RB - Verordening Voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Mook en Middelaar 2021.docx
Tekst van het document
Tabel 1 Ruimtebehoeftemodel Voortgezet Onderwijs m² bvo vaste voet
m² bvo/ leerling excl. Gymnastiek
m² bvo/ leerling gymnastiek
Per school VMBO-HAVO-VWO (hoofdvestiging*) Per school VMBO-HAVO-VWO (nevenvestiging met spreidingsnoodzaak*) Per school PRO (ook indien eigen afdeling binnen school VO)
980 550 306
PRO (Praktijkonderwijs)
-
12,0
2,0
VMBO- Theoretische leerweg (TLW)
-
5,8
1,5
-
6,1
1,7
VMBO- Theoretische leerwegondersteunend onderwijs (TLWLWOO)
LWOO BLW-KLW GLW
VMBO- Profiel Bouwen, wonen en interieur (BWI)
VMBO- Profiel produceren, installeren en energie (PIE)
(+ 299)
11,7
9,7
8,0
VMBO- Profiel Economie en ondernemen (E&O)
(+ 162)
8,9
7,4
6,9
VMBO- Profiel Zorg-welzijn (Z&W)
(+ 139)
8,4
7,4
6,9
VMBO- Profiel Dienstverlening en producten (D&P)
(+ 150)
8,9
7,4
6,9
VMBO- Profiel Mobiliteit en transport (M&T)
LWOO
BLW-KLW
1,7
1,5
VMBO- Profiel Maritiem en techniek (MaT)
VMBO- Profiel Media, vormgeving en ICT (MVI)
VMBO- Profiel Horeca, bakkerij en recreatie (HBR) VMBO- Profiel Groen
(+ 117)
7,8
6,9
6,3
HAVO
-
5,8
1,2
VWO
-
5,8
1,0
*) niet van toepassing voor zelfstandige praktijkschool TLW = Theoretische leerweg LWOO = Leerwegondersteunend onderwijs BLW- KLW = Basisberoep of- Kaderberoepsgerichte leerweg GLW = Gemengde leerweg
B.2 Lokalen bewegingsonderwijs 1.
De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld: a.
voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuren per week per groep leerlingen 6 jaar
b.
voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of
c. 2.
en ouder;
voortgezet speciaal onderwijs, op 2,25 klokuren per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder, en
als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op 3,75 klokuren per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar.
Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren dat overeenkomstig
tabel 1 van het ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is als volgt: (aantal leerlingen *
GLW
32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 455. Voor het
leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 322.
Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte C.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens vijftien jaar blijft bestaan.
C.1.1 Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B vastgesteld.
C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen 1.
Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, ingebruikneming of medegebruik wordt voor een: a.
school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A
vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan de drempelwaarde van:
1°. 55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening basisonderwijs;
2°. 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening speciaal basisonderwijs;
3°. 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening voor een b.
school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs;
school voor voortgezet onderwijs wordt vastgesteld als het verschil tussen de
overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan tien procent van de bestaande capaciteit met een
minimum van 100 vierkante meter. Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de overeenkomstig deel A 2.
vastgestelde capaciteit verhoogd met 10%.
Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bedraagt de bruto vloeroppervlakte van een speellokaal, in aanvulling op het aantal meters bruto vloeroppervlakte bedoeld in het eerste lid, 90 vierkante meter.
C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt op dezelfde wijze
vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen. Een voor
tijdelijk gebruik bestemde voorziening is voor minstens vier jaar en maximaal vijftien jaar noodzakelijk.
Voor het vaststellen van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening moet het verschil: a.
bij een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet
b.
bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het gestelde onder C.1.2, eerste lid, onder b.
speciaal onderwijs ten minste 40 vierkante meter bruto vloeroppervlakte bedragen, en
C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De omvang van een goedgekeurde voorziening: a.
voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te
realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de b.
terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in deel D; eerste aanschaf van:
1°. onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van het
onderwijsleerpakket en meubilair voor een school basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, en 2°. leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs,
c.
is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening.
tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs als gevolg van een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de
vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting d.
van de te creëren ruimte.
herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
C.4 Lokalen bewegingsonderwijs 1.
De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs wordt: a.
voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school
voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig B.2,
b.
2.
eerste lid, vastgestelde ruimtebehoefte, en
voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld op de overeenkomstig B.2, tweede lid, vastgestelde ruimtebehoefte als de uitbreiding groter of gelijk is dan tien procent van de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit.
De omvang van de goedgekeurde voorziening uitbreiden van een lokaal bewegingsonderwijs van
een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
onderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende vloeroppervlakte om te 3.
4.
kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in deel D, onder D.3.
De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding van het terrein, voor een
lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het lokaal, of de uitbreiding van het lokaal te realiseren.
De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald als een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door andere leerlingen dan waarvoor het lokaal oorspronkelijk is bedoeld of wordt
5.
uitgebreid.
De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en het herstel van
schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden,
wordt bepaald door de feitelijke kosten voor de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen
D.1 Terreinoppervlakte 1.
Bij (vervangende) nieuwbouw voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal
onderwijs geldt voor de speelplaats het vloeroppervlak in vierkante meters uit de volgende tabel:
Aantal leerlingen van de school
Omvang buitenruimte
1-100 leerlingen
300
101-200 leerlingen
300 + 3 * (L - 100)
201-400 leerlingen
600
401-600 leerlingen
600 + 3 * (L - 400)
601-800 leerlingen
1200
801-1000 leerlingen
1200 + 3 * (L - 800)
1001 leerlingen of meer
1800
L = Aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. 2.
Bij [vervangende] nieuwbouw voor een school voor voortgezet onderwijs geldt voor de speelplaats het vloeroppervlak in vierkante meters uit de volgende tabel: Aantal leerlingen van de school
Omvang buitenruimte
1-300 leerlingen
300
301 leerlingen of meer
300 + 0,75 * (L - 300)
L = Aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. 3.
