Lambertusweg 15, Middelaar_Toelichting
Tekst van het document
de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.
Planspecifiek Ten noorden van het plangebied, langs de Brigidaweg, stroomt de primaire waterloop Lambertusbeek. De ontwikkeling heeft geen effecten op deze waterloop. In het werkgebied van het waterschap Limburg geldt in landelijk gebied een vrijstelling van compensatie van de toename van verhard oppervlak als het totaal aaneengesloten oppervlak verharding niet meer bedraagt dan 5.000 m². In de huidige situatie is er sprake van circa 2.045 m² aan verharding en bebouwing. De regels van dit bestemmingsplan staan een maximaal bebouwde en volledig verharde oppervlakte van 2.700 m² toe binnen de bestemming 'Recreatie'. Deze oppervlakte zal, gezien de verspreide ligging van de trekkershutten niet aaneengesloten zijn. De toename van het bebouwd en volledig verharde oppervlak is (2.700 - 2.045 =) circa 655 m². Daarnaast zal er nog sprake zijn van enige halfverharding. Gezien de vrijstellingsregel van het waterschap is het compenseren van de toename aan verhard oppervlak niet nodig. Het hemelwater wordt op eigen terrein geïnfiltreerd in de bodem. Het plangebied ligt daarnaast in het waterbergend rivierbed. Hierop wordt ingegaan in paragraaf 3.1.
Op het gebied van water is het plan uitvoerbaar.
4.3
Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
24
Bestemmingsplan Lambertusweg 15, Middelaar
Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Soortenbescherming Voor het plan is een quick scan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport hiervan is opgenomen in bijlage 4. In het onderzoek is geconcludeerd dat er geen negatieve effecten zijn op beschermde soorten en geen ontheffing Wnb nodig is als aan bepaalde maatregelen wordt voldaan. De maatregelen betreffen het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden buiten de periode 15 maart t/m 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) en het buiten de kwetsbare periode van de huismus (1 maart t/m 30 september) verplaatsen van de nestkasten voor de huismus, waarbij deze na verplaatsing dienen te blijven functioneren. Als extra natuurinclusieve maatregel is het voornemen een steenuilenkast te plaatsen binnen het plangebied.
Gebiesbescherming Om te bepalen of er met betrekking tot stikstofdepositie negatieve effecten zijn op Natura 2000-gebieden, is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd, welke is opgenomen in bijlage 5. Hierin is geconcludeerd dat er ten opzichte van het huidige gebruik in zowel de aanlegfase als de toekomstige gebruiksfase geen sprake is van een bijdrage aan stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee zijn er vanuit stikstofdepositie ook geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.
4.4
Landschap
Zoals beschreven in paragraaf 3.2 is het plangebied op basis van de Provinciale Omgevingsvisie Limburg onderdeel van de Groenblauwe mantel. De kernkwaliteiten in de Groenblauwe mantel zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Er is al lange tijd woonbebouwing aanwezig op het perceel. Het visueel-ruimtelijk karakter van een verhoogde ligging blijft in het plangebied aanwezig. Cultuurhistorisch erfgoed is niet aanwezig. Wat betreft het reliëf, er is op de locatie altijd sprake geweest van een intensief gebruikt agrarisch perceel, waar op gegeven moment in het zuidoostelijke deel (in 1996) een grondlichaam op is gebracht. Deze is in 2019 met een omgevingsvergunning afgegraven en het omliggende terrein is geëgaliseerd. Daarmee is het historische reliëf in het plangebied weer hersteld. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op het reliëf, behalve eventueel zeer beperkte egalisering ten behoeve van de bebouwing/infrastructuur. Zo nodig wordt hiervoor een omgevingsvergunning aangevraagd, dat zal blijken uit de uitwerking van de plannen. Het groene karakter in het gebied wordt met de ontwikkeling verbeterd door een deel van de gronden tot 'Natuur' te bestemmen. Tevens wordt het landschap in en om het plangebied beter beleefbaar, doordat de locatie een nieuwe functie krijgt gericht op recreanten.
