A - Bijlage 6 - Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Schaapsteeg 9 te Kesteren Bouwbedrijf J. G. Timmer B. V.
Projectnummer: 4267.01 Versie: 1 Datum: 28-02-2025
Inhoud 1.
Algemeen .................................................................................................................................................. 1 1.1 Inleiding .................................................................................................................... 1
2.
Onderzoeksgebied en werkzaamheden ............................................................................................ 2 2.1 Inleiding .................................................................................................................... 2 2.2 Algemene constateringen ......................................................................................... 2 2.3 Geplande werkzaamheden ....................................................................................... 3
3.
Werkwijze ..................................................................................................................................................4 3.1 Bureauonderzoek ...................................................................................................... 4 3.2 Veldbezoek ................................................................................................................ 4 3.3 Betrouwbaarheid ...................................................................................................... 4
4.
Wet- en regelgeving ............................................................................................................................... 5 4.1 Omgevingswet ........................................................................................................... 5 4.2 Gebiedsbescherming ................................................................................................ 5 4.3 Soortbescherming ..................................................................................................... 7 4.4 Houtopstanden ......................................................................................................... 8 4.5 Invasieve exoten ....................................................................................................... 8
5.
Resultaten .................................................................................................................................................9 5.1 Gebiedsbescherming ................................................................................................ 9 5.2 Soortbescherming ................................................................................................... 11 5.3 Samenvatting .......................................................................................................... 20
6.
Conclusie ................................................................................................................................................. 21 6.1 Gebiedsbescherming .............................................................................................. 21 6.2 Soortbescherming ................................................................................................... 22 6.3 Nader onderzoek .................................................................................................... 23
7.
Literatuurlijst ........................................................................................................................................ 24 7.1 Referenties .............................................................................................................. 24 7.2 Gebruikte websites ................................................................................................. 25 7.3 Overige geraadpleegde bronnen ............................................................................ 26
Quickscan flora en fauna
1.
Algemeen
1.1
Inleiding
Buro Ontwerp & Omgeving
In opdracht van Bouwbedrijf J. G. Timmer B. V. is door Buro Ontwerp & Omgeving een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Schaapsteeg 9 te Kesteren. Het onderzoeksgebied valt binnen kadastraal perceel KTR00-C-1201. De initiatiefnemer is voornemens een nieuwe vrijstaande woning te realiseren tussen de Schaapsteeg 7 en 9. Het doel van de quickscan flora en fauna is om een indicatie te krijgen van de aanwezigheid en (mogelijke) effecten van de ingreep op beschermde gebieden en dier- en plantensoorten. Uit deze quickscan moet blijken of er nadelige effecten zijn op gebieden met een speciale beschermingsstatus, namelijk op Natura 2000-gebieden, het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Vervolgens worden de mogelijke effecten onderzocht op onder de Omgevingswet (Ow) beschermde dier- en plantensoorten. Als nadelige effecten niet uit te sluiten zijn moet nader onderzoek plaatsvinden, dienen er mogelijk mitigerende maatregelen en compenserende maatregelen te worden getroffen en een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Deze quickscan is gebaseerd op bureauonderzoek en een veldonderzoek. In het voorliggende rapport worden achtereenvolgens het onderzoeksgebied (hoofdstuk 2), de werkwijze (hoofdstuk 3), de relevante wet- en regelgeving (hoofdstuk 4), de resultaten (hoofdstuk 5) en de conclusie (hoofdstuk 6) beschreven.
1
Quickscan flora en fauna
2.
Onderzoeksgebied en werkzaamheden
2.1
Inleiding
Buro Ontwerp & Omgeving
Het onderzoeksgebied bevindt zich ten zuidwesten van de bebouwde kom van Kesteren en is gelegen aan de Schaapsteeg. Op de locatie bevindt zich in de huidige situatie een weiland. In de directe omgeving van het onderzoeksgebied bevinden zich akkers, weilanden, agrarische bedrijven en diverse woonerven. Op de navolgende afbeelding is de begrenzing van het onderzoeksgebied weergegeven (Figuur 1). Het onderzoeksgebied is groter dan de planlocatie, aangezien er ook rekening gehouden dient te worden met de projectinvloed op naastgelegen, verstoringsgevoelige elementen.
Figuur 1. Luchtfoto van het onderzoeksgebied aan de Schaapsteeg te Kesteren (rood kader).
2.2
Algemene constateringen Het onderzoeksgebied bevindt zich tussen de woonerven van Schaapsteeg 7 en 9 en bestaat uit een weiland dat wordt begraasd door schapen. Het weiland wordt aan weerszijden begrensd door sloten, met aan de westkant een elzensingel. Aan de oostkant bevindt zich een rij van knotwilgen, maar dezen vallen buiten het onderzoeksgebied. Op het erf van Schaapsteeg 9 loopt het weiland over in een schapenstal. Schaapsteeg 7 is omgeven door een levensboomhaag, welke een deel van de noordelijk grens van het onderzoeksgebied beslaat.
2
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
Figuur 2. Sloot langs de oostelijke grens (linksboven), overzichtsfoto weiland met de elzensingel op de achtergrond (rechtsboven), haag als afscheiding van de noordelijke grens (linksonder) en de elzensingel met het woonerf van Schaapsteeg 9 op de achtergrond (rechtsonder).
2.3
Geplande werkzaamheden De initiatiefnemer is voornemens een nieuwe vrijstaande woning met bijgebouw te realiseren tussen de Schaapsteeg 7 en 9. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt ook een aanrijroute aangelegd, waarvoor een klein deel van de elzensingel verwijderd zal worden.
3
Quickscan flora en fauna
3.
Werkwijze
3.1
Bureauonderzoek
Buro Ontwerp & Omgeving
Voorafgaand aan het veldbezoek is onderzoek gedaan naar de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden, de voorkomende habitats en de verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en rondom het onderzoeksgebied. De bronnen die hiervoor zijn geraadpleegd zijn te vinden in de literatuurlijst (zie hoofdstuk 7).
3.2
Veldbezoek Het veldbezoek is uitgevoerd op 20 januari 2025 en vond plaats van 14:00 tot 14:45 Tijdens het veldbezoek was het bewolkt met wat lichte regen, stond er een zwakke wind (ZW2) en was het circa 1 graden Celsius. Er is gekeken naar het terrein en de geschiktheid hiervan voor beschermde flora en fauna. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van beschermde soorten, met inbegrip van sporen als braakballen, uitwerpselen, nesten en andere mogelijke verblijfplaatsen. Tabel 1. Deskundigheid betrokken medewerker(s). Naam
Deskundigheid
J. van Dijk
Studie: Afgestudeerd in Bos- en Natuurbeheer aan de Wageningen University & Research (WUR) te Wageningen. Functie: Ecoloog bij Buro Ontwerp & Omgeving sinds maart 2022.
