Bijlage 10 - Bijlage 6 bij de toelichting
Tekst van het document
RAPPORTAGE quickscan Wet natuurbescherming Vicuslaan 2 Kesteren
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Vicuslaan 2, Kesteren Opdrachtgever
Gemeente Neder-Betuwe Postbus 20 4043 ZG Opheusden
Rapportnummer
20132.001
Versienummer
D1
Status
Eindrapportage
Datum
9 januari 2023
Opsteller
De heer P.A.R. Vermeiren, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole Paraaf
De heer V.R. Jeronimus, BSc
Daarom Econsultancy KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 7
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ............................................................................ 8 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ............................................................ 11 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
7
Zorgplicht ....................................................................................................................................... 8 Soortenbescherming ...................................................................................................................... 8 Gebiedenbescherming ................................................................................................................... 9 Houtopstanden ............................................................................................................................ 10
Vogels ........................................................................................................................................... 11 Vleermuizen ................................................................................................................................. 13 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 14 Reptielen, amfibieën en vissen .................................................................................................... 16 Ongewervelden ............................................................................................................................ 18 Planten ......................................................................................................................................... 18
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 23 7.1 7.2
Natura 2000 ................................................................................................................................. 23 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 24
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 25
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 26
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst
20132.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Gemeente Neder-Betuwe opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Vicuslaan 2 te Kesteren. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
20132.001 versie D1
1 / 28
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 14.750 m²) ligt aan de Vicuslaan 2 te Kesteren en omvat de percelen kadastraal bekend als gemeente Kesteren, sectie C nummers 29, 1441 (gedeelte) en 1011. De onderzoekslocatie betreft middelbare school de Pantarijn en omliggende percelen. In figuur 2.1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 2.1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie is bebouwd met enkele gebouwen. Op het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie staat een schoolgebouw met aangrenzende parkeerplaats, fietsstalling en voetbalkooi. De meest noordelijke gevel van het schoolgebouw, waar werkzaamheden gaan plaatsvinden, bestaat uit bakstenen waarbij de stootvoegen met bijenbekjes zijn afgesloten. Aan de bovenzijde van het gebouw en in verticale richting zijn diverse kieren en gleuven aanwezig in de vorm van dilatatievoegen. Het schoolgebouw is voorzien van een plat dak met zonnepanelen. Ten zuiden en oosten van het schoolgebouw liggen sloten. In het noordelijke deel van de onderzoekslocatie staat een woning met schuur en direct ten zuiden van de woning een overwoekerde tuin. De woning is voorzien van een zadeldak waarbij openingen tussen de dakpannen en onder de dakgoot aanwezig zijn. Ten noorden van de woning ligt een voormalig tuincentrum, hier zijn enkele hoge bomen aanwezig.
20132.001 versie D1
2 / 28
Ten noorden van de onderzoekslocatie wordt momenteel gebouwd aan een nieuwe woonwijk. De onderzoekslocatie ligt ten zuiden van Kesteren en zowel aan de west- als oostzijde bevindt zich agrarisch gebied. Direct ten zuiden van de onderzoekslocatie bevindt zich industriële bebouwing. Meteen hierachter ligt de snelweg A15. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m 2.10 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Figuur 2.2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 2.3. Zuidzijde schoolgebouw.
20132.001 versie D1
Figuur 2.4. Aangrenzende sloot aan de oostzijde.
Figuur 2.5. Dak van het schoolgebouw.
3 / 28
Figuur 2.6 Noordzijde schoolgebouw.
Figuur 2.7 Fietsenstalling.
Figuur 2.9 Noordzijde ingang schuur.
Figuur 2.10 Overwoekerde tuin.
Figuur 2.8 Zuidzijde van de woning.
2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens de school uit te breiden voor 150 leerlingen. Op de begane grond wordt de aula, lerarenkamer en kantoren uitgebreid en op de eerste verdieping komen leslokalen. Daarnaast zal de sloot ten oosten van het schoolgebouw deels worden gedempt en verlegd. In figuur 2.11 is op kaart de uitbreiding weergegeven. Tevens is de initiatiefnemer voornemens om woningen te bouwen aan de noordzijde van de planlocatie. De bestaande bebouwing zal hiervoor gesloopt gaan worden om ruimte te maken voor vrijstaande woningen en rijtjeshuizen. In figuur 2.12 is een schets van de nieuwbouw weergegeven.
