CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bijlage 2 bij de toelichting - Verkennend bodemonderzoek

Raadsvergadering 25 maart 2021, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Rijnbandijk ong. Kesteren’22.247 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAPPORT: Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren Kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.)

PROJECTNUMMER: B19.7575 Versie: 01

VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. Van Voordenpark 16 5301 KP Zaltbommel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl

RAPPORT: Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren Kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.)

PROJECTNUMMER: B19.7575 Versie 01

OPDRACHTGEVER: Gemeente Neder-Betuwe

DATUM: 23 maart 2020

Auteur:

Autorisatie:

M.W.W.M. van Mol BSc. Projectmedewerker Verhoeven Milieutechniek B.V.

Ing. H.M.W. van der Donk Senior Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.

B19.7575/R7575-01/MM Alle informatie in deze rapportage mag NIET worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

2

SAMENVATTING Gemeente Neder-Betuwe heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek, inclusief historisch onderzoek, een verkennend onderzoek naar asbest en een indicatief funderingsonderzoek ter plaatse van kadastrale perceel sectie F nummer 4 voor de onderzoekslocatie gelegen achter de Rijnbandijk 60 te Kesteren. De onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van de voorgenomen onroerend goed transactie en herontwikkeling. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017, NEN 5740/A1:2016, NEN 5707:2015/C2:2017 en NEN 5897:2015/C2:2017. De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het asfaltgranulaat/puinpad (inclusief asbest) op de onderzoekslocatie vast te stellen teneinde te bepalen of vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en de herontwikkeling. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heer ing. H.M.W. van der Donk.

Conclusies historisch onderzoek en locatiebezoek Op basis van het historisch onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:  Van de onderzoekslocatie zelf zijn geen (actuele) bodemkwaliteitsgegevens bekend;  Op de locatie en in de directe omgeving zijn boomgaarden aanwezig (geweest). Derhalve is de onderzoekslocatie verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB);  Volgens de asbestdakenkaart van de provincie Gelderland is er op en in de directe nabijheid van onderhavige onderzoekslocatie geen asbestverdachte dakbedekking aanwezig. Wel is er op een gedeelte van de locatie een asfaltgranulaat/puinpad aanwezig. Dit is bevestigd tijdens het uitgevoerde locatiebezoek. Op het overige deel van de locatie worden geen asbestverdachte (puin)bijmengingen verwacht. Derhalve is vooralsnog alleen het asfaltgranulaat/puinpad en de onderliggende bodem verdacht op het voorkomen van een (bodem)verontreiniging met asbest.

Het overige deel van de locatie blijft vooralsnog onverdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest;  De locatie is altijd in gebruik geweest voor agrarische doeleinden;  Op de locatie zijn voor zover als bekend geen gedempte sloten en opslag- en/of brandstoftanks aanwezig (geweest);  Op de locatie zijn geen specifieke bronnen voor PFAS aanwezig (geweest);  Tijdens het locatiebezoek is op de onderzoekslocatie een depot grond aangetroffen. In verband met de voorgenomen onroerend goed transactie en de voorgenomen herontwikkeling van de locatie is het noodzakelijk een verkennend bodemonderzoek uit te voeren conform de NEN 5740:2009/A1:2016. De aanwezigheid van het asfaltgranulaat/puinpad betreft hierbij een aandachtspunt, evenals de aanwezige boomgaard (OCB) en het aanwezige depot. Vooralsnog worden, buiten het asfaltgranulaat/puinpad, geen asbestverdachte materialen en/of (puin)bijmengingen verwacht. Dus vooralsnog is alleen het asfaltgranulaat/puinpad en de onderliggende bodem verdacht op het voorkomen van een (bodem)verontreiniging met asbest.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

3 Buiten dit pad is de locatie vooralsnog onverdacht, waardoor geen verkennend onderzoek naar asbest hoeft te worden uitgevoerd buiten het pad. Op verzoek van de opdrachtgever is geen aanvullend onderzoek naar PFAS uitgevoerd. Conclusies en aanbevelingen Verkennend bodemonderzoek Algemene kwaliteit Voor de onderzoekslocatie werd de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot de aanwezigheid van een bodemverontreinigingen met diverse NEN parameters. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese aangenomen, aangezien zowel in de onderzochte grond als in het onderzochte grondwater maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. Uit indicatieve toetsing aan het besluit bodemkwaliteit voldoet de grond op de onderzoekslocatie aan de bodemkwaliteitsklasse “Altijd Toepasbaar”, rekening houdend dat geen analyses op PFAS hebben plaatsgevonden. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende achtergronden streefwaarden. Aangezien de meetwaarden de indexwaarde van 0,5 niet overschrijden, zijn verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb. Depot (indicatief) Op basis van de indicatieve analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat in de grond uit het depot indicatief maximaal licht verhoogde gehalten voor lood en zink zijn aangetoond.

Uit indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit, voldoet de grond uit het depot indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse “Altijd Toepasbaar”, rekening houdend met het feit dat geen analyses op PFAS hebben plaatsgevonden. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden. Aangezien de meetwaarden de indexwaarde van 0,5 niet overschrijden, zijn verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb. Teeltlaag onderzoek Voor de teeltlaag is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien geen verhoogde gehalten zijn aangetoond voor OCB.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

4 Verkennend onderzoek naar asbest Asfaltgranulaat/puinpad Voor wat betreft asbest is ter plaatse van het asfaltgranulaat/puinpad een hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese worden verworpen. Zintuiglijk is in zowel de opgeboorde en opgegraven grond als in de opgeboorde en opgegraven puinlagen geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Analytisch is eveneens geen asbest aangetoond. Overige deel onderzoekslocatie Zintuiglijk zijn tijdens de uitgevoerde veldwerkzaamheden op het overige deel van de onderzoekslocatie buiten het asfaltgranulaat/puinpad geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen en daarnaast zijn, buiten het asfaltgranulaat/puinpad geen (puin)bijmengingen waargenomen in de opgeboorde grond. Derhalve is het definitief niet noodzakelijk om een verkennend onderzoek naar asbest uit te voeren buiten het asfaltgranulaat/puinpad. De gestelde hypothese voor een onverdachte locatie op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest buiten het asfaltgranulaat/puinpad wordt op basis hiervan aangenomen. Verhoeven Milieutechniek B.V. besteedt veel zorg aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden, maar de mogelijkheid bestaat dat niet alle asbesthoudende (plaat)materialen zijn waargenomen.

