidsisolerend, verkoelend (isolerend), brandwerend, opname van CO2, biodiversiteit. Er zijn verschillende uitvoeringen van blauwgroene daken. Met een eenvoudig groen dak kan het grootste deel van het regenwater dat in een jaar op een dak valt worden opgevangen en verdampt vervolgens. Het dakoppervlak telt dan niet mee in een toename van ‘verhard oppervlak’ en hoeft niet gecompenseerd te worden. Expliciet worden alle vormen van ondergrondse berging of gedeeltelijke infiltratie (onder an‐ dere grindlavakoffers, kratten, kelders) door de gemeente uitgesloten.
Het bergen onder de parkeervakken zal in overleg met de gemeente moeten worden besproken. Meest voor de hand liggende om de totale bergingsopgave (2.062 m3) te realiseren is het aan‐ leggen van (nieuw) oppervlaktewater. Binnen het gebied zijn in het ontwerp een wadi, verbreding van watergangen en de aanleg van oppervlaktewater aan de noordoostkant van het plangebied voorzien. Hierbij wordt uitgegaan van berging bij een maximale peilstijging van 30 cm in het oppervlaktewater. In afbeelding 11 zijn de onderstaand beschreven locaties voor bergingsmogelijkheden weer‐ gegeven.
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
25
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
1 1
3
3
1
1 3
3 3
3
1
3
1
3
3
3
2 3
1
1) 2) 3)
3
1
3
1
1
Oppervlaktewater als in ontwerp Wadi als in ontwerp Waterpasserende verharding als ontwerp
Afbeelding 11:
Mogelijkheden waterberging
Berging op basis van reeds voorziene waterpartij, wadi en waterdoorlatende parkeerplaatsen Voor de globale berekening van de berging in oppervlaktewater wordt verwezen naar tabel 14.
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
26
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
Hierbij is uitgegaan van de bestaande te handhaven watergangen binnen het plangebied, een verbreding van de watergang welke deelgebied 1 scheidt van de deelgebieden 2 en 3 en de zuidelijke watergang, alsmede het realiseren van nieuw oppervlaktewater aan de noordkant (waterpartij) en de zuidzijde (watergang). Voor de globale berekening van de berging in de wadi wordt verwezen naar tabel 15. De ber‐ ging in de waterdoorlatende parkeervakken is weergegeven in tabel 16. Tabel 14
Uitgangspunten en globale berekening berging in oppervlaktewater Noord deelgebied 2 en 3
Max. peilstijging, waterberging (m1) Oppervlakte waterspiegel zomerpeil (m2) Berging in rechte deel (m3) Oppervlakte taluds (m2) Berging in taluds(m3) Globale berging
Tabel 15
0,3 4.775 1.433 2.267 340 1.773 m3
Uitgangspunten en globale berekening berging in wadi Zuidwest deelgebied 2
Max. peilstijging, waterberging (m1) Talud Berging in zandcunet wadi 30% Oppervlakte bodem (m2) Berging o.b.v. bodem (m3) Lengte taluds Berging per m1 talud (m3) Berging in taluds Globale berging
Tabel 16 wegen)
0,3 1:1 Nader te bepalen in waterhuishoudkundig plan 405 121,5 151 0,045 6,8 128 m3
Uitgangspunten en globale berekening berging in waterdoorlatende bestrating (parkeren, paden, Deelgebied 1, 2 en 3
Dikte zandcunet in m Oppervlakte in m2 Berging in zandcunet 30 cm Globale berging
0,3 4.373 30% 394 m3
Totaaloverzicht realisatie berging In onderstaande tabel is een samenvatting gegeven van de bergingsmogelijkheden. Tabel 17
Berging totaal
Type Berging in oppervlaktewater Beging in wadi Berging in waterdoorlatende parkeervakken TOTAAL Bergingsopgave