20132.001 versie D1
4 / 28
Figuur 2.11
Schets locaties nieuwbouw zuid.
20132.001 versie D1
5 / 28
Figuur 2.12
Schets locaties nieuwbouw noord.
20132.001 versie D1
6 / 28
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 23 november 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
20132.001 versie D1
7 / 28
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
4.1 Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht.
4.2 Soortenbescherming Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
20132.001 versie D1
8 / 28
De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
4.3 Gebiedenbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen.
Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.
20132.001 versie D1
9 / 28
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 21 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
4.4 Houtopstanden De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
20132.001 versie D1
10 / 28
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.
5.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Aan de rand van de bebouwde kom kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw, slechtvalk, steenuil en roek. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. De slechtvalk broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Huismus De huismus broedt voornamelijk in ruimten onder de dakpannen, die te bereiken zijn via de dakgoot, overhangende kantpannen of andere openingen langs de dakrand. Het schoolgebouw biedt geen geschikte locaties waar huismussen kunnen broeden. De aanwezige kieren en gleuven zijn te klein voor de huismus om toegang te krijgen tot het gebouw. Daarnaast is het schoolgebouw voorzien van een plat dak en zijn er geen geschikte nestplaatsen gevonden op of rond het gebouw. De woning is wel geschikt voor huismussen, met name onder de dakpannen van het zadeldak en diverse holten en nissen van het gebouw. De resultaten van het aanvullend ecologisch onderzoek (13673.002, 8 juli 2021), dat eerder is uitgevoerd op de onderzoekslocatie, vond geen nesten van huismussen. Daarnaast zijn bomen en struiken die ten tijde van het eerdere onderzoek op de locatie aanwezig waren verwijderd, waardoor de woning nu totaal onbeschut ligt.
Hierdoor is het niet aannemelijk dat huismussen zich in tussentijd op de onderzoekslocatie gevestigd hebben. Wel zijn er foeragerende huismussen waargenomen die gebruik maakte van het groen tijdens het eerder uitgevoerde onderzoek. Het groen maakt echter geen deel uit van essentieel foerageergebied van de huismus. Op basis van het aanvullend ecologisch onderzoek en de verslechtering van het leefgebied kan de huismus worden uitgesloten.
20132.001 versie D1
11 / 28
Gierzwaluw Het schoolgebouw biedt geen geschikte locaties waar gierzwaluwen kunnen broeden. Daarnaast ligt het gebouw aan de rand van de bebouwde kom en dus te ver verwijderd van een woonkern. Daarnaast zijn er geen gierzwaluwen aangetroffen tijdens het aanvullend ecologisch onderzoek (13673.002, 8 juli 2021). De woning biedt wel geschikte locaties waar gierzwaluwen kunnen broeden, maar ligt niet in een woonkern waar een kolonie gierzwaluwen aanwezig is. Het is daarom niet aannemelijk dat de onderzoekslocatie door gierzwaluwen gebruikt wordt als nestlocatie. Steenuil Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er in de directe omgeving van de onderzoekslocatie meerdere malen steenuilen aangetroffen. Steenuilen broeden in bomen, nissen en holten in gebouwen en in speciale nestkasten. Er zijn geen geschikte bomen aanwezig op de onderzoekslocatie. De aanwezige gebouwen zijn onderzocht op holten die geschikt zijn voor steenuilen en deze werden niet aangetroffen tijdens het veldbezoek. Doordat er ook geen nestkasten voor steenuilen aanwezig waren op het terrein, kan er gesteld worden dat de steenuilen de onderzoekslocatie niet kunnen gebruiken om te broeden. Ook is de onderzoekslocatie geïnspecteerd op sporen, in de vorm van braakballen en uitwerpselen, maar deze zijn niet aangetroffen.