Indien in de toekomst asbesthoudende (plaat)materialen op de locatie worden aangetroffen, kan Verhoeven Milieutechniek B.V. hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld. Indicatief funderingsonderzoek Op basis van de analyseresultaten kan worden gesteld dat er indicatief geen overschrijdingen van de maximale samenstellings- en emissiewaarden zijn aangetoond in het uitloogmonster van de funderingslaag (volledig puin) onder de diverse verhardingen. Derhalve kan het funderingsmateriaal worden hergebruikt als funderingsmateriaal binnen de onderzoekslocatie. Algehele conclusies en aanbevelingen Middels onderhavige onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het asfaltgranulaat/puinpad ten behoeve van de voorgenomen onroerend goed transactie en/of voorgenomen herontwikkeling ter plaatse perceel F nummer 4 aan de Rijnbandijk achter nummer 60 te Kesteren in voldoende mate vastgelegd. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan ons inziens geen bezwaren tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en/of voorgenomen herontwikkeling, rekening houdend met onderstaande aanbevelingen. Het funderingsmateriaal (asfaltgranulaat/puinpad) kan worden hergebruikt als funderingsmateriaal binnen de onderzoekslocatie. Uit indicatieve toetsing aan het besluit bodemkwaliteit voldoet de grond op de onderzoekslocatie aan de bodemkwaliteitsklasse “Altijd Toepasbaar”.

De aanwezige indicatief onderzochte grond uit het depot aan de zuidoostzijde van de onderzoekslocatie voldoet indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse “Altijd Toepasbaar”. Derhalve kan, ons inziens, vrijkomende grond op de onderzoekslocatie en de grond uit het depot, indicatief, vrij hergebruikt worden op de onderzoekslocatie met inachtneming van de regels uit het Besluit bodemkwaliteit en rekening houdend met het feit dat geen onderzoek naar PFAS heeft plaatsgevonden. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen worden verlangd (inclusief aanvullend onderzoek op PFAS). Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

5 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 1.

INLEIDING .................................................................................................................................................. 6

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 6

3.

LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 6 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 6 3.2. HISTORISCH ONDERZOEK (NEN 5725) ...................................................................................................... 6

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE .......................................................................................... 9 4.1. BODEMOPBOUW .......................................................................................................................................... 9 4.2. GEOHYDROLOGIE ....................................................................................................................................... 9

5.

HYPOTHESE ............................................................................................................................................... 9

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK .......................................................................................................... 10 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIEËN DIVERSE ONDERZOEKEN ............................................................................ 10 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 11

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 14 7.1. GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 14 7.2. ASBEST ...................................................................................................................................................... 15

8.

LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN ........................................................... 16 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 16 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 16 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 20

9.

CONCLUSIES EN AANBEVELING ....................................................................................................... 22 9.1. VERKENNEND BODEMONDERZOEK........................................................................................................... 22 9.2. VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST................................................................................................ 23 9.3. INDICATIEF FUNDERINGSONDERZOEK ..................................................................................................... 23 9.4. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 24

10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 25 BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Situering in de regio Situatieschets met geplaatste boringen, peilbuizen en proefgaten Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater, asbest en fundering Streef-, achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater (tabellen toetsingswaarden) Veldwerkformulieren asbestonderzoek

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

6

1.

INLEIDING Gemeente Neder-Betuwe heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek, inclusief historisch onderzoek, een verkennend onderzoek naar asbest en een indicatief funderingsonderzoek ter plaatse van kadastrale perceel sectie F nummer 4 voor de onderzoekslocatie gelegen achter de Rijnbandijk 60 te Kesteren. De onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van de voorgenomen onroerend goed transactie en herontwikkeling. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017 [1], NEN 5740/A1:2016 [2], NEN 5707:2015/C2:2017 [3] en NEN 5897:2015/C2:2017 [4]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heer ing. H.M.W. van der Donk.

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het asfaltgranulaat/puinpad (inclusief asbest) op de onderzoekslocatie vast te stellen teneinde te bepalen of vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en de herontwikkeling.

3.

LOCATIEGEGEVENS 3.1.

Algemene gegevens

De onderzoekslocatie betreft het toekomstig bouwblok op een huidige plantenkwekerij gelegen aan de Rijnbandijk achter nummer 60 te Kesteren en staat kadastraal bekend als gemeente Kesteren, sectie F, nummer 4 (ged.). Op de locatie is een asfaltgranulaat/puinpad aanwezig. De locatie heeft een totale oppervlakte van maximaal 8.650 m2. Voor de situering van het perceel in de regio wordt verwezen naar bijlage 1. 3.2.

Historisch onderzoek (NEN 5725)

Door een medewerker van Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) is de digitaal beschikbare informatie van de websites www.kadaster.nl, www.topotijdreis.nl en www.bodemloket.nl geraadpleegd. Daarnaast zijn de bodeminformatie websites van de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) en van de provincie Gelderland bestudeerd. Bij de ODR is de relevante historische informatie opgevraagd. Echter zijn geen (aanvullende) gegevens bekend/verkregen.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

7 Bodemkwaliteitsgegevens Op basis van de bodemverontreinigingskaart van de provincie Gelderland zijn geen gegevens van en/of nabij de onderzoekslocatie bekend. Op basis van de interactieve bodemkwaliteitskaart van de ODR zijn eveneens geen gegevens bekend van en/of nabij de onderzoekslocatie. Voormalig bodemgebruik In het verleden is de locatie altijd in gebruik geweest voor agrarische doeleinden. Op en in de directe omgeving van de locatie zijn boomgaarden en/of kassen aanwezig geweest, blijkt uit historisch kaartmateriaal van www.topotijdreis.nl, waardoor de teeltlaag verdacht is op het voorkomen van bestrijdingsmiddelen (OCB). Huidig bodemgebruik Momenteel zijn op de locatie een boomgaard aanwezig en een asfaltgranulaat/puinpad. Toekomstig bodemgebruik Het voornemen bestaat om de locatie te herontwikkelen. Tanks Voor zover als bekend zijn op de onderzoekslocatie geen brandstof en/of overige opslagtanks aanwezig (geweest). Historisch kaartmateriaal Op basis van historisch kaartmateriaal van www.topotijdreis.nl zijn op locatie naar verwachting geen gedempte sloten aanwezig. Asbest Volgens de asbestdakenkaart van de provincie Gelderland is er op en in de directe nabijheid van onderhavige onderzoekslocatie geen asbestverdachte dakbedekking aanwezig. Wel is er op een gedeelte van de locatie een asfaltgranulaat/puinpad aanwezig.