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
Globale berging (m3) 1.773 128 394 2.295 2.062
27
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
Uit de berekeningen blijkt dat de bergingscapaciteit van bovengenoemde voorzieningen (to‐ taal 2.295 m3) ruimschoots voldoet aan de bergingsopgave (2.062 m3). 4.5 Weg‐ en vloerpeilen Drooglegging Het gemiddelde oppervlaktewaterpeil binnen het plangebied bedraagt circa 5,5 tot 5,7 m +NAP vanwege het ingestelde stuwpeil. Uitgaan de van de droogleggingseis van 0,7 meter tus‐ sen open water en maaiveld is een minimaal peil van het maaiveld van 6,4 m +NAP vereist. Het huidige maaiveld bevindt zich op circa 6,1 tot 7,0 m +NAP. Ontwateringsdiepte Uit de grondwatergegevens (paragraaf 3.4) kan worden geconcludeerd dat er te weinig gege‐ vens zijn om de GHG op de locatie vast te stellen. De verwachte GHG ligt tussen de 0,25 en 0,4 m‐mv. Het maaiveld dient 0,7 m boven de GHG te liggen en dus 0,3 tot 0,45 meter boven het huidige maaiveld. Uitgaande van een GHG van 0,25 m‐mv en de huidige maaiveldhoogte van 6,1 tot 7,0 m +NAP dient het toekomstige maaiveld op circa 6,55 tot 7,45 m +NAP te liggen. Hierbij wordt opgemerkt dat door het monitoren van de grondwaterstanden gedurende een langere periode een beter beeld verkregen wordt van de GHG en hiermee de benodigde op‐ hoging. Indien de benodigde ophoging niet kan worden verkregen kan drainage noodzakelijk zijn.
Aansluiting op bestaande infrastructuur De infrastructuur dient aangesloten te worden op de Einsteinstraat (maaiveldhoogte van 6,8 m +NAP). Hierbij dient bij het uiteindelijke ontwerp en inrichting rekening mee gehouden te worden. 4.6 Vuilwaterriolering Op basis van de volgende uitgangspunten kan maximaal 17,5 meter riool worden aangelegd onder vrij verval. Bestaande aansluiting Einsteinstraat bob 5,38 m +NAP; Toekomstige hoogte maaiveld, 6,9 m +NAP; Verhang riool 4‰; Diameter riool 250 mm; Dekking op buis 1,2 meter; Maximale b.o.b., 5,45 m +NAP. Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
28
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
Afhankelijk van de situering van de aansluiting is circa 340 meter riolering noodzakelijk. Aan‐ sluiten onder vrijverval op de riolering in de Einsteinstraat is niet mogelijk. Door de gemeente is onderstaande al aangegeven. ‘Er zijn twee mogelijkheden waar de initiatiefnemer zelf een afweging zal mogen maken: 1. Elders aansluiten op de riolering; 2. Het plaatsen van een gemaal (door de gemeente) in de toekomst en het eerst aanleg‐ gen van een tijdelijk pompput als het initiatief eerder wordt gerealiseerd. Ad. 1 Aansluiten op de bestaande riolering aan de westzijde van de Dalwagenseweg (waar de inrit komt). Voor deze aansluiting moet een A‐watergang worden gekruist. De b.o.b. maat Dalwa‐ genseweg is 4.70 +m NAP. Om de aansluiting volgens de KEUR mogelijk te maken t.h.v. de te leggen duiker moet een mi‐ nimale afstand worden aangehouden van 1,5 meter onderzijde duiker (dit geldt ook voor wa‐ tergangen). Met maatregelen kan dit mogelijk met goedkeuring van het waterschap worden teruggebracht tot ca. 0,70 meter. Gezien de bob hoogte van de duiker (5,06 m +NAP) en de diepte van het riool >4.70 m +NAP betekent dit deze optie niet mogelijk is binnen de regels KEUR. Bovenlangs kruisen, of werken met een kruisingsput (door de duiker heen) voldoet ook niet aan de gestelde eisen KEUR van het waterschap.
