Beantwoording technische vragen
Tekst van het document
Algemeen Het is u waarschijnlijk opgevallen dat er diverse zienswijzen op bestemmingsplannen door het Waterschap Rivierenland zijn ingediend. Wij zijn van oordeel dat dit een algemene toelichting behoeft. Bij complexe planvorming, zoals bijvoorbeeld bij de bestemmingsplannen de Hoge Wei en Pottemsche veld, werken we in het bestemmingsplan niet alles tot in detail uit. We maken een bestemmingsplan waar enige ontwikkelruimte in zit. De ultieme toets voor de gemeente op alle onderdelen gebeurt bij het zogenoemde inrichtingsplan. In het verleden deelde het waterschap deze werkwijze. Het laatste jaar is deze werkwijze verandert bij het waterschap. De ingediende zienswijze ziet voornamelijk op de procesplanning die gemeente anders hanteert dan het waterschap. Uit ervaringen met bijvoorbeeld Casterhoven is gebleken dat ontwikkelaars pas op het laatste moment bepalen welk programma zij precies willen realiseren. Het inrichtingsplan wordt door de gemeente beoordeeld en in het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat pas een omgevingsvergunning kan worden verleend nadat het college van B&W het inrichtingsplan heeft goedgekeurd. Bij het inrichtingsplan wordt ook beoordeeld of alle eisen die gemeente en waterschap stellen aan water voldoen. Indien nodig maakt initiatiefnemer aanvullende detailberekeningen omdat deze pas in deze fase relevant zijn.
Het verschil in werkwijze tussen gemeente en waterschap is dat het Waterschap deze details reeds bij de fase van het bestemmingsplan wil zien. Naar onze mening is dat niet efficiënt. Gemeente en Waterschap hebben het verschil van inzicht op directieniveau besproken. Afgesproken is dat ook het Waterschap een goedkeuring op het inrichtingsplan moet geven voordat het inrichtingsplan ter vaststelling aan het college wordt aangeboden. Het Waterschap heeft verder aangegeven dat zij om louter juridische redenen de zienswijzen op de verschillende plannen gestand moet doen.
Schriftelijke vragen ter voorbereiding op beeldvormende avond 14 september 2023 Onderwerp: Partij: Blz Vragen: : 3a – BP Betuwestraat Noord
GB
Verkeer Het plan ‘genereert een extra verkeersgeneratie’ per etmaal, maar de etmaalintensiteit blijft ver onder de grenswaarde van de rotonde. Ook de conflictbelasting (personenauto equivalent/uur) blijft ver onder de grenswaarde. Op dit moment is het tijdens de spits al een drukte rondom de rotonde richting Lienden en de N233. Met name de ochtend zal drukker worden met ouders die kinderen naar school brengen, fietsende kinderen en mensen die zich naar hun werk begeven.
Antwoord:
In dit geval wordt er gesproken over twee verschillende rotondes. De eerste rotonde betreft de rotonde Rhenenseweg-Betuwestraatweg, die blijft, ook na planrealisatie onder de grens van 1500 pae/uur (=vuistregel conflictbelasting). Voor deze rotonde zijn juist fietsveilige maatregelen 1
1. 2.
3. 4. 5.
Is de analyse van de conflictbelasting een gemiddelde per uur of ook specifiek tijdens de (ochtend)spits? Hoewel de nieuwe situatie onder de zogenaamde grenswaarde blijft, staat er wel dagelijks file. Wat betekent ‘grenswaarde’ in de praktijk? Is het dus zo dat een dergelijke dagelijkse file en na realisatie van het plan nog net even wat meer dan de huidige file, als maatschappelijk geaccepteerd moet worden beschouwd, als ‘passend binnen de grenswaarde’? De rotonde zorgt er nu voor dat er minder auto’s vanuit Kesteren Noord en Opheusden door Kesteren heen rijden richting de snelweg. Is er een risico dat straks toch weer meer weggebruikers gaan kiezen om weer door Kesteren heen te gaan rijden? Kunnen de nieuwe bewoners straks in de ochtend wel goed het plangebied uitkomen? Zij moeten dan immers altijd langs de route naar de nieuwe school. De initiatiefnemer heeft richting de omwonenden aangegeven een oplossing te zien in de verbreding van de Rijnbrug. Wat is hierin het standpunt van de gemeente waar het gaat om verbreding ter hoogte van dit nieuwe plan? Ziet het college het als een mogelijkheid om de toerit/N233 te verbreden waardoor deze weg en het verkeer dichter bij de nieuwe woningen (hoogbouw) komt? Zo ja, is dit meegenomen in de toets voor een goed woon- en leefklimaat ten behoeve van de nieuwe woningen en heeft dit dan gevolgen voor het waterplan in dit gebied?