Op het overige deel van de locatie worden geen asbestverdachte (puin)bijmengingen verwacht. Derhalve is vooralsnog alleen het asfaltgranulaat/puinpad verdacht op het voorkomen van een asbestverontreiniging. Het overige deel van de locatie blijft vooralsnog onverdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest. PFAS Op de locatie zijn geen specifieke bronnen voor PFAS aanwezig (geweest). Wel zijn boomgaarden aanwezig. Echter is op verzoek van de opdrachtgever geen aanvullend onderzoek op PFAS uitgevoerd. Locatiebezoek Tijdens het locatiebezoek is de aanwezigheid van de boomgaard en het asfaltgranulaat/puinpad bevestigd. Daarnaast is nog een depot grond aangetroffen op het zuidoostelijk deel van de onderzoekslocatie. Op het maaiveld zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen. Verder zijn geen bijzonderheden en/of bodembedreigende activiteiten waargenomen, die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

8 Conclusie historisch onderzoek en locatiebezoek Op basis van het historisch onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:  Van de onderzoekslocatie zelf zijn geen (actuele) bodemkwaliteitsgegevens bekend;  Op de locatie en in de directe omgeving zijn boomgaarden aanwezig (geweest). Derhalve is de onderzoekslocatie verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB);  Volgens de asbestdakenkaart van de provincie Gelderland is er op en in de directe nabijheid van onderhavige onderzoekslocatie geen asbestverdachte dakbedekking aanwezig. Wel is er op een gedeelte van de locatie een asfaltgranulaat/puinpad aanwezig. Dit is bevestigd tijdens het uitgevoerde locatiebezoek. Op het overige deel van de locatie worden geen asbestverdachte (puin)bijmengingen verwacht. Derhalve is vooralsnog alleen het asfaltgranulaat/puinpad en de onderliggende bodem verdacht op het voorkomen van een (bodem)verontreiniging met asbest.

Het overige deel van de locatie blijft vooralsnog onverdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest;  De locatie is altijd in gebruik geweest voor agrarische doeleinden;  Op de locatie zijn voor zover als bekend geen gedempte sloten en opslag- en/of brandstoftanks aanwezig (geweest);  Op de locatie zijn geen specifieke bronnen voor PFAS aanwezig (geweest);  Tijdens het locatiebezoek is op de onderzoekslocatie een depot grond aangetroffen. In verband met de voorgenomen onroerend goed transactie en de voorgenomen herontwikkeling van de locatie is het noodzakelijk een verkennend bodemonderzoek uit te voeren conform de NEN 5740:2009/A1:2016. De aanwezigheid van het asfaltgranulaat/puinpad betreft hierbij een aandachtspunt, evenals de aanwezige boomgaard (OCB) en het aanwezige depot. Vooralsnog worden, buiten het asfaltgranulaat/puinpad, geen asbestverdachte materialen en/of (puin)bijmengingen verwacht. Dus vooralsnog is alleen het asfaltgranulaat/puinpad en de onderliggende bodem verdacht op het voorkomen van een (bodem)verontreiniging met asbest. Buiten dit pad is de locatie vooralsnog onverdacht, waardoor geen verkennend onderzoek naar asbest hoeft te worden uitgevoerd buiten het pad. Op verzoek van de opdrachtgever is geen aanvullend onderzoek naar PFAS uitgevoerd.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

9

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE 4.1.

Bodemopbouw

Ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat de bodem vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 3 m-mv (deklaag) uit holocene afzettingen. Dit is een complexe eenheid hoofdzakelijk bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen. Het onderliggende goed doorlatende eerste watervoerend pakket bestaat tot een diepte van circa 58 m-mv hoofdzakelijk uit grof tot midden zand uit de Formaties Kreftenheye, Peize en Waalre. Het eerste watervoerend pakket wordt van het tweede watervoerend pakket gescheiden door een circa 4 meter dik slecht doorlatend pakket hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand uit de Formatie van Waalre. Het tweede watervoerend pakket bestaat tot een diepte van circa 73 m-mv hoofdzakelijk uit midden tot grof zand uit de Formaties van Peize en Waalre en Maassluis. De onderliggende tweede scheidende laag is circa 2 meter dik en bestaat uit klei tot zandige klei uit de Formatie van Maassluis. Het derde watervoerende pakket, uit de Formaties van Maassluis en Oosterhout, bestaat tot een diepte van circa 103 m-mv hoofdzakelijk uit midden tot grof zand [5]. 4.2.

Geohydrologie

De grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket is globaal noordelijk gericht in de richting van de nabijgelegen Nederrijn [5]. De freatische grondwaterstroming wordt beïnvloed door nabijgelegen watergangen, grondwater onttrekkingen, kabels, leidingen en overig oppervlaktewater. De locatie is voor zover bekend niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. 5.

HYPOTHESE

Op basis van de bekende gegevens wordt voor de algemene kwaliteit uitgegaan van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Wel vormt de asfaltgranulaat/puin (uitloging naar onderliggende grondlaag) en depot (indicatieve kwaliteit) aandachtspunten. De teeltlaag is echter wel verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Voor wat betreft asbest (bodem en puinlaag) wordt alleen ter plaatse van het asfaltgranulaat/puinpad uitgegaan van een verdachte locatie met betrekking op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest. Het overige deel van de locatie blijft vooralsnog onverdacht.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

10

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.

