A - Bijlage 8 - Aanvullend onderzoek ecologie
Tekst van het document
,
Aanvullend onderzoek ecologie Schaapsteeg 9 te Kesteren Aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen in het kader van de Omgevingswet
Colofon Status:
Definitief
Project:
2025-0677
Datum:
6 november 2025
Samensteller:
ing. C.A.S. Kuijpers
Collegiale toets:
ing. M.M.G. Vincken
Opdrachtgever:
Bouwbedrijf J.G. Timmer
Contactpersoon:
P. Peereboom
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Mogelijk aanwezige soorten
4
1.3
Doel
5
1.4
Beschrijving plangebied
5
1.5
Voorgenomen werkzaamheden
6
1.6
Juridisch kader
6
2 Methode onderzoek
7
2.1
Theoretisch kader
7
2.2
Praktische uitvoering
7
2.3
Veldbezoeken
9
2.4
Specifieke omstandigheden
9
2.5
Deskundigheid
9
3 Resultaten
10
3.1
Kleine marterachtigen
10
3.2
Overige soorten
10
3.3
NDFF
10
4 Conclusie
11
4.1
Kleine marterachtigen
11
4.2
Overige soorten
11
4.3
Vervolgstappen
11
1 Inleiding 1.1
Aanleiding Aan de Schaapsteeg 9 te Kesteren is een weiland gesitueerd (figuur 1.1). Het weiland wordt begraasd door schapen, is aan weerszijden begrensd door sloten met elzen en knotwilgen op de oevers. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een vrijstaande woning met bijgebouw. Hiervoor wordt een klein deel van de elzensingel verwijderd.
Figuur 1.1
Het plangebied is gelegen aan de Schaapsteeg 9 te Kesteren.
Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van natuurwaarden beschermd onder de Omgevingswet is een quickscan Natuur uitgevoerd naar de potentie van het plangebied en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde werkzaamheden (Van Dijk, 2025). Op basis van de quickscan Natuur kon de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of essentieel leefgebied van kleine marterachtigen (hermelijn en wezel) niet uitgesloten worden (zie tabel 1.1). Om vast te stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor vorengenoemde soorten dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Bouwbedrijf J.G. Timmer heeft Blom Ecologie verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven.
1.2
Mogelijk aanwezige soorten Uit de quickscan Natuur (Van Dijk, 2025) is gebleken dat binnen het plangebied mogelijk voortplantingsen verblijfplaatsen aanwezig zijn van kleine marterachtigen (hermelijn en wezel) (tabel 1.1). De elzensingel heeft mogelijk een belangrijke functie als rust- en voortplantingsplaats, voor de voorgenoemde soorten.
4
Tabel 1.1
Overzicht van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten (Van Dijk, 2025).
Soortgroep
Onderzoek nodig
Bescherming
Ja
NB
Mogelijke functie plangebied
Planten Grondgebonden zoogdieren Hermelijn Wezel
Verblijfplaatsen
Vleermuizen Amfibieën, reptielen en vissen Insecten en ongewervelden Vogels (Cat. 1 t/m 4) Vogels (Algemeen en cat. 5)
Figuur 1.2 De elzensingel vormt mogelijk verblijfplaatsen voor de hermelijn en wezel.
1.3
Doel In dit aanvullende ecologische onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Zijn er kleine marterachtigen (hermelijn en wezel) aanwezig in het onderzoeksgebied? • Op welke wijze maken vorengenoemde soorten gebruik van het onderzoeksgebied? Zijn in het onderzoeksgebied migratieroutes, foerageergebieden, voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig? • Resulteert de voorgenomen ingreep in het beschadigen of wegnemen van voortplantings- en/of verblijfplaatsen of essentiële onderdelen van het leefgebied? Is een omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit noodzakelijk voor de voorgenomen ingreep uitgevoerd kan worden?
1.4
Beschrijving plangebied Het plangebied bestaat uit een weiland te Kesteren (figuur 1.1). Een uitgebreide beschrijving van het plangebied en de directe omgeving hiervan is te vinden in de quickscan Natuur (Van Dijk, 2025). In figuur 1.3 is een foto opgenomen die een impressie geeft van het plangebied. 5
Figuur 1.3 De planlocatie betreft een weiland met aan weerszijden sloten met een elzensingel en knotwilgen.