gewenst in verband met de basisschool. De tweede rotonde is de provinciale rotonde. De rotonde BetuwestraatwegLienden-N233 ligt de daar nu nog onder (1413 pae/uur), maar wanneer het plan volledig is gerealiseerd ligt het op 1597 pae/uur. Dat betreft wel een overschrijding, waarvoor een voorwaardelijke verplichting wordt opgenomen in het bestemmingsplan. 1. Er is gerekend met een spitsuur intensiteit. Daarvoor is de vuistregel gehanteerd van 10% van de etmaalintensiteit. 2. De file is geen gevolg van de rotonde, maar het is de terugslag van de filevorming op de N233 richting Rhenen. Overigens kunnen er zich altijd wachtrijen voordoen bij een rotonde, maar dat moet uiteraard binnen redelijke normen blijven. 3. De ontwikkeling Betuwestraat Noord zal naar onze verwachting geen aanzuigende werking hebben van ander verkeer uit de gemeente. Als het verkeer op de N233 gewoon doorstroomt en de rotonde gewoon door blijft lopen, is er geen reden om
2
aan te nemen dat het verkeer anders zal rijden. 4. Dit is een belangrijk aandachtspunt, waar bij het ontwerp van de aanpassing van de rotonde bij de Rhenenseweg rekening mee gehouden zal moeten worden. De berekeningen laten evenwel zien dat de rotonde Betuwestraatweg-Rhenenseweg voldoende capaciteit heeft om het verkeer af te wikkelen. Daarnaast zullen er fysieke maatregelen worden getroffen om de rotonde op een veilige manier te gebruiken voor alle verkeersdeelnemers. 5. Bij de verbreding van de Rijnbrug zal de huidige oprit vanuit de Betuwestraatweg doorlopen in de rechterrijstrook van de dubbele rijstrook richting de brug. Verkeer richting Rhenen hoeft dan niet meer in te voegen. Bij de planvorming voor dit bestemmingsplan is voor de berekening van het geluid op de nieuwe woningen gebruik gemaakt van de verkeersgegevens uit het verkeersmodel regio Rivierenland van de planjaren 2016 en 2030. Voor de te hanteren etmaalintensiteit voor het prognosejaar 2033 is op basis van de 3
twee planjaren geëxtrapoleerd naar 2033. Met name die intensiteiten bepalen de hoogte van de geluidbelasting. Daarmee is derhalve rekening gehouden. Een aanpassing van de toerit zal slechts zeer marginaal/niet noemenswaardig van invloed zijn op de geluidbelasting op de gevels van de woningen in Hoge wei. Echte aanpassing aan de Cuneraweg zal pas ten noorden van het plangebied plaatsvinden. Het voert nu te ver om in te gaan op mogelijke andere tussentijdse oplossingen, enerzijds omdat deze geen verband houden met deze ontwikkeling, maar met de filevorming, anderzijds omdat dergelijke oplossingen een gedegen analyse vragen.
Milieuzonering Uit de quickscan bedrijven en milieuzonering volgt dat het gebied getypeerd wordt als een gemengd gebied. 1. Hoe valt deze typering te rijmen met de onlangs gepresenteerde concept Nota van Uitgangspunten Omgevingsplan Kernen Neder-Betuwe? Hierin staat immers dat ‘gezien het karakter van de kernen en de huidige regelingen stellen we voor één gebiedstype te hanteren. We zien vooralsnog geen reden om voor specifieke gebieden, bijvoorbeeld centrumgebieden (eventueel als gemengde gebieden te beschouwen), andere milieunormen op te nemen dan voor woongebieden.' Waarom wordt er hier dan toch al een andere norm opgenomen dan die voor woongebieden?
1. De tekst waaraan wordt gerefereerd uit de Nota van Uitgangspunten, geeft aan dat er geen andere milieunormen in het omgevingsplan voor de Kernen zullen worden vastgelegd. Dit sluit niet uit dat specifieke gebieden in onze gemeente mogen worden gekwalificeerd als gemengd gebied. Daarvoor is immers het karakter van het gebied en de omgeving bepalend. 4
2.
Kan er ook voldaan worden aan de normen als het gebied getypeerd wordt als ‘woonwijk’?
Wat hier ook van zij, er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand tussen omliggende bedrijven en de gevoelige functies in het plangebied, zelfs wanneer wordt uitgegaan van de richtafstanden voor een rustige woonwijk. 2. Ja, voor de bedrijven uit de omgeving van het plangebied wordt ruimschoots voldaan. Alleen de nieuw op te richten woningen nabij de nieuwe school vallen (mogelijk) binnen de richtafstand die geldt voor een rustige woonwijk (30 meter). De afstand bedraagt minimaal 15-20 meter. Er zijn voldoende voorbeelden in de gemeente waarbij deze afstand basisschool en woningen, veel kleiner is.