Onderzoeksstrategieën diverse onderzoeken

Verkennend bodemonderzoek Algemene kwaliteit Voor de onderzoeksopzet naar de algemene bodemkwaliteit wordt de NEN 5740:2009/A1:2016 gehanteerd conform de onverdachte niet-lijnvormige strategie (ONV-NL) met een maximale totale oppervlakte van 9.000 m2. Wel zullen diverse (aanvullende) boringen worden geplaatst bij het asfaltgranulaat/puinpad en doorgezet worden tot minimaal 1,0 m-mv. Tevens wordt een afzonderlijke mengmonster samengesteld van de grondlaag direct onder dit pad. Teeltlaagonderzoek Aanvullend zal de teeltlaag onderzocht worden volgens de verdachte heterogene niet-lijnvormige strategie (VED-HE-NL). Hiervoor zullen, aanvullend op de onverdachte niet-lijnvormige strategie, vier boringen worden geplaatst tot minimaal 0,5 m-mv zodat voldaan wordt aan de verdachte niet-lijnvormige strategie. Hierbij zal ter plaatse van alle boringen de (oorspronkelijke)teeltlaag separaat wordt bemonsterd en geanalyseerd op OCB. Depot (indicatief) Ter plaatse van het depot zal, indicatief middels grepen uit de grondwal, in het veld één representatief mengmonster worden samengesteld en geanalyseerd op een standaard NEN pakket.

Verkennend onderzoek naar asbest (puin en grond) Asfaltgranulaat/puinpad De onderzoeksopzet voor het verkennend onderzoek naar asbest in puin ter plaatse van het asfaltgranulaat/puinpad is opgesteld conform de onderzoeksstrategie voor een “open halfverharding” uit de NEN 5897/C2:2017 met een oppervlakte van maximaal 500 m2. Het betreft hier het gedeelte van de locatie waar de puinlaag aanwezig is. De onderzoeksopzet voor het verkennend onderzoek naar asbest onder het asfaltgranulaat/puinpad is opgesteld conform de onderzoeksstrategie voor een diffuus belaste locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging uit de NEN 5707/C2:2017 voor een locatie van maximaal 500 m2. Ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest in puin en grond worden minimaal 4 proefgaten gegraven ter plaatse van het asfaltgranulaat/puinpad met een omvang van 0,3 m x 0,3 m. Ten behoeve van het asbest in puin onderzoek worden de proefgaten doorgegraven tot de onderzijde van de asfaltgranulaat/puinverharding. Ten behoeve van het asbest in grond onderzoek worden de proefgaten vanaf onderzijde van de verharding doorgegraven tot minimaal 0,5 m. onder de asfaltgranulaat/puinlaag. Minimaal 1 gat wordt doorgezet tot in de ongeroerde ondergrond. Voor de inspectie van de ondergrond wordt deze boring dieper doorgezet middels een Edelmanboor met brede diameter van 12 cm.

Voorafgaand aan de werkzaamheden is een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Van de aanwezige asfaltgranulaat/puinlaag uit de proefgaten wordt minimaal 1 puinmengmonster samengesteld voor analyse op asbest conform NEN 5898:2015 (fractie < 20 mm). Van de grondlaag direct onder het asfaltgranulaat/puinpad uit de proefgaten wordt minimaal 1 grondmengmonster samengesteld voor analyse op asbest conform NEN 5898:2015 (fractie < 20 mm).

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

11 Overige deel onderzoekslocatie Vooralsnog worden, buiten het asfaltgranulaat/puinpad, geen asbestverdachte materialen en/of (puin)bijmengingen verwacht. Dus vooralsnog is alleen het asfaltgranulaat/puinpad verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest. Buiten dit pad is de locatie vooralsnog onverdacht, waardoor geen verkennend onderzoek naar asbest hoeft te worden uitgevoerd buiten het pad. Indicatief funderingsonderzoek Voor de stabilisatielaag onder de aanwezige typen verharding wordt indicatief een funderingsonderzoek uitgevoerd. Hierbij wordt één mengmonster van de fundering geanalyseerd op het uitloog- en samenstellingspakket bestaande uit: - De metalen (antimoon (Sb), Arseen (As), barium (Ba), cadmium (Cd), chroom (Cr), kobalt (Co), koper (Cu), kwik (Hg), lood (Pb), molybdeen (Mo), nikkel (Ni), seleen (Se), tin (Sn), vanadium (V), zink (Zn)), bromide, chloride, fluoride, sulfaat in het eluaat van het uitloogonderzoek Schudproef (L/S=10); - Som-PCB; - Som-PAK; - Minerale olie (MO). De veld- en laboratoriumwerkzaamheden voor de diverse onderzoeken worden zoveel als mogelijk gecombineerd. 6.2.

Veldwerkzaamheden

Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001: het plaatsen van boringen en peilbuizen (versie 6), protocol 2002: het nemen van grondwatermonsters (versie 6) en protocol 2018 locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). De peilbuizen zijn, na een standtijd van minimaal één week, bemonsterd. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een schep, Edelmanboor en een ramguts. Tijdens de veldwerkzaamheden is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerker weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data 2 maart 2020

Bedrijf Verhoeven Milieutechniek B.V.

Gecertificeerde medewerker De heer D.W. Sluis

10 maart 2020

Verhoeven Milieutechniek BV

De heer D.W. Sluis

Protocol BRL SIKB 2001 (v. 6) 2018 (v. 6) 2002 (v. 6)

De volledige asfaltgranulaat/puinlaag op de locatie betreft geen bodem en is derhalve niet conform protocol 2018 onderzocht. De onderliggende grondlaag wel. Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

12 Verkennend bodemonderzoek Grond Ten behoeve van het bepalen van de algemene bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie zijn, conform de onderzoeksopzet, in totaal 24 boringen (B01 t/m B24) geplaatst. Hierbij zijn de boringen PB02 en PB15 afgewerkt met een peilbuis. Ter plaatse van het asfaltgranulaat/puinpad zijn de boringen B06, B07, B08 en B24 geplaatst. In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde werkzaamheden weergegeven. Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Boringen tot circa 0,5 m-mv

Boringen en peilbuizen Boringen tot circa 2,0 m-mv

Peilbuis (filterstelling m-mv) PB02 (1,20 - 2,20) PB15 (2,00 - 3,00)

B01, B03, B05, B06*, B08*, B09, B10, B11, B12, B04, B07, B18, B23 B13, B14, B16, B17, B19, B20, B21, B22, B24* Toelichting bij tabel 6.2: * Boring is doorgezet tot circa 1,0 m-mv aangezien een volledige puinlaag aanwezig is tot circa 0,5 m-mv.