1.5
Voorgenomen werkzaamheden De initiatiefnemer is voornemens om op de planlocatie een nieuwbouwwoning te realiseren. De ingreep zal indicatief op hoofdlijnen bestaan uit de volgende werkzaamheden: • Deels verwijderen elzensingel: kapwerkzaamheden en afvoer van hout in elzensingel; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
1.6
Juridisch kader De soortenbescherming van de Omgevingswet valt op grond van internationale verdragen en nationaal beschermde soorten uiteen in drie verschillende beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (Bal art. 11.37), Habitatrichtlijn (Bal art. 11.46) en de nationaal beschermde soorten (Bal art. 11.54). De bescherming van de hermelijn en wezel valt onder de nationaal beschermde soorten. Naar aanleiding van de beoogde werkzaamheden kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden: Ow, art. 5.1 Lid g: Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: een floraen fauna-activiteit, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt aangewezen welke schadelijke handelingen hiermee worden bedoeld. Bal art. 11.54 (Nationaal beschermde soorten) Lid 1b: Het is verboden: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a (hermelijn en wezel) opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
6
2 Methode onderzoek 2.1
Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor de kleine marterachtigen zijn deze richtlijnen vastgelegd in het Kennisdocument (BIJ12, 2024). Blom Ecologie voert de soortgerichte aanvullende onderzoeken uit conform de meest actuele onderzoeksprotocollen en -richtlijnen. De richtlijnen worden door de opstellers geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de richtlijnen vormen de basis voor het soortspecifieke onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie. In tabel 2.1 wordt voor de desbetreffende beschermde soorten beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn. Voor de veldbezoeken wordt een minimale tussenliggende periode aangehouden voor een goede spreiding over de onderzoeksperiode, conform het relevante Kennisdocument. Tabel 2.1
Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van het aanvullend ecologisch onderzoek zoals geformuleerd in het relevante Kennisdocument.
Soort
Type
Periode
Omschrijving
Kleine marterachtigen
Functioneel leefgebied
Juni – medio november
Minimaal 8 weken inventariseren middels marterboxen, cameravallen, struikrovers, sporenbuizen en sporenonderzoek.
Cat. 5 vogels Algemene broedvogels
Nest
De nesten van cat. 5 soorten en andere algemene broedvogels worden meegenomen gedurende de overige veldbezoeken.
2.2 Praktische uitvoering Op basis van de te verwachten soorten en de relatieve potentie voor deze soorten binnen de planlocatie is het aanvullend onderzoek ingericht. Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering wordt bekeken vanaf welke posities de planlocatie het meest efficiënt (strategisch) kan worden onderzocht. De strategische locaties van het plaatsen van de camera’s en het zoeken naar sporen zijn afhankelijk van de aanwezigheid van groenstructuren, watergangen, verlichting en diverse typen van bebouwing. Om de aan- of afwezigheid van kleine marterachtigen vast te stellen is één struikrover ingezet (figuur 2.1). Voor het bepalen van de onderzoeksinspanning moeten geschikte meetpunten worden bepaald. Voor de meetpunten geldt dat per 0,25 hectare leefgebied minimaal één methodiek ingezet dient te worden. Bij het toepassen van de onderzoeksmethoden moet elk meetpunt elke te onderzoeken soort dekken. De onderzoeksmethoden zijn geplaatst op ‘kansrijke’ locaties als wissels, tussen de bramenstruiken, begroeide oevers en in de bosschage (figuur 2.2). Het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 19 augustus 2025 t/m 16 oktober 2025, gedurende een aaneengesloten periode van 8 weken. Na 4 weken is de struikrover verplaatst om een nieuw meetpunten te creëren.
De struikrover is geplaatst in de elzensingel in het westen van de planlocatie en aan de watergang in het oosten van de planlocatie. Een struikrover is een open PVC buis met een plank met daaraan een wildcamera en lokstof vastgemaakt. De camera is gericht op de opening van de struikrover. Op de camera is een lens met een sterkte van 2+ geplaatst.
7
Naast het plaatsen van de struikrover is tijdens elk veldbezoek specifiek een sporenonderzoek uitgevoerd. Hierbij is gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van marterachtigen en/of verblijfplaatsen. Dit betreffen sporen als latrines met uitwerpselen, prooiresten, prenten en vraatsporen.
Figuur 2.1 Overzicht van de locaties van de struikrovers: a is de locatie van de eerste 4 weken en b is de locatie na de verplaatsing. De nummering correspondeert met figuur 2.2.
