Bijlage 1 - Toelichting
Tekst van het document
Doorwerking plangebied Huidige situatie Het plangebied is momenteel gedeeltelijk verhard. Het grenst aan de noordzijde aan een A-watergang en aan de oost- en zuidzijde aan een C-watergang. Aan de andere zijde van de aangrenzende weg is een B-watergang gelegen, deze grenst niet aan het plangebied.
30
Uitsnede waterlegger, plangebied is aangegeven met het rode kader (bron: legger Waterschap Rivierenland) 2
De toename van verhard oppervlak, wat minder zal zijn dan 200 m blijft onder de 2 drempelwaarde van 1.500 m welke aangehouden wordt in de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland. Zodoende is er een vrijstelling van de compensatieplicht. De Awatergang heeft een beschermingszone van 4 meter. In deze zone wordt niet gebouwd. 4.11.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.
4.12
Ecologie
4.12.1
Algemeen Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet.
31
4.12.2
Toetsing 1
Natuurbank Overijssel heeft een quick scan natuurwaardenonderzoek voor de locatie uitgevoerd. De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ’opzettelijk beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Voor beschermde soorten waarvoor die vrijstelling niet geldt, is eenontheffing vereist om ze te mogen doden en om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied.
Vanwege de ligging buiten het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone geen externe werking kennen. In het plangebied wordt een schuur gesloopt en een nieuwe schuur opgericht. Dit nieuwe gebouw krijgt geen aansluiting op het aardgasnet en het aantal verkeersbewegingen zal niet veranderen ten opzichte van de huidige (referentie) situatie. Er is daarom geen sprake van toename van stikstofemissie en daarom zal er geen sprake zijn van toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Echter is de schuur enkel geschikt voor vogels om te nestelen en wordt de schuur als ongeschikt beschouwd als (vaste) verblijfplaats en foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën.
Vleermuizen foerageren in het plangebied maar bezetten geen vaste (winter)rustplaats in de schuur. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien er gewerkt wordt nabij de beplanting, tijdens de
1
Natuurbank Overijssel. Quick scan natuurwaardenonderzoek, Provincialeweg 2a Kesteren. 3853 versie 1.0, 17-11-2021. 32
voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de voorkomende diersoorten niet af. 4.12.3
Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.
4.13
Archeologie en cultuurhistorie
4.13.1
Archeologie Algemeen In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2021 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. Met de Erfgoedwet is sprake van een betere integratie met verschillende soorten erfgoed. Daarnaast zijn de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker geworden. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in 2021 in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2022.
Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die in 2022 naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening dient te worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente. Gemeentelijk/regionaal archeologiebeleid De bescherming van de archeologische waarden is in de gemeente Neder-Betuwe geregeld in het bestemmingsplan ‘Parapluregeling Archeologie’. Voor de verschillende archeologische (verwachtings)waarden zijn afzonderlijke bestemmingen opgenomen: Waarde - Archeologie 1 voor de AMK-terreinen, historische kernen en bekende vindplaatsen, Waarde - Archeologie 2 voor de gronden met een hoge archeologische trefkans en Waarde - Archeologie 3 voor de gronden met een gemiddelde archeologische trefkans.
33
Toetsing Ter plaatse van onderhavig plangebied is in het bestemmingsplan ‘Parapluregeling Archeologie’ de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ opgenomen. Dit betekent dat hier sprake is van een gemiddelde archeologische trefkans. In de planregels is opgenomen dat er uitsluitend gebouwen gebouwd mogen worden wanneer de op2 pervlakte kleiner is dan 10.000 m . De nieuwbouw heeft een kleinere oppervlakte dan 2 10.000 m . Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan. 4.13.2
Cultuurhistorie Algemeen Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De gemeente Neder-Betuwe heeft haar beleid geregeld in de Erfgoedverordening uit 2017. Toetsing Het plangebied is in het vigerende planologische regime gelegen in de dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied 1’. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden. Tot deze waarden worden gerekend: a reliëf: de ruggen, geulen, dijken, kaden en huisterpen; b waterhuishouding: de contouren van de waterpartijen; c verkaveling: de tracés en patronen van de kavelgrenzen, wegen en waterlopen; d bebouwing: de locaties van de bebouwing, zoals deze op de desbetreffende gronden voorkomen, dan wel uit historische bronnen bekend zijn; e de kernkwaliteiten die behoren tot het provinciaal waardevolle landschap, zoals deze blijken uit de structuurvisie Gelderland, zoals deze luidt ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan. Het plangebied is ook gelegen in de ‘Romeinse Limes’.
