AB - Toelichting en regels
Tekst van het document
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.
26
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
Planspecifiek Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de rode cirkel.
Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgevinh.nl)
Uit de risicokaart valt op te maken dat het plangebied niet binnen relevante aandachtsgebieden of PR-contouren van in de omgeving aanwezige risicobronnen gelegen is. Een nadere verantwoording in het kader van het groepsrisico is niet aan de orde. Het aspect omgevingsveiligheid levert geen belemmeringen op. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.8
Trilling
Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl. Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trillingen. Het
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
27
onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 22.87a van de Bruidsschat. Planspecifiek In de omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.9
Explosieven
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Neder Betuwe diverse gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor hoeveelheden Conventionele Explosieven in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Door de geplande werkzaamheden kunnen deze mogelijk ter plaatse aanwezige explosieven een reëel gevaar opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet dus worden nagegaan of explosieven aanwezig zijn. Planspecifiek Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van een explosievenonderzoek kunnen de risico's en kans op explosieven in het plangebied in kaart gebracht worden. Een dergelijk onderzoek vindt plaats in het kader van de Arbowetgeving en alleen als er sprake is van grondwerkzaamheden. Dat is in voorliggende situatie niet aan de orde. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.10
Spuitzonering
Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater, in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de praktijk wordt daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel. Er kunnen omstandigheden zijn om (gemotiveerd) van deze indicatieve afstand af te wijken. Planspecifiek Het plangebied is gelegen op de rand van de bebouwde kom van Opheusden naar het agrarisch gebied, waar het telen van bollen, bomen en fruit in de openlucht mogelijk is. Hierbij kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Ter plaatse van het plangebied is wonen in de huidige situatie reeds mogelijk. Wel komt de toe te voegen woning binnen 50 m van agrarische gronden aan de zuidzijde van het plangebied te liggen. Rondom de woonfunctie is in dit plan daarom een spuitvrije zone toegevoegd van 50 m.
Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het aspect gewasbeschermingsmiddelen geen belemmering vormt voor het initiatief. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
28
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 5
Goede omgevingskwaliteit
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.
5.1
Zorgvuldig ruimtegebruik
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m². De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.
Planspecifiek Met het toevoegen van 1 nieuwe woning in bestaande bebouwing is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Een verdere toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet van toepassing. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.2
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
29
Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Planspecifiek Cultuurhistorie en landschap Ten aanzien van de ontwikkeling zijn de Waarderingskaart landschap en Waarderingskaart historische bouwkunst & stedenbouw geraadpleegd. Uitsnedes van deze kaarten zijn navolgend opgenomen.
Uit de bouwkunstkaart blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen waardevolle bebouwing aanwezig is. Tevens heeft het initiatief, gelet op de aard ervan, geen invloed op in de omgeving gelegen bebouwing. Uit de landschapskaart blijkt dat het plangebied gelegen is in een niet-gewaardeerd cultuurlandschap. Omdat het uitsluitend gaat om de functiewijziging van een bestaand bijgebouw binnen de dorpskern van Opheusden, zijn effecten met betrekking tot cultuurhistorie niet aan de orde. Er worden geen nieuwe gebouwen toegevoegd en de bestaande ruimtelijke structuur en verschijningsvorm van het erf blijven behouden.
30
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
Uitsnedes waarderigngskaarten landschap, bouwkunst en stedenbouw (bron: gemeente Neder-Betuwe)
Archeologie Met het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' is voor het gehele plangebied van de gemeente Neder-Betuwe de archeologische verwachtingswaarde geregeld. Het plangebied heeft hierin de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2', waarvoor een onderzoeksgrens van 1.000 m2 en diepte van 30 cm geldt. Met onderhavig initiatief is er geen sprake van bouw- en/of grondwerkzaamheden, waardoor geen onderzoek nodig is. De dubbelbestemming blijft ook onder het nieuwe plan gelden. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.3
Ecologie
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
31
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren.
Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Planspecifiek Soortenbescherming Omdat het plan uitsluitend ziet op de functiewijziging van een bestaand bijgebouw zonder nieuwbouw, verbouw of sloop, kunnen negatieve effecten in het kader van soortenbescherming op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van ecologisch onderzoek soortenbescherming is niet nodig. Gebiedsbescherming Op circa 1 km van het plangebied is het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen. Om te beoordelen wat de effecten met betrekking tot stikstof zijn, is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd (zie bijlage 3). Uit het onderzoek komt naar voren dat in zowel de gebruiks- als aanlegfase geen sprake is van een bijdrage van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van mogelijke negatieve gevolgen.
32
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
Gezien de aard, omvang en afstand van de ontwikkeling tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is er ook geen sprake van overige effecten (geluid, optische verstoring, licht, trillingen). Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.4
Verkeer en parkeren
De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Planspecifiek Verkeersgeneratie en ontsluiting Het aantal verkeersbewegingen neemt als gevolg van de ontwikkeling zeer beperkt toe (circa 8 bewegingen). De nieuwe woning wordt ontsloten op de Nijlandseweg, middels een nieuwe inrit. Deze weg heeft ruim voldoende capaciteit om de zeer beperkte hoeveelheid extra verkeer af te wikkelen. Parkeren Op basis van de Nota Parkeernormen van de gemeente Neder-Betuwe geldt voor vrijstaande woningen in de bebouwde kom een parkeernorm van 2,7 parkeerplaatsen per woning.
Op eigen terrein is voldoende ruimte om in deze parkeerbehoefte te voorzien, zoals op onderstaande afbeelding is weergegeven. Negatieve effecten met betrekking tot de aspecten verkeer en parkeren kunnen worden uitgesloten.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
33
5.5
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek Het plan betreft enkel de functiewijziging van een bestaand bijgebouw, waardoor de effecten in het kader van klimaatadaptatie beperkt zijn. Het perceel blijft grotendeels onverhard, zodat regenwater kan infiltreren en wateroverlast wordt voorkomen.
Door de aanwezige bomen en tuinen blijft verkoeling aanwezig en wordt hittestress beperkt. Eventuele droogte-effecten worden opgevangen doordat hemelwater op eigen terrein kan infiltreren. Het plan leidt niet tot noemenswaardige risico's met betrekking tot overstroming. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
34
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 6
Conclusie
Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 4. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 5. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” De Memorie van toelichting licht dit verder toe: Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving.
Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen. Om een plan te kunnen vergunnen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en weging – van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit.
Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn. Planspecifiek Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Voor het onderwerp gewasbescherming wordt het geringe risico voor de voorzijde van de woning (voortuin met parkeren) geaccepteerd gezien de huidige situatie rondom de boomkwekerij en de vele woningen die er al rondom staan, tussen de boomkwekerij en het plangebied. De woning zelf is gelegen op meer dan 50 m van de boomkwekerij. De boomkwekerij moet daarbij ook voldoen aan het gestelde in het Besluit activiteiten leefomgeving. Dat afgezet tegen de woningbouwopgave, wordt het geringe risico geaccepteerd. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
35
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).
7.2
Juridische systematiek
Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken: Preambule; Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Functieregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 3: Overgangsregels.
7.3
Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan
Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22z] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22z] van het omgevingsplan Neder-Betuwe. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven. De regels van de geldende bestemmingsplannen vervallen op de locatie van voorliggend plan bij vaststelling van voorliggend plan
7.4
Beschrijving per functie
Onderhavig initiatief kent de volgende functie: ‘Agrarisch’: De functie ‘Agrarisch’ is opgenomen overeenkomstig het vigerende omgevingsplan waaroverheen een milieuzone – spuitzone is opgenomen om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uit te sluiten. 'Wonen': De functie 'Wonen' wordt toegekend aan het plangebied ten behoeve van het gebruiken van de bestaande bebouwing en omliggende gronden ten behoeve van wonen. Ter plaatse van het functievlak is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de woning is toegestaan. Binnen het bouwvlak zijn de bouwaanduidingen 'vrijstaand' en 'bijgebouwen' toegekend in lijn met de omliggende functies;
36
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
Daarnaast zijn de bestaande dubbelbestemmingen ‘Waarde -Archeologie 1’ en 'Waarde - Archeologie 2' overgenomen ten behoeve van het behoud en bescherming van eventueel aanwezige archeologische resten.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
37
Hoofdstuk 8
Overige aspecten
Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.
8.1
Participatie
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden. Planspecifiek Voor participatie heeft de gemeente een handreiking opgesteld. Daarin staat wat de bedoeling van participatie is en wanneer bijvoorbeeld participatie verplicht is. Voorliggend initiatief heeft geen grote ruimtelijke impact. Daarom heeft de initiatiefnemer, tevens buurman van de locatie, enkel de naaste buren geïnformeerd. Hierop is positief gereageerd.
8.2
Kostenverhaal
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de procedure met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen.
De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de anterieure overeenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende nadeelcompensatie worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
38
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijlagen bij de motivering
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
39
Bijlage 1
Digitale watertoets
40
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
41
Bijlage 3
Voortoets stikstofdepositie
42
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
Regels Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe) en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22z) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Neder-Betuwe. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22z van het omgevingsplan van de gemeente Neder-Betuwe. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22z' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22z' gelezen worden.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
43
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels Toepassingsbereik
1.1 Omgevingsplan Neder-Betuwe Dit plan wijzigt het omgevingsplan Neder-Betuwe in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Neder-Betuwe een hoofdstuk 22z wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22z van het omgevingsplan Neder-Betuwe. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22z' gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22z' gelezen worden. 1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4. 1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
1.4 Verwijzing naar verbeelding De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe) waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamOPnijlandsew6a-vst1.
Artikel 2
Begripsbepalingen
2.1 Van toepassing verklaring Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk van het omgevingsplan. 2.2 Aanvullende begrippen In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.47 gehanteerd. 2.3 Plan Het TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe) met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamOPnijlandsew6a-vst1 van de gemeente Neder-Betuwe bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamOPnijlandsew6a-vst1 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen. 2.4 Locatievlak een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.
44
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
2.5 aanbouw: een aan een hoofdgebouw gebouwde zelfstandige ruimte, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap en die vanuit het hoofdgebouw rechtstreeks toegankelijk is; 2.6 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 2.7 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 2.8 afhankelijke woonruimte: een deel van de woning waarin een gedeelte van de huishouding uit oogpunt van mantelzorg gehuisvest is; 2.9 archeologische deskundige een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige met een aantoonbare specifieke deskundigheid op het gebied van de archeologische monumentenzorg; 2.10 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en studie van de in de bodem voorkomende overblijfselen uit oude tijden; 2.11 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 2.12 bebouwingspercentage het percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd; 2.13 bed & breakfast: een kleinschalige, aan de woonfunctie ondergeschikte, verblijfsvoorziening in een woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gericht op
het aanbieden van logies en ontbijt. Onder een bed & breakfast voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur; 2.14 bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen; 2.15 begane grondbouwlaag: de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder; 2.16 bestaand: - bij bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van dit plan bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden krachtens een verleende bouwvergunning; - bij gebruik: gebruik dat op het tijdstip van het van kracht worden van dit hoofdstuk bestond;
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
45
2.17 bestemmingsgrens: de grens van een locatievlak; 2.18 bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 2.19 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 2.20 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 2.21 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van kelder (ruimte onder peil) en zolder (ruimten onder de kap).
De bouwhoogte van een bouwlaag bedraagt niet meer dan 4 m; 2.22 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 2.23 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 2.24 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 2.25 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 2.26 carport: een overdekte stallingsruimte die dient als stallingsplaats voor een motorvoertuig, die geen eigen wanden of deuren heeft en waarvan de begrenzing wordt gevormd door maximaal 3 wanden van gebouwen en/of ondersteuningen van het dak; 2.27 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waarbij een showroom en/of verkoopruimte ter plaatse aanwezig is; horeca-activiteiten zijn hieronder niet begrepen;
46
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
2.28 dienstverlening dienstverlening door een bedrijf met uitsluitend of in hoofdzaak een verzorgende taak met een publieksgerichte functie zoals wasserette, kapsalon, schoonheidssalon, opticien, autorijschool, videotheek, uitzendbureau, reisbureau, bank, postkantoor, telefoon-/internetdienst, makelaarskantoor, foto-atelier (inclusief ontwikkelen), kopieerservicebedrijf, schoenreparatiebedrijf, alsmede naar aard en uitstraling overeenkomstige bedrijven; 2.29 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 2.30 grondgebonden agrarische activiteiten agrarische activiteiten, waarbij het voortbrengen van producten afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop de productie plaatsvindt en waarbij het voortbrengen van producten in hoofdzaak plaatsvindt in de openlucht en waarbij geen dieren worden gehouden/ geweid; 2.31 hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel, door zijn bestemming, constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 2.32 wonen: het houden van verblijf, het huren of het gehuisvest zijn in een woning als bedoeld in 2.33; 2.33 woning: een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;
Artikel 3
Meet- en rekenbepalingen
3.1 Meetbepalingen In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meetbepalingen: 3.2 bebouwingspercentage een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwperceel, bouwvlak of aanduidingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd. De oppervlakte van zwembaden wordt niet meegerekend bij het bepalen van het bebouwingspercentage. 3.3 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 3.4 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 3.5 Inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 3.6 bouwhoogte van een bouwwerk
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
47
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 3.7 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein; 3.8 peil de hoogte gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; 3.9 afstand van een gebouw tot de perceelsgrens: de afstand van een gebouw tot de perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de perceelsgrens; 3.10 toepassing van maten Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m. bedraagt.
48
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 2 Artikel 4
Specifieke regels over functies Agrarisch
4.1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamOPnijlandsew6a-vst1 is aangewezen als Agrarisch. 4.2 Beschrijving gebruiksdoel Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch heeft de volgende functies: a. grondgebonden agrarische productie ten behoeve van 1 agrarisch bedrijf; b. teelt op folie, worteldoek of goten; c. het weiden van dieren; d. bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag; e. landschappelijke beplanting; f. watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen; g. extensief dagrecreatief medegebruik. 4.3 Gebruiksactiviteit - verboden Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies van de gronden. 4.4 Bouwactiviteit - algemeen Op de gronden met de functie Agrarisch mogen uitsluitend worden gebouwd: a. bedrijfsgebouwen ten behoeve van de functie op minimaal 5 m van de perceelsgrens; b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de functie. 4.5 Bouwactiviteit - bouwhoogte 4.5.1 Beoordelingsregels De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan: a. voor bedrijfsgebouwen: 12 m waarbij een goothoogte geldt van maximaal 7 m; b. voor erfafscheidingen: 2,5 m; c.
voor vrijstaande antennemasten: 15 m; d. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 9 m.
Artikel 5
Wonen
5.1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamOPnijlandsew6a-vst1 is aangewezen als Wonen. 5.2 Beschrijving gebruiksdoel Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen heeft de volgende functies: a. wonen; b. niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten conform het bepaalde in 5.3.1; c. nutsvoorzieningen; d. waterhuishoudkundige voorzieningen;
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
49
een en ander met de daarbij behorende voorzieningen. 5.3 Gebruiksactiviteit - nadere regels 5.3.1 Niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit Voor het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis gelden de volgende voorwaarden: a. een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit is alleen toegestaan in een woning en/of de bijbehorende aangebouwde bouwwerken b. maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van gerealiseerde bijbehorende bouwwerken, mag worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit; c. degene die de activiteiten in de woning of het daarbij behorende bijbehorende bouwwerken zal uitvoeren, is tevens de bewoner van de woning; d. activiteiten die vergunningplichtig zijn krachtens de Omgevingswet zijn niet toegestaan; e. detailhandel mag niet plaatsvinden; f. buitenopslag is niet toegestaan. 5.4 Gebruiksactiviteit - verboden 5.4.1 Algemeen 1. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 5.2 genoemde functies van de gronden. 2. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in 5.3 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken.
5.4.2 Kamerbewoning Het is in ieder geval verboden om een woning te gebruiken ten behoeve van kamerbewoning. 5.4.3 Zelfstandige bewoning bijbehorende bouwwerken Het is in ieder geval verboden om vrijstaande bijbehorende bouwwerken te gebruiken ten behoeve van zelfstandige bewoning en afhankelijke woonruimte. 5.4.4 Internetverkoop Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken voor internetverkoop, waarbij de te koop aangeboden goederen worden opgeslagen, tentoongesteld en/of kunnen worden afgehaald. 5.5 Gebruiksactiviteit - omgevingsplanactiviteit 5.5.1 Publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit. 2. De omgevingsvergunning bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend indien: a. een publieksgerichte aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit is alleen toegestaan in een woning en/of de bijbehorende aangebouwde bouwwerken b. maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, mag worden gebruikt voor aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit; c.
degene die de activiteiten in de woning of de aangebouwde bijbehorende bouwwerken zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; d. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse.
50
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
e. f.
de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving; detailhandel mag niet plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en uitsluitend in verband met die activiteit.
5.5.2 Bed & Breakfast 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een bed & breakfast. 2. De omgevingsvergunning bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend indien a. de bed & breakfast wordt gerealiseerd in een woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken; b. het gebruik ten behoeve van de bed & breakfast is gekoppeld en ondergeschikt aan de woonfunctie van de woning; c. het vloeroppervlak van de bed & breakfast mag niet meer bedragen dan 25% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 80 m²; d. er mag tegelijkertijd aan niet meer dan vier personen in maximaal 4 kamers bed & breakfast worden geboden; e. de bed & breakfastvoorziening mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet kunnen functioneren als een zelfstandige woning. Dit betekent in ieder geval dat een aparte kookgelegenheid bij de voorziening niet is toegestaan; f. als gevolg van de bed & breakfast mogen geen onevenredige nadelige gevolgen ontstaan voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. 5.6 Bouwactiviteit - algemeen Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 5.2. 5.7 Bouwactiviteit - hoofdgebouwen 5.7.1 Beoordelingsregels Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a.
hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'; b. binnen het bouwvlak is maximaal één woning toegestaan; c. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven met de aanduiding 'maximum goothoogte en maximum bouwhoogte'; d. voor de bouwwijze van woningen geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' uitsluitend vrijstaande woningen zijn toegestaan. 5.8 Bouwactiviteit - bijbehorende bouwwerken 5.8.1 Bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel Bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel zijn toegestaan in de vorm van erkers, mits voldaan wordt aan het volgende: a. de bouwdiepte, gemeten vanaf de gevel waar tegenaan wordt gebouwd, mag niet meer bedragen dan 1,5 m; b. de breedte mag niet meer bedragen dan 2/3 van de breedte van de gevel waar tegenaan wordt gebouwd, met dien verstande dat de breedte niet meer mag bedragen dan 4 m; c. indien de erker in de zijtuin wordt gebouwd, mag de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedragen dan 2 m; d. de afstand tot het openbare gebied mag niet minder bedragen dan 3 m. 5.8.2 Bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel Voor bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel geldt in afwijking van het bepaalde in 22.36 en in aanvulling en indien van toepassing in afwijking van 22.27, het volgende:
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
51
a. b.
c. d.
e.
bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' en de aanduiding 'bijgebouwen'; ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' geldt voor de bebouwde oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bouwperceel het volgende: Oppervlakte bouwperceel Toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken 2 < 200 m 60 m2 200 - 400 m2 90 m2 2 400 - 600 m 100 m2 600 - 800 m2 110 m2 > 800 m2 120 m2 in aanvulling op het bepaalde onder b geldt dat van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' niet meer dan 50% mag worden bebouwd; de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m. Indien het hoofdgebouw bestaat uit één bouwlaag met kap, mag de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan de goothoogte van het hoofdgebouw, maar nooit meer dan 5 m; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 m.
5.8.3 Carport Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de vorm van een carport gelden in afwijking van 5.8.1 de volgende regels: a. een carport mag uitsluitend worden gebouwd op het bouwperceel behorende bij de woning; b. de carport mag de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw niet overschrijden; c. de bouwhoogte van de carport mag niet meer bedragen dan 3 m; d. de bebouwde oppervlakte van de carport mag niet meer bedragen dan 20 m 2; e. het aantal carports binnen de aanduidingen 'bouwvlak' en 'bijgebouwen' mag niet meer bedragen dan één. 5.9 Bouwactiviteit - bouwwerken, geen gebouwen zijnde 5.9.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen voor zover gelegen binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 2 m en buiten het bouwvlak maximaal 1 m; b. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 4 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 5.9.2 Zwembad Voor het bouwen van een zwembad gelden de volgende regels: a. een zwembad is uitsluitend toegestaan bij een woning; b. het aantal zwembaden mag niet meer bedragen dan één per woning; c. een zwembad is uitsluitend toegestaan binnen het achtererfgebied; d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 1,2 m; e.
de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 3 m. 5.10 Bouwactiviteit - ondergronds bouwen Voor het ondergronds bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'; b. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag.
52
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
5.11 Bouwactiviteit - voorwaardelijke verplichting 5.11.1 Parkeren a. De omgevingsvergunning als bedoeld in 22.26 wordt alleen verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en veilig gesteld is dat deze parkeergelegenheid in stand wordt gehouden. b. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in 22.26.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
53
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels Aanvraagvereisten
1. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat: a. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een aanlegactiviteit in dit plan; en b. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit pla 2. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.
Artikel 7
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8
Bestaande maatvoering
Voor bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden krachtens een verleende omgevingsvergunning geldt dat indien de bestaande situering en/of maten afwijken van de ingevolge deze regels toegestane situering en/of maten, de bestaande situering tevens en/of bestaande maten als maximaal toegestaan worden beschouwd.
Artikel 9
Milieuzone - spuitzonering
Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitzone' is het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.
54
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 4 Artikel 10
Regels ter bescherming van waarden en objecten Waarde - Archeologie 1
10.1 Voorrangsbepaling De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3. 10.2 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamOPnijlandsew6a-vst1 is aangewezen als Waarde - Archeologie 1. 10.3 Functieomschrijving Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 1 heeft als functie het behoud en de bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. 10.4 Bouwactiviteit 10.4.1 Aanvullende aanvraagvereisten 1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt naast de gegevens en bescheiden zoals genoemd in 22.35, een rapport overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 2. In afwijking van het gestelde onder 1 hoeft de aanvrager geen rapport als bedoeld onder 1 te overleggen, indien één van de volgende situaties van toepassing is: a. de aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; b.
de aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op het uitbreiden van bestaande bebouwing tot maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering; c. het nieuw te bebouwen oppervlak is niet groter dan 100 m²; d. de aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op het bouwen in de bodem tot een diepte van 0,30 m onder het bestaande maaiveld; e. naar het oordeel van het bevoegd gezag is de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie voldoende vastgesteld. 10.4.2 Aanvullende vergunningvoorschriften Indien uit het onder 10.4.1 onder 1 genoemde rapport of uit de beschikbare informatie als bedoeld in 10.4.1 onder 2 sub e, blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of, c.
de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Nijlandseweg 6a (hoofdstuk 22z omgevingsplan Neder-Betuwe)
55
10.5 Aanlegactiviteit 10.5.1 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten: a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; b. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondings-vergunning is vereist; c. het verlagen van het waterpeil; d. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; e. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; f. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; g. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of fietspaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 10.5.2 Uitzondering vergunningplicht Het verbod van 10.5.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten: a. in de bodem tot een diepte van 0,30 m onder het bestaande maaiveld; b. in de bodem over een maximale oppervlakte van 100 m²; c.