CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

A - Toelichting

Raadsvergadering 2 juli 2026, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Schaapsteeg 9, Kesteren’14.099 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Toetsing aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient een akoestische binnenwaarde van 33 dB gegarandeerd te worden. Volgens artikel 3.2 van het Bbl bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. De hoogste gezamenlijke geluidsbelasting bedraagt 59 dB. Om de binnenwaarde bij de woningen te halen, moet een minimale geluidsisolatie van (59-33=) 26 dB worden bereikt. In een aanvullend bouwakoestisch onderzoek moet worden onderzocht of aanvullende gevelmaatregelen nodig zijn om de binnenwaarde van 33 dB uit het Bbl te halen. 4.6.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

31

4.7

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het plan de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 4.7.1

Beleid

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Met een initiatief moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Binnen een initiatief dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het initiatief kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 'Besluit bouwwerken leefomgeving' (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 4.7.2

Doorvertaling omgevingsplan

Het plan voorziet in de realisatie van een woning met bijbehorend bijgebouw. Een woning wordt aangemerkt als kwetsbaar gebouw. Navolgende afbeelding geeft het projectgebied globaal (rood kader) weer ten opzichte van mogelijke risicobronnen.

32

Globaal projectgebied (rood kader) op kaart omgevingsveiligheid

Het projectgebied is niet gelegen binnen een risicocontour. Tevens is het projectgebied niet gelegen binnen een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied. Er is daarom geen (beperkte) verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Nader onderzoek naar het aspect omgevingsveiligheid is daarom niet noodzakelijk. 4.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

4.8

Spuitzonering

4.8.1

Beleid

Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen ‘voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige’ objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van (fruit)bomen wordt bij ruimtelijke plannen als vuistregel een afstand van 50 m gehanteerd tussen een (fruit)boomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. Een kortere afstand kan aanvaardbaar zijn, mits in een locatiespecifiek onderzoek is gemotiveerd dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen.

33

4.8.2

Doorvertaling omgevingsplan

De locatie aan de Schaapsteeg grenst aan gronden met de bestemming 'Agrarisch'. De gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn volgens het omgevingsplan 'Buitengebied Kesteren' onder meer bestemd voor grondgebonden agrarische productie, teelt op folie, worteldoek of goten, het weiden van dieren en bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag. Het is daarom niet uitgesloten dat er productieboomgaarden, zacht-fruitopstanden en/of boomkwekerijen kunnen worden opgericht. Voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op grond dat in eigendom is van de initiatiefnemer. De aangrenzende agrarische gronden ten oosten van het projectgebied zijn eveneens in eigendom van de initiatiefnemer. Deze gronden zijn in gebruik als weidegrond/grasland. Initiatiefnemer is niet voornemens om gewasbeschermingsmiddelen te spuiten op de genoemde gronden. Bovendien is de maatvoering van de genoemde gronden niet geschikt voor een doelmatig gebruik van agrarische bedrijfsactiviteiten waar wel gespoten kan worden (zoals een boomgaard). Ten westen van de het projectgebied zijn eveneens agrarische gronden aanwezig. Deze gronden zijn in gebruik als weidegrond/grasland ten behoeve van de melkveehouderij aan de Schaapsteeg 14. Deze gronden grenzen gelijk aan het erf van dit bedrijf.

De gronden zijn benodigd voor een doelmatige bedrijfsvoering van de melkveehouderij (het weiden van melkvee en uitrijden van mest). Er zijn geen plannen bekend voor een eventuele omzetting van de weidegronden in gronden voor de teelt van gewassen waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Gezien de economische waarde van een melkveebedrijf met aangrenzende weidegronden is het onaannemelijk dat een dergelijke omzetting zich zal voordoen. Om voorgaande redenen is het niet aannemelijk dat deze gronden ingezet zullen worden voor de teelt van gewassen waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt die om bescherming vragen ten opzichte van woningen. Daarnaast geldt dat op eenzelfde afstand als de beoogde woning reeds andere woningen zijn gesitueerd die een belemmering vormen voor dergelijk gebruik van gronden. Ten zuiden van het projectgebied zijn gronden aanwezig die gebruikt worden voor akkerbouw en boomteelt. De afstand tussen het projectgebied en deze gronden bedraagt circa 100 m. Tussen het projectgebied en de betreffende gronden is reeds een andere woning gelegen. De realisatie van de beoogde woning zal daarmee niet zorgen voor een (verdere) belemmering van de genoemde gronden. Ter bescherming van het woon- en leefmilieu die op basis van onderhavig TAM-omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, wordt een spuitvrije-zone van 50 meter rondom het projectgebied opgenomen.