De kernkwaliteiten van de Romeinse Limes zijn forten (castella), burgerlijke nederzettingen, kampdorpen (vici) grafvelden, de militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens en scheepswrakken. Het voorliggende plan ziet op het mogelijk maken van productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekproducten, kleinschalige horeca en extensieve recreatie binnen de bestaande grondgebonden agrarisch functie. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en er wordt een nieuw bedrijfsgebouw opgericht. De in deze paragraaf genoemde waarden en kwaliteiten worden daarbij niet aangetast. De bestaande regels worden in onderhavig bestemmingsplan overgenomen en de voorgenomen ontwikkeling is passend binnen deze regels.
34
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.
4.14
Leidingen
4.14.1
Algemeen Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.
4.14.2
Toetsing In de omgeving van het plangebied liggen geen leidingen met zones waarbinnen beperkingen gelden.
4.14.3
Conclusie Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.
35
5 5.1
Juridische planbeschrijving Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.
5.2
Bestemmingsplan
5.2.1
Bestemmingen ‘Agrarisch met waarden - 1’ De gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden - 1’ zijn bedoeld voor grondgebonden agrarische productie, teelt op folie of worteldoek, het weiden van dieren, bijbehorende voorzieningen, gaarden en opslag, instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de betreffende gronden, watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en extensief recreatief medegebruik. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - verkoop van eigen agrarische producten’ is productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekproducten en kleinschalige horeca waar naast kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije dranken wordt verstrekt toegestaan. Ter plaatse van deze bestemming gelden de volgende bouwregels: Op de gronden mogen alleen gebouwen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekproducten en kleinschalige horeca worden gebouwd.
36
Bouwwerken moeten op minimaal 5 meter van de perceelsgrens en binnen het bouwvlak worden gerealiseerd; Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - gebouwen’. De maximale goot- en bouwhoogte bedraagt 7, respectievelijk 12 meter Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: de bouwhoogte van molens ten behoeve van de waterhuishouding mag niet meer bedragen dan 6 m; de oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer 2 bedragen dan 10 m ; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 2,5 m. Het is bij omgevingsvergunning mogelijk om onder voorwaarden af te wijken van de bouwregels ten aanzien van de realisatie van een agrarisch hulpgebouw buiten een bouwvlak, de stalling van dieren en de huisvesting van seizoensarbeiders. Verder is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee de realisatie van het landschappelijke inrichtingsplan (zie bijlage 2 van de regels) geborgd is. 5.2.2
Dubbelbestemmingen ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied 1’ De gronden binnen deze dubbelbestemming zijn buiten het bouwvlak om behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden. ‘Waterstaat - Beheerszone watergang’ De gronden binnen deze dubbelbestemming zijn mede bestemd voor bescherming, beheer en verbetering van watergangen en voorzieningen voor de waterhuishouding. Binnen deze dubbelbestemming mogen enkel bij omgevingsvergunning (onder voorwaarden) bouwwerken worden gebouwd.
5.2.3
Overige regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregel en overgangsrecht en een slotregel. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. De regeling voor de aanduiding ‘vrijwaringszone - weg’ is opgenomen in de algemene aanduidingsregels. Binnen deze aanduiding is onder andere met het oog op veiligheid een omgevingsvergunning noodzakelijk voor het bouwen van bouwwerken.
37
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Doorgaans is de vraag of er gemeentelijke kosten zijn en hoe deze verhaald worden. Deze vraag omhelst tevens eventuele planschade. Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Het project zelf wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkeling van de locatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening en de anterieure exploitatieovereenkomst aan de initiatiefnemer worden doorberekend.
6.2
Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan betrokken instanties.
6.3
Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Op de bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan heeft het ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 2a, Kesteren van 7 april 2022 tot en met 18 mei 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken aan de gemeenteraad. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Wel is het bestemmingsplan ambtshalve gewijzigd voor wat betreft het bouwvlak. Het bouwvlak is qua ligging aangepast.
38