Water De informatie aan de raad die is opgenomen in bijlage 3 is op dit onderdeel niet in overeenstemming met de ingediende zienswijzen door het Waterschap op dit punt en aanvullende onderzoeken. Het zou passend zijn hier een beeld te schetsen van de laatste stand van zaken. In de weerlegging van de zienswijzen wordt verschillende keren verwezen naar een aanvullend onderzoek dat tevens naar het Waterschap is gestuurd ter beoordeling. Het is onduidelijk wat hierin de laatste informatie is. Blijkbaar heeft dit niet geleid tot het intrekken van de zienswijzen door het Waterschap. Zolang de raad geen kennis heeft kunnen nemen van deze aanvullingen en het niet duidelijk is wat het Waterschap van deze laatste aanvullingen vindt, kan de raad hier ons inziens geen compleet beeld van vormen en dus ook geen besluit op nemen. 1. Waarom is er pas zo laat actief in overleg getreden met het Waterschap?
1. Wij zijn van mening dat initiatiefnemers het Waterschap weliswaar wat later maar niet te laat hebben betrokken bij het plan, zeker gelet op de fase van planvorming waarin deze ontwikkeling zich bevindt. De betreffende toetsende instantie van het Waterschap wenst echter zeer gedetailleerde informatie te hebben, terwijl de planvorming nog niet dat niveau had bereikt. Wij merken 5
2.
3.
4.
In de zienswijzennota wordt aangegeven dat de maatberekening inmiddels is uitgevoerd evenals een onderzoek naar de invloed van kwel en wegzijging in dit gebied en naar de grootschalige aanleg van oppervlaktewater. Deze berekening en onderzoeken zijn overlegd aan het Waterschap. Wanneer zijn deze overlegd en is er al een reactie van het Waterschap? Kan de raad deze aanvullende stukken en reactie ontvangen? In de zienswijzennota wordt in de weerlegging gesteld dat ‘het bestemmingsplan op het aspect water dus uitvoerbaar is’, maar zolang het Waterschap de aanvullende onderzoeken niet heeft beoordeeld, kan deze conclusie ons inziens niet getrokken worden. Hoe ziet het college dit? In de zienswijzennota staat dat er met het Waterschap is afgesproken dat het inrichtingsplan afgestemd wordt met het Waterschap voordat het college een besluit neemt over het inrichtingsplan. Wanneer is deze afspraak gemaakt?
(nogmaals) op dat alle inrichtingseisen die het Waterschap stelt, kunnen worden gehonoreerd binnen de vast te stellen bestemmingen. Wij hebben in het plan een regeling opgenomen dat omgevingsvergunningen pas kunnen worden verleend indien deze in overeenstemming zijn met een door ons goed te keuren inrichtingsplan. In dat kader kunnen en zullen alle inrichtingsdetails een plek krijgen. 2. Wij zullen deze informatie toesturen. Bijgevoegd ontvangt u de laatste informatie tussen initiatiefnemer en het Waterschap over verschillende wateraspecten van het plan. (Bijlage 2/2a) 3. zie onze reactie onder 1 4. Hiervoor behoeft in beginsel geen afspraak te worden gemaakt, dat is uiteindelijk onze manier van werken, dat plannen met andere instanties worden afgestemd. Naar aanleiding van de zienswijze heeft echter op directieniveau een gesprek met het Waterschap plaatsgevonden, waarin/waarna deze afspraak nogmaals is bevestigd.
6
Zienswijzen omwonenden Uit gesprekken met omwonenden blijkt dat er zorg zit in de verkeersdrukte die nu al voelbaar is, de veiligheid voor verkeersdeelnemers en het geluid van de klokken van de kerk. Daarbij is in de zienswijzen ook de wens geuit om de aanwezige treurwilg te behouden. Verder overheerst het gevoel dat dit plan toch wel gerealiseerd gaat worden. 1. In de zienswijzen wordt de wens genoemd om de treurwilg te behouden. Is dit nu vastgelegd in de plannen? 2. Er is een toezegging richting de omwonenden om de luidklok weg te laten. Kan dit worden vastgelegd in de voorwaarden, zodat hierbij straks niet gesteld kan worden dat het hier om een privaatrechtelijke afspraak gaat, maar dat dit dus ook bestuursrechtelijk niet toegestaan wordt? 3. Wat is de noodzaak om toch een toren van 38 meter toe te staan als er geen klok toegestaan wordt? 4. In de reactie wordt aangegeven dat het schoolgebouw een verdieping hoger wordt dan eerder is gepresenteerd. Het aantal mogelijke leerlingen lijkt gelijk gebleven. Wat is de reden/noodzaak voor een extra verdieping?
1. Initiatiefnemer heeft bevestigd dat deze treurwilg behouden zal blijven. Het vastleggen in een bestemmingsplan is daarvoor naar onze mening niet de geëigende weg. Het kappen van bomen met een stamdoorsnede van meer dan 40 cm is vergunningplichtig. Er geldt dus al een beschermingsregime. Daarnaast zal er in het inrichtingsplan ruimte zijn om de inpassing van de treurwilg te beoordelen. 2. De kerkenraad heeft bevestigd dat er geen luidklok zal worden opgenomen in de kerk. Wij vinden dit een voldoende bevestiging. 3. Stedenbouwkundig is een dergelijke toren bij een kerk gewenst en aanvaardbaar. 4. Wij hebben ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan geen wijziging in de bouwhoogte van de school voorzien.