Als bovenlangs de duiker wordt gekruist is de dekking die overblijft minder dan 70 cm. Wat betekent dat de aansluiting beschermd moet worden tegen verkeersbelasting en dat een vorstvrije ligging mogelijk niet haalbaar is. De kruising met de Dalwagenseweg is wel te realiseren, maar hier zijn uiteraard kosten aan ver‐ bonden. De diepte van deze kruising zal ongeveer op 5,30 m +NAP worden aangelegd.’ Ad. 2 Indien een pompput wordt geplaatst zal het lozingspunt zal ook aan de westzijde van de Dal‐ wagen komen. De aanleg over openbaarterrein zal in rekening worden gebracht. Vanwege de kruising Dalwagen dient rekening gehouden te worden met een bedrag van circa 8.000 euro. Alle kosten voor de pompput zijn uiteraard voor eigen rekening en de gemeente gaat de pom‐ put niet in onderhoud nemen.’ Het is aan de initiatiefnemer om het gesprek aan te gaan met de gemeente en het waterschap om dit mogelijk te maken.
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
29
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
5
Buro Ontwerp & Omgeving
CONCLUSIES EN ADVIES Hemelwater Voor de berging van hemelwater binnen het plangebied zijn in het ontwerp een wadi, verbre‐ ding van watergangen en de aanleg van nieuw oppervlaktewater voorzien. Uitgangspunt is het realiseren van 30 cm berging in het bestaande oppervlaktewater. Uit de uitgevoerde waterhuishoudkundige analyse blijkt dat de bergingscapaciteit in de be‐ oogde voorzieningen (totaal 2.295 m3) ruimschoots voldoet aan de bergingsopgave (2.062 m3). Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorge‐ nomen ontwikkeling. Er is volgens de digitale watertoets een gangbare procedure nodig van‐ wege de toename van het oppervlak van het plangebied. Bij de afwatering van hemelwater dient rekening gehouden te worden met eventuele activi‐ teiten waarbij het water verontreinigd kan zijn. Als het beperken van diffuse bronnen niet mogelijk is, dan moeten maatregelen aan de bron of end‐of‐pipe worden genomen om te voldoen aan de emissiegrenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Grondwater en bodemopbouw Voor de aanleg dient waarschijnlijk drainage in combinatie met ophoging toegepast te worden om voldoende ontwatering te creëren. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de huidige maaiveldhoogtes van het bosgebied niet bekend zijn (inmeting was niet mogelijk).
Gezien de hoge grondwaterstanden in het plangebied is voor de aanleg vrijwel zeker bronbe‐ maling noodzakelijk, waarbij rekening gehouden dient te worden met de zettingsgevoeligheid van het gebied. Om bovenstaande verder uit te werken is een goede bepaling van de GHG en de GLG noodzakelijk. Hiervoor wordt door GMB een grondwatermonitoring uitgevoerd. Afvalwater Aansluiten onder vrijverval op de riolering in de Einsteinstraat is niet mogelijk omdat er geen of te weinig dekking op de riolering wordt verkregen. Kabels en leidingen Binnen het gebied loopt een hogedruk gasleiding. Wij adviseren met Liander in overleg te tre‐ den over de mogelijkheden tot en voorwaarden voor de ontwikkeling ter plaatse. De exacte ligging van de gasleiding dient middels het graven van proefsleuven vastgesteld te worden.
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
30
3449.01
Waterhuishoudkundige analyse
Buro Ontwerp & Omgeving
Oppervlaktewater Werkzaamheden in de watergang hebben invloed op de water aan‐ en afvoer, de waterber‐ ging of het onderhoud. Voor het dempen of graven van watergangen geldt een vergunning‐ of meldplicht. Het bevoegd gezag is waterschap Rivierenland. Voor het gebied zijn er diverse aandachtspunten voor de voorgenomen ontwikkeling en dient er afstemming plaats te vinden met gemeente Neder‐Betuwe en waterschap Rivierenland.
Bonegraaf‐Oost te Dodewaard
31
3449.01
Bijlagen
Bijlage 1 Grondwaterstanden
Bijlage 2 Watertoets
Digitale Watertoets Res ultaat van de check gedaan op 11-10-2021
Digitale watertoets in De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toets en of u de belangen van het Waters chap raakt. Indien dit het geval is krijgt u teks t en uitleg over het vervolg proces .