In paragraaf 3.4.4 is gemotiveerd dat het plan aansluit bij het gemeentelijke landschapsbeleid.
Wat betreft het aspect landschap is het plan uitvoerbaar.
Bestemmingsplan Lambertusweg 15, Middelaar
25
4.5
Verkeer
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Het plangebied wordt via de bestaande inrit ontsloten. De verkeersbewegingen vanwege het voormalig agrarisch bedrijf komen te vervallen. De bedrijfsbebouwing betrof circa 1.000 m². Voor een arbeidsintensief bedrijf kan worden uitgegaan van 10,9 verkeersbewegingen per 100 m² per dag: Dat levert in de huidige situatie een verkeersintensiteit van 109 verkeersbewegingen per dag op. Daarvoor in de plaats komen verkeersbewegingen van recreanten. Voor de kampeerplaatsen kan rekening gehouden worden met 0,4 verkeersbeweging per kampeerplaats, wat neerkomt op (6 x 0,4 =) 2,4 verkeersbewegingen per dag. Per trekkershut wordt rekening gehouden met een verkeersaantrekkende werking van 2,8 verkeersbewegingen per trekkershut (kengetal bungalowpark), wat neerkomt op (17 x 2,8 =) 47,6 verkeersbewegingen. Voor de groepsaccommodatie kan uitgegaan worden van 4 verkeersbewegingen per 4 personen. Dit komt neer op (12 x 4 =) 48 verkeersbewegingen per dag. In totaal zijn er in de toekomstige situatie (2,4 + 47,6 + 48 =) 98 verkeersbewegingen. Daarmee neemt de verkeersaantrekkende werking van de functies in het plangebied met 11 verkeersbewegingen af vergeleken met de huidige situatie.
Langs en rondom het plangebied bevinden zich verschillende recreatieve routes voor langzaam verkeer, waar de toekomstige functie in het plangebied goed bij aansluit.
Voor de groepsaccommodatie voor 48 personen wordt als parkeernorm gehanteerd 1,5 parkeerplaats per 4 personen. Dit betekent dat voor de groepsaccommodatie 18 parkeerplaatsen nodig zijn. Voor de trekkershutten wordt (gezien de beperkte grootte) aangesloten bij de gemiddelde parkeernorm van het CROW voor campings: 1,2 per standplaats/trekkershut. Dit levert bij 17 trekkershutten een parkeerbehoefte op van 21 parkeerplaatsen op. De totale parkeerbehoefte voor de trekkershutten en groepsaccommodatie komt daarmee neer op circa 39 parkeerplaatsen. Voor de kampeerders is bij de kampeerplaatsen ruimte om te parkeren. Er worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om aan de toekomstige parkeerbehoefte te voldoen. Het realiseren en in stand houden van 39 parkeerplaatsen is geborgd in de regels.
4.6
Cultuurhistorie en archeologie
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek Cultuurhistorie In het plangebied en de directe omgeving bevinden zich geen cultuurhistorische waarden waar het plan effect op kan hebben.
26
Bestemmingsplan Lambertusweg 15, Middelaar
Archeologie Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Mook en Middelaar is er in het plangebied sprake van een hoge archeologische verwachtingswaarde (rood). Hiervoor geldt een onderzoeksplicht voor bodemingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 40 cm. Bijgevoegd een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Mook en Middelaar.
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Mook en Middelaar (bron: gemeente Mook en Middelaar)
Voor het plangebied is naar aanleiding van een ouder, vergelijkbaar plan, een archeologisch onderzoek uitgevoerd in 2014, welke is opgenomen in bijlage 6. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de hoge trefkans op de aanwezigheid van archeologie gehandhaafd blijft. Geadviseerd wordt om in het voorste deel van het plangebied bodemingrepen tot 1 meter diepte toe te staan. In het overige deel blijft sprake van een hoge verwachtingswaarde. In het kader van een omgevingsvergunning voor het afgraven en egaliseren van gronden binnen het plangebied in 2019 is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7). Hierin is geconcludeerd dat het archeologisch relevante niveau nog intact is en wordt geadviseerd de onderzoeksgrenzen zoals vastgesteld in het onderzoek uit 2014 te handhaven. Voor het hele plangebied wordt een dubbelbestemming voor archeologie opgenomen. Voor het voorste deel is een op basis van de onderzoeken gespecificeerde regeling opgenomen. Voor het overige deel van het plangebied wordt de bestaande regeling voor een hoge verwachtingswaarde gehandhaafd, met dien verstande dat de ondergrens voor onderzoek voor de oppervlakte is bijgesteld naar 10 m². Dit is ook de oppervlakteondergrens voor onderzoek voor het voorste terreindeel.