Het is dus niet aannemelijk dat een steenuil zijn vaste rust- of voortplantingsplaats heeft op de onderzoekslocatie. Doordat op de onderzoekslocatie een school en een voormalig tuincentrum met parkeerplaats gevestigd zijn, is er sprake van veel verstoring. Hierdoor is het niet aannemelijk dat de onderzoekslocatie in de huidige situatie dient als essentieel leefgebied voor steenuilen. Roek Roeken broeden in grote kolonies in hoge bomen, vaak populieren, gelegen langs snelwegen, treinsporen of kanalen. Ook worden soms kolonies aangetroffen in dorpen. De nesten van roeken zijn relatief groot en slordig gebouwd. Aangezien er geen geschikte bomen aanwezig zijn, geen nesten gevonden zijn en de onderzoekslocatie geen deel uitmaakt van essentieel leefgebied van de roek, kan de soort op voorhand worden uitgesloten. De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster, spreeuw en zwarte kraai. Er zijn geen bomen aanwezig, en dus kunnen ekster en zwarte kraai worden uitgesloten. Het schoolgebouw is niet geschikt voor spreeuw om te broeden, de woning heeft beperkte broedlocaties in de vorm van kieren en open ruimtes en er zijn geen sporen aangetroffen. Het is niet aannemelijk dat de spreeuw broedt op de onderzoekslocatie.
Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
20132.001 versie D1
12 / 28
Overige broedvogels De bebouwing en beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals winterkoning, putter, roodborst en merel. De slootkanten kunnen nestgelegenheden bieden voor meerkoet, waterhoen en wilde eend. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
5.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Het schoolgebouw op de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen in de vorm van kieren en gleuven die toegang verlenen tot de spouwmuren (figuur 5.1). Daarnaast zijn er geschikte spleten aanwezig onder de dakrand waar vleermuizen gebruik van kunnen maken (figuur 5.2). Het gehele complex is daardoor geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger en meervleermuis. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf, paarverblijf en massawinterverblijfplaats. Bij de renovatie van de bebouwing kan daarom sprake zijn van verstoring en vernietiging ten aanzien van een vaste rustof voortplantingsplaats van desbetreffende soorten.
Figuur 5.1 Openingen in de vorm van kieren en gleuven.
Figuur 5.2 Spleten onder de dakrand.
De woning op de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen die toegang verlenen tot de spouwmuren. De ruimte langs de dakranden geeft toegang tot ruimte onder de dakrand. In een aanvullend ecologisch onderzoek (13673.002, 8 juli 2021) zijn er geen verblijfsplaatsen of baltslocaties van vleermuizen aangetroffen. Dit onderzoek is nog steeds geldig en vleermuizen kunnen daarom uitgesloten worden bij de woning.
20132.001 versie D1
13 / 28
Bij het voormalig tuincentrum werden enkele bomen aangetroffen, deze bomen beschikken niet over holtes of loshangend schors waardoor verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen op de onderzoekslocatie zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden door de onderlinge afstand tot mogelijke verblijfplaatsen geen potentieel belangrijke aanvliegroutes aangetast en zal er geen verstoring plaatsvinden van een in de omgeving gelegen verblijfplaats. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord.
5.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: boommarter, steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn, das en eekhoorn. Boommarter De boommarter komt volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. De soort is voornamelijk te vinden in verschillende typen bossen en maken nestplaatsen in oude spechten- of eekhoornholen, inrottingsholen van bomen of gebouwen die in of aan de rand van een bos staan. Rustplaatsen bestaan meestal uit boomholten, konijnen-, vossen- of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Wegens het ontbreken van bomen, nest- en rustplaatsen en het feit dat de onderzoekslocatie te ver verwijderd is van het algemene leefgebied, kan de boommarter op voorhand worden uitgesloten.
20132.001 versie D1
14 / 28
Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Deze soort komt volgens de gegevens van de NDFF in de omgeving voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn alleen zeer oude uitwerpselen en prooiresten aangetroffen. Er zijn geen recente sporen aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Eekhoorn De eekhoorn komt volgens de verspreidingsgegevens niet voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Deze soort kan zich doorgaans goed handhaven in stedelijke omgevingen wanneer er voldoende verbindende groene elementen aanwezig zijn en er genoeg voedsel te vinden is. De onderzoekslocatie ligt aan de rand van een stedelijk gebied, groene verbindingen waar de eekhoorn gebruik van kan maken ontbreken rond de onderzoekslocatie. Er zijn geen bomen aanwezig op de onderzoekslocatie.
De aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Das De das komt volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Bunzing, wezel en hermelijn De bunzing en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Ondanks dat de hermelijn niet in de omgeving is waargenomen, is het mogelijk dat ook deze soort voorkomt in de omgeving. Aangezien het op de onderzoekslocatie ontbreekt aan landschapselementen die met elkaar in verbinding staan, is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van kleine marterachtigen.