Sociale woningbouw In de motivatie wordt herhaaldelijk kenbaar gemaakt dat er een grote vraag is naar sociale (huur) woningen. Ook in de zienswijzennota wordt dit aangehaald bij de toelichting op de toets ‘op dorpsniveau’. Hierbij wordt echter een andere reden voor de gestapelde woningen aan de rand van Kesteren aangehaald dan puur het sociale aspect. Hier wordt namelijk min of
1. Omdat er sprake is van gestapelde bebouwing hebben wij onze stedenbouwkundige een analyse laten maken over de aanvaardbaarheid hiervan. Daaruit volgt ook dat deze 7
meer aangegeven dat door deze gestapelde bouw eenvoudig wordt voldaan aan de verplichting tot sociale bouw en dat hierdoor dan ‘lucht ontstaat in de bouwopgave elders in Kesteren’. Dit insinueert dat het hier niet gaat om een extra inzet op sociale bouw, maar eerder door de bouw hier te realiseren in de vorm van hoogbouw, andere bouwlocaties in Kesteren minder hoeven te voorzien in sociale bouw (bijv. sociale laagbouw), maar juist kunnen bouwen voor het hogere segment. 1. Klopt dit of moet dit anders geïnterpreteerd worden? 2. Afspraak is dat elk plan 30% sociale woningen opneemt. Is het zo dat als hier nu een hoger percentage aan sociale woningen wordt gerealiseerd, andere bouwprojecten in Kesteren niet per se 30% sociale woningen meer hoeven te realiseren? 3. Ook wordt in de zienswijzennota aangegeven dat als er een kinderdagverblijf ingepast wordt, dit ten koste gaat van een aantal woningen. Is realisatie van een kinderdagverblijf in de geplande school of kerk niet mogelijk? En ten koste van welke woningen zal dit dan gaan?
locatie zich beter leent voor hoogbouw dan elders in de bestaande kern. Dat wil niet zeggen dat in andere ontwikkelingen geen sociale huur zal worden gerealiseerd, maar vaak lenen die locatie zich niet (of minder) voor hoogbouw in de vorm zoals die in Betuwestraat-Noord wordt voorgesteld. 2. In beginsel geldt deze norm voor iedere ontwikkeling. Telkens zullen wij uiteraard moeten afwegen of dit voor een plan ook realistisch en uitvoerbaar is. 3. Indien een kinderdagverblijf zal worden gerealiseerd, is dit beoogd in het gebouw direct ten noorden van de kerk, bijvoorbeeld op de begane grond van dat gebouw. Daar kunnen dan uiteraard geen woningen worden gerealiseerd.
3 - Bp Dalw.weg ong.
PvdA
Het terrein heeft twee afzonderlijke in-/uitritten aansluitend op de Dalwagen, volgens de voorgestane ontwikkeling genoemd in de planbeschrijving (blz 17). De tweede indiener van een zienswijze maakt opmerkingen over de verkeersveiligheid op de Dalwagen en geeft als suggestie mee om de ingang van het bedrijfsterrein te verplaatsen naar elders. In de zienswijzennota wordt gesteld: "Opgemerkt wordt voorts dat de Dalwagen alleen maar een functie heeft voor de ontsluiting van dit voorliggende bestemmingsplan Dalwagen ong. Dodewaard en niet voor de ontsluiting van het overige deel van Bonegraaf-Oost."
In de zienswijze nr. 2 wordt gesuggereerd om de ontsluiting van het plangebied Dalwagen ong. te verplaatsen, in de eerdere inspraakreactie op het voorontwerp werd concreet de Gieser Wildeman als optie genoemd (andere opties zijn er overigens ook niet). In onze optiek is dat een slecht idee. De Gieser Wildeman is de ontsluiting van 8
Ook Dormakaba, de BTE-groep en ABK Kunstoffen hebben een directe toe- en uitgang op de Dalwagen. Een belangrijk gedeelte van de wijk De Heuvel heeft ook de ontsluiting, via de Gieser Wildeman, op de Dalwagen. De ontsluiting van De Heuvel, twee van BP Dalwagen ong, en ABK Kunststoffen aan de oorstelijke kant van de Dalwagen; lees vier ontsluitingen op een relatief kort gedeelte van de Dalwagen gevolgd door de kruising van de Dalwagen met de Einssteinstraat komen de verkeesrveiligheid wellicht niet ten goede. Graag uw reactie op de suggestie om de ingang van het bedrijventerein te verplaatsen c.q.kan dit niet duidelijk terug lezen in de zienswijzennota. Of biedt de reeds gevoerde planologische procedure voor een aanpassing van de kruising Dalwagen/Bonegraafseweg/Einsteinstraat de oplossing ? Dit zal worden uitgevoerd als de procedures rondom de beide bestemmingsplannen voor het bedrijventerrein zijn afgerond.