VOOR DE ACTIVITEIT DIGITALE WATERTOETS IN DE GEMEENTE IS OP BASIS VAN DE GEGEVEN ANTWOORDEN NODIG: 1.
Normale procedure
2.
a_watergangen
3.
a_watergangen_zone
4.
b_watergangen_met_zonering
5.
c_watergangen_met_zonering
6.
Specifieke activiteiten en waterkwaliteit
OP BASIS VAN ONDERSTAANDE LOCATIE
11-10-2021, 07:29
P agina 1 van 12
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets VRAGEN EN ANTWOORDEN UIT DE CHECK 1.
Gaat het plan uits luitend over functiewijziging van bes taande bebouwing zonder fys ieke aanpas s ing van bebouwing en ruimte? nee
2.
Is het totale plangebied groter dan 3500 m² ? ja
3.
Gaat het plan over activiteiten die kunnen leiden tot verontreiniging van het oppervlaktewater? (Bij twijfel: vink 'ja' aan) ja
4.
a_watergangen ja
5.
a_watergangen_zone ja
6.
b_watergangen_met_zonering ja
7.
c_watergangen_met_zonering ja
8.
buitenbes chermings zone_waterkering nee
9.
kern_en_bes chermings zone_waterkering nee
10.
pers leidingen nee
11.
rioolgemaal nee
11-10-2021, 07:29
P agina 2 van 12
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets 12.
rioolwaterzuivering nee
13.
Wegen nee
11-10-2021, 07:29
P agina 3 van 12
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets DETAILS 1.
Normale procedure Wateradvies Normale procedure Uit de watertoets blijkt dat u de gangbare watertoets procedure moet volgen. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waters chap Rivierenland. Het waters chap wil vroegtijdig met u meedenken, u informeren en u advis eren over de waterhuis houdkundige as pecten van uw plan. Het waters chap beoordeelt of het waterbelang voldoende gewaarborgd is . Deze uitgangs puntennotitie is onderdeel van de watertoets procedure.
Wat moet ik doen? Deze uitgangs puntennotitie vormt de s tart voor uw overleg met het waters chap. De notitie is automatis ch opges teld op bas is van uw antwoorden en uw ingetekende plangebied. Waters chap Rivierenland geeft in deze uitgangs puntennotitie aan welke wateras pecten van belang zijn voor uw ruimtelijke plan. De gemeente draagt ook zorg voor as pecten van de waterhuis houding. Daarom is het belangrijk om uw plan ook met hen af te s temmen. U kunt contact opnemen met uw accountmanager van Waters chap Rivierenland voor overleg. U vindt deze contactgegevens hier: https ://www.waters chaprivierenland.nl/accountmanagers -waters chap-rivierenlandgemeente
Beleid Waterschap Rivierenland Het waterbeheerprogramma is bepalend voor het beleid van Waters chap Rivierenland en wordt iedere zes jaar geactualis eerd. Het plan omvat alle watertaken van het waters chap op gebied van waterveiligheid, afvalwaterzuivering, s choon en voldoende water. Daarnaas t bes chikt het waters chap over een verordening: de Keur. In de Keur s taan regels voor de bes cherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijhorende kuns twerken. In de Alblas s erwaard en de Vijfheerenlanden beheert het waters chap ook wegen buiten de bebouwde kom (geen Rijks - of provinciale wegen). Hier is de Keur ook op van toepas s ing. De werkzaamheden in of nabij de watergangen, waterkeringen en wegen in beheer bij het waters chap worden getoets t aan de regels in de Keur. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een watervergunning nodig zijn.
Klimaatadaptatie Water en ruimtelijke ordening zijn onlos makelijk met elkaar verbonden, zeker in ons veranderende klimaat. Extreme buien worden s teeds vaker afgewis s eld met perioden van droogte. We blijven ernaar s treven om voldoende water van voldoende kwaliteit bes chikbaar te hebben. Het waters chap heeft s amen met de gemeenten de taak om te zorgen voor een klimaatbes tendige inrichting van onze leefomgeving. Dit kunnen we niet alleen. U kunt een bijdrage leveren door uw plan zo klimaatbes tendig mogelijk in te richten. Denk bijvoorbeeld aan groene daken of natuurvriendelijke oevers . De kwaliteit van de leefomgeving of de biodivers iteit kan zo worden vergroot. Op de webs ite https ://bouwadaptief.nl/ kunt u zich laten ins pireren door klimaatadaptatieve projecten en vindt u een overzicht van mogelijke maatregelen.