De kleine marterachtigen zijn namelijk sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Gezien het ontbreken van voldoende schuilmogelijkheid en geschikte voortplantingslocaties zijn negatieve effecten voor kleine marterachtigen, als gevolg van de voorgenomen ingreep, uit te sluiten. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten.
20132.001 versie D1
15 / 28
Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, vos en rosse woelmuis. De verblijfplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingrepen echter niet aangetast. Wel dient rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht (zie hoofdstuk 6).
5.4 Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen streng beschermde reptielen waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Amfibieën Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in het deel van Nederland waar de onderzoekslocatie ligt, de volgende soorten te verwachten: kleine watersalamander, gewone pad, bastaardkikker, rugstreeppad en poelkikker. De boomkikker is in dit deel van Nederland niet te verwachten. Rugstreeppad De rugstreeppad heeft een voorkeur voor, in de nabijheid van losgrondige zanderige bodems gelegen, snel opwarmende bodemplaatsen en ondiep (tijdelijk) water, dat bij voorkeur vegetatieloos is en zonder concurrentie van andere amfibieën. Deze kenmerken zijn bij de sloot op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Deze sloot heeft veel oevervegetatie en is relatief diep, waardoor deze sloot niet geschikt is voor de rugstreeppad. De sloot staat in verbinding met kleinere watergangen die eveneens ongeschikt zijn voor de rugstreeppad vanwege langdurige droogval tijdens de voortplantingsperiode. Het is uit te sluiten dat de onderzoekslocatie een beschermde functie heeft voor de rugstreeppad.
Poelkikker Op de onderzoekslocatie bevindt zich geschikt habitat voor de poelkikker. De poelkikker heeft een voorkeur voor relatieve zonnige kleine wateren met goed begroeide oevers in bossen, heide en hoogvenen. De sloot vormt daarom potentieel geschikt habitat voor de poelkikker. De sloot heeft een flauwe oever met voldoende oeverplanten ter beschutting en het water is geschikt tijdens de voortplantingsperiode (figuur 5.3). Ook zijn er muizenholen aanwezig op de onderzoekslocatie waar de poelkikker kan overwinteren (figuur 5.4). Het is daarom niet uit te sluiten dat de watergangen in en rondom de onderzoekslocatie een beschermende functie biedt voor de poelkikker (zie hoofdstuk 6).
20132.001 versie D1
16 / 28
Figuur 5.3 Watergang met oevervegetatie.
Figuur 5.4 Oever aan de oostzijde met potentieel overwinteringsplaatsen voor de poelkikker.
Algemene amfibieën De onderzoekslocatie vormt geschikt land- en voortplantingshabitat voor algemene amfibieënsoorten als kleine watersalamander, bruine kikker en gewone pad. De sloot die zich aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie bevindt kan onderkomen bieden aan beide soorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de ruigte en onder de takkenhopen. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten (zie hoofdstuk 6). Voor de te verwachten algemene soorten geldt op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Echter zijn er plannen om de sloot ten oosten van het schoolgebouw te dempen en is het wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht (zie hoofdstuk 6). Vissen Er zijn slechts enkele zoetwatervissoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Binnen de onderzoekslocatie heeft alleen de grote modderkruiper mogelijk zijn leefgebied, andere soorten zijn op voorhand uit te sluiten. Grote modderkruiper De grote modderkruiper heeft een voorkeur voor ondiepe wateren met een dikke modderlaag en aanwezigheid van veel waterplanten.
Het leefgebied van de soort bevindt zich oorspronkelijk in overstromingsvlakte en tegenwoordig meer in poldersloten. Daarnaast zijn de meeste habitats van grote modderkruipers te vinden in gebieden waar kwel optreedt. De sloot op de onderzoekslocatie is niet geschikt voor de grote modderkruiper op basis van het ontbreken van een zachte dikke modderlaag, relatief weinig beplanting in het water en vanwege de gelegen afstand ten op zichten van geschikt leefgebied zoals een poldergebied. De grote modderkruiper kan dus redelijkerwijs worden uitgesloten op de onderzoekslocatie.
20132.001 versie D1
17 / 28
Overige vissoorten De sloot tussen het schoolgebouw en de tuin van de woning op de onderzoekslocatie wordt gedempt, waardoor de Wet natuurbescherming mogelijk wordt overtreden ten aanzien van algemene vissoorten (zie hoofdstuk 6).