4.8.3

Conclusie

Het aspect spuitzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.9

M.e.r-beoordeling

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een initiatief met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van het voorgenomen initiatief, in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage, moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 4.9.1

Beleid

De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een initiatief: Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of

34

project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of; Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het initiatief leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op initiatieven of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. 4.9.2

Doorvertaling omgevingsplan

Het voorliggende plan maakt één woning mogelijk van 750 m3 en een bijgebouw van 70 m2. Om toepassing te kunnen geven aan het VAB-beleid is daar een oppervlak van 2090 vierkante meter aan te slopen agrarische bebouwing voor verworven. De bebouwing in het buitengebied neemt de facto dus aanmerkelijk af. Uit onder meer de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348 en van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253 volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Bijlage V, onder J11 van het Omgevingsbesluit afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van het initiatief een rol spelen. Zoals hiervoor is aangegeven gaat het om een ontwikkeling waarbij het ruimtebeslag van de bebouwing gering is. De toevoeging van de bebouwingsmogelijkheden is van kleinschalige aard. Ten opzichte van de bebouwingsmogelijkheden die ter plaatse in het recente verleden nog bestonden, wordt feitelijk gezien geheel geen extra bebouwing mogelijk gemaakt. Bovendien wordt in relatie tot de voorgestelde ontwikkeling elders in het buitengebied een veelvoud aan bebouwing verwijderd.

Weliswaar verandert het gebruik van het perceel als gevolg van de voorgestelde wijziging van het omgevingsplan, maar die functie is passend binnen het landelijke karakter van de omgeving. Gelet op het voorgaande wordt vastgesteld dat de wijziging van het omgevingsplan geen stedelijke ontwikkelingsproject betreft als bedoeld in Bijlage V, onder J11 van het Omgevingsbesluit. Derhalve is geen plan-m.e.r.-beoordeling nodig. 4.9.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect m.e.r.-beoordeling geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

4.10 Explosieven In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied in de gemeente Neder-Betuwe diverse malen getroffen door bombardementen. De gevechten hebben geleid tot munitieresten in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of er explosieven aanwezig zijn. 4.10.1 Beleid Onderzoek naar explosieven dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de planologische procedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

35

4.10.2 Doorvertaling omgevingsplan Voor de hele gemeente is een bureau onderzoek gedaan naar of er explosief materiaal in de grond te verwachten is. Het onderzoek wijst uit dat het projectgebied een verdachte locatie voor artilerie-, mortier- en raketbeschieting betreft. Een oppervlaktedetectie onderzoek kan uitwijzen of er daadwerkelijk explosief materiaal aanwezig is. Voor indiening van de omgevingsvergunning, dus voorafgaand aan het verrichten van bodemingrepen, zal moeten zijn aangetoond dat er geen explosief materiaal aanwezig is. In het kader van voorliggende wijziging van het omgevingsplan is het voldoende aannemelijk dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. 4.10.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect explosieven geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

4.11 Conclusie veilige en gezonde leefomgeving De Omgevingswet benoemt een gezonde en veilige leefomgeving nadrukkelijker in haar doelen. Omdat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en veiligheid tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit, (water)veiligheid en bodem. Eén omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en veiligheid bestaat niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten. Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van de aspecten geluid, geur, trilling, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en bodem worden geen normen overschreden of bijna overschreden. Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

36

Hoofdstuk 5 5.1

Goede omgevingskwaliteit

Zorgvuldig ruimtegebruik

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 5.1.1

Beleid

In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/Bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4). Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 5.1.2

Doorvertaling omgevingsplan

In artikel 5.129g van het Bkl wordt beschreven dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Bij voorliggend initiatief is er sprake van een woningbouwlocatie. Uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4) blijkt dat woningbouwplannen met meer dan elf woningen worden aangemerkt als woningbouwlocatie. In dit geval zal er slechts één woning gerealiseerd worden. Dat houdt in dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is, aangezien er vanaf elf nieuwe woningen pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling. 5.1.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

5.2

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het plan rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken.

37

5.2.1

Beleid

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 5.2.2

Doorvertaling omgevingsplan

Voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie zijn grondwerkzaamheden en aantasting van mogelijk cultuurhistorisch waardevolle objecten relevant. Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een woning met bijbehorende schuur en groenvoorzieningen. De archeologische verwachtingswaarde van het projectgebied is verwerkt in de 'Parapluregeling Archeologie' van de gemeente Neder-Betuwe. Hieruit blijkt dat het projectgebied geen dubbelbestemming voor archeologie bevat. Nadere toetsing naar dit aspect is dan ook niet noodzakelijk. In 2022 zijn de Waarderingskaart historisch cultuurlandschap en de Waarderingskaart historische bouwkunst & stedenbouw vastgesteld. Uit de volgende afbeeldingen blijkt, dat er ter plaatse van het initiatief geen hoog of zeer hoog gewaardeerde cultuurhistorische objecten aanwezig zijn.