3c – Bp Pottemsche Veld
GB
Voor 102 van de geplande woningen kan er niet voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarden geluidwegverkeer. De gemeente kan hiervoor onder voorwaarden hogere grenswaarden vaststellen. In het rapport van het adviesbureau Van der Boom van 6 februari 2023, bijlage 2g, stelt het bureau dat de geluidsbelasting door wegverkeer op de Cuneraweg N233 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. Daarbij wordt ook gesteld dat de maximale hogere waarde van 63 dB niet wordt overschreden. Geconcludeerd wordt dat hogere waarden voor de geluidbelasting op de Cuneraweg noodzakelijk zijn. De Cuneraweg N233 is echter een provinciale weg. Uit informatie van het Rijk1 volgt dat de bovengrens voor hogere grenswaarde voor de maximaal toelaatbare geluidbelasting van provinciale en rijkswegen niet 63 dB is (zoals voor gemeentelijke wegen geldt) maar 53 dB bedraagt. Vraag: Kunt u uitleggen waarom in het geluidsrapport niet uitgegaan is van de juiste uitgangspunten voor hogere grenswaarden bij provinciale wegen?
3c – Bp Pottemsche Veld
GB
Op 31 augustus 2023 is het besluit hogere grenswaarde Wet Geluidhinder ‘Kesteren, Pottemse Veld’, gepubliceerd. Uit de publicatietekst blijkt niet hoe hoog de hogere grenswaarde is
woonwijk de Heuvel en qua inrichting en profiel niet geschikt als ontsluiting van een gedeelte van het bedrijventerrein. De Dalwagen is wel geschikt als ontsluiting. Weliswaar zijn er op de Dalwagen in het gedeelte van Gieser Wildeman tot aansluiting Einsteinstraat enkele in-en uitritten gelegen, maar voor een bedrijventerrein is zo’n situatie zeker niet ongebruikelijk. Voorts is onderzocht dat de capaciteit van de Dalwagen ruim voldoende is om de extra verkeersbewegingen als gevolg van dit plan op te vangen. Immers heeft de Dalwagen geen functie voor de ontsluiting van Bonegraaf-Oost, deze ontsluit via Einsteinstraat/Bonegraafseweg. Zie pagina 7 van het akoestisch onderzoek. Op grond van artikel 83 van de Wet geluidhinder is de maximale ontheffingswaarde binnen de bebouwde kom bij woningen 63 dB en niet 53 dB en dit is ongeacht of dit een provinciale weg of gemeentelijke weg betreft.
In het Ontwerpbesluit hogere waarden staat uitgewerkt voor welke woningen
1 https://www.rvo.nl/sites/default/ iles/2019/01/Transformatie%20en%20geluid_0.pdf
9
vastgesteld en ook uit geen enkel dossierstuk blijkt overzichtelijk hoe hoog deze waarden zijn gesteld. Vraag: Wat is de vastgestelde hogere grenswaarden ten aanzien van de N233 als opgenomen in het Besluit van 31 augustus 2023?
en met welke geluidswaarde (bijlage 1). Dit is een collegebesluit.
3c – Bp Pottemsche Veld
GB
Sociale huur: Uit het eindverslag inspraak en vooroverleg Voorontwerp bestemmingsplan Kesteren, Pottemsche veld, van 11 januari 2023, bijlage 2v, volgt dat Thius heeft verzocht om de realisatie van sociale woningen goed te borgen in de toelichting en de regels bij het plan. Thius verwijst daarbij naar de (prestatie-)afspraken, welke gemaakt zijn tussen de gemeente en Thius, waarbij is afgesproken dat binnen ieder nieuwbouwplan minimaal 30% aan sociale huurwoningen wordt gerealiseerd. In dit geval komt dat neer op (30% van 225 woningen) minimaal 68 sociale huurwoningen. Als reactie volgt hierop dat tijdens de eerste gesprekken met de projectontwikkelaar afspraken zijn gemaakt over het aantal te realiseren sociale huur/koopwoningen van 20%. Deze afspraken zijn gemaakt voordat de prestatieafspraken voor 2021 zijn gemaakt waarin de 30% sociale huur is opgenomen en vastgelegd in een intentieovereenkomst. Gesteld wordt dat dit gedurende het proces van de ontwikkeling niet zomaar kan worden aangepast omdat er tussentijdse nieuwe prestatieafspraken zijn gemaakt. In het stedenbouwkundig plan zitten volgens opgave van de ontwikkelaar nu 46 sociale/koopwoningen van de 225 woningen. Dit is ruim 20%. Aangegeven wordt dat de afspraak van 20% sociale huur/koop in de toelichting en regels terug zal komen.
Vraag: In welk voorschrift is dit aantal voor sociale huur/koop uiteindelijk concreet vastgelegd?
In artikel 7.2.1 onder d. van de regels van het bestemmingsplan staat: minimaal 20% van het te realiseren aantal woningen betreft sociale huur- of koopwoningen. Daarnaast is er in artikel 15.1 een voorwaardelijke verplichting opgenomen waardoor er geen omgevingsvergunning kan worden verleend alvorens een inrichtingsplan door het college is goedgekeurd. De woningbouwprogrammering maakt onderdeel uit van het inrichtingsplan.