4.
De in het eerste en tweede lid gestelde normen betreffen de exclusieve speel- en beweegruimte voor de leerlingen van de school. De terrein voor voorzieningen dient te worden opgeteld bij de norm.
Voor parkeervoorzieningen wordt de voor de locatie van het terrein geldende gemeentelijke parkeernorm gehanteerd.
D.2 Speellokaal Een speellokaal heeft een minimum van 90 bruto vierkante meter.
D.3 Lokaal bewegingsonderwijs 1.
De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is minstens 252 bruto vierkante
2.
Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten met een was- of
meter en de hoogte minstens 5 meter. douchegelegenheid.
Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen E.1 Meetinstructie voor schoolgebouwen De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN 2580.
E.2 Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen E.2.1 (Speciaal) basisonderwijs en speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs 1.
De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf bereikbaar
3.
De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs
2.
4.
zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend. wordt toegekend aan het lesgebouw.
Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie.
E.2.2 Voortgezet onderwijs De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle tot het gebouw
behorende beloopbare binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies die de ruimten omhullen. Tot de bruto oppervlakte behoren eveneens:
1. 2.
de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk vloerniveau, en
de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5 vierkante meter.
E.2.3 Uitzonderingen 1.
De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit
betreft in ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, 2. 3.
fietsenstallingen.
Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.
Niet beloopbare kelders en zolders worden niet meegerekend.
Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering Deel A – Indexering De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in overeenstemming met de onderstaande systematiek van prijsbijstelling:
A.1 Nieuwbouw en uitbreiding Prijsindexcijfer van de
bouwkosten van nieuwe
MEV, jaar t+1,
woningen, jaar t, 1
bruto investeringen door
tweede kwartaal
bedrijven in woningen
bouwnijverheid, inclusief
bestedingen)
(bron: CPB, Middelen en
(bron: CBS, kerncijfers, btw) --------------------
*
-----------------------
*
----------------------
Prijsindexcijfer van de
MEV, jaar t,
bouwkosten van nieuwe
bruto investeringen door
woningen, jaar t-1,
bedrijven in woningen
tweede kwartaal
(bron: CPB, Middelen en
1
(bron: CBS, kerncijfers,
bestedingen)
bouwnijverheid, inclusief btw)
A.2 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair MEV, jaar t+1
Consumentenprijsindex, alle
prijsmutatie netto materiële
huishoudens, jaar t, per 1 juli
1
overheidsconsumptie
(bron: CBS, Kerncijfers,
(bron: CPB, Kerngegevens
cijfer van de maand juni jaar t) ----------------------
*
----------------------
MEV, jaar t,
Consumentenprijsindex, alle
overheidsconsumptie
(bron: CBS, Kerncijfers,
prijsmutatie netto materiële (bron: CPB, Kerngegevens collectieve sector)
huishoudens, jaar t-1, per 1 juli cijfer van de maand juni jaar t1)
collectieve sector) *
--------------------
1
Deel B – Normbedragen1 1 Weergegeven zijn de normbedragen voor 2021
Alle in dit deel genoemde bedragen zijn inclusief BTW.
A. Nieuwbouw met permanente bouwaard A.1 Kostencomponenten nieuwbouw 1.
De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de volgende kostencomponenten: a.
kosten voor terrein;
c.
toeslag voor verhuiskosten bij vervangende bouw;
b. d. e. f. 2.
bouwkosten;
als het een school voor voortgezet onderwijs betreft, toeslag paalfundering;
als het een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs betreft een toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal, en
als het een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs betreft, toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie.
Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen bedoeld in paragraaf B.
A.2 Kosten voor terreinen Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na aankoop, om niet aan het
schoolbestuur beschikbaar gesteld en het juridisch eigendom wordt aan hen overgedragen. De kosten van
een terrein worden opgenomen op het programma, zowel bij aankoop van een terrein als in de situatie dat de gemeente een terrein beschikbaar stelt. De kosten voor het terrein worden bepaald op de in de
gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Bij vervangende nieuwbouw behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen.
A.3.1 Bouwkosten 1.
2.
Tot de bouwkosten behoren: a.
b.
de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering, en
de kosten van de aanleg en inrichting van het schoolterrein.
De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen moet de in
overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.
A.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:
1 Weergegeven zijn de normbedragen voor 2021
Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350 m2 bvo2
€ 1.275.366
Voor elke volgende m2 bvo
€ 2.183
2 Onder m2 bvo wordt hier en verder verstaan: vierkante meter bruto vloeroppervlakte.
A.3.3 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:
Startbedrag voor de realisatie van de eerste 670 m2 bvo, waarin niet Voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal
Toeslag voor elk speellokaal
€ 2.066.476 € 2.285 € 196.071
A.3.4 Bouwkosten school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:
Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677 m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal
Voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal
Toeslag voor elk speellokaal
€ 1.988.649 € 2.272 € 196.071
Toeslag liftinstallatie als bij nieuwbouw een liftinstallatie inclusief een schacht wordt aangebracht
€ 192.718
A.3.5 Bouwkosten school voor voortgezet onderwijs 1. 2.
Er is geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding. De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs bestaat uit: a.
een startbedrag, afhankelijk van de omvang van de voorziening;
c.
een bedrag afhankelijk van het aantal vierkante meters, vastgesteld op basis van de
b.
een werkplaatstoeslag, afhankelijk van het profiel in het VMBO;
toegekende ruimtebehoefte per onderwijssoort, overeenkomstig bijlage III, deel C.
Startbedrag = < 455 m2
€0
>= 455 m2 < 2500 m2
€ 638.363
>2500 m2
€ 805.934
2 Onder m2 bvo wordt hier en verder verstaan: vierkante meter bruto vloeroppervlakte.
Werkplaatstoeslag VMBO = Voor de onderwijssoort VMBO met de profielen: bwi, pie, mot, mat, hbr en g een bedrag van € 78.198.