Figuur 2.2 De struikrover is in de elzensingel en nabij de watergang geplaatst. De nummering correspondeert met figuur 2.1. De data die wordt verzameld in het soortgericht aanvullend onderzoek wordt ingevoerd en opgeslagen in de VeldwerkApp, een applicatie die Blom Ecologie specifiek voor dit type onderzoeken heeft laten ontwikkelen. In de VeldwerkApp worden de omstandigheden van het veldbezoek, beeldmateriaal en onderzoeksresultaten in een hoog detailniveau verwerkt. De onderzoekers hebben ook direct toegang tot de resultaten van eerdere veldbezoeken om eerder gedane (onzekere) waarnemingen te kunnen valideren. Naast het uitgevoerde veldonderzoek wordt ook het eerder uitgevoerde bureauonderzoek geactualiseerd. Hiervoor wordt de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opnieuw geraadpleegd om te checken of externe personen of partijen waarnemingen hebben gedaan die relevant zijn in voorliggend project. Hiervoor wordt een check gedaan op waarnemingen die relevant zijn in kader van de beoogde ruimtelijke ingreep wat betreft locatie (binnen circa 100 m van de planlocatie) en soortgroepen. De meest recente datum van raadpleging in de NDFF is d.d. 4 november 2025.
8
2.3 Veldbezoeken Het onderzoeksgebied is geïnventariseerd door ter zake deskundig ecologen van Blom Ecologie of externe ter zake deskundig ecologen onder verantwoordelijkheid van Blom Ecologie. De relevante omstandigheden ten tijde van de veldbezoeken zijn opgenomen in onderstaande tabel (tabel 2.2). Tabel 2.2
Uitgevoerde veldbezoeken gedurende het aanvullend onderzoek. Aantal pers.
Veldbezoek
Functie
Datum
Marter 1
Camera’s uitzetten / sporen zoeken
1
19-08-2025
Marter 2
SD kaarten en batterijen wisselen / sporen onderzoeken
1
04-09-2025
Marter 3
Camera’s verplaatsen/ SD kaarten en batterijen wisselen / sporen onderzoeken
1
15-09-2025
Marter 4
SD kaarten en batterijen wisselen / sporen onderzoeken
1
29-09-2025
Marter 5
Camera’s ophalen / sporen zoeken
1
16-10-2025
2.4 Specifieke omstandigheden Tijdens de uitvoering van het onderzoek kan er sprake zijn van dusdanig omstandigheden dat er mogelijk een vertekend beeld optreedt van de verzamelde resultaten. Hiermee wordt niet bedoeld het gemotiveerd afwijken van uitgangspunten zoals geformuleerd in de Kennisdocumenten. Tijdens het onderzoek was er, voor zover de onderzoekers hebben kunnen nagaan, geen sprake van omstandigheden die mogelijk effect sorteren op de onderzoeksresultaten.
2.5 Deskundigheid Bij Blom Ecologie beschikken onze medewerkers over diepgaande ecologische kennis, ondersteund door gedegen praktische en theoretische opleidingen in ecologie. Onze adviseurs en onderzoekers hebben jarenlange ervaring in een breed scala aan ecologische projecten. Ons werk richt zich op het begrijpen van het ecosysteem en het beoordelen van effectbepalingen. Blom Ecologie is kandidaat-lid bij het Netwerk Groene Bureaus en conformeert zich aan de NGB-onderzoeksprotocollen en de NGBgedragscode. Dit lidmaatschap en onze input bij project- en werkgroepen bevestigt onze betrokkenheid bij de nieuwste ontwikkelingen in de ecologische advieswereld. We passen wetenschappelijk verantwoorde methoden toe om nauwkeurige en betrouwbare resultaten te leveren. Hierdoor kunnen wij op maat gemaakte adviezen bieden die bijdragen aan het behoud van biodiversiteit. Wij hechten ook veel waarde aan de opleiding en begeleiding van onze junior collega's. Nieuwe medewerkers worden zorgvuldig ingewerkt door ervaren collega’s, die hen begeleiden bij zowel veldwerk als de toepassing van wetenschappelijke onderzoeksmethoden. Door middel van mentorschap, trainingen en de mogelijkheid om samen te werken aan uitdagende projecten, zorgen we ervoor dat junioren zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandig werkende professionals.
We bieden daarnaast regelmatig workshops en feedbacksessies om hun kennis en vaardigheden continu te verbeteren en hen te ondersteunen in hun carrièreontwikkeling binnen de sector. Om de kwaliteit van ons werk te waarborgen, maken we gebruik van collegiale toetsing en het vier-ogenprincipe. Dit betekent dat alle belangrijke onderzoeksresultaten en rapportages door een collega worden gecontroleerd voordat ze worden gedeeld met klanten. Dit proces garandeert de juistheid, volledigheid en wetenschappelijke onderbouwing van onze adviezen en draagt bij aan de voortdurende verbetering van onze werkprocessen.