3.3
Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de huidige wet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van deze soorten. In artikel 16.5 van de Omgevingswet is bepaald dat onderzoeken bij de vaststelling van het besluit niet ouder zijn dan twee jaar. Indien kan worden aangetoond dat de gegevens uit de onderzoeken nog actueel zijn, dan mogen onderzoeken bij de vaststelling ouder zijn dan twee jaar. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan flora en fauna geldig is voor een periode van maximaal drie jaar, tenzij de ecologische omstandigheden in deze periode wezenlijk zijn veranderd, of inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Wanneer de uitvoering van een plan meer dan drie jaar wordt uitgesteld, verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te onderzoeken.
4
Quickscan flora en fauna
4.
Wet- en regelgeving
4.1
Omgevingswet
Buro Ontwerp & Omgeving
Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet bundelt 26 wetten en diverse regels en voorschriften in één wet. Ook de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet. In de Omgevingswet speelt bij milieubelastende activiteiten het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een belangrijke rol. In het Bal staan rijksregels voor de fysieke leefomgeving, waaronder voor flora- en fauna-activiteiten. Daarnaast wordt hierin vermeld voor welke activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is en wie toezicht houdt. Een belangrijk verschil met de Wnb is dat de bepalingen over de zorgplicht (artikel 1.11, Wnb) concreter zijn aangegeven in de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal). Aanvullend zijn regels opgenomen over ongewone voorvallen (artikel 11.34, Bal en artikel 11.35, Bal). Onder de Wnb bestonden geen vergelijkbare bepalingen. De Omgevingswet bevat ook instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Zo kan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelen voor deze gebieden vaststellen (artikel 2.44, Ow). Ook is in het aanwijzingsbesluit opgenomen dat gebieden bij omgevingsverordening kunnen worden aangewezen tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bijzonder provinciaal natuurgebied of bijzonder provinciaal landschap.
Verder zijn instructieregels voor de omgevingsverordening opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregels verplichten provincies tot het aanwijzen van Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden), het vastleggen van de kenmerken en waarden van de NNN-gebieden en het stellen van regels voor de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de NNN-gebieden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt bovendien regelgeving voor het vellen van houtopstanden en voor activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve exoten tot gevolg kunnen hebben.
4.2
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn opgenomen in de Omgevingswet middels een aanwijzingsbesluit (artikel 2.44, Ow). Natura 2000-gebieden zijn gebieden waarin habitats en soorten worden beschermd die van communautair belang zijn. Per Natura 2000-gebied zijn specifieke instandhoudingsdoelen opgesteld. Activiteiten die significant nadelige effecten hebben op de kwaliteit van de habitats en/of de instandhoudingsdoelen van het gebied mogen niet plaatsvinden zonder een vergunning voor een Natura 2000-activiteit. Dit geldt niet alleen voor activiteiten binnen het Natura 2000gebied. Ook bij activiteiten aangrenzend of buiten het gebied kunnen significant nadelige gevolgen optreden.
5
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland bestaat uit een netwerk van natuurgebieden en heeft als doel deze beter met elkaar en omringende agrarische gebieden te verbinden. In Gelderland zijn deze gebieden bekend als het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De GNN-gebieden zijn aangewezen in de provinciale omgevingsvisie en beschermd volgens de bijbehorende provinciale omgevingsverordening (Provincie Gelderland, 2018; Provincie Gelderland, 2024). § 5.2.1 Gelders natuurnetwerk Artikel 5.5 (beschermen kwaliteit Gelders natuurnetwerk) 1. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties in het Gelders natuurnetwerk, wordt een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. 2. Er is geen sprake van nadelige gevolgen voor de oppervlakte als die in overeenstemming met de artikelen 5.12 tot en met 5.17 worden gecompenseerd: a. in de nabijheid van het Gelders natuurnetwerk; of b. in het Gelders natuurnetwerk op gronden die op de ambitiekaart bij het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland zijn aangeduid met code N00.01.
Groene ontwikkelingszone Om de samenhang van de natuur in het Gelders Natuurnetwerk te beschermen wil provincie Gelderland verbindingszones aanleggen in de vorm van de Groene Ontwikkelingszone. Het bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk mits tegelijk de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Dit dient te worden getoetst aan artikelen 5.20 t/m 5.25 van de omgevingsverordening van provincie Gelderland. In de instructie is opgenomen dat de natuur in het gebied versterkt moet worden indien er een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, ook als er geen natuur verloren gaat. § 5.2.2 Groene ontwikkelingszone Artikel 5.20 (beschermen Groene ontwikkelingszone) 1. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat: a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en b. de samenhang niet verloren gaat. 2. De versterking wordt bepaald aan de hand van de bijlage Versterking Groene ontwikkelingszone.
6
Quickscan flora en fauna
4.3
Buro Ontwerp & Omgeving
Soortbescherming Soorten met specifieke beschermingsregels Het Besluit activiteiten leefomgeving van de Omgevingswet kent drie beschermingsregimes voor soorten: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 lid 1, Bal) • Beschermingsregime soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het verdrag van Bern en bijlage I van het verdrag van Bonn (artikel 11.46 lid 1, Bal) • Beschermingsregime andere soorten uit Bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving (artikel 11.54 lid 1, Bal), ook wel soorten van nationaal belang genoemd. In bovengenoemde wetsartikelen uit het Bal zijn schadelijke handelingen opgenomen en is vastgesteld voor welke handelingen een vrijstelling kan worden verleend. De verbodsbepalingen houden in dat Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of gevangen en dat hun vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren niet opzettelijk mogen worden beschadigd of vernield. Ook is het rapen en onder zich hebben van eieren van vogelsoorten die onder deze richtlijnen vallen verboden. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt bovendien dat ze niet opzettelijk mogen worden gestoord. Daarnaast is het verboden om beschermde planten opzettelijk te plukken, verzamelen, ontwortelen, vernielen of af te snijden in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Als de activiteiten leiden tot het overtreden van deze verbodsbepalingen moet worden nagegaan of een provinciale vrijstelling geldt of dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit moet worden verkregen. Rode lijsten Kwetsbare en met uitsterven bedreigde soorten die niet onder de hiervoor genoemde beschermingsregimes vallen zijn door de minister van LNV opgenomen in de rode lijsten. Rode lijst-soorten vallen niet noodzakelijkerwijs onder specifieke beschermingsregels, zoals een vergunningsplicht bij schadelijke handelingen. Hiervan is alleen sprake als de soort ook beschermd is conform de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of Bijlage IX van het Bal. Desondanks zijn rode lijsten relevant bij ruimtelijke ontwikkelingen. Indien een activiteit nadelige effecten heeft op een rode lijst-soort wordt namelijk gesproken van een activiteit waarvoor de specifieke zorgplicht geldt. Specifieke zorgplicht Een activiteit kan nadelig zijn voor de van nature in het wild levende dier- en plantensoorten. Iemand die weet of kan weten dat er bij het verrichten van een activiteit nadelige effecten optreden moet zich houden aan de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt voor alle dier- en plantensoorten.