Ruimteafhankelijke vergoeding = Een bedrag per vierkante meter, dat afhankelijk is van de omvang van de voorziening en van de onderwijssoort en bijbehorende profiel
bvo totaal exclusief gymnastiek <=455 m2 Onderwijssoort
>=2.500 m2
<2.500 m2
Profielen
PRO, HAVO, VWO
>455 m2
€ 3.415
€ 2.026
€ 1.978
bwi, pie, mot, mat
€ 3.922
€ 2.328
€ 2.272
mvi, eo, hbr
€ 3.998
€ 2.373
€ 2.316
zw
€ 3.415
€ 2.026
€ 1.978
g
€ 4.452
€ 2.642
€ 2.579
d&p
€ 3.677
€ 2.182
€ 2.130
VMBO-TL, VMBO TL-IW
VMBO Gemengde leerweg
VMBO Basisberoepsgerichte/ Kaderberoepsgerichte leerweg bwi, pie, mot, mat
€ 4.100
€ 2.433
€ 2.375
mvi, eo, hbr
€ 4.181
€ 2.481
€ 2.422
zw
€ 3.415
€ 2.026
€ 1.978
g
€ 4.414
€ 2.619
€ 2.557
d&p
€ 3.055
€ 1.813
€ 1.770
€ 4.185
€ 2.484
€ 2.424
VMBO Leerwegondersteunend onderwijs bwi, pie, mot, mat
mvi, eo, hbr
€ 4.344
€ 2.578
€ 2.516
zw
€ 3.415
€ 2.026
€ 1.978
g
€ 3.949
€ 2.343
€ 2.287
d&p
€ 3.833
€ 2.275
€ 2.220
bwi = bouwen, wonen en interieur pie produceren, installeren en energie mot = mobiliteit en transport mat = maritiem en techniek mvi = media, vormgeving en ict eo = economie en ondernemen
hbr = horeca, bakkerij en recreatie zw = zorg en welzijn g = groen
d&p = dienstverlening en producten
A.3.6 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs 1.
Voor de school voor voortgezet onderwijs is het bedrag van de normkosten gebaseerd op een
standaardlocatie. Voor de volgende aanvullende investeringskosten wordt, indien noodzakelijk, een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld: a.
2.
b.
paalfundering, en bemaling.
De aanvullende vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte in relatie met de omvang van de bouw in bruto vloeroppervlakte en wordt bepaald op basis van de volgende formules: Nieuwbouw en uitbreiding < 1000 m2 Paallengte 1 tot 15 meter
€ 6.281
+
(€ 33 * A)
Paallengte 15 tot 20 meter
€ 6.687
+
(€ 56 * A)
Paallengte 20 meter of langer
€ 7.465
+
(€ 100 * A)
€ 7.670
+
(€
Uitbreiding
>= 1000 m2
Paallengte 1 tot 15 meter
12 * A)
3.
Paallengte 15 tot 20 meter
€ 10.004
+
(€ 30 * A)
Paallengte 20 meter of langer
€ 15.192
+
(€ 61 * A)
Als de grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en
wordt een aanvullend bedrag per vierkante meter goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 21 per vierkante meter terrein.
A.3.7 Toeslag voor verhuiskosten bij vervangende nieuwbouw school 1.
2.
3.
Als een school tijdens de realisatie van vervangende nieuwbouw gebruik kan blijven maken van het bestaande schoolgebouw, bestaat aanspraak op bekostiging van de verhuiskosten voor één verhuizing.
Als een school tijdens de realisatie van vervangende nieuwbouw tijdelijk op een andere locatie moet worden gehuisvest, bestaat aanspraak op bekostiging van de verhuiskosten voor twee verhuizingen.
De vergoeding wordt vastgesteld op feitelijke kosten.
B. Uitbreiding met permanente bouwaard B.1 Reikwijdte Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard van een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs tot 1035 vierkante meter bruto vloeroppervlakte en van een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs tot 1000 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Op overige uitbreidingen is paragraaf A overeenkomstig van toepassing.
B.2 Kosten terrein Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in A.2 overeenkomstig van toepassing op het vaststellen van de kosten voor het voor uitbreiding benodigde terrein.
B.3.1 Bouwkosten 1.
2.
Tot de bouwkosten behoren: a.
b.
de bouwkosten van het gebouw, en
kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein.
De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal vierkante meters, en een bedrag
per vierkante meter. Met deze vergoedingsbedragen moet de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.
B.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of groter
€ 186.765
Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m2 bvo
€ 1224.510
Naast het startbedrag voor elke m2 bvo
€ 2.488,00
B.3.3 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m2 bvo of groter
€ 192.062
Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m2 bvo
€ 128.041
Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin niet begrepen
€ 2.537
Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m2 bvo) in
€ 223.911
Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal, zonder
€ 411.675
een eventueel speellokaal
combinatie met uitbreiding van de school gelijktijdige uitbreiding van de school
B.3.4 Bouwkosten school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of speciaal of voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m2 bvo of groter
€ 173.951
Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96 m2 bvo
€ 115.967
Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin niet begrepen
€ 2.543
Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m2 bvo) in
€ 196.071
Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m2 bvo),
€ 411.675
Toeslag liftinstallatie als bij uitbreiding een liftinstallatie
€ 231.643
een eventueel speellokaal
combinatie met uitbreiding van de school
zonder gelijktijdige uitbreiding van de school inclusief een schacht wordt aangebracht
B.3.5 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs Het bepaalde in A.3.6 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de omvang van de vergoeding voor paalfundering en bemaling bij uitbreiding.
C. Tijdelijke voorziening
C.1 Vergoedingsbedragen tijdelijke voorzieningen 1.
De vergoedingsbedragen voor tijdelijke voorzieningen zijn afgestemd op de investeringslasten van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen: a.
b.