5.5 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Platte schijfhoren De platte schijfhoren komt in de omgeving van de onderzoekslocatie voor en is bekend van verschillende plaatsen in het rivierengebied. De soort komt voornamelijk voor in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing. Hierin komt de soort vaak voor in/op draadalg-vegetatie, maar ook op wortels van lisdodde en vergelijkbare planten.
De sloot die de onderzoekslocatie doorkruist is geschikt als leefgebied voor de platte schijfhoren en het voorkomen van de soort op de onderzoekslocatie is daarmee niet op voorhand uit te sluiten (zie hoofdstuk 6). Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert en Europese rivierkreeft zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
5.6 Planten Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding, tuin en erf, is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Ook zijn er geen beschermde planten waargenomen tijdens het veldbezoek. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde plantensoorten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
20132.001 versie D1
18 / 28
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen.
6.1 Broedvogels Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen.
Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.
6.2 Vleermuizen Het schoolgebouw op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Voor de woning met tuin geldt nog steeds het resultaat van het eerder uitgevoerde aanvullend onderzoek (13673.002, 8 juli 2021). Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn.
20132.001 versie D1
19 / 28
Gelet op de geschiktheid van het schoolgebouw voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- voortplantings of massawinterverblijfplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen.
Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag.
6.3 Algemene grondgebonden zoogdieren Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
6.4 Poelkikker De te dempen watergang en omliggende watergangen kunnen een verblijf- en voortplantingshabitat vormen voor de poelkikker. De werkzaamheden kunnen daarom leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming in geval van aanwezigheid van de poelkikker. Om definitief vast te kunnen stellen dat de poelkikker gebruik maakt van de watergang op de onderzoekslocatie, is aanvullend onderzoek nodig. Hiervoor moet een ecologisch werkprotocol voor worden opgesteld met ecologische begeleiding.
20132.001 versie D1
20 / 28
6.5 Algemene amfibieën De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor algemene amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Tevens dient het dempen van de sloot onder ecologische begeleiding uitgevoerd te worden middels een ecologisch werkprotocol.
6.6 Vissen Algemene vissensoorten Bij het dempen van de watergang zullen zonder maatregelen vissen worden gedood, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming inhoudt. De te verwachten soorten vallen echter onder het provinciale soortenbeleid, zodat voor de werkzaamheden niet vooraf een ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Voor de te verwachten vissoorten geldt echter wel de zorgplicht. Dit houdt in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te worden. Dit kan door het afvangen van vissen voorafgaande aan de dempingswerkzaamheden en het verplaatsen van de vis in de te handhaven watergangen in de directe omgeving, of ervoor te zorgen dat de dempingswerkzaamheden in één richting plaatsvinden zodat de eventueel aanwezige vissen de mogelijkheid hebben om weg te zwemmen. Aanbevolen wordt om ten tijde van de uitvoering de werkwijze vast te leggen in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. Het dempen van de sloot dient daarnaast onder ecologische begeleiding uitgevoerd te worden middels een ecologisch werkprotocol. Aangezien een quickscan over het algemeen geen document is dat bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt geraadpleegd, wordt aanbevolen om voor de dempingswerkzaamheden een separaat ecologisch werkprotocol op te laten stellen.
In het werkprotocol worden de benodigde maatregelen verwoord en de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen vastgelegd.
6.7 Platte schijfhoren De te dempen watergang en omliggende watergangen bieden geschikt leefgebied voor de platte schijfhoren. De werkzaamheden (het dempen van de sloot) kunnen daarom leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming in geval van aanwezigheid van de platte schijfhoren. Om definitief vast te kunnen stellen of de platte schijfhoren in de watergang op de onderzoekslocatie voorkomt, is aanvullend onderzoek noodzakelijk.
20132.001 versie D1
21 / 28
6.8 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
20132.001 versie D1
22 / 28
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
7.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Rijntakken, bevindt zich op circa 2,4 kilometer afstand ten noorden van de onderzoekslocatie (zie figuur 7.1).
Figuur 7.1. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de uitbreiding op het schoolgebouw en de voorgenomen nieuwbouw op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).