Op het gebied van cultuurhistorie en archeologie is het plan uitvoerbaar.
4.7
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
Bestemmingsplan Lambertusweg 15, Middelaar
27
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
28
Bestemmingsplan Lambertusweg 15, Middelaar
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Verbeelding De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Regels De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.
5.2
Wijze van bestemmen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
'Natuur', voor de te ontwikkelen natuur die in het kader van het LKM wordt gerealiseerd op het perceel aan de zuidoostzijde, de lager gelegen gronden aan de achterzijde van de bebouwing en de randen van de landschappelijke inpassing. Binnen de aanduiding 'kampeerterrein' zijn 6 natuurkampeerplaatsen toegestaan. Binnen de aanduiding 'parkeerterrein' is een groen ingerichte parkeerplaats toegestaan.
'Recreatie', waarbinnen de verblijfsrecreatieve functies en de bedrijfswoning zijn toegestaan. Met aanduidingen is aangegeven waar de verschillende verblijfsrecreatieve functies en de bedrijfswoning zijn toegestaan. Binnen het bouwvlak zijn de bedrijfswoning, de groepsaccommodatie en gebouwen voor gezamenlijke voorzieningen toegestaan tot een maximum bebouwd oppervlak van 800 m². De maximale inhoud van de bedrijfswoning is niet beperkt, omdat deze onderdeel zal zijn van de bouwmassa en al door het maximaal bebouwd oppervlak in het bouwvlak wordt beperkt. De trekkershutten zijn aan de achterzijde van het perceel toegestaan, ter plaatse van een aanduiding. Deze zijn in aantal en omvang beperkt in de regels. Voor de oppervlakte aan bebouwing en volledige verharding is in de regels een maximum van 2.700 m² opgenomen. Hierin telt halfverharding niet mee.
'Waarde - Archeologie', voor het behoud en bescherming van archeologische waarden. De aanduidingen 'overige zone - hoge verwachtingswaarde' en 'overige zone - specifieke verwachtingswaarde' zijn opgenomen voor de gebieden met verschillende voorwaarden voor archeologisch onderzoek.
'Waterstaat - Waterbergend rivierbed'. Deze dubbelbestemming is overgenomen uit het geldende plan en geldt voor het gehele plangebied. Het doel is de bescherming van het waterbergend rivierbed van de Maas.
Bestemmingsplan Lambertusweg 15, Middelaar
29
Dit plan kent verder geen noemenswaardige bijzonderheden.
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
30
Bestemmingsplan Lambertusweg 15, Middelaar
Hoofdstuk 6 6.1
Procedure
Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.
6.2
Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het bestemmingsplan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg toegezonden aan de belanghebbende instanties: Rijkswaterstaat en de provincie Limburg. Met de provincie heeft op 17 december 2019 overleg plaatsgevonden, op basis daarvan zijn enkele kleine aanpassingen gedaan in dit bestemmingsplan. Met Rijkswaterstaat is overlegd over de consequenties van de ligging van het plangebied in het waterbergend rivierbed. De resultaten hiervan zijn verwerkt in dit bestemmingsplan.
6.3
Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro
Er is voor dit plan geen formele inspraakprocedure doorlopen. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd.
6.4
Verslag zienswijzen
In de inzage termijn zijn 3 zienswijzen binnen gekomen. De zienswijzen zijn beantwoord in de nota zienswijzen welke als bijlage 10 is bijgevoegd.
Bestemmingsplan Lambertusweg 15, Middelaar
31