2.
c.
nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als hoofdlocatie;
uitbreiding van een permanente hoofdlocatie met een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw, en
uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen.
In aanvulling op het eerste lid wordt rekening gehouden met het bekostigen van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw.
C.2 Kosten voor terreinen Als een tijdelijke voorziening niet gerealiseerd kan worden op het aanwezige terrein, worden de kosten voor het benodigde terrein bepaald overeenkomstig A.2.
C.3.1 Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie De vergoeding voor een tijdelijke voorziening bestaat uit een startbedrag en een bedrag per vierkante
meter. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de kosten van herstel en inrichting van terreinen, de kosten van paalfundering en de eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen.
C.3.2 Vergoeding basisschool en speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor een basisschool en een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:
Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter
€ 72.630
Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo
€ 48.420
Naast het startbedrag voor elke m2 bvo
€ 1.785
C.3.3 Vergoeding school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs 1.
De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:
Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter
€ 76.124
Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo
€ 51.442
Naast het startbedrag voor elke m2 bvo
€ 1.749
2.
Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen en voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen.
C.3.4 Vergoeding school voor voortgezet onderwijs
De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis van de
vergoedingsformule € 1.087 * A + € 74.702, waarbij A het overeenkomstig bijlage III, deel C, bepaalde aantal vierkante meter bruto vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting is.
C.4.1 Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen primair en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs 1.
2.
De vergoeding voor uitbreiding bestaande tijdelijke voorziening bestaat uit een startbedrag en een bedrag per vierkante meter. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen.
Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen en voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen.
C.4.2 Vergoeding basisschool [en speciale school voor basisonderwijs] De vergoeding voor een basisschool en een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:
Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter
€ 40.826
Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo
€ 2.7217
Naast het startbedrag voor elke m2 bvo
€ 1.870
C.4.3 Vergoeding school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:
Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter
€ 41.396
Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo
€ 27.597
Naast het startbedrag voor elke m2 bvo
€ 1.849
C.5 Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen Huur van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en huur van een bestaand gebouw worden vergoed op basis van de werkelijke kosten.
D. Eerste inrichting D.1.1 Vergoeding onderwijsleerpakket en meubilair Het bedrag van de vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de al toegekende investeringsbedragen en de nieuw berekende vergoeding.
D.1.2 Vergoeding basisschool De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag, incl. 200m² bvo
€ 41.802
Voor elke volgende m2 bvo
€ 146
D.1.3 Vergoeding speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:
Startbedrag, incl. 250m² bvo
€ 88.689
Voor elke volgende m2 bvo
€ 151
D.1.4 Vergoeding school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Startbedrag
€ 313.772
Naast het startbedrag voor elke m2 bvo
€ 215
D.1.5 Vergoeding speellokaal speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal onderwijs
De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een speellokaal voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs bedraagt € 8.093.
D.2 School voor voortgezet onderwijs 1.
De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair is gekoppeld aan de toe te kennen voorziening nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming, niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw. Aanspraak op deze vergoeding bestaat als de eerste
inrichting nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd. De hoogte van de vergoeding wordt berekend door vast te stellen het verschil tussen de al toegekende vergoeding en de vergoeding die is vastgesteld op basis van de te realiseren bruto vloeroppervlakte per
onderwijssoort. De vergoeding per onderwijssoort wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
Onderwijssoort
per m2 bvo
Praktijkonderwijs
€ 331
VMBO Theoretische leerweg (TLW)
€ 173
VMBO Theoretische leerwegondersteunend onderwijs (TLW-LWOO)
€ 173
VMBO- Profiel Bouwen, Wonen en Interieur (BWI)
€ 423
VMBO- Profiel Produceren, Installeren en Energie (PIE)
€ 423
2.
VMBO- Profiel Mobiliteit en Transport (M&T)
€ 423
VMBO- Profiel Maritiem en Techniek (MaT)
€ 423
VMBO- Profiel Media, Vormgeving en ICT (MVI)
€ 247
VMBO- Profiel Economie en Ondernemen (E&O)
€ 247
VMBO- Profiel Horeca, Bakkerij en Recreatie (HBR)
€ 819
VMBO- Profiel Zorg-Welzijn (Z&W)
€ 403
VMBO- Profiel Groen
€ 423
VMBO- Profiel Dienstverlening en Producten (D&P)
€ 173
HAVO
€ 173
VWO
€ 173
Als in plaats van uitbreiding van het schoolgebouw medegebruik van een voor een school bestemd gebouw wordt gevorderd, wordt inventaris slechts toegekend als de inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt of niet geschikt is.
E. Lokalen bewegingsonderwijs E.1 Bouwkosten nieuwbouw 1.
De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een lokaal bewegingsonderwijs met een netto speeloppervlakte van 252 vierkante meters bedraagt € 1.340.732 als deze op het
schoolterrein gerealiseerd kan worden, of € 1.367.849 als deze op een afzonderlijk terrein
gerealiseerd wordt. In deze vergoeding zijn opgenomen de kosten van fundering op staal en 2.
3.
inrichting van het terrein.
Scholen met lichamelijk gehandicapte leerlingen, meervoudig gehandicapte leerlingen of zeer
moeilijk lerende leerlingen wordt een toeslag toegekend van 50 vierkante meter. Het normbedrag van deze toeslag is € 134.495.
Als paalfundering noodzakelijk is wordt een toeslag gegeven op basis van de volgende bedragen: Paallengte
Vergoeding
Vergoeding bij ruimten LG en MG
1<15m
€ 26.967
€34.002
15<20m
€ 37.176
€
47.090
>20m
€ 52.212
€
67.771
E.2 Uitbreiding Het bepaalde in E.1, eerste lid, is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de hoogte van de
vergoeding voor uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs. Bij lokalen bewegingsonderwijs met een oefenvloer van 140 vierkante meter netto speeloppervlakte of minder, kan de oefenvloer worden
uitgebreid tot een oppervlakte van 252 vierkante meter. De hoogte van de vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Uitbreiding
Normbedrag
Paallengte 1 < 15 meter
15 < 20 meter
> 20 meter
112 t/m 120 m2
€ 311.502
€ 12.073
€ 20.911
€ 34.187
121 t/m 150 m2
€ 378.674
€ 15.096
€ 26.132
€ 42.734
E.3 Onderwijsleerpakket en meubilair E.3.1 OLP/meubilair school voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair voor een lokaal
bewegingsonderwijs voor een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs bedraagt € 56.002.