11-10-2021, 07:29
P agina 4 van 12
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets Grondwater Waters chap Rivierenland is verantwoordelijk voor het waterpeil in s loten en vaarten. Dit peil heeft indirect effect op het grondwaterpeil. Gemeenten moeten overlas t door te veel of te weinig grondwater beperken. Particulieren zijn verantwoordelijk voor het grondwater op hun perceel.
Drooglegging Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het s traatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. We advis eren voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het s traatpeil een drooglegging van 1,00 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,30 meter. Z o voorkomt u overlas t door grondwater. We advis eren om onderzoek te doen in gebieden waar overlas t door grondwater bekend is of waar hoge grondwaters tanden voorkomen. U kunt maatregelen nemen om overlas t te voorkomen. Voorbeelden van maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of bouwen zonder kruipruimte.
Infiltreren Het is wens elijk dat uw plan grondwaterneutraal is . Dit kan door hemelwater te infiltreren. U houdt zo water vas t voor drogere perioden. Dit kan alleen in gebieden waar de grondwaters tanden en de bodemopbouw dat toelaten. Het zijn de hogere gronden met een goede doorlatendheid. Onze accountmanager kan u hierover advis eren. Met een infiltratieonderzoek kunt u (laten) onderzoeken of en op welke wijze infiltratie kan plaats vinden.
Watercompensatie Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot vers nelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlas t onts taat, kan aanleg van extra waterberging noodzakelijk zijn. Z o wordt het verlies van berging in de bodem gecompens eerd. Het is mogelijk dat u voor een eenmalige vrijs telling van de compens atieplicht in aanmerking komt. De eenmalige vrijs telling geldt bij een toename in verharding van minder dan 500 m² in s tedelijk gebied en minder dan 1500 m² in landelijk gebied. Z o voorkomen we dat individuele bewoners moeten compens eren voor voorzieningen zoals s erres , tuins chuurtjes , etc. Op s ommige locaties is het onwens elijk om de vrijs telling in te zetten, omdat bijvoorbeeld de waterhuis houdkundige s ituatie dan zou vers lechteren. Compens erende waterberging is dan wel nodig. Bes preek dit met de betreffende accountmanager van het waters chap. Is de toename in verharding groter dan 500 m² in s tedelijk gebied of groter dan 1500 m² in landelijk gebied dan is het mogelijk dat de vrijges telde oppervlaktes in mindering worden gebracht. Neemt in uw plan de verharding bijvoorbeeld toe met 600 m² in s tedelijk gebied, dan hoeft u met de vrijs telling maar voor 100 m² te compens eren. We gaan ervan uit dat gemeenten en organis aties deze vrijs telling op een eerder moment binnen ons beheergebied hebben ingezet.