Tevens is ter plaatse van het aanwezige depot op de locatie, indicatief, één representatief mengmonster samengesteld in het veld. Grondwater Het grondwater uit de peilbuizen PB02 en PB15 is, na een standtijd van minimaal één week en twee keer afpompen, op 10 maart 2020 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage- troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid van het grondwater in het veld zijn bepaald. Verkennend onderzoek naar asbest Ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest is op de locatie allereerst een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Het maaiveld van de onderzoekslocatie bestaat voor een gedeelte (5 %) uit verharding en voor een gedeelte (5 %) uit opgeslagen goederen. Desondanks heeft een efficiënte maaiveldinspectie ( > 25% zichtbaar) plaats kunnen vinden. Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte plaatmaterialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Asfaltgranulaat/puinpad Ten behoeve van de onderzoeksopzet voor het verkennend onderzoek naar asbest ter plaatse van het asfaltgranulaat/puinpad zijn in totaal 4 proefgaten (0,3 m x 0,3 m) gegraven in het puin tot de onderzijde van de puinverharding (circa 0,5 m-mv). Voor de inspectie van de ondergrond zijn deze proefgaten minimaal 0,5 m.

doorgegraven, vanaf de onderzijde van de asfaltgranulaat/puinlaag, tot circa 1,0 m-mv. Proefgat B07 is verder doorgezet middels een Edelmanboor met een diameter van 12 cm tot circa 2,0 m-mv. Om een bodemverontreiniging met asbest vast te stellen is, per proefgat, de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. In het veld zijn op basis van zintuiglijke waarnemingen en conform de onderzoeksopzet 1 puinmengmonster en 1 grondmengmonster samengesteld en aangeboden aan het lab voor analyse op asbest conform de NEN 5898:2015 (fractie < 20 mm). Een overzicht van de samengestelde mengmonsters voor asbest met uitgevoerde analyses is in tabel 8.4 van hoofdstuk 8 weergegeven. De veldwerkformulieren van het asbestonderzoek zijn opgenomen als bijlage 6.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

13 Overige deel onderzoekslocatie Zintuiglijk zijn tijdens de uitgevoerde veldwerkzaamheden op het overige deel van de onderzoekslocatie buiten het asfaltgranulaat/puinpad geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen en daarnaast zijn, buiten het asfaltgranulaat/puinpad geen (puin)bijmengingen waargenomen in de opgeboorde grond. Derhalve is het definitief niet noodzakelijk om een verkennend onderzoek naar asbest uit te voeren buiten het asfaltgranulaat/puinpad. Indicatief funderingsonderzoek Van het funderingsmateriaal ter plaatse van het asfaltgranulaat/puinpad is indicatief één mengmonster samengesteld en aan het laboratorium aangeboden voor analytisch onderzoek naar PAK, minerale olie, PCB, metalen en anionen (uitloog- en samenstellingspakket). De situatieschets met de geplaatste boringen, peilbuizen en gegraven proefgaten is opgenomen als bijlage 2.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

14

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1.

Grond/grondwater

De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [6]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [7] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.

De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid:  Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd.  Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een nader bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

15

7.2.

Asbest

De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en bedraagt 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grondmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Als tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels een Stereo Electro Microscoop (SEM) analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [7] eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd. Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de grond is dan verplicht.

De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707. Als respirabele vezels in de bovengrond (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

16

8.

LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN 8.1.

Zintuiglijke waarnemingen

De bodem op de onderzoekslocatie bestaat vanaf maaiveld/onderzijde verharding tot circa 0,5 m-mv à 1,5 m-mv uit zwak zandig, matig humeuze klei. Vanaf circa 0,5 m-mv à 1,5 m-mv bestaat de bodem op de onderzoekslocatie uit matig fijn tot matig grof, zwak siltig zand. In de boringen B06, B07, B08 en B24 is vanaf het maaiveld tot circa 0,5 m-mv een asfaltgranulaat/puinlaag aangetroffen. Op het zuidoostelijk deel van de onderzoekslocatie is een depot grond (uiterst grindig zand) aangetroffen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn, buiten het asfaltgranulaat/puinpad, in de opgeboorde grond zintuiglijk geen bijmengingen met bodemvreemd materiaal aangetroffen en zijn eveneens geen overige waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging (bijvoorbeeld slib en/of olie-waterreacties. Het uitvoeren van een verkennend onderzoek naar asbest is dus definitief niet noodzakelijk buiten het asfaltgranulaat/puinpad. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen als bijlage 3. 8.2.

Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten

De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam (grond, grondwater en asbest). De analysecertificaten zijn opgenomen als bijlage 4. De achtergrondwaarden voor grond en maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond en asbest in grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5. In tabel 8.1 is een overzicht opgenomen van de opmerking die aan het analysecertificaat is toegevoegd. Tabel 8.1: Opmerking analysecertificaat Certificaat - nummer Uitloog 13210119

(Mengmonster

Parameter

Opmerking

Toelichting

MMUITLOOG01

Individuele PAK en PCB

De rapportagegrens is verhoogd i.v.m. noodzakelijke verdunning

Aangezien de meetwaarden voor PAK en PCB de maximale samenstellingswaarden voor nietvormgegeven bouwstof in dit monster niet overschrijden, wordt naar verwachting de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor niet beïnvloed.