Uitsnede waarderingskaart historische bouwkunst & stedenbouw

38

Uitsnede waarderingskaart historisch cultuurlandschap

In en rond het projectgebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen. Tevens wordt het landschap niet belemmerd door voorliggend initiatief. Het initiatief heeft geen negatieve gevolgen voor de aspecten cultuurhistorie en landschap. 5.2.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect archeologie, cultuurhistorie en landschap geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

5.3

Ecologie

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 5.3.1

Beleid

Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden; onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op aangewezen beschermde soorten in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming in het kader van de Omgevingswet zich op het thema faunabeheer.

39

De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. 5.3.2

Doorvertaling omgevingsplan

Door Buro Ontwerp en Omgeving is februari 2025 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. De belangrijkste resultaten uit het onderzoek zijn in onderstaande alinea's samengevat. Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft Rijntakken dat op circa 2,1 kilometer ten zuiden van het onderzoeksgebied ligt. Het enige andere Natura 2000-gebied op minder dan 10 km afstand is het Binnenveld (ca. 9 km). Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is namelijk meer dan 1 km. Door het gebruik van werktuigen en een toename van voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Om deze reden is in november 2025 een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze berekening is bijgevoegd als Bijlage 7. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr in de gebruiksfase plaatsvindt. Er is dus geen significante toename als gevolg van het initiatief.

Tevens is er voor de realisatiefase een AERIUS-berekening uitgevoerd. Ook in de realisatiefase blijkt dat er geen depositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt. Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelzone Het onderzoeksgebied ligt op ca. 980 meter afstand van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en op ca. 940 meter afstand van de Groene Ontwikkelingszone (GO) (Figuur 4). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast. Houtopstanden De groenvoorzieningen in het onderzoeksgebied vallen onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet. De rijksregels over het vellen van houtopstanden zijn daarom van toepassing. Bij het vellen van bomen en/of struiken dient een kapmelding te worden gedaan bij provincie Gelderland. Bovendien geldt er een herbeplantingsplicht. Soortenbescherming Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het projectgebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt voor de hermelijn en de wezel ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden. Deze soorten dienen nader onderzocht te worden. Hermelijn en wezel: Een groot deel van de elzen langs de westelijke grens van het onderzoeksgebied zijn geschikt als verblijfplaats voor de hermelijn en wezel.

Hierdoor kunnen negatieve effecten op een rust- of voortplantingsplaats van de hermelijn en wezel niet worden uitgesloten.

40

Nader onderzoek In november 2025 is door Blom Ecologie een aanvullend onderzoek ecologie uitgevoerd naar kleine marterachtigen binnen het projectgebied. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8. Tijdens het onderzoek zijn geen individuen en/of sporen van kleine marterachtigen aangetroffen binnen het projectgebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling zoals geformuleerd in de Bal artikel 11.54. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is derhalve niet benodigd. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in het plangebied. Er zijn geen nesten van vogels aangetroffen binnen het plangebied. Met betrekking tot de overige waargenomen soorten is geen sprake van overtreding, mits de Algemene zorgplicht en specifieke zorgplicht in acht wordt genomen. Voor de uitvoering van de beoogde ruimtelijke ingreep is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. Er gelden in het kader van natuurwetgeving geen verdere vervolgstappen. 5.3.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

5.4

Verkeer en parkeren

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het plan rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 5.4.1

Beleid

De omgevingsvisie van de gemeente Neder-Betuwe moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient onder meer hieraan getoetst te worden. Daarnaast zijn er ook bekende richtlijnen vanuit het CROW. Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe initiatieven/ontwikkelingen moeten voldoen (Nota Parkeernormen Neder-Betuwe). Het plan dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten deze aspecten onderbouwd en indien noodzakelijk onderzocht worden. 5.4.2

Doorvertaling omgevingsplan

Verkeer Het plan voorziet in de realisatie van een woning met bijbehorende schuur, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen. De ontsluiting vindt in de toekomstige situatie plaats via een nog aan te leggen inrit aan de Schaapsteeg. Om de verkeersgeneratie van het te ontwikkelen plan te bepalen, is gebruik gemaakt van de CROW publicatie Parkeerkencijfers 2024 (publicatie 744). Navolgend is de verkeersgeneratie van het plan voor een vrijstaand koophuis genomen. Hierbij wordt uitgegaan van een verstedelijkingsgraad 'niet stedelijk' en het gebiedstype 'buitengebied'. De bijbehorende verkeersgeneratie voor één woning bedraagt een gemiddelde verkeersgeneratie van (1,0 x 8,2 =) 8,2 voertuigen per etmaal. De Schaapsteeg is een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom. Uit het regionale verkeersmodel (Goudappel, 2021) blijkt dat de intensiteit van deze weg rond de 500 mtv/etmaal ligt. Een toename van 8,2 voertuigen per etmaal is dan ook voor deze weg acceptabel.