Z ij hebben hier dan geen recht meer op hebben. U kunt contact opnemen met de afdeling vergunningen (vergunningen@ws rl.nl) van het waters chap om deze vrijs telling aan te vragen. U moet compens erende maatregelen nemen als u niet in aanmerking komt voor de vrijs telling of als u de vrijges telde oppervlaktes overs chrijdt. U zult daarover nadere afs praken moeten maken. Bes preek dit met uw accountmanager van het waters chap. Berekenen benodigde watercompens atie De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op bas is van de toename van verhard oppervlak, maatgevende regenbuien en de maximaal toelaatbare peils tijging in de watergangen. De 11-10-2021, 07:29
P agina 5 van 12
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets vuis tregel is dat er 436m³ waterberging nodig is per hectare nieuw verhard oppervlak. De maximaal toelaatbare peils tijging bedraagt 0,20 meter in het gebied Alblas s erwaard en Vijfheerenlanden. In de res t van het beheergebied van Waters chap Rivierenland geldt een maximaal toelaatbare peils tijging van 0,30 meter. Dit geldt voor plannen met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m2. De vuis tregel geldt alleen bij waterberging in open water en als er geen s prake is van complicerende zaken (bijvoorbeeld kwel). In s tedelijk gebied kan waterberging ook worden gerealis eerd via een waterbergings bank (indien bes chikbaar). Plannen met een toename van het verhard oppervlak in s tedelijk gebied tot 1500 m2 komen hiervoor in aanmerking. Voor plannen met meer dan 5000m² extra verharding wordt een aparte berekening gevraagd. Dit geldt ook voor plannen die waterhuis houdkundig complex zijn. Hierbij worden de volgende berekenings uitgangs punten gehanteerd: • De maatgevende afvoer door de watergangen is 1,5 l/s /u. Dit is ook de afvoer die de watergangen in het landelijk gebied nog net aankunnen. • Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen met 10% ops lag vanwege de klimaatverandering (T=100+10%) mag er geen inundatie optreden.
• Bij een regenbui die eenmaal per 10 jaar optreedt met 10% ops lag vanwege klimaatverandering (T=10+10%) moet er voor het s traatpeil nog een drooglegging van 1,00 m zijn ten opzichte van zomerpeil. Voorkeurs volgorde aanleg watercompens atie Bij de keuze van het s oort bergings voorziening hanteert het waters chap de voorkeurs volgorde vas thoudenbergen-afvoeren: • Hergebruik en/of vas thouden Hierbij wordt het hemelwater binnen het plangebied verzameld en komt niet (direct) in het oppervlaktewater terecht. Dit kan bijvoorbeeld met groene polderdaken en wadi’s . Het ontwerp-, beheer- en onderhouds as pect s pelen een belangrijke rol bij deze voorzieningen. De initiatiefnemer dient aantoonbaar te maken dat de gerealis eerde berging kan blijven functioneren. Op hoge zandgronden met een lage grondwaters tand heeft infiltratie onze voorkeur. De gemiddelde hoogs te grondwaters tand (GHG) komt niet hoger dan 50 cm onder het maaiveld. U kunt de attentiekaart infiltratie met daarop kans rijke gebieden voor infiltratie bij onze accountmanager opvragen. Buiten deze gebieden is infiltratie ook mogelijk, zolang de gemiddelde hoogs te grondwaters tand niet hoger komt dan 50 cm onder maaiveld. In kwelgevoelige gebieden hanteren we de gemiddeld hoogs te s tijghoogte, omdat het grondwater in de winter (als de riviers tanden hoog zijn) hoger onder het maaiveld komt.
De gemiddeld hoogs te s tijghoogte mag niet hoger komen dan 50 cm onder maaiveld. Infiltratie vindt bij voorkeur plaats in de openbare ruimte (openbaar groen, bermen, etc.). In overleg met de accountmanager kan hiervan worden afgeweken. • Bergen Onder bergen vers taan we de opvang van hemelwater in het oppervlaktewater. Het hemelwater van het plangebied wordt opgevangen in het oppervlaktewater. Hier heeft het graven van nieuw oppervlaktewater de voorkeur boven het vergroten van bes taand water. Bij gebruik van bes taand water gaat de voorkeur uit naar watergangen die niet door Waters chap Rivierenland worden onderhouden. In het algemeen geldt dat compens atie in B-watergangen de voorkeur heeft boven compens atie in A-watergangen. Als de aanvrager kan aantonen dat compens atie in een B- of A-water redelijkerwijs niet mogelijk is , kan het waters chap ook compens atie in bes taande of nieuwe C-wateren toelaten. Bij aanleg of aanpas s ing van watergangen is het van belang rekening te houden met de bereikbaarheid voor onderhoud, in- en uitlaatplaats en voor maaiboten en ops lagmogelijkheden voor s lootvuil en kroos . Om water van voldoende waterkwaliteit te houden (of krijgen), is ook het zelfreinigend vermogen van het 11-10-2021, 07:29