Toelichting bij tabel 8.1: PCB Polychloor bifenylen; PAK Polycyclische aromatische koolwaterstoffen.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

17 Grond Op basis van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden zijn grond(meng)monsters samengesteld, waarbij van de grondlagen onder het asfaltgranulaat/puinpad en het depot afzonderlijke grondmengmonsters zijn samengesteld. De grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.2 weergegeven. Tabel 8.2: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten MengOmschrijving monster Algemene kwaliteit MM01 Bovengrond, klei Zintuiglijk: -

MM02

Bovengrond, klei Zintuiglijk: -

MM03

Ondergrond, klei Zintuiglijk: Grondlaag direct onder asfaltgranulaat/puinpad Ondergrond, klei Zintuiglijk: -

MM04

MM05

Ondergrond, zand Zintuiglijk: -

Depot (indicatief) M06 Grond, zand Zintuiglijk: Uiterst grindig Teeltlaagonderzoek MMOCB01 Teeltlaag, klei Zintuiglijk: MMOCB02

Teeltlaag, klei Zintuiglijk: -

MMOCB03

Teeltlaag, klei Zintuiglijk: -

MMOCB04

Teeltlaag, klei Zintuiglijk: -

Boringen (traject in m -mv)

Analysepakket

B01 (0,00 - 0,50) B03 (0,00 - 0,50) B04 (0,00 - 0,50) B09 (0,00 - 0,50) B10 (0,00 - 0,50) B12 (0,00 - 0,50) B14 (0,00 - 0,50) B16 (0,00 - 0,50) B18 (0,00 - 0,50) B20 (0,00 - 0,50) B22 (0,00 - 0,50) B23 (0,00 - 0,50) B06 (0,50 - 1,00) B07 (0,50 - 1,00) B08 (0,50 - 1,00) B24 (0,50 - 1,00) B04 (0,50 - 1,00) B04 (1,00 - 1,50) B07 (1,00 - 1,50) PB15 (0,50 - 1,00) B18 (0,50 - 1,00) B23 (0,50 - 1,00) PB02 (0,50 - 1,00) B04 (1,50 - 2,00) B07 (1,50 - 2,00) PB15 (1,00 - 1,50) B18 (1,00 - 1,50) B23 (1,00 - 1,50)

NEN, L en H

Pb, Ni

-

NEN, L en H

Ni

-

NEN, L en H

-

-

NEN, L en H

Ni

-

NEN, L en H

NI

-

Depot (0,00 - 0,50)

NEN, L en H

Pb, Zn

-

B01 (0,00 - 0,30) B03 (0,00 - 0,30) B05 (0,00 - 0,30) B10 (0,00 - 0,30) B09 (0,00 - 0,30) B11 (0,00 - 0,30) B12 (0,00 - 0,30) B13 (0,00 - 0,30) B14 (0,00 - 0,30) PB15 (0,00 - 0,30) B16 (0,00 - 0,30) B18 (0,00 - 0,30) B19 (0,00 - 0,30) B20 (0,00 - 0,30) B22 (0,00 - 0,30) B23 (0,00 - 0,30)

OCB en H

-

-

OCB en H

-

-

OCB en H

-

-

OCB en H

-

-

> AW < I

Resultaten >I

Toelichting bij tabel 8.2: NEN De zware metalen barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni] en zink [Zn], polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM), Polychloor bifenylen (PCB) en minerale olie (MO); OCB Organochloorbestrijdingsmiddelen; L Lutum; H Organische stof (humus); AW Achtergrondwaarde; I Interventiewaarde; Niets aangetroffen/waargenomen.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

18 Grondwater De grondwatermonsters met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten zijn in tabel 8.3 weergegeven. Tabel 8.3: Peilbuizen met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten grondwater Peilbuis

Filterdiepte GWS pH EC Troebelheid Analysepakket Resultaten (m -mv) (m -mv) (µS/cm) >S<I >I PB02 1,20 - 2,20 0,50 7,0 1080 5,78 NEN Ba PB15 2,00 - 3,00 0,50 7,0 945 6,48 NEN Ba, naftaleen Toelichting bij tabel 8.3: NEN Zware metalen (Barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni], zink [Zn]), Arseen (As), Vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), vluchtige chloorkoolwaterstoffen [VOCl] en minerale olie [MO]; S Streefwaarde; I Interventiewaarde; Niets aangetroffen.

De gemeten waarden voor de zuurgraad (pH), de geleidbaarheid (EC) en de troebelheid zijn niet afwijkend van een natuurlijke situatie. Asbest Om een verontreiniging met asbest vast te stellen is per proefgat de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Op basis van de onderzoeksopzet en zintuiglijke waarnemingen zijn 1 puinmengmonster (< 20 mm) en 1 grondmengmonster (< 20 mm) samengesteld. De samenstelling van de onderzochte mengmonsters en de bijbehorende analyses zijn in tabel 8.4 weergegeven. Tabel 8.4: Samenstelling grond- en puinmengmonsters asbest Monstercode

Proefgaten

Zintuiglijke waarnemingen Volledig puin -

Traject (m -mv) 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00

Soort

Analysepakket

MMASB01 B06, B07, B08, B24 Puin Asbest in puin (> 25 kg) 1 MMASB02 B06, B07, B08, B24 Grond Asbest in grond (> 10 kg) 1 Toelichting bij tabel 8.4: Volledig > 50 % bodemvreemd materiaal; Niets waargenomen; 1 Asbestanalyse conform NEN5898:2015: asbest in grond of bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat < 20 mm.

Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de onderzoeksopzet zijn beide mengmonsters geselecteerd voor de asbestanalyses (< 20 mm). De resultaten van de geanalyseerde asbestverdachte mengmonsters en de gewogen hoeveelheid asbest (< 20 mm, conform analysecertificaten) zijn weergegeven in tabel 8.5. Tabel 8.5: Overzicht onderzochte puin- en grondmengmonsters en gewogen hoeveelheid asbest < 20 mm conform analysecertificaten Monstercode

Soort materiaal

Hechtgebonden

MMASB01 MMASB02 Toelichting bij tabel 8.5: Niets aangetoond.