9
3 Resultaten 3.1
Kleine marterachtigen Waarnemingen en aantallen Tijdens de onderzoeksrondes geen waarnemingen van de kleine marterachtigen aangetroffen in de struikrovers. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen Gedurende het onderzoek zijn geen rust- of voortplantingsplaatsen gevonden of sporen als latrines, uitwerpselen, prooiresten of prenten, die wijzen op de aanwezigheid hiervan. Derhalve is er geen sprake van een vaste rust- en/of voortplantingsplaats op de planlocatie. Functioneel leefgebied Op de planlocatie is tevens geen sprake van essentieel leefgebied en/of migratieroute van kleine marterachtigen door geen visueel bewijs op de wildcamera’s én de afwezigheid van sporen (c.q. prenten of wisselsporen) binnen de planlocatie.
3.2 Overige soorten Naast de te onderzoeken soorten waarvoor het voorliggend onderzoek is uitgevoerd zijn tijdens de veldbezoeken waarnemingen van overige soorten gedaan. In de struikrovers zijn de volgende soorten waargenomen: huisspitsmuis, konijn en veldmuis. Van deze soorten valt het konijn onder de Rode-Lijst. Daarnaast is tijdens de sporenonderzoeken een buizerd aangetroffen. Het konijn leeft in halfopen (cultuur)landschappen met weilanden, akkers, bosschages, tuinen en struwelen. Een goed vergraafbare grond is van belang. Aangezien de planlocatie een klein oppervlak betreft, er voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden zijn en het konijn slechts eenmaal kort is gezien, is er geen sprake van negatieve effecten op de staat van instandhouding van het konijn. De buizerd is eenmaal aangetroffen in een boom aan de Schaapsteeg, buiten de planlocatie. In deze bomen zijn geen nesten aangetroffen. Aangezien er ook geen nesten in andere bomen op en rondom de planlocatie geen vogelnesten zijn aangetroffen kan de aanwezigheid van een buizerdnest en essentieel leefgebied worden uitgesloten.
3.3 NDFF Tijdens het raadplegen van de NDFF (2020-2025) zijn geen waarnemingen aangetroffen die aanvullend zijn op voorliggende onderzoeksresultaten en relevant zijn binnen voorliggend project.
10
4 Conclusie 4.1
Kleine marterachtigen In de periode augustus - oktober 2025 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen (hermelijn en wezel) in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument kleine marterachtigen (BIJ12, 2024). Tijdens het onderzoek zijn geen individuen en/of sporen van kleine marterachtigen aangetroffen binnen het plangebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling zoals geformuleerd in de Bal artikel 11.54. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is derhalve niet benodigd.
4.2 Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot kleine marterachtigen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in het plangebied. Er zijn geen nesten van vogels aangetroffen binnen het plangebied. Met betrekking tot de overige waargenomen soorten is geen sprake van overtreding, mits de Algemene zorgplicht en specifieke zorgplicht in acht wordt genomen.
4.3 Vervolgstappen Voor de uitvoering van de beoogde ruimtelijke ingreep is geen omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit nodig. Er gelden in het kader van natuurwetgeving geen verdere vervolgstappen.
11
Bronvermelding Van Dijk, J., 2025. Quickscan flora en fauna Schaapsteeg 9 te Kesteren. Buro Ontwerp & Omgeving, Arnhem.
Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2024) Kennisdocument Kleine marterachtigen (Bunzing – Hermelijn - Wezel) Bijlagen Bijlage 1 Kleine marterachtigen
12
Bijlagen Kleine marterachtigen De bunzing, hermelijn en wezel zijn kleine marterachtigen (figuur 1). Deze soorten zijn sterk gebonden aan kleinschalige landschappen met afwisselende structuren als houtwallen, bosschages, begroeide oevers, weides en parken. Afwisselende structuren bieden voldoende dekking en voedsel en zijn van groot belang bij de migratie. Alle drie de soorten zijn roofdieren die vaak dag en nacht actief opzoek zijn naar voedsel als kleine zoogdieren, amfibieën en (jonge) kleine vogels. Naast de belangrijke functies als dekking, voedsel en verspreiding moet een geschikt leefgebied ook voorzien in rust- en voortplantingsplaatsen. Droge plaatsen als oude holen, houtstappels, holle bomen, takkenrillen, strobalen, puinhopen en ook oude schuren en stallen bieden geschikte rust- en voortplantingsmogelijkheden. Met name in de nazomer, wanneer de dispersie plaats vindt en populatieaantallen het hoogste zijn, is de waarnemingskans het hoogst (BIJ12, 2024; Zoogdiervereniging, 2024).
Figuur 1 Links de bunzing, midden de wezel en recht de hermelijn (bron: © Zoogdiervereniging).
13
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 14