3c – Bp Pottemsche Veld
GB
In welk deel van het plan zullen deze woningen gebouwd worden?
In de proefverkaveling is een voorlopige plek aangewezen. Dat wordt in het inrichtingsplan verder uitgewerkt.
3c – Bp Pottemsche Veld
GB
In de zienswijzen spreekt het Waterschap onder andere zijn onvrede uit over de wijze van het vooroverleg. In de zienswijzennota van augustus 2023, bijlage 4, staat dat overleg heeft plaatsgevonden met het Waterschap er over alle ingebrachte punten overeenstemming is bereikt met het Waterschap. Heeft het Waterschap aangegeven deze mening te delen?
Tijdens het overleg heeft het waterschap met alle punten ingestemd.
3c – Bp Pottemsche Veld
GB
De gemeente Neder-Betuwe ligt in een niet-concentratiegebied voor geur en dat betekent dat er voor geur (bij dieren met een geuremissiefactor) een norm geldt van 2 Odour/m3 voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom en 8 Odour/m3 voor buiten de bebouwde kom, tenzij de gemeente middels een geurverordening af heeft geweken van deze normen. Het geuronderzoek van Argon Advies verwijst naar de Geurgebiedsvisie gemeente Neder-Betuwe
In de geurgebiedsvisie is uitgegaan van de bebouwde kom grenzen uit de structuurvisie uit 2010 hierin is de ontwikkeling van geheel Casterhoven 10
van 15 september 2011. Hierin is voor het industrieterrein Casterhoven (het zuidelijke deel van het plan, zie tabel 3 en figuur 4, van het Geuronderzoek van Argon advies van 21 maart 2023, versie 4, bijlage 2h) een norm van 8,0 Odour units opgenomen. Voor het overige deel van het plangebied is een norm van 4,5 Odour units opgenomen en dit gebied is specifiek omschreven als uitbreidingswijk Casterhoven. In de toelichting bij het bestemmingsplan is aangegeven dat het plangebied binnen de bebouwde kom ligt. Ook in het geuronderzoek wordt ervan uitgegaan dat het hele plangebied binnen de bebouwde kom ligt. Vraag: Klopt het dat dit plangebied eerst aangemerkt werd als buiten de bebouwde kom en na realisatie van de geplande woningen, zal worden aangemerkt als gelegen ‘binnen de bebouwde kom’?
(incl deel Pottemsche veld) meegenomen.
Voor het bepalen van de geurhinder wordt zowel de voor- als achtergrond belasting gebruikt. Normaal gesproken is de achtergrond belasting altijd fors hoger dan de voorgrond belasting. Op het moment dat de voorgrondbelasting meer dan de helft is van de achtergrondbelasting, is niet de achtergrond belasting maatgevend meer maar de voorgrondbelasting. De nieuwe woonwijk heeft dezelfde bescherming gekregen als de 4,5 ouE/m3 die het andere deelgebied Casterhoven heeft gekregen. Dit is iets hoger dan de streefwaarde van 4 ouE/m3, maar in lijn met de afweging die u als raad eerder bij de geurgebiedsvisie heeft gemaakt. De norm voor het onderste deel van het plangebied is inderdaad vastgesteld met de gedachte dat het een industrieterrein wordt en geen woonwijk. Deze norm is echter wel vastgesteld voor dit gebied en daar moet aan getoetst worden.
3c – Bp Pottemsche Veld
GB
In het geuronderzoek is verder aangegeven dat uit de geurgebiedsvisie volgt dat als de achtergrondbelasting op een geurgevoelig object hoger is dan de streefwaarde als opgenomen in de visie, dat er dan in beginsel geen sprake meer is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de bebouwde kom is deze streefwaarde 4 ouE/m³ met een percentage geurgehinderden tot 11%. Middels het programma V-Stacks Vergunning 2020 is getoetst aan de geurnorm van respectievelijke 4,5 en 8 ouE/m³. Hieruit volgt dat er sprake is van een overwegend redelijk goed tot matig woon- en leefklimaat en dat er op rand van het plangebied aan de zuidwestzijde sprake is van een tamelijk slecht woon- en leefklimaat. Deze geurbelasting wordt toch aanvaardbaar geacht omdat de voorgrondbelasting bepalend is voor de beoordeling van de milieukwaliteit. Uit de toetsing aan de achtergrondbelasting blijkt echter dat men hier op diverse punten uitkomen boven de 4 ouE/m3 waarbij het aantal geurgehinderden telkens ruim boven de 11% uitkomt, zie tabel 7. Vraag: Kunt u uitleggen dat als een aanvaardbaar woon- en leefklimaat volgens de geurgebiedsvisie afhangt van de achtergrondbelasting en dat van aanvaardbaarheid geen sprake meer is als deze hoger is dan de streefwaarde 4 ouE/m3 met 11% geurgehinderden, nu toch gesteld wordt dat er sprake van aanvaardbaarheid is op basis van de voorgrondbelasting?