E.3.2 OLP/meubilair school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair voor een lokaal
bewegingsonderwijs voor een school voor speciaal onderwijs of voor voortgezet speciaal onderwijs bedraagt € 56.002.
E.3.3 Meubilair/leer- en hulpmiddelen school voor voortgezet onderwijs De vergoeding voor de eerste inrichting meubilair of leer- en hulpmiddelen voor een lokaal
bewegingsonderwijs voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
Meubilair
Leer- en hulpmiddelen
Totaal
Eerste lokaal
€ 1.183
€70.529
€ 71.712
Tweede lokaal
€1.183
€ 55.018
€ 56.201
Derde lokaal
€1.183
€ 23.919
€ 25.102
Oefenplaats 1
€ 0,00
€ 15.576
Oefenplaats 2
€ 0,00
€ 1.798
€
E.4 Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school is ook bewegingsonderwijs mogelijk in een bestaand lokaal bewegingsonderwijs door middel van: a.
b.
medegebruik van een gebouw van een andere school of de gemeente, of huur van een gebouw van een commerciële exploitant.
F. Vergoeding feitelijke kosten De vergoeding van de feitelijke kosten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt gebaseerd op de door het college goedgekeurde offerte en verhoogd met 8 procent voor de kosten van technische advisering, voor zover het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder b en c.
G. Huur sportvelden 1.
2.
Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van de huur van een sportveld voor maximaal 8 weken per jaar. De vergoeding voor deze kosten bedraagt voor de periode van 8 weken € 23 per klokuur.
Aanspraak op vergoeding als bedoeld in het eerste lid bestaat uitsluitend als de school voor voortgezet onderwijs niet beschikt over een eigen sportveld en geen gebruik maakt van een sportveld dat door de gemeente is gefinancierd.
Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde voorziening 1. Algemeen Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11 vastgestelde bekostigingsplafond
onvoldoende is om alle aangevraagde voorzieningen die in aanmerking komen om te worden opgenomen
op het programma te honoreren. Op basis van de gestelde prioriteiten wordt een rangorde vastgesteld van de voorzieningen waarvan is vastgesteld dat die voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna wordt
vastgesteld voor welke voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is en deze voorzieningen worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die niet worden opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.
2. Onderscheid voorzieningen 1.
Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in voorzieningen die noodzakelijk zijn:
a.
2.
b.
volgende voorzieningen: a.
nieuwbouw, inclusief terrein;
c.
in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing, inclusief terrein;
d. e. f.
g.
uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein; verplaatsen tijdelijke gebouwen;
eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair of leer- en hulpmiddelen; uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en hulpmiddelen, en medegebruik.
Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder hoofdprioriteit 2. Het betreft de volgende voorzieningen: a.
vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief terrein;
c.
herstel en vervanging in verband met schade.
b. 4.
om een adequaat niveau te handhaven.
Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder hoofdprioriteit 1. Het betreft de
b.
3.
om capaciteitstekorten op te heffen, en
herstel van een constructiefout, en
De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende nieuwbouw valt onder
hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze voorziening gecombineerd wordt met een uitbreiding van de capaciteit en de vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat wordt voldaan aan het criterium genoemd onder in bijlage I, deel A, onder A.2.
3. Hoofd- en subprioriteit 1.
Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en sub-prioriteit.
2.
3.
Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder 2, eerste lid, onder a, genoemde voorzieningen de ruimtebehoefte vastgesteld overeenkomstig bijlage III, deel C. Deze
voorzieningen omvatten zowel de schoolgebouwen als de lokalen bewegingsonderwijs.
Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft plaatsgevonden moet worden vastgesteld
welke voorzieningen in aanmerking komen om op het programma te worden geplaatst. Dit vindt
plaats op basis van het vaststellen van de sub-prioriteit. Bij hoofdprioriteit 1 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd om vast te stellen welke voorzieningen voor het plaatsen op het programma in aanmerking komen: a.
als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort
b.
vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort
c.
opheft in een situatie met herschikking van schoolgebouwen;
opheft in een situatie zonder herschikking van schoolgebouwen, en
vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs en sportterreinen opheft.
Toelichting NB Deze toelichting is geschreven met de (mogelijke) keuzes die in de Modelverordening voorzieningen
huisvesting onderwijs gemaakt zijn in gedachte. Als een individuele gemeente op punten andere keuzes
maakt, dan sluit deze toelichting mogelijk niet aan. Wel kan ze uiteraard als basis dienen voor een door de gemeente zelf op te stellen toelichting. Voor een goed beeld dient deze modelverordening in samenhang met de hierbij behorende ledenbrief gelezen te worden.
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Definities De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle bevoegde gezagsorganen die een volgens de wet bekostigde voorziening onderwijshuisvesting in stand houden die geheel of gedeeltelijk staat op het grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, tijdelijke nevenvestiging, dislocatie).
Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op grond van de Wet op het primair
onderwijs (WPO)[, Wet op de expertisecentra (WEC) en Wet op het voortgezet onderwijs (WVO)] door het bevoegd gezag bij het college kunnen worden aangevraagd. Deze hebben een limitatief karakter. Niet alleen voor de schoolgebouwen, maar ook voor de lokalen bewegingsonderwijs kan een voorziening
huisvesting onderwijs worden aangevraagd. Voorzieningen die een bevoegd gezag wenst, maar die niet in de onderwijswetten zijn opgenomen, dus geen voorziening in de onderwijshuisvesting zijn, vallen buiten
het bereik van deze verordening. Dit gaat om voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag een vergoeding van de minister van OCW ontvangt via de rijksvergoeding materiële instandhouding (bijv. onderhoud,
aanpassingen, vervangen cv-ketel, meubilair). Het college wijst een dergelijk aangevraagde voorziening af op grond van artikel 100, eerste lid, onder a, van de WPO, artikel 98, onder a, van de WEC, artikel 76k, onder a, van de WVO.