Type -

Gemeten < 20 mm (mg/kg d.s.) < 0,3 <2

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

Totaal gewogen < 20 mm (mg/kg d.s.) < 0,3 <2

19 Indicatief funderings onderzoek (asfaltgranulaat/puinpad) Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is van de aangetroffen asfaltgranulaat/puinlaag één mengmonster samengesteld en aangeboden aan het laboratorium om de hergebruiksmogelijkheden te bepalen. In het laboratorium is het puin verkleind met behulp van een kaakbreker. Dit materiaal is vervolgens onderzocht op PAK, minerale olie en PCB. Daarnaast is het gebroken puin ingezet op een schudproef (L/S=10) waarna het eluaat is onderzocht op de uitloging van 15 metalen en 4 anionen. De analyseresultaten zijn getoetst aan de tabellen 1 en 2 uit bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit voor een niet-vormgegeven bouwstof. De analyseresultaten en de maximaal toegestane waarden zijn in tabel 8.6 weergegeven. Tabel 8.6: Hergebruiksmogelijkheden vrijkomende niet-vormgegeven bouwstof Parameter

Berekende cumulatieve emissiewaarden (mg/kg d.s.)

MMUITLOOG01 PAK Minerale olie PCB Bromide Chloride Fluoride Sulfaat Antimoon Arseen Barium Cadmium Chroom Kobalt Koper Kwik Lood Molybdeen Nikkel Seleen Tin Vanadium Zink Toelichting bij tabel 8.6: (1)

-

Gemeten waarden (mg/kg d.s.)

Maximale emissiewaarde (mg/kg d.s.)

50(1) 1.000(1) 0,5

8,6 340 0,26 6,9 0,08 0,17 -

Maximale samenstellings-waarde (mg/kg d.s.)

20 616 55 2.430 0,32 0,9 22 0,04 0,63 0,54 0,9 0,02 2,3 1 0,44 0,15 0,4 1,8 4,5

Maximale samenstellingswaarden voor (meng)granulaten; Gehalte lager dan de detectielimiet.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

20

8.3.

Interpretatie analyseresultaten

Verkennend bodemonderzoek Algemene kwaliteit In het onderzochte grondmengmonster MM01 van de zintuiglijk schone bovengrond (0,0-0,5 m-mv; klei) uit de boringen B01, B03, B04, B09, B10 en B12 zijn licht verhoogde gehalten voor lood en nikkel aangetoond. De aangetoonde gehaltes overschrijden de betreffende achtergrondwaarden, maar blijven ruim beneden de interventiewaarden. De overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In het onderzochte grondmengmonster MM02 van de zintuiglijk schone bovengrond (0,0-0,5 m-mv; klei) uit de boringen B14, B16, B18, B20, B22 en B23 is een licht verhoogd gehalte voor nikkel aangetoond. Het aangetoonde gehalte overschrijdt de betreffende achtergrondwaarde, maar blijft ruim beneden de interventiewaarde. De overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In het onderzochte grondmengmonster MM03 van de zintuiglijk schone ondergrond direct onder het asfaltgranulaat/puinpad (0,5-1,0 m-mv; klei) uit de boringen B06, B07, B08 en B24 zijn geen verhoogde gehalten aangetoond voor de onderzochte parameters ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden.

In de onderzochte grondmengmonsters MM04 van de zintuiglijk schone ondergrond (0,5-1,5 m-mv; klei) uit de boringen B04, B07, PB15, B18 en B23 en MM05 van de zintuiglijk schone ondergrond (0,5-2,0 m-mv, zand) uit de boringen PB02, B04, B07, PB15, B18 en B23 zijn licht verhoogde gehalten voor nikkel aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de betreffende achtergrondwaarde, maar blijven ruim beneden de interventiewaarde. De overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Depot (indicatief) In het indicatief onderzochte grondmonster M06 van de zintuiglijk uiterst grindhoudende grond (zand) uit het aangetroffen depot aan de zuidoostzijde van de locatie zijn indicatief licht verhoogde gehalten voor lood en zink aangetoond. De aangetoonde gehaltes overschrijden de betreffende achtergrondwaarden, maar blijven ruim beneden de interventiewaarden. De overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Teeltlaag onderzoek In de onderzochte grondmengmonsters MMOCB01 t/m MMOCB04 van de zintuiglijk schone teeltlaag (allen klei), uit boringen verspreid over de gehele onderzoekslocatie, zijn voor de onderzochte OCB parameters geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden.

Grondwater In het grondwater uit peilbuis PB02 is een licht verhoogd gehalte voor barium aangetoond. Het aangetoonde gehalte overschrijdt de betreffende streefwaarde, maar blijft ruim beneden de interventiewaarde. De overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarden. In het grondwater uit peilbuis PB15 zijn licht verhoogde gehalten voor barium en naftaleen aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de betreffende streefwaarden, maar blijven ruim beneden de interventiewaarden. De overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarden. Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

21 Verkennend onderzoek naar asbest Tijdens het verkennend onderzoek naar asbest zijn zowel op het maaiveld als in het opgeboorde/opgegraven materiaal zintuiglijk (> 20 mm) geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Asfaltgranulaat/puinpad In het onderzochte mengmonster MMASB01 van de volledige puinlaag (0,0-0,5 m-mv, puin) uit de proefgaten B06, B07, B08 en B24 is analytisch geen asbest aangetoond (< 0,3 mg/kg d.s.). In het onderzochte mengmonster MMASB02 van de zintuiglijk schone ondergrond (0,5-1,0 m-mv, klei) onder het aanwezige asfaltgranulaat/puinpad uit de proefgaten B06, B07, B08 en B24 is analytisch geen asbest aangetoond (< 2,0 mg/kg d.s.). Overige deel onderzoekslocatie Zintuiglijk zijn tijdens de uitgevoerde veldwerkzaamheden op het overige deel van de onderzoekslocatie buiten het asfaltgranulaat/puinpad geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen en daarnaast zijn, buiten het asfaltgranulaat/puinpad geen (puin)bijmengingen waargenomen in de opgeboorde grond. Derhalve is het definitief niet noodzakelijk om een verkennend onderzoek naar asbest uit te voeren buiten het asfaltgranulaat/puinpad.