3c – Bp Pottemsche Veld
GB
Getoetst is aan 8 ouE/m3 voor het zuidelijke deel van het plangebied omdat deze norm is opgenomen in de geurgebiedsvisie. Maar deze norm is toegekend aan een industriegebied en is ook als zodanig gemotiveerd opgenomen, te weten: ‘door op de bedrijventerreinen (waaronder expliciet Industrieterrein Casterhoven is vermeld) de normen op 8 odour units te stellen, geeft dit voldoende ontwikkelmogelijkheden voor de bedrijvigheid. Industrieel gebruik kent ook een ander beleving van geur dan een woonwijk.’ Nu gaat er op deze locatie geen industrie meer plaatsvinden, maar komt er wel een woonwijk. Deze objecten vragen om een andere norm en een passende beoordeling om een bepaalde ruimere norm wel of niet toe te staan, zoals wel
11
3c – Bp Pottemsche Veld
3g – Bonegr.weg 37a-41
GB
PvdA
gedaan is voor het noordelijke deel dat expliciet is beoordeeld als uitbreidingsgebied voor woningbouw. Vraag: Kunt u uitleggen hoe u hier kunt toetsen aan een norm die is toegekend aan een industriegebied?
In de praktijk is de geurbelasting ook in het zuidelijk deel echter maximaal 4,5 vanwege de maatgevende veehouderij op het adres Oude Broekdijk 3a. Dit bedrijf kan ook niet meer uitbreiden vanwege andere omliggende geurgevoelige objecten.
Bent u het met ons eens dat de geurgebiedsvisie niet ziet op een aangepaste norm voor woningen in het zuidelijke plangebied en dat hier dan getoetst moet worden aan de wettelijke norm voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom?
De geurgebiedsvisie is mede opgesteld om woningbouwontwikkelingen in Neder-Betuwe mogelijk te maken. Voor de woningbouw op Casterhoven is de norm vastgesteld op 4,5 ouE/m³ voor het bedrijventerrein Casterhoven op 8,0 ouE/m³. Nu er woningbouw op het zuidelijke deel komt i.p.v. bedrijven is het logisch om aan te sluiten bij de norm van de rest van de woonwijk Casterhoven 4,5 ouE/m3.
De gemeente Neder-Betuwe heeft op 2 oktober 2018 per brief laten weten bereid te zijn om medewerking te verlenen aan het uitbreiden van het agrarisch bouwperceel, mits voldaan wordt aan een aantal randvoorwaarden. Wat waren deze voorwaarden ?
Daar komt bij dat de vastgestelde norm 8 is. Hier kan niet van worden afgeweken zonder de geurverordening/visie te herzien. De belangrijkste voorwaarden hebben betrekking op de stedenbouwkundige invulling en landschappelijke inpassing van het initiatief. Dit heeft onder andere te maken met de terreininrichting, inpassing van de nieuwbouw en behoud van het groen op het terrein en het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. Daarnaast moet voldaan worden aan het provinciale Plussenbeleid. 12
3g – Bonegr.weg 37a-41
PvdA
Waarom is er in de tussenliggende periode- nagenoeg 5 jaar- deze uitbreiding niet tot stand gekomen?
3g – Bonegr.weg 37a-41
PvdA
Het ontwerpplan ligt in een gebied met de waarde ‘landelijk en groen’. Voor dergelijke gebieden dient o.a. rekening gehouden te worden met het open, natte en weidevogelrijke karakter van het Eldikse en Dodewaardse veld. Wordt hieraan voldaan?
3g – Bonegr.weg 37a-41
PvdA
De voor ‘Agrarisch – Niet grondgebonden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor één nietgrondgebonden agrarisch bedrijf per bestemmingsvlak, onderhavig perceel is daarbij nader gespecificeerd als ‘intensieve veehouderij’. Voorts één bedrijfswoning dan wel, in geval reeds meerdere bedrijfswoningen aanwezig zijn, het bestaande aantal bedrijfswoning (in dit geval 3 bedrijfswoningen). Het voornemen is om een nieuwe kippenstal te realiseren. De uitbreiding van het bedrijf is noodzakelijk om in de toekomst voldoende inkomsten te generen voor twee gezinnen. Vraag: Maakt de woning Bonegraafseweg 37a, nog bestemd als bedrijfswoning, ook feitelijk als zodanig dienst uit?
3g – Bonegr.weg 37a-41
PvdA
Wanneer is voor de woning Bonegraafseweg 39 aangeduid als bedrijfswoning, bouwvergunning verleend?