In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om aanvullende voorzieningen te
bekostigen. Daarbij geldt dat de gemeenten geen uitgaven mogen doen voor een niet door de gemeente in
stand gehouden school dan op grond van de wet (artikel 6 van de WPO [en WEC en artikel 77 van de WVO]). Voor het bekostigen van de voorzieningen die geen onderdeel uitmaken van de voorzieningen
onderwijshuisvesting moet zodoende een andere juridische basis worden vastgesteld. Voor het bekostigen van deze voorzieningen geldt de [citeertitel verordening materiële financiële gelijkstelling].
Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen 1°
Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.
2°
Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen op de school. Het bevoegd
gezag komt voor het bekostigen van uitbreiding in aanmerking als wordt voldaan aan de in bijlage I
opgenomen criteria (noodzaak van de voorziening) en de gevraagde uitbreiding gelijk of groter is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde.
3°
Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening
(vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is ontvangen en het college een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan beschikbaar heeft. Het kan gaan om een onderwijsgebouw dat geheel leeg staat en nog een onderwijsbestemming heeft, maar ook om een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikgeving van een
onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet het gebouw geschikt zijn of geschikt gemaakt worden voor het onderwijs van de betreffende school. Een schoolgebouw van een school voor
basisonderwijs is bijv. niet automatisch geschikt voor het huisvesten van een speciale school voor
basisonderwijs. Het in gebruik geven van een gebouw moet worden onderscheiden van medegebruik, zie 8°. 4°
Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op de bouwaard van het gebouw verplaatst
kunnen worden. Dit betreft over het algemeen tijdelijke huisvesting die in semipermanente gebouwen is gerealiseerd. 5°
Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en kan noodzakelijk zijn bij vervangende
nieuwbouw en uitbreiding. Of bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding terrein noodzakelijk is, is afhankelijk van de situering van de voorgenomen investering en de oppervlakte van het terrein.
6°/7° Onderwijsleerpakket en meubilair [resp. leer- en hulpmiddelen] wordt in principe alleen toegekend op het moment dat ook nieuwbouw (eerste voorziening) en uitbreiding van een schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs wordt toegekend. Een uitzondering is de situatie dat het college een school heeft
gehuisvest in een schoolgebouw dat een grotere capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de toekenning
van de eerste inrichting is gebaseerd op het werkelijk aantal leerlingen vanaf de start van de school. In die situatie heeft het bevoegd gezag nog aanspraak op bekostiging van eerste inrichting bij toename van het aantal leerlingen als wordt voldaan aan de drempelwaarde genoemd in bijlage III, deel C. Bij vervangende nieuwbouw wordt geen eerste inrichting toegekend omdat het bevoegd gezag in het verleden al
bekostiging voor de eerste inrichting heeft ontvangen. Zie verder de toelichting in bijlage III, deel C. 8°
Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs die het
bevoegd gezag, dat juridisch eigenaar is, niet nodig heeft voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven. Er is dan sprake van ‘leegstand’. Medegebruik is uitsluitend mogelijk als de leegstand hoger is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde resp. het lokaal bewegingsonderwijs niet volledig is ingeroosterd.
Onderdeel b. Herstel van constructiefouten Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten bij een ‘definitie’ die in het
verleden door middel van jurisprudentie tot stand is gekomen. Als een constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert kan voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure (artikel 19 e.v.)
worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang van het onderwijs, dan kan het
herstel worden aangevraagd op grond van de reguliere procedure. Dit betekent dat een constructiefout dan wordt opgenomen op het programma of overzicht, afhankelijk van het feit of deze voorziening past binnen het door het college vastgestelde bekostigingsplafond.
Onderdeel c. Herstel in verband met schade In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip ‘bijzondere omstandigheden’
opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’ omstandigheden
zich niet uitputtend laten beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband met
schade aan een gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of de aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van het onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door
inbraak of brand). Het college kan zich voor deze zaken verzekeren. Heeft het college geen verzekering afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’ voor het college.
Onderdeel d. Huur van een sportterrein Deze voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een school voor voortgezet onderwijs is gevestigd.
Onder de voorwaarden genoemd in bijlage I, deel B, onder B.4 en bijlage IV, onder F kan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs aanspraak maken op een vergoeding voor het huren van een sportterrein voor buitensportactiviteiten. Voorwaarde is dat het schoolbestuur niet beschikt over een eigen sportterrein en geen gebruik kan maken van een met gemeentelijke middelen gerealiseerd sportterrein.
Artikel 3. Voorbereidingskrediet Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie dat de investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op basis van de feitelijke kosten. Doelstelling van het
voorbereidingskrediet is dat het bevoegd gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een
bouwplan. Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit ligt dat de voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt aangevraagd, na het indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de voorziening op het eerstvolgende programma wordt opgenomen. Het
voorbereidingskrediet stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor aanbesteding gereed
bouwplan te ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten plaatsvinden. Uitsluitend als de investering wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten wordt de op basis van het bouwplan opgestelde kostenraming resp. de uitkomst van de aanbesteding opgenomen op het programma. Heeft voorafgaande aan het
vaststellen van het programma nog geen aanbesteding plaatsgevonden, dan kan de aanbesteding of het vragen van offertes plaatsvinden nadat het programma is vastgesteld. Door te werken met een
voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan worden bespoedigd. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt onderdeel uit van het totale investeringsbedrag en wordt in mindering gebracht op het totaal vastgestelde investeringskrediet.
Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting onderwijs worden bekostigd. Dit kan op
basis van normbedragen (normatieve kosten) of op basis van feitelijke kosten. De normbedragen voor de diverse voorzieningen die op basis daarvan worden bekostigd zijn opgenomen in bijlage IV, deel B.
Wordt het normbedrag beschikbaar gesteld, dan heeft het bevoegd gezag aanspraak op het beschikbaar stellen van het volledige normbedrag, onafhankelijk van de werkelijke kosten. Dit betekent dat als de
werkelijke kosten hoger of lager zijn dan het normbedrag (= uitkomst aanbesteding) in de ene situatie het schoolbestuur een financieel voordeel heeft en in de andere situatie een financieel nadeel. Bij een
financieel voordeel moet het schoolbestuur de beschikbare middelen wel inzetten voor het doel waarvoor het is verstrekt: investeren in de voorziening huisvesting onderwijs.
Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke kosten, wordt vastgesteld op basis van ontvangen offertes (de zgn. offertelijn, zie ook artikel 13, eerste lid).
Artikel 5. Informatieverstrekking Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie te verstrekken die noodzakelijk is
om de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie artikel 112 van de WPO[, artikel 110 van de WEC en artikel 76w van de WVO]). Deze informatie staat los van de informatie die wordt gevraagd als onderdeel van een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening. Het betreft de actuele gegevens, zoals: -
gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres voorzitter en secretaris en bankrekeningnummer);
-
gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres school, telefoonnummer); bruto vloeroppervlakte schoolgebouw; naam contactpersoon;
medegebruik/verhuur.
Het college kan hiervoor een formulier vaststellen. Dit formulier wordt dan aan de bevoegde
gezagsorganen toegezonden. Het college kan in dit formulier opnemen de gegevens die al bij het college
bekend zijn. Het bevoegd gezag kan zich dan beperken tot het vermelden van de wijzigingen. Beschikt het college over digitale informatievoorziening, dan kan van deze digitale informatievoorziening gebruik worden gemaakt.
Artikel 6. Indienen aanvraag Artikel 6 bepaalt dat een aanvraag voor het programma wordt ingediend door middel van een door het
college vastgesteld aanvraagformulier. Door te werken met een standaardformulier worden de gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag (zie ook artikel 7) op een eenduidige wijze
ontvangen. Dit vergroot de onderlinge vergelijkbaarheid van aanvragen. Voor het overzicht wordt geen
aanvraag ingediend. De reden is dat op het overzicht worden opgenomen de aanvragen die zijn ingediend
voor het programma, maar niet worden gehonoreerd (zie artikel 96 van de WPO, 94 van de WEC en 76c van de WVO en toelichting bij artikel 13).
Ook in de situatie dat de gemeenteraad in overleg met de bevoegde gezagsorganen een meerjarig
huisvestingsbeleid (Integraal Huisvestingsplan, (IHP)) heeft vastgesteld (het zgn. ‘consensusmodel’) moet een aanvraag wordt ingediend. De reden is dat een IHP geen juridische status heeft.
Is het college of een bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet bevoegd gezag van een
openbare school (= integraal bestuur) dan gelden dezelfde procedures en termijnen als voor een bestuur
van een bijzondere school. In de bestuurspraktijk is het geen unieke situatie dat een college bij het eigen orgaan een verzoek indient (voor het realiseren van een gemeentelijk project - bijv. stadhuis - moet het
college bij zichzelf een verzoek om een bouwvergunning indienen). Dit betekent dat het college altijd moet kunnen aantonen dat men de ‘eigen’ aanvragen ook daadwerkelijk in alle opzichten gelijk behandelt ten opzichte van de andere aanvragen.
Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag Lid 1 Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het college de aanvraag in
behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van bevoegd gezag en school moet de aanvraag voor de onderbouwing van de benoemde voorzieningen huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een
leerlingenprognose en/of een bouwkundige rapportage. Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag bij de
aanvraag een leerlingenprognose indient. Het college en het bevoegd gezag kunnen overeenkomen dat het college een leerlingenprognose opstelt voor alle basisscholen en dat deze leerlingenprognose dan
bepalend is als onderbouwing van de aanvraag. Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs kan dan afzien van het laten opstellen van een leerlingenprognose.
Lid 2 Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat moet stellen, als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende gegevens binnen de in dit lid gestelde termijn aan te vullen. Is de
ontvangen aanvraag ook op de hersteldatum niet volledig dan besluit het college de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing.
Lid 3 Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de voorzieningen (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven van wezenlijk belang. Schoolbesturen zijn
verplicht deze gegevens aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs (BRON). Omdat de ingediende
aanvraag is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag (bijv. bij de aanvraag voor programma 2016 is
opgenomen het aantal leerlingen op de teldatum 1 oktober 2014), moet het college tijdig beschikken over
het werkelijk aantal ingeschreven leerlingen op de wettelijke teldatum van 1 oktober, voorafgaande aan het jaar waarvoor het programma wordt vastgesteld. Met de gegevens van de laatste teldatum kan worden
vastgesteld of de eerder aangevraagde voorziening, die mogelijk wordt toegekend omdat aan de in bijlage I tot en met III gestelde criteria is voldaan, op basis van de laatste gegevens ook daadwerkelijk
noodzakelijk is. De in het derde lid opgenomen termijn is een fatale termijn. Dit betekent dat als de
gevraagde gegevens niet tijdig zijn ontvangen het college besluit om de aanvraag niet te behandelen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing.
Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde gezagsorganen een overzicht beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met dit overzicht hebben alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan
aanvragen, zowel vanuit het bijzonder als het openbaar onderwijs is ontvangen en of deze aanvragen al of niet in behandeling worden genomen. Dit betreft algemene informatie en gaat vooraf aan het beoordelen van de aanvragen.
Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting Lid 1 De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te geven is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden over de op zich complete aanvragen te bespreken voordat het programma wordt
voorgelegd aan het bestuurlijk overleg (artikel 10). Door een nadere toelichting wordt voorkomen dat het bestuurlijk overleg onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de aanvragen.
Lid 2 Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de feitelijke kosten wordt bij de
aanvraag een kostenraming ingediend. Is het college na het beoordelen van de ontvangen kostenraming van oordeel dat de kostenraming op een of meer onderdelen moet worden bijgesteld dan vindt hierover overleg plaats met het bevoegd gezag. Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de kostenraming bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten die in het kader van het vast te
stellen programma worden toegekend. Het college moet in de beschikking wel motiveren waarom op het programma is afgeweken van het bedrag dat door het bevoegd gezag bij de aanvraag is overlegd.
Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad Lid 1-4 Het college is verplicht, voordat het programma en overzicht wordt vastgesteld, overleg te voeren met het onderwijsveld over het voorgenomen besluit. In afwijking van het wettelijke verplichte overleg over het
vaststellen of wijzigen van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (artikel 102 van de WPO ,artikel 100 van de WEC en artikel 76m van de WVO) is dit overleg geen ‘op overeenstemming gericht
overleg’. Uitgangspunt is dat het bedoelde overleg plaatsvindt met alle bevoegde gezagsorganen. In plaats van een overleg met alle bevoegde gezagsorganen kan het college besluiten het overleg in te richten per
onderwijssector (primair, (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs). Het overleg over de voorzieningen huisvesting onderwijs kan ook ingebed worden in een breder gestructureerd overleg in het kader van het lokaal onderwijsbeleid, de zgn. lokaal educatieve agenda. Het staat de aanvrager die niet aan het overleg deelneemt vrij om zijn standpunten schriftelijk kenbaar te maken. Degenen die wel aan het overleg
deelnemen, moeten voorafgaande aan het overleg op de hoogte zijn van de schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze daar in het overleg eventueel op kunnen reageren.
Lid 5-8 De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zesde lid, van de WPO, artikel 100, zesde lid, van de WEC en artikel 76m van de WVO. Zowel een bevoegd gezag als het college kan de Onderwijsraad advies vragen
over het voornemen tot het vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting onderwijs. De leden 5 t/m 8 vermelden de procedure die moet worden gevolgd voor het vragen van dit advies. De
adviesaanvraag moet betrekking hebben op de relatie tussen het voorgenomen besluit tot het vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting onderwijs en de aspecten van vrijheid van richting en
vrijheid van inrichting. Het college is in alle gevallen verplicht het verzoek om advies in te dienen bij de
Onderwijsraad en dit verzoek goed te documenteren. Daarnaast moet het verzoek vergezeld gaan van alle
stukken die relevant (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).
De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier weken start vanaf het moment dat de Onderwijsraad beschikt over de stukken die hij relevant acht voor de advisering. Als de Onderwijsraad om advies wordt gevraagd is het van belang dat het college goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige vertraging oploopt.
De Onderwijsraad brengt binnen vier weken, nadat de Onderwijsraad alle noodzakelijke informatie heeft
ontvangen, zijn advies uit. Het college zendt het advies van de Onderwijsraad daarna zo spoedig mogelijk aan de bevoegde gezagsorganen. Afhankelijk van het ontvangen advies wordt een nieuw bestuurlijk
overleg vastgesteld. Op de wijze waarop de Onderwijsraad adviseert is van toepassing wat in algemene zin over het verstrekken van adviezen is geregeld in de Awb. In dit verband is vooral het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede lid, het
college het programma voorzieningen huisvesting onderwijs vaststellen als de Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken nadat de adviesaanvraag volledig is, uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is het
college gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer het college afwijkt van het advies van de Onderwijsraad
worden op grond van artikel 3:50 van de Awb de redenen daarvan vermeld in de motivering. Het vijfde lid bepaalt dat alle deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven
over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit omdat iedereen erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle partijen om zich tot de
Onderwijsraad te wenden. Dit laat uiteraard onverlet het recht van een individueel schoolbestuur of van het
college om de Onderwijsraad in te schakelen als de andere overlegpartners daaraan geen behoefte hebben. De zienswijzen van de schoolbesturen moeten schriftelijk worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij het vormen van zijn oordeel over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen betrekken. Van een eventueel overleg, nadat het advies van de Onderwijsraad wordt ontvangen, wordt een
afzonderlijk verslag gemaakt dat wordt toegevoegd aan de stukken die moeten leiden tot een besluit van het college.
Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond Lid 1 Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is voor het honoreren van de
aangevraagde voorzieningen vast te stellen. Het vaststellen van het bekostigingsplafond is een afzonderlijk collegebesluit, maar kan in dezelfde vergadering worden genomen als het besluit tot het vaststellen van het programma en overzicht (zie ABRvS 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG8296). Het
bekostigingsplafond staat los van het totaal van het investeringsbedrag van de aangevraagde
voorzieningen. Het bekostigingsplafond is uitsluitend bepalend voor de vraag of alle aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs ook kunnen worden gehonoreerd. Het college kan een
bekostigingsplafond per onderwijssector of per voorziening vaststellen. Achtergrond van deze
mogelijkheid is te voorkomen dat één onderwijssector of één bepaalde voorziening structureel voor bekostiging in aanmerking komt, waardoor andere gewenste investeringen niet kunnen worden
gehonoreerd. Het onderverdelen van het beschikbare investeringsbedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen is een instrument om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering van de zorgplicht. Deze onderverdeling kan uitsluitend plaatsvinden op basis van een door de gemeenteraad vastgesteld meerjareninvesteringsplan.
Lid 2 Uitgangspunt van de verordening is dat het programma en, als dit noodzakelijk is, het overzicht worden vastgesteld voor 31 december van het lopende kalenderjaar. De datum van 31 december is geen fatale