41

Parkeren Om de hoeveelheid parkeerplaatsen te bepalen, is gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Neder-Betuwe. Voor het gebiedstype 'buiten de bebouwde kom' geldt een gemiddelde parkeerbehoefte van (1,0 x 2,8=) afgerond naar boven drie parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd. 5.4.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

5.5

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; 'energietransitie', 'circulariteit' en 'klimaatadaptatie en water'. 5.5.1

Beleid

Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.

Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van de provincie en hoogheemraadschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie paragraaf 4.1). 5.5.2

Doorvertaling omgevingsplan

De woning wordt volgens de huidige normen op het gebied van duurzaamheid gebouwd. Ook wordt de woning volledig geïsoleerd en toekomstbestendig opgeleverd, om te voldoen aan de eisen voor energiezuinige bebouwing. Voor klimaatadaptatie geldt dat er binnen het projectgebied verschillende landschapselementen worden toegevoegd, in de vorm van knotwilgen, een fruitboomgaard, een haag en een zwarte els. Door middel van deze landschappelijke inpassing worden er oplossingen geboden voor problemen zoals hittestress en wateroverlast

42

5.5.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

43

Hoofdstuk 6 6.1

Maatschappelijkeen economische uitvoerbaarheid

Participatie

In overleg met de buurman van de Schaapsteeg 7 en 9 zijn er afspraken gemaakt over de bouw van een woning tussen beide percelen. Hierop is geen bezwaar gemaakt. Verder wordt participatie niet noodzakelijk geacht, gezien de ligging in het buitengebied van Kesteren, en het geringe aantal omwonenden.

6.2

Kostenverhaal

De gemeente hoeft geen belangrijke voorinvesteringen te doen om het plan haalbaar te maken. De overige kosten komen op rekening van de initiatiefnemer. Hiermee is het plan volledig financieel economisch haalbaar. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst over kostenverhaal gesloten. Het privaatrechtelijk kostenverhaal is geregeld in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

44

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

Het TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een motivering. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen functies. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de functies. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

7.2

Juridische systematiek

In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vijf hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende bepalingen, de specifieke regels over functies, de algemene regels over functies, regels ter bescherming van waarden en objecten en de overgangsregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012 en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe.

7.3

Toepassingsbereik TAM-omgevingsplan

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij de uitvoering van de Omgevingswet. Het bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de, onder de Wro gebruikte, IMRO-standaard en de voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op het werkingsgebied, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1740.tamKEschaapsteeg9-ont1, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In paragraaf 1.2 van deze motivering is een globale begrenzing van het werkingsgebied c.q. projectgebied opgenomen.

45

7.4

Beschrijving per functie

7.4.1

Specifieke regels over functies

In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het projectgebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. In dit TAM-omgevingsplan is de functie 'Wonen' opgenomen. Navolgend worden de regels die zijn opgenomen voor deze functie nader toegelicht. Per functie is in deze paragraaf beschreven waarvoor de gronden zijn bestemd. Wonen (Artikel 4) De locatie van de nieuwe woning is aangewezen als functie 'Wonen'. Voor deze gronden gelden de functies bewoning, bijbehorende voorzieningen en landschappelijke beplanting. Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen. Woningen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte respectievelijk 4 m en 9 m. Naast de woningen mogen tevens, onder voorwaarden, bijbehorende bouwwerken (bijvoorbeeld bijgebouwen) en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. De (maatvoerings)eisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de regels onder 4.9 Bouwactiviteit - bijbehorende bouwwerken en 4.10 Bouwactiviteit - bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 7.4.2

Algemene regels over functies

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels over functies. In voorliggend TAM-omgevingsplan gaat het om de volgende aanduiding. Milieuzone - spuitzone (artikel 6.1) De gronden ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - spuitzone' dienen tevens voor de bescherming van het woon- en leefmilieu die op basis van onderhavig TAM-omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt. Als gebruik in strijd met de aanduiding 'Milieuzone - spuitzone' wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. 7.4.3

Regels ter bescherming van waarden en objecten

In Hoofdstuk 4 zijn regels opgenomen die als doel hebben om specifieke waarden en objecten in het projectgebied te beschermen. In voorliggend omgevingsplan gaat het om de volgende waarden. Vrijwaringszone - (Artikel 8) Een locatie die is aangewezen als 'Vrijwaringszone - weg' heeft mede als functie de bescherming van het gebruik van de verkeerswegen.

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16942364/1