De volgende stappen zijn noodzakelijk: • Controle op aanwezige soorten en leefgebieden in het onderzoeksgebied; • Nagaan of nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten kunnen worden uitgesloten; • Nagaan wat nadelige gevolgen zijn als uitsluiten daarvan niet mogelijk is; • Passende preventieve maatregelen nemen om nadelige effecten te voorkomen; en • Stoppen met de activiteit of herstelmaatregelen treffen.
7
Quickscan flora en fauna
4.4
Buro Ontwerp & Omgeving
Houtopstanden Als houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap worden geveld kan er een meld- en herbeplantingsplicht gelden. Dergelijke houtopstanden worden in de Omgevingswet omschreven als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Voor het vellen en herbeplanten zijn er een aantal uitzonderingen op de rijksregels opgenomen in artikel 11.111 van het Bal. Voor de kap van houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap geldt gemeentelijke regelgeving, zoals verwoord in het omgevingsplan van de desbetreffende gemeente (artikel 5.165b, Bkl).
4.5
Invasieve exoten Algemeen In de Omgevingswet is regelgeving opgenomen voor activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve exoten tot gevolg kunnen hebben. Hierdoor is het onder zich of voorhanden hebben, vervoeren of ten vervoer aanbieden (van delen van invasieve exoten) expliciet aangemerkt als verhandelen. Invasieve exoten vormen een bedreiging voor de inheemse biodiversiteit en ecosystemen. Daarnaast kunnen invasieve exoten schadelijk zijn voor de economie, de openbare veiligheid en menselijke gezondheid. Bekende voorbeelden van invasieve exoten zijn de beverrat, Siberische grondeekhoorn, nijlgans, zonnebaars en Aziatische hoornaar. Het is onder meer verboden om deze soorten opzettelijk te houden, vrij te laten in het milieu, te kweken of vervoeren en het toestaan om zich voort te planten (artikel 11.108 lid 1, Bal en artikel 7 lid 1 van de Europese invasieve-exoten-basisverordening). Nationaal handelsverbod Aziatische duizendknopen Per 1 januari 2022 geldt er tevens een nationaal handelsverbod voor Aziatische duizendknopen (artikel 11.109a, Bal). Het verbod heeft betrekking op drie soorten: de Japanse duizendknoop, Sachalinse duizendknoop en bastaardduizendknoop. Het handelsverbod op Aziatische duizendknopen geldt ook voor besmette grond.
Gelet op deze ruime definitie van het woord ‘verhandelen’, maakt het hierbij niet uit of het gaat om de delen van de duizendknoop zelf, of om de delen van de duizendknoop in het transport van een partij grond. Dit betekent dat grondtransport met (levensvatbare delen van) Aziatische duizendknopen verboden is, tenzij een vrijstelling van toepassing is. Een vrijstelling geldt als er sprake is van niet-commerciële doeleinden, wanneer het transport plaatsvindt in het kader van uitroeiing, bestrijding of beheersing en op voorwaarde dat geen verdere verspreiding of introductie in het milieu plaatsvindt. Daarnaast geldt er een vrijstelling voor het verhandelen of in bezit hebben van dode delen of dode producten van Aziatische duizendknopen (NVWA, 2021).
8
Quickscan flora en fauna
5.
Resultaten
5.1
Gebiedsbescherming
Buro Ontwerp & Omgeving
5.1.1 Natura 2000 In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft Rijntakken dat op circa 2,1 kilometer ten zuiden van het onderzoeksgebied ligt. Het enige andere Natura 2000-gebied op minder dan 10 km afstand is het Binnenveld (ca. 9 km). Op de navolgende kaart is de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden weergegeven (Figuur 3).
Figuur 3 Ligging onderzoeksgebied (pijl) ten opzichte van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (groen gearceerde vlakken).
Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is namelijk meer dan 1 km. Door het gebruik van werktuigen en een toename van voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat Natura 2000-gebied Veluwe op minder dan 10 km afstand van het onderzoeksgebied liggen vindt er mogelijk stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van dit Natura 2000-gebied. Om de eventuele effecten van stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt aangeraden om een AERIUS-berekening (voortoets stikstof) uit te laten voeren voor zowel de realisatiefase als gebruiksfase. Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen worden uitgesloten als uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt. 9
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
5.1.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Het onderzoeksgebied ligt op ca. 980 meter afstand van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en op ca. 940 meter afstand van de Groene Ontwikkelingszone (GO) (Figuur 4). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.
Figuur 4. Ligging onderzoeksgebied (rood) t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en de Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen).
5.1.3 Houtopstanden De groenvoorzieningen in het onderzoeksgebied vallen onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet. De rijksregels over het vellen van houtopstanden zijn daarom van toepassing. Bij het vellen van bomen en/of struiken dient een kapmelding te worden gedaan bij provincie Gelderland. Bovendien geldt er een herbeplantingsplicht. Er wordt geadviseerd om een Vergunningcheck uit te voeren, alvorens wordt besloten om groenvoorzieningen te verwijderen.
10
Quickscan flora en fauna
5.2
Buro Ontwerp & Omgeving
Soortbescherming
5.2.1 Vleermuizen Op basis van openbare verspreidingsgegevens kunnen de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied voorkomen. Alle vleermuissoorten zijn op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal). Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten zoals de rosse vleermuis en gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis. Ook zijn er soorten die zowel gebouw- als boombewonend zijn. Gebouwbewonende vleermuizen maken doorgaans gebruik van spouwruimtes, spleten en vergelijkbare ruimtes in gebouwen. Binnen het onderzoeksgebied bevinden zich geen gebouwen. Gebouwen langs de rand van het onderzoeksgebied worden niet aangetast als onderdeel van de werkzaamheden en potentiële aanvliegroutes richting deze gebouwen worden gehandhaafd. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kunnen daarom worden uitgesloten. Boombewonende vleermuizen verblijven in boomholtes, holle oksels, spechtenholen, holle takken en achter loshangend schors van (oude) bomen. In en vlak rond het onderzoeksgebied bevinden zich diverse bomen, maar geen van de aanwezige bomen toonde potentieel geschikte holen, spleten of andere potentiële verblijfplaatsen.
Negatieve effecten op verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kunnen daarom worden uitgesloten. Vliegroutes Vleermuizen volgen vaak lijnvormige elementen om heen en weer te bewegen tussen de verblijfplaatsen en foerageergebieden. Het behoud van lijnvormige landschapselementen is daarom van groot belang voor de instandhouding van vleermuispopulaties. De realisatie van nieuwbouw en het verwijderen van enkele bomen in de elzensingel zal echter niet resulteren in het verlies van een vliegroute. Met betrekking tot een doorsteek voor de aanleg van een toegangsweg zal de afstand tussen de bomenkronen aan weerszijden namelijk minder dan 7 meter bedragen. Hiermee is de elzensingel nog steeds voldoende aaneengesloten om te kunnen functioneren als vliegroute voor de vleermuissoorten die voorkomen in de omgeving van het onderzoeksgebied. Negatieve effecten op de vliegroutes van vleermuizen kunnen daarom worden uitgesloten.
11
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
Essentiële foerageergebieden De in Nederland voorkomende vleermuizen leven allemaal van insecten. Ze foerageren daarom op allerlei plekken waar veel vliegende insecten aanwezig zijn. Enkele voorbeelden van dit soort gebieden zijn wind beschutte plaatsen langs lijnvormige elementen (bijv. sloten, beken, bosranden en houtwallen), maar ook in bosgebieden, open plekken in bossen of langs oevers met rietkragen. Bij het verdwijnen van essentiële foerageergebieden gaan de verblijfplaatsen ook verloren. De realisatie van nieuwbouw zal echter niet resulteren in het verlies van een essentieel foerageergebied. Negatieve effecten op essentiële foerageergebieden van vleermuizen kunnen daarom worden uitgesloten. Verlichting Maak in de actieve periode van vleermuizen ’s avonds en ’s nachts geen of zo min mogelijk gebruik van bouwverlichting. Uitstraling naar bomen, water en bebouwing moet worden voorkomen. Indien verlichting in de permanente situatie noodzakelijk is wordt aangeraden om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting. Zodoende kan eventuele verstoring tot een minimum worden beperkt. Er mag geen gebruik worden gemaakt van blauw en ultraviolet licht. Waar verlichting noodzakelijk is, dienen de lichtstralen gebundeld te zijn en op de grond te worden gericht.
5.2.2 Grondgebonden zoogdieren Algemene soorten Verschillende algemene grondgebonden zoogdieren kunnen voorkomen in en rondom het onderzoeksgebied. Het is niet uit te sluiten dat deze zoogdieren (nog) in het onderzoeksgebied aanwezig zijn tijdens de werkzaamheden. De meeste grondgebonden zoogdieren zijn in provincie Gelderland vrijgesteld. Wel dient voor deze soorten de specifieke zorgplicht te worden nageleefd, waarbij passende preventieve maatregelen moeten worden genomen om nadelige effecten te beperken. Wanneer er toch nadelige effecten optreden moeten de activiteiten worden gestaakt, of dienen er passende herstelmaatregelen te worden getroffen indien dit niet mogelijk is (artikel 11.27, Bal). Strikt beschermde soorten Op basis van verspreidingsgegevens kunnen de bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, das, bever en eekhoorn in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied voorkomen. Van deze soorten wordt de bever op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal) en zijn de overige soorten van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal). Gezien het onderzoeksgebied geen deel uitmaakt van de Veluwe kunnen negatieve effecten op het wild zwijn op voorhand worden uitgesloten. Er werden dan ook geen sporen van deze soorten aangetroffen.
12
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
De bunzing, hermelijn en wezel zijn kleine marterachtigen die in allerlei landschappen kunnen voorkomen, zoals kleinschalige cultuurlandschappen, natte hooilanden, duingebieden, bossen, houtwallen en plekken langs beken en rivieren. Alle kleine marters zoeken graag dekking in houtstapels, takkenrillen, steenhopen of heggen. Daarnaast wordt de bunzing vaak aangetroffen in oude holen van konijnen, vossen en dassen, maar bijvoorbeeld ook andere beschutte ruimtes zoals onder boomwortels of takkenrillen. ’s Winters trekt de bunzing vaker naar bewoonde gebieden en kan de soort ook in schuren verblijven. De hermelijn verblijft vaak in tunnels onder mossen, openingen tussen boomwortels, openingen onder omgevallen bomen en holen van konijnen, muizen en ratten. De wezel verblijft vooral in openingen tussen boomwortels en holen van muizen, ratten en mollen. Zowel de functionele leefomgeving als de rust- en voortplantingsplaatsen van deze soorten zijn beschermd (BIJ12, 2024). Het onderzoeksgebied bevindt zich in agrarisch gebied en buiten de winter biedt de elzensingel voldoende schuilmogelijkheden voor de wezel en hermelijn. Bovendien werd er een groot aantal holen aangetroffen tussen de wortels en in de stamvoet van bomen in de elzensingel. Deze holtes zijn echter niet van voldoende formaat om te dienen als verblijfplaats voor de bunzing.
Gezien de elzensingel wordt doorgestoken voor de realisatie van een toegangsweg kunnen negatieve effecten op de hermelijn en wezel niet worden uitgesloten.
Figuur 5. Voorbeelden van holtes in de stamvoet van bomen in de elzensingels.
Steenmarters kunnen binnen het leefgebied meerdere schuilplaatsen hebben, zoals takkenhopen, boomholtes, dichte struwelen, kruipruimtes of zolders. Ook ruimtes onder dakbedekkingen en spouwmuren worden gebruikt door steenmarters. Openingen van 5 à 6 cm zijn al van voldoende grootte om een schuilplaats te bereiken (Zoogdiervereniging, 2024 b). Op het erf van Schaapsteeg 9 bevinden zich potentieel geschikte verblijfplaatsen, maar deze worden niet aangetast als gevolg van de werkzaamheden. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van de steenmarter kunnen worden uitgesloten. 13
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
De das is een nachtactieve soort die voornamelijk voorkomt in kleinschalige landbouwlandschappen. Belangrijke onderdelen binnen een dassenterritorium zijn structuurrijke eikenbossen of bosjes en bemeste graslanden. In bepaalde delen van het jaar kunnen hoogstamboomgaarden, ruigte en akkers ook belangrijk zijn. Burchten kunnen bijvoorbeeld worden aangetroffen in houtwallen, langs bosranden, singels en heggen. De burchtingangen maken deel uit van een uitgebreid holenstelsel van lange gangen en kamers die onderling verbonden zijn. Andere sporen waaraan de das kan worden herkend zijn bijvoorbeeld graafsporen, wissels, haar aan prikkeldraad en mestputjes (BIJ12, 2017 b). Binnen de begrenzing van het onderzoeksgebied werden geen burchtingangen aangetroffen. Ook andere sporen werden niet aangetroffen. Negatieve effecten op de das kunnen daarom worden uitgesloten. De bever komt voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, meren, beken en rivieren. Binnen zijn territorium leeft de soort solitair of in een kleine familie. Een familie bestaat gewoonlijk uit een koppel met de jongen uit het huidige jaar en de twee voorgaande jaren. De aanwezigheid van bevers kan opgemerkt worden door waarnemingen van burchten, holen, dammen en knaagsporen aan bomen. De sloten aan de randen van het onderzoeksgebied zijn niet geschikt als leefgebied voor de bever.
Negatieve effecten op de bever kunnen worden uitgesloten. Eekhoorns bouwen bolvormige nesten in bomen. Deze hebben een doorsnede van 30 tot 50 cm en zijn vooral ‘s winters goed waarneembaar. Soms gebruiken ze ook boomholtes, oude kraaien- of eksternesten of grote nestkasten als nestplaats. Nesten van eekhoorns kunnen op die van de ekster lijken, maar zijn te onderscheiden aan de aanwezigheid van blaadjes (Zoogdiervereniging, 2025a). De elzensingel werd daarom onderzocht op de aanwezigheid van nesten en geschikte boomholtes, maar deze werden niet aangetroffen. Negatieve effecten op de eekhoorn kunnen daarom worden uitgesloten. 5.2.3 Vogels Algemene soorten Verschillende vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is kunnen voorkomen in en rondom het onderzoeksgebied. Hiervan werden de heggemus, houtduif en merel tijdens de quickscan waargenomen in het onderzoeksgebied. Conform de Vogelrichtlijn (artikel 11.37 lid 1, Bal) is het verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van in het wild levende vogelsoorten te vernielen of te beschadigen, of nesten van deze vogels weg te nemen. Tevens zijn alle vogelsoorten tijdens het broedseizoen beschermd. De Omgevingswet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen.
Voor de meeste vogels kan worden aangenomen dat het broedseizoen van 15 maart tot en met 15 juli loopt (indicatief broedseizoen), maar bij enkele soorten begint het broedseizoen eerder of loopt het langer door. Dichter bij het indicatieve broedseizoen is de kans op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten groter. Op het moment dat sprake is van een nest dat in gebruik is, zijn werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of vernieling hiervan verboden. Hierop is geen uitzondering en er is ook geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit mogelijk. Er wordt daarom geadviseerd om werkzaamheden waarbij nesten verstoord kunnen worden, (ruim) buiten het indicatieve broedseizoen uit te voeren.
14
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
Strikt beschermde soorten Van sommige vogelsoorten zijn de vaste rust- en nestplaatsen jaarrond beschermd (beschermingscategorie 1 t/m 4). Buiten de bebouwde kom van Kesteren kunnen dit de boomvalk, buizerd, sperwer, kerkuil, ransuil, steenuil, roek en huismus zijn. De boomvalk jaagt in open en halfopen landschap zoals parklandschappen, heiden of boerenland. Ze broeden in verschillende typen bos, maar geven de voorkeur aan halfopen bos of bosranden. De soort broedt in oude kraaien- of eksternesten (Vogelbescherming Nederland, 2025a). Dergelijke nesten zijn niet in of vlak rondom het onderzoeksgebied aangetroffen. Hierdoor kunnen negatieve effecten op de rust- of nestplaatsen van de boomvalk worden uitgesloten. De buizerd is een roofvogel die voorkomt in gevarieerde landschappen waar weilanden worden afgewisseld met houtwallen, bosranden en andere houtopstanden. De soort komt ook voor nabij en in stedelijke omgevingen, zoals bijvoorbeeld in grote parken, indien er voldoende rust wordt verkregen (BIJ12, 2017a). Het onderzoeksgebied is gelegen buiten de bebouwde kom van Varsselder, naast een houtopstand en weiland en vormt dus een potentieel geschikte leefomgeving voor de soort. Tijdens het veldbezoek werden echter geen horsten voor deze soort aangetroffen, waardoor negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestplaatsen van buizerds kunnen worden uitgesloten.
De sperwer broedt voornamelijk in jonge dichte naaldbossen en halfopen landschappen, maar kan ook in laanbomen, geïsoleerde bosjes en parken broeden (Vogelbescherming Nederland, 2025c). In de bomen in het onderzoeksgebied werden geen potentiële nesten van de sperwer aangetroffen. Ook werd gezocht naar prooiresten of andere sporen, maar deze werden eveneens niet aangetroffen. Negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestplaatsen van de sperwer kunnen daarom worden uitgesloten. De kerkuil leeft doorgaans in cultuurlandschappen waar ook kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen en bosjes worden aangetroffen. De soort broedt in Nederland in ongeveer 90% van de gevallen in nestkasten die in boerenschuren, torens, kerken of kastelen zijn geplaatst en heel incidenteel in boomholten (BIJ12, 2017 c). Boerenschuren zijn te vinden op het erf van Schaapsteeg 9, maar deze worden niet aangetast als gevolg van de werkzaamheden. Negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestlocaties van de kerkuil kunnen daarom worden uitgesloten. De ransuil leeft in kleinschalige landbouwlandschappen, bosranden, parken en open bosgebieden. De soort broedt meestal in oude nesten van kraaien, eksters en soms in oude nesten van reigers, roofvogels of eekhoorns. Bij voorkeur bevinden deze zich in naaldbomen, maar ook in boomopslag, houtwallen en vrijstaande bomen (Vogelbescherming Nederland, 2025b).
In de bomen langs het onderzoeksgebied werden geen potentiële nesten van de ransuil aangetroffen. Ook werd gezocht naar braakballen, prooiresten, krijtsporen of andere sporen, maar deze werden eveneens niet aangetroffen. Negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestplaatsen van de ransuil kunnen daarom worden uitgesloten.
15
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
De steenuil is een soort die voorkomt in kleinschalige cultuurlandschappen. Steenuilen broeden meestal in boomholten, nestkasten of nauwe ruimtes in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het beschot. De steenuil is een zeer honkvaste soort die jaarrond gebruik maakt van het nest (BIJ12, 2017e). In en vlak rond het onderzoeksgebied bevinden zich diverse bomen, maar geen van de aanwezige bomen toonde potentieel geschikte holtes voor de steentuil. Bebouwing is te vinden op het erf van Schaapsteeg 7 en 9, maar deze worden niet aangetast als gevolg van de werkzaamheden. De steenuil kan wel gebruik maken van het weiland als foerageergebied. In de omgeving van onderzoeksgebied bevindt zich echter ruim voldoende weilanden, boomgaarden en boomkwekerijen die kunnen dienen als leefgebied voor de steenuil. Negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestlocaties en van de steenuil kunnen daarom worden uitgesloten. De huismus is een standvogel die gebonden is aan bebouwing en komt voornamelijk voor in dorpen en steden. Nesten worden gebouwd onder dakpannen, in kieren en gaten van gebouwen en in speciaal voor de soort ontworpen mussenkasten (BIJ12, 2023 b). De huismus is tijdens het veldbezoek niet waargenomen in het onderzoeksgebied, maar wel op het erf van Schaapsteeg 16.
De bebouwing en functionele leefomgeving worden echter niet aangetast als gevolg van de werkzaamheden en rondom het onderzoeksgebied blijven geschikte groenvoorzieningen ruimschoots aanwezig. Negatieve effecten op eventuele nestlocaties van de huismus kunnen worden uitgesloten. Naast strikt beschermde soorten, vallen er ook soorten onder de Vogelrichtlijn, waarvan het nest alleen jaarrond beschermd is als er zwaarwegende ecologische redenen zijn. Deze soorten zijn opgenomen op de lijst van beschermde vogelsoorten uit beschermingscategorie 5 van het bevoegd gezag (rijk of provincie). Dit zijn voornamelijk holenbroeders, maar ook soorten die op of tegen gebouwen aan nestelen. Deze soorten zijn jaarrond strikt beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Voor deze soorten zijn er in de directe omgeving echter voldoende uitwijkmogelijkheden, waardoor de staat van instandhouding niet in gevaar komt. Er zijn dan ook geen ecologisch zwaarwegende redenen om potentiële nesten van deze soorten jaarrond te beschermen 5.2.4 Reptielen en amfibieën Algemene soorten Op basis van de openbare verspreidingsgegevens zijn verschillende algemene amfibieën te verwachten in de omgeving van het onderzoeksgebied. De meeste algemene amfibieën zijn in provincie Gelderland vrijgesteld.
Wel dient voor deze soorten de specifieke zorgplicht te worden nageleefd, waarbij passende preventieve maatregelen moeten worden genomen om nadelige effecten te beperken. Wanneer er toch nadelige effecten optreden moeten de activiteiten worden gestaakt, of dienen er passende herstelmaatregelen te worden getroffen indien dit niet mogelijk is (artikel 11.27, Bal). Strikt beschermde soorten Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt dat de ringslang, kamsalamander, rugstreeppad en poelkikker in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied kunnen voorkomen. Van deze soorten worden de kamsalamander, rugstreeppad en poelkikker op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal) en is de ringslang een soort van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal). 16
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats en is de enige slangensoort in Nederland die eieren legt. Voor de incubatie van de eieren is het noodzakelijk dat deze worden afgezet op plekken waar warmte wordt opgewekt. Voortplantingsplaatsen zijn daarom bijvoorbeeld ingerotte boomstobben, broeihopen van afgestorven riet en in door de mens aangelegde compost- en mesthopen (van den Bos, 2015). Het onderzoeksgebied voldoet echter niet aan de eisen die de ringslang stelt aan zijn leefomgeving en er zijn geen geschikte voortplantingsplaatsen aanwezig. Waarnemingen uit de omgeving zijn gecentreerd rondom de uiterwaarden langs de Rijn op ca. 3,6 kilometer afstand van het onderzoeksgebied. Gezien de vele barrières ten opzichte van het onderzoeksgebied kunnen negatieve effecten op de ringslang worden uitgesloten. De kamsalamander komt voor in relatief diepe, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde watervegetatie. In deze wateren zijn gewoonlijk geen vis en watervogels (ganzen en eenden) aanwezig. Vaak zijn deze gelegen in kleinschalige landschappen met elementen als struweel en houtwallen. In het rivierengebied komt de soort ook voor in strangen, kleiputten en kolken (Arntzen & Smit, 2009). Het onderzoeksgebied voldoet echter niet aan de eisen die de kamsalamander stelt aan zijn leefomgeving. Negatieve effecten op de soort zijn daarom uitgesloten.
De rugstreeppad komt voor op open zandige locaties met ondiep water zoals in heidevennen, sloten in poldergebieden, braakliggende terreinen, zandafgravingen, duinen en uiterwaarden (BIJ12, 2017d). In de omgeving van het onderzoeksgebied ontbreekt het echter aan open zandige locaties en gebieden met water. De aanwezige sloten in het onderzoeksgebied hebben steile en kale oevers en zijn daarom niet geschikt als leefgebied voor de rugstreeppad. Negatieve effecten op de soort kunnen daarom worden uitgesloten. De poelkikker heeft een voorkeur voor zwak zure, schone, stilstaande wateren in heide- en hoogveengebieden. Daarnaast komt de soort ook voor in de uiterwaarden, in veedrinkpoelen en in sloten van rivierkleipolders en halfnatuurlijke graslanden. In minder zure en voedselrijke wateren komt de soort alleen voor als er sprake is van een goede waterkwaliteit en een rijke begroeiing van oever- en waterplanten (Mulder & Creemers, 2009). De sloten langs het onderzoeksgebied worden niet aangetast als onderdeel van de werkzaamheden, aangezien de aanrijroute mogelijk wordt gemaakt middels een brug. Negatieve effecten op de poelkikker kunnen daarom worden uitgesloten.
17
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
5.2.5 Vlinders Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt dat de grote vos, sleedoornpage en teunisbloempijlstaart in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied kunnen voorkomen. Van deze soorten wordt de teunisbloempijlstaart op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal) en zijn de grote vos en de sleedoornpage soorten van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal). De grote vos is een zeldzame, zwerflustige vlinder die zich sinds 2019 weer verspreid door Nederland heeft voortgeplant. De belangrijkste waardplanten voor deze soort zijn breedbladige wilgensoorten, iepen en zoete kers. Ook functioneren de ratelpopulier en peer als waardplant voor de grote vos. De rupsen leven namelijk vaak op struiken en bomen die zich bevinden langs brede bospaden, bosranden, in boomgaarden of op kapvlaktes. De rupsen van de grote vos leven in groepen van tientallen tot enkele honderden rupsen bij elkaar en kunnen zich hoog in struiken en bomen bevinden. De soort overwintert als vlinder in oude, houten schuren, in holle bomen en tussen houtstapels (Bos, 2006). Het onderzoeksgebied voorziet niet in geschikte waardplanten voor de soort en potentiële overwinteringslocaties worden als gevolg van de werkzaamheden niet aangetast. Negatieve effecten op de voortplantings- en overwinteringslocaties kunnen worden uitgesloten.
De sleedoornpage is sterk gebonden aan de waardplant en wordt daarom vooral aangetroffen in sleedoornstruwelen en op plekken met vrijstaande pruimen. Waardplanten bevinden zich vaak in houtwallen, langs bosranden, langs spoor- en wegbermen en in tuinen en stadsparken. De sleedoornpage zet haar eitjes af op jonge takken van de sleedoorn en pruim (van Norren et al., 2019). In het onderzoeksgebied zijn echter geen waardplanten aanwezig, waardoor negatieve effecten op de sleedoornpage kunnen worden uitgesloten. De teunisbloempijlstaart gebruikt het (harig) wilgenroosje, de basterdwederik, teunisbloem en grote kattenstaart om de eitjes op af te zetten. De soort komt daarom voor in vochtige bossen, bosranden en warme open plekken (van Deijk, 2018). De waardplanten van de soort werden echter niet aangetroffen waardoor negatieve effecten op de teunisbloempijlstaart kunnen worden uitgesloten. 5.2.6 Overige beschermde diersoorten In de ruime omgeving van het onderzoeksgebied zijn waarnemingen bekend van de strikt beschermde platte schijfhoren en rivierrombout. Deze soorten worden op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal). De platte schijfhoren komt voor in ondiepe, onbeschaduwde wateren met een uitbundige onderwatervegetatie. De soort wordt aangetroffen in plassen en voedselrijke sloten van (veen)weidegebieden.
Andere biotopen zijn voedselrijke duin- en laagveenplassen en het overstromingsgebied van de grote rivieren (Stichting ANEMOON, 2024). De sloten langs het onderzoeksgebied worden niet aangetast als onderdeel van de werkzaamheden, aangezien de aanrijroute mogelijk wordt gemaakt middels een brug. Negatieve effecten op de platte schijfhoren kunnen daarom worden uitgesloten.
18
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
De rivierrombout wordt langs grote rivieren met traag stromende trajecten aangetroffen. Het larvenhabitat bestaat uit zandige substraten in ondiepe, onbegroeide, stromingsluwe riviertrajecten (De Vlinderstichting, 2024). Gelet op de geschiktheid van het onderzoeksgebied kunnen negatieve effecten op de rivierrombout niet worden uitgesloten. 5.2.7 Vaatplanten en mossen Op basis van openbare verspreidingsgegevens blijkt dat de strikt beschermde akkerogentroost, kartuizer anjer en stijve wolfsmelk in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied te verwachten is. Deze planten zijn soorten van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal). Negatieve effecten op de akkerogentroost en kartuizer anjer kunnen op voorhand worden uitgesloten aangezien deze planten voorkomen op matig voedselarme en zeer stikstofarme, vaak kalkhoudende grond. Het onderzoeksgebied bestaat uit weiland op een bodem van rivierklei en vormt daarmee geen geschikte groeiplaats voor deze soorten. Stijve wolfsmelk staat op open plekken met vochtige, stikstofrijke en matig voedselrijke, kleibodems die weinig bemest zijn. Ze groeit de soort in akkers, langs boszomen en op slootkanten (NDFF & FLORON, 2025). Het onderzoeksgebied werd daarom onderzocht op de aanwezigheid van deze plantensoort. Stijve wolfsmelk werd echter niet aangetroffen. Negatieve effecten zijn daarom uitgesloten.
Tijdens de quickscan werden alleen algemene plantensoorten waargenomen in en rondom het onderzoeksgebied, namelijk de beuk, klimop, levensboom pijlriet, schietwilg en zwarte els. De rijksregels voor een flora- en fauna-activiteit zijn niet van toepassing op deze soorten en er hoeft voor deze soorten geen omgevingsvergunning te worden aangevraagd. 5.2.8 Rode lijst-soorten Tijdens de quickscan werden geen Rode lijst-soorten vastgesteld Uit verspreidingsgegevens blijkt echter dat het onderzoeksgebied ook geschikt is voor de haas en konijn. Hierdoor dienen maatregelen ter bescherming van de haas en konijn te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Hiermee kan worden voldaan aan de specifieke zorgplicht. 5.2.9 Invasieve exoten Planten en dieren op de Unielijst Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van invasieve exoten gedaan. Omtrent invasieve exoten hoeft geen melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag. Aziatische duizendknopen Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van Aziatische duizendknopen gedaan. Er hoeven daarom geen aanvullende stappen te worden ondernomen omtrent de Aziatische duizendknopen.
19
Quickscan flora en fauna
5.3
Buro Ontwerp & Omgeving
Samenvatting Tabel 2 geeft een overzicht van soorten die (mogelijk) aanwezig zijn, de effecten waar ze last van kunnen hebben en eventuele vervolgstappen die genomen moeten worden. Tabel 2. Soortenoverzicht. Soortgroep
Soort(en)
Aanwezigheid
Mogelijk effect
Opmerkingen
Vleermuizen
Verblijfplaatsen
Mogelijk
Nee
-
Nee
Nee
-
Foerageergebieden
Nee
Nee
-
Vliegroutes
Nee
Nee
-
Hermelijn en wezel
Mogelijk
Beschadigen of
Nader onderzoek
vernielen van rust- of
nodig
gebouwbewonende soorten Verblijfplaatsen boombewonende soorten
Grondgebonden zoogdiersoorten
voortplantingsplaatsen Algemene soorten
Mogelijk
Nee*
-
Strikt beschermde
Mogelijk
Nee
-
Algemene soorten
Mogelijk
Verstoren nestplaatsen
Werken buiten het
Reptielen en
Strikt beschermde
Nee
Nee
-
amfibieën
soorten Algemene soorten
Mogelijk
Nee*
-
Strikt beschermde
Nee
Nee
-
Nee
Nee
-
Nee
Nee
-
Mogelijk
Beschadigen of
Opnemen van
vernielen van
passende
rustplaatsen en
preventieve
voortplantingsplaatsen
maatregelen in een
of functioneel
ecologisch
leefgebied*
werkprotocol
Nee
Nee
-
Nee
Nee
-
Vogels
soorten vogelbroedseizoen
Vlinders
soorten Overige
Strikt beschermde
diersoorten
soorten
Vaatplanten en
Strikt beschermde
mossen
soorten
Rode lijst-
Haas en, konijn
soorten
Exotische
Soorten van de
soorten
Unielijst Aziatische duizendknopen
*Er dient rekening te worden gehouden met de specifieke zorgplicht.
20
Quickscan flora en fauna
6.
Conclusie
6.1
Gebiedsbescherming
Buro Ontwerp & Omgeving
Er is onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten op beschermde gebieden. Natura 2000 Het onderzoeksgebied ligt buiten de Natura 2000-gebieden. Aangezien het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op ca. 2,1 km afstand ligt zijn negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten uitgesloten. Door het gebruik van werktuigen en voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Om de eventuele effecten van stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt aangeraden om een AERIUS-berekening (voortoets stikstof) uit te laten voeren voor zowel de realisatiefase als gebruiksfase. Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen worden uitgesloten als uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt. Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Het onderzoeksgebied ligt op ca. 980 m afstand van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en op ca. 940 m afstand van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.
Houtopstanden De groenvoorzieningen in het onderzoeksgebied vallen onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet. De rijksregels over het vellen van houtopstanden zijn daarom van toepassing. Bij het vellen van bomen en/of struiken dient een kapmelding te worden gedaan bij provincie Gelderland. Bovendien geldt er een herbeplantingsplicht. Er wordt geadviseerd om een Vergunningcheck uit te voeren, alvorens wordt besloten om groenvoorzieningen te verwijderen.
21
Quickscan flora en fauna
6.2
Buro Ontwerp & Omgeving
Soortbescherming Er is onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten op beschermde soorten.
6.2.1 Jaarrond beschermde soorten Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het onderzoeksgebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt per soort ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden. Alle onderstaande soorten dienen nader onderzocht te worden. Hermelijn en wezel Een groot deel van de elzen langs de westelijke grens van het onderzoeksgebied zijn geschikt als verblijfplaats voor de hermelijn en wezel. Hierdoor kunnen negatieve effecten op een rustof voortplantingsplaats van de hermelijn en wezel niet worden uitgesloten. De hermelijn en wezel zijn soorten van nationaal belang en zijn in de provincie Gelderland niet vrijgesteld. Het is daarom verboden om de soorten opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soorten. De aanwezigheid van de hermelijn en wezel moet daarom nader worden onderzocht. 6.2.2 Algemene diersoorten Het kan zijn dat er tijdens de werkzaamheden algemene broedvogels en andere diersoorten in en rond het onderzoeksgebied voorkomen. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden moet de specifieke zorgplicht in acht worden genomen (artikel 11.27, Bal).
Handelingen die nadelige effecten hebben moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is moeten passende preventieve maatregelen worden genomen om nadelige effecten te beperken of ongedaan te maken. Bovendien moet zowel tijdens als na het verrichten van de activiteit worden nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen. Passende herstelmaatregelen moeten worden getroffen als het staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is. Tevens dienen de werkzaamheden (ruim) buiten het indicatieve vogelbroedseizoen plaats te vinden, omwille de aanwezigheid van algemene broedvogelsoorten (15 maart - 15 juli). 6.2.3 Rode lijst-soorten Uit blijkt verspreidingsgegevens dat het onderzoeksgebied geschikt is voor de haas en het konijn. Maatregelen ter bescherming van deze soorten dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Hiermee kan worden voldaan aan de specifieke zorgplicht voor deze soorten.
22
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
6.2.4 Invasieve exoten Planten en dieren op de Unielijst Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van invasieve exoten gedaan. Omtrent invasieve exoten hoeft geen melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag. Aziatische duizendknopen Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van Aziatische duizendknopen gedaan. Er hoeven daarom geen aanvullende stappen te worden ondernomen omtrent de Aziatische duizendknopen. 6.2.5 Verlichting Maak in de actieve periode van vleermuizen ’s avonds en ’s nachts geen of zo min mogelijk gebruik van bouwverlichting. Uitstraling naar bomen, water en bebouwing moet worden voorkomen. Indien verlichting in de permanente situatie noodzakelijk is wordt aangeraden om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting. Zodoende kan eventuele verstoring tot een minimum worden beperkt. Er mag geen gebruik worden gemaakt van blauw en ultraviolet licht. Waar verlichting noodzakelijk is, dienen de lichtstralen gebundeld te zijn en op de grond te worden gericht.
6.3
Nader onderzoek Gelet op de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de hermelijn en wezel is nader onderzoek noodzakelijk om de daadwerkelijke functie van het onderzoeksgebied voor deze soorten te kunnen bepalen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van het Bal aan de orde zijn. Het nader onderzoek naar de hermelijn en wezel moet worden uitgevoerd tussen 1 juni en 15 november conform het kennisdocument van BIJ12 (BIJ12, 2024). In deze periode is de trefkans het grootst aangezien populatieaantallen hier het hoogst zijn en omdat in deze periode dispersie plaatsvindt. Een onderzoeksperiode dient minimaal acht aaneengesloten weken te duren. Om binnen de geschikte periode te blijven moet het nader onderzoek uiterlijk half september starten. Onderzoek naar de kleine marters vindt plaats aan de hand van een combinatie van onderzoeksmethoden, namelijk door middel van cameravallen, sporenbuizen en/of marterboxen. Hierbij geldt de minimale inzet van één cameraval of marterbox per 0,25 hectare geschikt leefgebied. Voor sporenbuizen geldt dat een grotere inzet nodig is, waarbij het toepassen van 10 sporenbuizen gelijk staat aan één cameraval of marterbox. Elk meetpunt dient elke te onderzoeken soort te dekken.
Binnen de onderzoeksperiode van acht weken bestaat de mogelijkheid om na vier weken het onderzoeksmateriaal te verplaatsen om meer meetpunten te creëren. De hermelijn en wezel kunnen voor de camera gelokt worden met een sterk geurende lokstof.
23
Quickscan flora en fauna
7.
Literatuurlijst
7.1
Referenties
Buro Ontwerp & Omgeving
Arntzen, J.W. & Smit, G.F.J. (2009). Amfibieën en reptielen: Kamsalamander. Natuur van Nederland, 9(1), 105-113. BIJ12 (2024). Kennisdocument kleine marterachtigen (versie 1.0, januari 2024). Utrecht, Nederland: BIJ12 BIJ12 (2023). Kennisdocument Huismus (versie 2.1, februari 2023). Utrecht, Nederland: BIJ12. BIJ12 (2017a). Kennisdocument Buizerd (versie 1.0, juli 2017). Utrecht, Nederland: BIJ12 BIJ12 (2017b). Kennisdocument Das (versie 1.0, juli 2017). Utrecht, Nederland: BIJ12 BIJ12 (2017c). Kennisdocument Kerkuil (versie 1.0, juli 2017). Utrecht, Nederland: BIJ12 BIJ12 (2017d). Kennisdocument Rugstreeppad (versie 1.0, juli 2017). Utrecht, Nederland: BIJ12 BIJ12 (2017e). Kennisdocument Steenuil (versie 1.0, juli 2017). Utrecht, Nederland: BIJ12 Bos, B. van den (2015). Ringslangen en broeihopen. Schubben & Slijm, 7(1), 4-5. Bos, F. (2006). Dagvlinders: Grote vos Nymphalis polychloros. Natuur van Nederland, 7(1), 268271. Bos, B. van den (2015). Ringslangen en broeihopen. Schubben & Slijm, 7(1), 4-5. Deijk, J. van (2018). Een nieuwe standvlinder: De teunisbloempijlstaart. Vlinders, 33(4), 15-15. De
Vlinderstichting (2025). Rivierrombout. Geraadpleegd op 18 januari 2025 via https://www.vlinderstichting.nl/libellen/overzicht-libellen/details-libel/rivierrombout
IVN (2025). Maart: Ringslang - Natrix natrix. Geraadpleegd op 18 januari 2025 via https://www.ivn.nl/afdeling/hoogeveen/over-ons/publicaties/soort-van-demaand/maart-ringslang-natrix-natrix/ Mulder, J. & Creemers, R.C.M. (2009). Amfibieën en reptielen: Poelkikker. Natuur van Nederland, 9(1), 229-235. NDFF & FLORON (2025). Euphorbia stricta L. Geraadpleegd op 18 januari 2025 via https://www.verspreidingsatlas.nl/0501# Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit [NVWA] (2021). Factsheet Japanse duizendknoop. Geraadpleegd op 18 januari 2025 via https://www.nvwa.nl/documenten/plant/planten-inde-natuur/exoten/risicobeoordelingen/factsheet-japanse-duizendknoop 24
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
Netwerk Groene Bureaus [NGB] (2023). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie nov 2023). Geraadpleegd via https://www.netwerkgroenebureaus.nl/downloads/21?download=926 Norren, E. van, Adrichem, M. van, Bekker, D., Bos, G., Bosman, W., Creemers, R., Dijkstra, V, Limpens, H. & Smit, J. (2019). Staat van instandhouding Gelderland: Factsheets voor 24 soorten. Nijmegen, Nederland: Zoogdiervereniging. Provincie Gelderland (2018). Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Arnhem, Nederland: Provincie Gelderland. Provincie Gelderland (2024). Omgevingsverordening Gelderland. Arnhem, Nederland: Provincie Gelderland. Stichting ANEMOON (2025). Platte schijfhoren. Geraadpleegd op 18 januari 2025 via https://www.anemoon.org/beheer/website/bewaar/soorten/id/826/platte-schijfhoren Vogelbescherming Nederland (2025a). Boomvalk. Geraadpleegd op 18 januari 2025 via https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-overvogels/vogelgids/vogel/boomvalk Vogelbescherming Nederland (2025b). Ransuil. Geraadpleegd op 18 januari 2025 via https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-overvogels/vogelgids/vogel/ransuil Vogelbescherming Nederland (2025c). Sperwer. Geraadpleegd op 18 januari 2025 via https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-overvogels/vogelgids/vogel/sperwer