Indicatief funderingsonderzoek Op basis van de analyseresultaten kan worden gesteld dat er indicatief geen overschrijdingen zijn van de maximale samenstellings- en emissiewaarden voor de onderzochte parameters in het uitloogmonster MMUITLOOG01 van de volledig puinlaag onder de verharding. Het funderingsmateriaal voldoet derhalve indicatief aan de kwaliteit van een niet-vormgegeven bouwstof en kan worden hergebruikt.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

22

9.

CONCLUSIES EN AANBEVELING 9.1.

Verkennend bodemonderzoek

Algemene kwaliteit Voor de onderzoekslocatie werd de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot de aanwezigheid van een bodemverontreinigingen met diverse NEN parameters. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese aangenomen, aangezien zowel in de onderzochte grond als in het onderzochte grondwater maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. Uit indicatieve toetsing aan het besluit bodemkwaliteit voldoet de grond op de onderzoekslocatie aan de bodemkwaliteitsklasse “Altijd Toepasbaar”, rekening houdend dat geen analyses op PFAS hebben plaatsgevonden. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende achtergronden streefwaarden. Aangezien de meetwaarden de indexwaarde van 0,5 niet overschrijden, zijn verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb. Depot (indicatief) Op basis van de indicatieve analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat in de grond uit het depot indicatief maximaal licht verhoogde gehalten voor lood en zink zijn aangetoond. Uit indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit, voldoet de grond uit het depot indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse “Altijd Toepasbaar”, rekening houdend met het feit dat geen analyses op PFAS hebben plaatsgevonden. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden.

Aangezien de meetwaarden de indexwaarde van 0,5 niet overschrijden, zijn verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb. Teeltlaag onderzoek Voor de teeltlaag is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien geen verhoogde gehalten zijn aangetoond voor OCB.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

23

9.2.

Verkennend onderzoek naar asbest

Asfaltgranulaat/puinpad Voor wat betreft asbest is ter plaatse van het asfaltgranulaat/puinpad een hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese worden verworpen. Zintuiglijk is in zowel de opgeboorde en opgegraven grond als in de opgeboorde en opgegraven puinlagen geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Analytisch is eveneens geen asbest aangetoond. Overige deel onderzoekslocatie Zintuiglijk zijn tijdens de uitgevoerde veldwerkzaamheden op het overige deel van de onderzoekslocatie buiten het asfaltgranulaat/puinpad geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen en daarnaast zijn, buiten het asfaltgranulaat/puinpad geen (puin)bijmengingen waargenomen in de opgeboorde grond. Derhalve is het definitief niet noodzakelijk om een verkennend onderzoek naar asbest uit te voeren buiten het asfaltgranulaat/puinpad. De gestelde hypothese voor een onverdachte locatie op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest buiten het asfaltgranulaat/puinpad wordt op basis hiervan aangenomen. Verhoeven Milieutechniek B.V. besteedt veel zorg aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden, maar de mogelijkheid bestaat dat niet alle asbesthoudende (plaat)materialen zijn waargenomen.

Indien in de toekomst asbesthoudende (plaat)materialen op de locatie worden aangetroffen, kan Verhoeven Milieutechniek B.V. hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld. 9.3.

Indicatief funderingsonderzoek

Op basis van de analyseresultaten kan worden gesteld dat er indicatief geen overschrijdingen van de maximale samenstellings- en emissiewaarden zijn aangetoond in het uitloogmonster van de funderingslaag (volledig puin) onder de diverse verhardingen. Derhalve kan het funderingsmateriaal worden hergebruikt als funderingsmateriaal binnen de onderzoekslocatie.

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

24

9.4.

Algehele conclusie en aanbevelingen

Middels onderhavige onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het asfaltgranulaat/puinpad ten behoeve van de voorgenomen onroerend goed transactie en/of voorgenomen herontwikkeling ter plaatse perceel F nummer 4 aan de Rijnbandijk achter nummer 60 te Kesteren in voldoende mate vastgelegd. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan ons inziens geen bezwaren tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en/of voorgenomen herontwikkeling, rekening houdend met onderstaande aanbevelingen. Het funderingsmateriaal (asfaltgranulaat/puinpad) kan worden hergebruikt als funderingsmateriaal binnen de onderzoekslocatie. Uit indicatieve toetsing aan het besluit bodemkwaliteit voldoet de grond op de onderzoekslocatie aan de bodemkwaliteitsklasse “Altijd Toepasbaar”. De aanwezige indicatief onderzochte grond uit het depot aan de zuidoostzijde van de onderzoekslocatie voldoet indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse “Altijd Toepasbaar”. Derhalve kan, ons inziens, vrijkomende grond op de onderzoekslocatie en de grond uit het depot, indicatief, vrij hergebruikt worden op de onderzoekslocatie met inachtneming van de regels uit het Besluit bodemkwaliteit en rekening houdend met het feit dat geen onderzoek naar PFAS heeft plaatsgevonden.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen worden verlangd (inclusief aanvullend onderzoek op PFAS).

Diverse onderzoeken, Rijnbandijk te Kesteren, kadastraal perceel sectie F nummer 4 (ged.) Rapportnr.: B19.7575 versie: 01 datum: 23 maart 2020

25

10.

REFERENTIES 1. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft 2009. NEN 5725:2017, norm Bodem - Landbodem Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader bodemonderzoek. 2. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft 2009. NEN 5740/A1:2016, Norm Bodem - Landbodem Onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek, onderzoek naar de kwaliteit van de bodem en grond. 3. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft 2015. NEN 5707/C2:2017, Norm Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. 4. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft 2015, NEN 5897/C2:2017, norm Bodem – Landbodem Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat. 5. Lekahena, E.G. en G.A.G. Nelisse, 1974. Grondwaterkaart van Nederland, ’s-Hertogenbosch (45 West, 45 Oost). Dienst grondwaterverkenning TNO, Delft. 6. Ministerie van VROM en Verkeer en Waterstaat, Regeling bodemkwaliteit, Staatscourant, 20 december 2007, nr. 247 (inclusief rectificaties en wijzigingen hierop volgend). 7. Ministerie van VROM, Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant, 27 juni 2013, nr. 16675 (inclusief rectificaties en wijzigingen hierop volgend).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9884546/1