3g – Bonegr.weg 37a-41
PvdA
Het voornemen is om een nieuwe kippenstal te realiseren. Naast de uitbreiding is het ook de wens om het bedrijf te verduurzamen door meer biologisch te gaan produceren. Het doel van het plussenbeleid is het bieden van ontwikkelingsruimte voor veehouders die hun bedrijf duurzaam willen ontwikkelen. De gemeente maakt met de ondernemer afspraken inclusief
De planuitwerking heeft op zich laten wachten, ook doordat de gemeente Plussenbeleid moest vaststellen en daarnaast duurt het ook lang om van een concept plan tot een definitief plan te komen. Het plan is niet gelegen binnen het weidevogelbeschermingsgebied. Wel is gekeken naar de inpassing in het gebied. De nieuwe stal wordt landschappelijk ingepast, daarnaast is in overleg met het waterschap de waterhuishoudkundige situatie aangepast op het terrein. Op de oostzijde van het perceel is een buitenuitloop voorzien. Dit gebied behoud echter wel een open karakter. Ja, deze woning hoort nog bij het bedrijf.
In 1981 is vergunning verleend voor het omzetten van kantoor/kantine tot 3de bedrijfswoning. Toentertijd was er sprake van een Hinderwetvergunning voor 20.000 dieren (kippen) en vanwege de omvang werden 3 bedrijfswoningen noodzakelijk geacht. De maatregelen vanuit het plussenbeleid zijn als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. 13
boetebeding via een privaatrechtelijke overeenkomst, een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning. Op welke wijze is dit geregeld? 6 – Financiën Centrumplan Ochten
PvdA
Naast de onduidelijkheden verwoord in het raadsvoorstel, die mogelijk de financiële gevolgen beïnvloeden, willen wij nog enkele vragen toevoegen. De eigenaar van de huidige supermarktlocatie stemt in met het weghalen van de aanduiding ‘Supermarkt’ in het bestemmingsplan. 1. Wanneer kunnen wij deze bestemmingswijziging tegemoet zien? 2. Zijn er al inhoudelijke afspraken gemaakt en wat houden deze in? 3. Welke gevolgen heeft dit voor de herontwikkeling van het dr. M. van Drielplein?
6 – Financiën Centrumplan Ochten
PvdA
Blijft de bebouwing aan de noordzijde van het plein geheel buiten beschouwing of zijn hier ook al plannen voor, welke mogelijk van invloed zijn op de herontwikkeling?
6 – Financiën Centrumplan Ochten
PvdA
Een subsidieverstrekking aan SOO garandeert de instandhouding van het maatschappelijke voorzieningenniveau in Ochten.
1. Het weg bestemmen van de bestemmingsaanduiding Supermarkt, wordt door de initiatiefnemer meegenomen in het bestemmingsplan voor de supermarkt en herbouw SOO. 2. Er zijn door initiatiefnemer inhoudelijke afspraken gemaakt met de eigenaar van de huidige supermarkt. Deze afspraken betreffen de instemming van de eigenaar met het weg bestemmen van de aanduiding en de afkoop van bezwaar/beroep t.a.v. de verplaatsing van de supermarkt. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over huur- en opzegtermijnen. De eigenaar wordt hiervoor door initiatiefnemer financieel gecompenseerd. 3. Deze afspraken maken de weg vrij voor de herontwikkeling van het Van Drielplein. Eigenaar wordt als belanghebbende ook betrokken bij de herinrichting van het plein. De eigenaar van de locatie ten noorden van het plein heeft al voor de zomer een plan ingediend welke positief is beoordeeld door de regiekamer. Onlangs heeft portefeuillehouder deze initiatiefnemer opnieuw gesproken en gesondeerd of de plannen nu doorgezet zullen worden. Hierop is positief gereageerd. Dit bedrag betreft het afhechten van de totale begroting voor de herontwikkeling van het dorpshuis. Het 14
Het verstrekken van een subsidie van 540.000,- aan de stichting SOO wordt evenwel niet onderbouwd; graag een gespecificeerde toelichting hoe tot dit bedrag gekomen is.
6 – Financiën Centrumplan Ochten
PvdA
Naast de financiële onderbouwing hoort ook een overzicht van gebruikers van het dorpshuis en daarbij graag duidelijkheid over of zij met de plannen hebben ingestemd.
6 – Financiën Centrumplan Ochten
PvdA
Is er ook onderzoek gedaan naar potentiële gebruikers die een bijdrage kunnen leveren aan het maatschappelijk voorzieningenniveau?
ontwerp van het dorpshuis is gebaseerd op een programma van eisen, voor een toekomstbestendige maatschappelijke functie in Ochten. Het dorpshuis biedt hiermee voldoende ruimte voor verenigingen en welzijnsorganisaties. Dit overzicht wordt door SOO verstrekt bij de afhandeling van de subsidieverstrekking. De subsidieverstrekking zal onder voorwaarden zijn en op basis van criteria. Om dit proces in gang te zetten moet SOO een onderbouwde aanvraag indienen en een PvE met gebruikersoverzicht overleggen. Zonder dit inzicht vindt geen subsidieverstrekking plaats. De totstandkoming van de deal rondom deze subsidieverstrekking is een ontbindende voorwaarde in de exploitatieovereenkomst met initiatiefnemer Boon. Dit komt bij de uitvoering van de subsidieverstrekking aan de orde.
15