20132.001 versie D1
23 / 28
7.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 1,6 kilometer ten westen van de onderzoekslocatie. In figuur 7.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 7.2. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
De onderzoekslocatie is gelegen op 1,6 kilometer afstand van een onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het Natuurnetwerk betreft in Gelderland een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aangezien het planvoornemen niet leidt tot een wijziging van de bestemming van het aangrenzende onderdeel van het Natuurnetwerk zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het GNN niet aan de orde.
20132.001 versie D1
24 / 28
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen in het noorden van de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De te vellen bomen op de onderzoekslocatie betreft een houtopstand op erven of in tuinen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht.
20132.001 versie D1
25 / 28
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Neder-Betuwe een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Vicuslaan 2 te Kesteren. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de school uit te breiden voor 150 leerlingen. Tevens is de initiatiefnemer voornemens om woningen te bouwen aan de noordzijde van de planlocatie. De bestaande bebouwing zal hiervoor gesloopt gaan worden om ruimte te maken voor vrijstaande woningen en rijtjeshuizen. Verder zal de sloot ten oosten van het schoolgebouw deels worden gedempt en verlegd. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 9.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 9.1
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader on- Ontheffingsderzoek aanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren
jaarrond beschermd
nee
nee
nee
nee
aanvullend onderzoek heeft reeds aangetoond dat er geen beschermde functies ten aanzien van vogels aanwezig zijn
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek naar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen bij het schoolgebouw
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar
vliegroutes
nee
nee
nee
nee
-
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene zoogdieren
Amfibieën
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek naar voorkomen poelkikker en aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene amfibieën. Ecologisch werkprotocol opstellen voor dempen van de watergang met ecologische begeleiding
Vissen
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht bij dempen van de watergang. Ecologisch werkprotocol
Broedvogels
Vleermuizen
20132.001 versie D1
26 / 28
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader on- Ontheffingsderzoek aanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen* opstellen voor dempen van de watergang met ecologische begeleiding
Platte schijfhoren
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek naar voorkomen platte schijfhoren
Overige soortgroepen
nee
nee
nee
nee
-
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader on- Vergunningderzoek plicht
Natura 2000
1,8 km
mogelijk
ja
mogelijk
stikstofberekening met Aerius-calculator
Natuurnetwerk Nederland
1,6 km
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t
-
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie Algemene broedvogels Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen. Vleermuizen Gelet op de geschiktheid van een deel van de onderzoekslocatie (het schoolgebouw) voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Onderzoek zal plaats moeten vinden naar zomer-, kraam-, paar-/balts,- en massawinterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. Algemene zoogdieren, amfibieën en vissen Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden buiten de kwetsbare periode om het doden van individuen te voorkomen.
Voor amfibieën en vissen geldt dat er een ecologisch werkprotocol opgesteld dient te worden voor het dempen van de sloot en dient er ecologische begeleiding aanwezig te zijn tijdens het dempen van de sloot.
20132.001 versie D1
27 / 28
Poelkikker De te dempen watergang en omliggende watergangen kunnen een verblijf- en voortplantingshabitat vormen voor de poelkikker. De werkzaamheden kunnen daarom leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming in geval van aanwezigheid van de poelkikker. Om definitief vast te kunnen stellen dat de poelkikker gebruik maakt van de watergang op de onderzoekslocatie, is aanvullend onderzoek nodig. Hiervoor moet een ecologisch werkprotocol voor worden opgesteld met ecologische begeleiding. Platte schijfhoren De te dempen watergang en omliggende watergangen bieden geschikt leefgebied voor de platte schijfhoren. De werkzaamheden (het dempen van de sloot) kunnen daarom leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming in geval van aanwezigheid van de platte schijfhoren. Om definitief vast te kunnen stellen of de platte schijfhoren gebruik in de watergang op de onderzoekslocatie voorkomt, is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Gebiedsbescherming Externe effecten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de voorgenomen werkzaamheden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (Aerius-calculator).
Econsultancy Doetinchem, 9 januari 2023.
20132.001 versie D1
28 / 28
GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2022). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-KennisdocumentHuismus-1.0.pdf. BIJ12 (2017c). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019-KennisdocumentSteenuil-1.0.pdf. BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-004Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 9 januari 202 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Kesteren, periode 2017-2022. NDFF. Geraadpleegd op 9 januari 202 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 9 januari 202 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten.