CConstaterende datMook en Middelaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Zienswijzenota Participatieverordening

Raadsvergadering 11 december 2025, gemeente Mook en MiddelaarBij agendapunt: Raadsvoorstel Participatieverordening Mook en Middelaar 20253.581 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Zienswijzenota op Ontwerp-Participatieverordening 2025 Inleiding De Ontwerp-Participatieverordening heeft zes weken ter inzage gelegen. Van vrijdag 5 september 2025 tot en met vrijdag 17 oktober 2025. Er zijn drie zienswijzen ingediend. In deze zienswijzenota geeft het college reactie en toelichting op de vragen en opmerkingen uit de binnengekomen zienswijzen. Er wordt uitgelegd waarom een opmerking wel of niet leidt tot aanpassing in de definitieve Participatieverordening. Zienswijzen op ontwerp-participatieverordening 2025 Zienswijze 1 1 Leg de vijf treden van de participatieladder (summier verwoord in het concept in paragraaf 1, artikel 1b en kort uitgelegd in paragraaf 2, artikel 4-4a t/m d) uit zoals dat in het werkdocument als bijlage van de 'Notitie Burgerparticipatie' van januari 2016 is gebeurd. 2

Vul in de participatieladder de tekst van trede 1 (informeren) aan met de mogelijkheid dat burgers naast het stellen van vragen ook opmerkingen mogen maken die bovendien beide worden gedocumenteerd voor toepassing tijdens latere treden. Deze opmerkingen kunnen het plan verbeteren, het draagvlak vergroten en/of juridische problemen voorkomen. Ook om gebruik te kunnen maken van eerdergenoemde 'waardevolle kennis in de samenleving' moet al bij trede 1 gewaarschuwd kunnen worden voor strijdigheid met wet- en regelgeving of het eigen beleid van de gemeente. Daarnaast kan aangegeven worden dat er niet-benoemde belangen of onzekere factoren spelen en dat er kans is op ongewenste effecten. Bovendien kan gewezen worden op een alternatieve aanpak die logischer, efficiënter en/of goedkoper is. Neem ook deze mogelijkheden op in paragraaf2, artikel 4-1.

Reactie van het college Deze opmerking leidt tot een aanpassing in de verordening. Zie wijziging 4 in de bijlage ‘Wijzigingen ontwerp-participatieverordening naar definitieve verordening’. Toelichting: Bij artikel 4.4 worden de namen van de participatietreden ter verduidelijking toegevoegd. Deze opmerking leidt niet tot aanpassingen in de verordening. Toelichting: De participatieladder geeft de verschillende niveaus van invloed van inwoners aan, variërend van informeren (laagste trede) tot meebeslissen (hoogste trede). Het is belangrijk om te benadrukken dat de ladder geen ‘opklimmend’ traject is waarin inwoners tijdens een proces automatisch steeds meer invloed krijgen. Bij elk traject wordt vooraf bepaald op welke trede van de ladder participatie plaatsvindt. De eerste trede van de participatieladder – informeren – heeft als doel het verstrekken van informatie door de gemeente, zodat inwoners goed worden geïnformeerd over plannen, beleid of projecten. Er is op dat moment geen sprake van participatie in de zin van invloed; dat gebeurt pas als er is gekozen voor de hogere treden van de ladder (zoals raadplegen, adviseren, coproduceren of meebeslissen). Het toevoegen van mogelijkheden voor het indienen of documenteren van opmerkingen bij trede 1 zou de duidelijkheid over de aard en het doel van de verschillende treden vertroebelen. De participatieladder 1

is juist bedoeld om onderscheid te maken tussen de mate van invloed die inwoners hebben.

3

4

Informeer in alle gevallen van toe te passen burgerparticipatie de gemeenteraad en laat de raad beslissen of wel of niet tot participatie wordt overgegaan én laat de keuze over de trede van de participatieladder ook aan de gemeenteraad. Laat deze laatste keuze dus niet over aan het college of de burgemeester alleen. Wijzig daarom het algemene begrip 'het bestuursorgaan' in specifiek 'de gemeenteraad' in paragraaf2, artikel 4-1, 4-2 en 4-4 van het concept. Let erop dat artikel 4-3 in paragraaf2 ontbreekt!

Zorg dat er mogelijkheden zijn inbreng van burgers te verwerken in voorliggende concepten van beleidsstukken. Dichtgetimmerde nota's en plannen lenen zich immers niet meer voor het aanbrengen van wijzigingen en aanvullingen. Dit betekent ook dat de participatie zo ver mogelijk aan het begin van het besluitvormingsproces wordt gestart. Leg een en ander vast in paragraaf 2, artikel 4-1.

Dit neemt niet weg dat inwoners tijdens informatiebijeenkomsten of presentaties altijd de gelegenheid krijgen om vragen te stellen of signalen te delen. De verwerking daarvan is echter onderdeel van de praktische uitvoering van participatie en hoeft niet formeel te worden vastgelegd in de verordening. Deze opmerking leidt tot een aanpassing in de verordening. Zie wijziging 5 in de bijlage ‘Wijzigingen ontwerp-participatieverordening naar definitieve verordening’. We leggen explicieter uit wanneer de raad in hun kaderstellende rol betrokken is bij participatie. Toelichting: Niet alle besluiten en processen vallen onder de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad. Veel projecten en beleidsuitwerkingen worden uitgevoerd door het college of de burgemeester, die binnen hun (wettelijk) mandaat zelfstandig besluiten nemen over de inrichting van participatie. Als de bevoegdheid om in alle gevallen de keuze voor participatie en de trede van de participatieladder bij de gemeenteraad zou worden gelegd, zou dit leiden tot een onnodige verzwaring van procedures en een vertraging van uitvoeringsbesluiten. De huidige formulering biedt voldoende ruimte voor de raad om bij kaderstellende besluiten zelf te bepalen op welke wijze participatie wordt vormgegeven, terwijl het college voor uitvoerende besluiten deze verantwoordelijkheid behoudt.

Daarnaast heeft de gemeenteraad altijd het recht om vanuit de controlerende rol het college of de burgemeester vanuit de desbetreffende rol ter verantwoording te roepen. Deze opmerking leidt tot een aanpassing in de verordening. Zie wijziging 2 in de bijlage ‘Wijzigingen ontwerp-participatieverordening naar definitieve verordening’. Toelichting: Vierde randvoorwaarde ‘Er is ruimte voor inwoners om iets te kiezen’ voegen we toe. Hiermee moet er dus voorafgaand aan het traject al bepaald zijn of inwoners iets te kiezen hebben. Hiermee voorkom je dat je aan participatie start terwijl alles al ‘dichtgetimmerd’ is. 2

5

De Omgevingswet omschrijft participatie grotendeels slechts in algemene bewoordingen waarbij ook paragraaf 6 van deze Ontwerp-Participatieverordening weinig verduidelijkt. Zo staat daar dat "de artikelen 4, 5 en 6 van deze verordening van toepassing" zijn. Om welke artikelen gaat het dan? Bovendien rijst de vraag aan welke eisen een participatieplan moet voldoen, zeker als het een particulier initiatief betreft. Die eisen zouden toch in paragraaf 6 moeten staan, zoals ook het geval is in paragraaf5 over het Uitdaagrecht.

Deze opmerking leidt niet tot aanpassingen in de verordening. Bij de omgevingsvisie, het (omgevings)programma, het omgevingsplan (wanneer de gemeente initiatiefnemer is) en de omgevingsvergunning (wanneer de gemeente aanvrager is) is de gemeente verantwoordelijk voor participatie. Daarom zijn de artikelen 4, 5 en 6 uit de verordening hierbij van toepassing. In artikelen 4.2 tot en met 4.4 worden de kaders gegeven voor een participatieplan wanneer de gemeente zelf verantwoordelijk is voor participatie. In gevallen dat participatie bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht is gesteld (zie delegatiebesluit van de raad), stelt de initiatiefnemer een participatieplan op en voert dit uit. Hieraan stellen we dezelfde eisen als wanneer wij als gemeente een participatieplan opstellen.

6

Aanvulling paragraaf 6, artikel 17: Als er na presentatie van een plan, beleid, programma, project of visie in het kader van de Omgevingswet nog wijzigingen of aanvullingen nodig zijn worden deze ter besluitvorming aan de gemeenteraad voorgelegd.

Conform de Omgevingswet is het voor initiatiefnemers verplicht om te laten zien hoe de omgeving en of andere belanghebbenden zijn meegenomen in de totstandkoming van het initiatief. Hoe zij dit doen is vormvrij. Dit kan variëren van een gesprek met de buren, tot een volledig participatieplan, afhankelijk van de grootte en impact van het initiatief. In elk voortraject denkt de gemeente mee en adviseert de initiatiefnemer hierover. Daarbij kan wel worden gewezen naar onze eigen beleidsregels over participatie. Deze opmerking leidt niet tot aanpassingen in de verordening. Toelichting: De voorgestelde aanvulling gaat over de bevoegdheden en besluitvormingsprocedures binnen de gemeente en niet over de wijze waarop participatie wordt vormgegeven. De participatieverordening regelt het proces van participatie – hoe inwoners, organisaties en belanghebbenden kunnen meedenken en meedoen – maar niet wie formeel een besluit neemt of hoe wijzigingen in beleidsstukken bestuurlijk worden afgehandeld. De bestaande wettelijke en bestuurlijke kaders (zoals de Gemeentewet, de Omgevingswet en het delegatiebesluit) bepalen welke besluiten door het college of door de raad worden genomen. Het opnemen van een dergelijke bepaling in de

3

7

8

Neem in paragraaf 7, artikel 18, op dat naast het documenteren van opmerkingen, correcties en aanvullingen van burgers tijdens de vijf treden van de participatieladder, ook met latere berichten vanuit de samenleving over uitvoering en handhaving van het plan of project zorgvuldig wordt omgegaan.

participatieverordening zou daarom juridisch en procedureel niet passend zijn. Deze opmerking leidt niet tot aanpassingen in de verordening. Toelichting: De uitvoering en handhaving van beleid, plannen of projecten vallen buiten het bereik van de participatieverordening. Hoewel signalen uit de samenleving over uitvoering en handhaving uiteraard serieus worden genomen, horen deze thuis in de reguliere uitvoeringspraktijk en niet in de participatieverordening zelf.

Bijna wekelijks zien we in Nederland voorbeelden van burgers die zich niet gehoord denken te weten, ook niet door de gemeenteraad van hun woongemeente, en tot volstrekt onaanvaardbare handelingen overgaan. Neem het idee van David van Reybrouck, sinds maart 2025 'Denker der Nederlanden', ter harte om burgerberaden in te stellen die in een vroeg stadium van de besluitvorming kunnen adviseren. Zie hiervoor onder meer: 'Tegen verkiezingen', uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2016 3 en 'De Wereld en de Aarde', uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2025. Leg dit idee voor aan de gemeenteraad ter overdenking en mogelijk aanvulling op het 'Beleidskader participatieaanpak inwonerparticipatie en bestuursstijl'.

Deze opmerking leidt niet tot aanpassingen in de verordening.

Wij vinden het belangrijk dat inwoners hun belangen, ideeën en kennis kunnen inbrengen bij het maken van visies, beleid, plannen, programma’s en projecten. Om inbrengers blijvend gemotiveerd te houden, moet zorgvuldig met de procedure en de opbrengsten worden omgegaan. Artikel 4.8 en 4.9 vinden we daarbij een risico. Artikel 4.8 geeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om de kaders of inrichting van de participatieprocedure lopende de procedure te wijzigen. Maar welke mogelijkheid hebben de inbrengers om een bestuursorgaan tijdens een participatieprocedure aan de afspraken te houden? Inzet van artikel 4.9 maakt het voorafgegane participatietraject waardeloos en moet dus zeer terughoudend worden ingezet. Sterk uiteenlopende visies, belangen en meningen

Deze opmerking leidt tot een aanpassing in de verordening. Zie wijziging 6 en 7 in de bijlage ‘Wijzigingen ontwerpparticipatieverordening naar definitieve verordening’.

Toelichting: De participatieverordening heeft als doel om kaders te stellen voor de wijze waarop inwoners kunnen worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid en besluiten. De verordening schrijft niet voor welke specifieke participatieinstrumenten moeten worden ingezet. Het instrument burgerberaad kan in de praktijk een waardevolle aanvulling zijn, maar valt onder de uitwerking van gemeentelijk beleid en niet onder de juridische bepalingen van de verordening. Het college en de gemeenteraad kunnen besluiten om met nieuwe vormen van participatie, zoals burgerberaden, te experimenteren. Dit past binnen de ruimte die de verordening en het Experimenteerprogramma (artikel 7) bieden.

Zienswijze 2. 9

Toelichting: Het college onderkent het belang van een zorgvuldig participatieproces en het gemotiveerd omgaan met de inbreng van inwoners. De artikelen 4.8 en 4.9 zijn juist opgenomen om flexibiliteit en zorgvuldigheid te waarborgen in situaties waarin nieuwe feiten of omstandigheden zich voordoen. Participatietrajecten vinden vaak plaats in een dynamische context, waarin nieuwe feiten, wetgeving of belangen naar voren kunnen komen. Het is niet wenselijk dat het proces dan formeel vastzit aan eerder gemaakte keuzes. Wel geldt 4

zijn er vaak en zouden geen reden mogen zijn om de participatie (achteraf) buiten werking te stellen. Wij stellen voor om tussentijds bij de partijen te peilen of e.e.a. volgens de afspraken verloopt.

10

Artikel 4.6. gaat over uitvoering van het participatietraject na vaststelling van het participatieplan door de gemeenteraad. Worden alle participatieplannen door de gemeenteraad vastgesteld? Of wanneer wel en niet? En wordt een verslag van de participatie (artikel 6.1) ook voorgelegd aan de gemeenteraad? Of hoe vindt verantwoording plaats van de participatieprocedure bij visies, beleid, plannen, programma’s en projecten?

dat de gemeenteraad altijd het recht heeft om vanuit de controlerende rol het college (of de burgemeester) vanuit de desbetreffende rol ter verantwoording te roepen. De artikelen worden aangescherpt, zodat duidelijker is dat afwijken echt de uitzondering is en dat transparantie en schriftelijke verantwoording verplicht is. Deze opmerking leidt tot een aanpassing in de verordening. Zie wijziging 5 in de bijlage ‘Wijzigingen ontwerp-participatieverordening naar definitieve verordening’. We leggen explicieter uit wanneer de raad betrokken is bij participatie. Toelichting: Niet alle participatieplannen worden vastgesteld door de gemeenteraad. Voor beleidsuitvoering en projecten die onder de verantwoordelijkheid van het college vallen, stelt het college zelf het participatieplan vast. Dit sluit aan bij de bestaande bevoegdheidsverdeling binnen de gemeente: niet alle besluiten en processen vallen onder de raad. Veel projecten en beleidsuitwerkingen worden uitgevoerd door het college of de burgemeester, die binnen hun mandaat zelfstandig besluiten over de inrichting van participatie. Als in alle gevallen de gemeenteraad zou moeten besluiten over de aanpak van participatie, zou dit leiden tot een onnodige verzwaring van procedures en een vertraging in de uitvoering van beleid en projecten.

De verantwoording over de gevolgde participatieprocedure vindt plaats binnen de gebruikelijke verantwoordingslijnen van het betreffende plan, project of beleid. Afhankelijk van waar het mandaat ligt, kan dit bijvoorbeeld gebeuren via een raadsmemo met een samenvatting van de participatieresultaten, of via reguliere rapportages aan het college door de verantwoordelijke beleidsafdeling. De verordening biedt daarmee een flexibel kader voor zowel verantwoording als vaststelling, passend bij de aard van het besluit en het bevoegd gezag. Zo wordt geborgd dat participatie op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, zonder dat elk participatieplan expliciet door de gemeenteraad hoeft te worden vastgesteld.

5

11

Het Experimenteerprogramma in artikel 7 roept vragen op. Welke kosten vallen onder dit programma? Betreft dit bijvoorbeeld ook interne uren, of vooral inkoop van externe deskundigheid of producten/tools? En wordt het ingezet als extra stimulering bij reguliere participatieprocedures om daarin iets extra’s of nieuws te kunnen uitproberen, of worden er speciale experimenten opgezet (en is het budget dan toereikend)? Logisch lijkt het om als kleine gemeente hierin op te trekken met collega-gemeenten, en/of hun kennis te benutten.

Deze opmerking leidt niet tot aanpassingen in de verordening. Toelichting: Artikel 7 heeft een algemene strekking en biedt de gemeente de mogelijkheid om experimenten op het gebied van inwonerparticipatie te ondersteunen. Dit artikel regelt de kaders, maar niet de concrete invulling van het programma, zoals specifieke kostenposten of budgetten. Deze worden geregeld via de (meerjaren)begroting die de raad vaststelt. Dit biedt de gemeente de flexibiliteit om binnen de beschikbare middelen af te wegen welke initiatieven worden gefinancierd. Het Experimenteerprogramma kan zowel worden ingezet om extra stimulering bij reguliere participatieprocedures te bieden als om specifieke nieuwe experimenten op te zetten. De uiteindelijke invulling wordt door het college ter vaststelling voorgelegd aan de raad (binnen de beschikbare middelen).

12

Hoe verhoudt de overheidsparticipatie in artikel 12 zich tot de subsidieverordening? En kunt u voorbeelden noemen van toepasselijk inwonersinitiatief? En ook hier de vraag of ambtelijke uren ter ondersteuning van het initiatief, en/of voor het opstellen van het verzoek, ten laste komen van het maximale budget van €10.000.

Samenwerking met andere gemeenten of het benutten van externe kennis wordt zeker aangemoedigd, maar valt buiten de reikwijdte van de verordening. De verordening is bedoeld om de mogelijkheid van experimenten vast te leggen, niet om operationele of budgettaire details te regelen. Deze opmerking leidt tot een aanpassing in de verordening. Zie wijziging 10 t/m 14 in de bijlage ‘Wijzigingen ontwerpparticipatieverordening naar definitieve verordening’. Met deze wijzigingen is het duidelijker omschreven dat het om spelregels gaan over hoe de gemeente initiatieven van inwoners kan ondersteunen. Toelichting: Artikel 12 regelt de ondersteuning van de gemeente bij initiatieven van inwoners. De verordening geeft een kader voor overheidsparticipatie, maar regelt niet de financiële uitvoering of de precieze invulling van subsidies. Voorbeelden van inwonersinitiatieven kunnen uiteenlopen van kleine lokale projecten tot grotere voorstellen van groepen inwoners; de verordening is bedoeld om ruimte te bieden voor participatie, niet om specifieke voorbeelden vast te leggen.

6

13

14 Zienswijze 3 15

16

17

Tot slot een paar detailopmerkingen: 1. Artikel 1j. (…) om een gemeentelijke taak in zijn geheel van de gemeente over te nemen (…). Het onderstreepte geeft onduidelijkheid (want wat is “het geheel” bij het aanbod om een speelplaats te onderhouden; alle speelplaatsen in het dorp, of ook de hekwerken en verlichting, of..).. 2. In de nummering van artikel 4 ontbreekt artikel 4.3

Deze opmerking leidt tot een aanpassing in de verordening. Zie wijziging 1 in de bijlage ‘Wijzigingen ontwerp-participatieverordening naar definitieve verordening’.

Artikel 4.1 Als ik deze goed lees dan kan het zijn dat het college het besluit tot al niet participeren kan nemen, zonder de gemeenteraad hierin te kennen/te informeren? M.a.w. van participatie vd gemeenteraad is dan niet eens sprake, laat staan van de gewone burgers. Als de gemeenteraad mee mag beslissen of er geparticipeerd gaat worden mogen zij dan ook meebeslissen over welke vorm van participatie wordt toegepast?

Deze opmerking leidt niet tot aanpassingen in de verordening.

Ook valt of staat onze participatie met de randvoorwaarde of er voldoende capaciteit is, m.a.w. omdat wij een kleine gemeente zijn met een beperkte capaciteit, krijgen wij als burgers minder kans om mee te participeren!?

Deze opmerking leidt niet tot aanpassingen in de verordening.

Toelichting: Het kan inderdaad ook een gedeelte van een gemeentelijke taak zijn. Het gaat om een taak (of een deel daarvan) waar de gemeente budget voor heeft. Deze opmerking leidt tot aanpassingen in de verordening. Bij artikel 4 wordt lid 3 toegevoegd. Zie wijziging 3 in de bijlage ‘Wijzigingen ontwerp-participatieverordening naar definitieve verordening’.

Toelichting: Voor reguliere uitvoeringsbesluiten, die binnen het mandaat van het college vallen, is de raad niet direct betrokken bij de beslissing om al dan niet inwonerparticipatie toe te passen. Deze opmerking leidt niet tot aanpassingen in de verordening. Toelichting: De raad kan kaders stellen voor participatie bij omvangrijke, gevoelige of complexe trajecten die aanzienlijke maatschappelijke impact kunnen hebben (zie artikel 4.4 en 4.5), maar het college is verantwoordelijk voor de concrete uitvoering van de participatie. Het college stelt participatieplan en de kaders waarbinnen wordt geparticipeerd voor aan de gemeenteraad. De gemeenteraad kan op dit voorstel reageren en hun kaders meegeven. Kaders kunnen ook betrekking hebben op de participatievorm.

Toelichting: De verordening biedt een flexibel kader voor participatie, zodat de gemeente de beschikbare capaciteit kan afstemmen op de aard en omvang van projecten. Hoewel de capaciteit van een kleine gemeente beperkt kan zijn, betekent dit niet dat burgers structureel minder kansen krijgen om deel te nemen. De gemeente kan creatieve en efficiënte vormen van participatie inzetten, zoals online participatieplatforms, korte inspreekmomenten, panels of gerichte bijeenkomsten, zodat inwoners alsnog effectief kunnen meedenken en invloed uitoefenen. De verordening sluit dus aan bij de 7

mogelijkheden binnen de organisatie, zonder de participatie van inwoners te beperken. 18

Het is me niet duidelijk of de burgers alleen ( en hopelijk tijdig) informeren, al gezien wordt als een vorm van participatie?

Deze opmerking leidt niet tot aanpassingen in de verordening. Toelichting: De participatieladder is bedoeld om onderscheid te maken tussen de mate van invloed die inwoners hebben. De eerste trede van de participatieladder – informeren – heeft als doel het verstrekken van informatie door de gemeente, zodat inwoners goed worden geïnformeerd over plannen, beleid of projecten. Er is op dat moment geen sprake van participatie in de zin van invloed; dat gebeurt pas bij de hogere treden van de ladder (zoals raadplegen, adviseren, coproduceren en meebeslissen). Hoewel er bij informeren geen sprake is van invloed, vormt het wel altijd een essentieel onderdeel van het participatieproces.

19

Uitdaagrecht: De indiener moet aangeven hoe de kwaliteit en de uitvoering van de taak op langere termijn kan garanderen. Mijn vraag is wat is een langere termijn en hoe kun je dit en de kwaliteit garanderen als particulier? ( zaken gaan tegenwoordig ook failliet en zelfs kabinetten houden het geen 4 jaar meer vol)

De mate van invloed kan per projectfase verschillen. Deze opmerking leidt niet tot aanpassingen in de verordening. Toelichting: Het uitdaagrecht is bedoeld om inwoners de mogelijkheid te bieden ideeën of initiatieven in te brengen waarmee zij een taak of activiteit bij de gemeente kunnen verbeteren of uitvoeren. De verordening formuleert algemene kaders en laat de concrete beoordeling van haalbaarheid, kwaliteit en continuïteit over aan het college. Met “langere termijn” wordt bedoeld dat de indiener een redelijke inschatting geeft van de duurzaamheid van het initiatief, rekening houdend met de aard van de taak. Het college beoordeelt de voorstellen naar haalbaarheid, kwaliteit en maatschappelijke meerwaarde, en kan voorwaarden stellen of ondersteuning bieden waar nodig. De verordening schrijft dus geen absolute garanties voor, maar biedt een flexibel kader om inwonersinitiatieven serieus te kunnen overwegen en te beoordelen.

20

Omgevingswet: Waaraan moet een participatieplan voldoen bij projecten? Welke eisen worden hieraan gesteld. Moeten zij bijv. ook voldoen aan artikel 5.6? Wat gebeurt er als ze zich niet aan het

Deze opmerking leidt niet tot aanpassingen in de verordening. Toelichting: Volgens de Omgevingswet moeten initiatiefnemers bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning aangeven of, en zo ja 8

participatieplan houden??? Of volgt hierover nog een apart/nieuw beleidsstuk?

hoe, zij de omgeving hebben betrokken en wat de uitkomsten hiervan zijn. De wetgever laat de keuze voor de vorm van participatie bewust bij de initiatiefnemer, zodat deze maatwerk kan leveren passend bij het project. Dit betekent dat de gemeente niet voorschrijft hoe participatie moet plaatsvinden, maar de informatie gebruikt voor de integrale belangenafweging van het plan. Bij verplichte participatie (artikel 17.2) moet de initiatiefnemer een participatieplan opstellen en na afloop een verslag overleggen waarin staat wat is gedaan, welke reacties zijn ontvangen en hoe deze zijn verwerkt. Het college kan een aanvraag buiten behandeling laten als niet of onvoldoende aan participatie is voldaan. De Omgevingswet bepaalt echter niet exact wanneer participatie onvoldoende is; dit moet proportioneel zijn ten opzichte van de activiteit.

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MookenMiddelaar&id=99f1edbc-b45c-4281-8d2c-4f9e80fff33d