CConstaterende datMook en Middelaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij de motivering 2 - Quickscan Natuur

Raadsvergadering 11 december 2025, gemeente Mook en MiddelaarBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a 'Rijksweg 19 Molenhoek'7.862 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Natuur Rijksweg 19 te Molenhoek Oriënterend onderzoek natuur in het kader van de Omgevingswet

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2024-1614

Revisie:

14 februari 2025

Samensteller:

ing. C.A.S. Kuijpers

Collegiale toets:

ing. M. Smit

Opdrachtgever:

Buro Waalburg

Contactpersoon:

J. Janzen & R. van den Oetelaar

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud Samenvatting

4

1 Inleiding

5

1.1

Planlocatie

6

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

7

2 Methode

8

2.1

Uitvoering onderzoek

8

2.2

Houdbaarheid en toepassing

8

3 Beoordeling

9

3.1

Soortenbescherming

9

3.2

Specifieke zorgplicht Soorten

14

3.3

Gebiedsbescherming

14

3.4

Houtopstanden

16

4 Conclusie en vervolg

17

4.1

Conclusie

17

4.2

Effecten

17

4.3

Vervolgstappen en maatregelen

17

Samenvatting Aan de Rijksweg 19 te Molenhoek is een woonperceel met woning en schuur gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens het bestaande perceel op de planlocatie te splitsen ten behoeve van een nieuwe woning. De beoogde ruimtelijke ingreep is getoetst aan het onderdeel Natuur onder de Omgevingswet. De vervolgstappen dienen uit te wijzen of wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. In onderstaande tabellen wordt weergegeven welke functies en effecten zijn beoordeeld, en welke vervolgstappen en maatregelen worden geadviseerd. Soortgroep

Bescherming

Mogelijke functie

Planten

Geen

Grondgebonden zoogdieren

Geen

Vleermuizen

Geen

Amfibieën

Geen

Reptielen

Geen

Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (jaarrond beschermd)

Geen

Vogels (categorie 3)

Geen

Vervolgstap (H4.3)

Geen Geen

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Vervolgstap (H4.3)

Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Groenblauwe mantel Beekdal Natuurbeek

3,2 km 610 m 460 m 2,7 km 2,7 km

Geen Geen Geen Geen Geen

n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.

Houtopstanden

Onderdeel

Uitzondering

Vervolgstap (H4.3)

Afwezig Afwezig

n.v.t. n.v.t.

Geen Geen

Zorgplicht

Effecten

Vervolgstap (H4.4)

Algemene zorgplicht Specifieke zorgplicht soorten Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht houtopstanden

Ja Ja Geen Geen

Algemene maatregelen Specifieke maatregelen n.v.t. n.v.t.

Eenheid van >1000 m Bomenrij van >20 bomen 2

4

1 Inleiding Aan de Rijksweg 19 te Molenhoek is een woonperceel met woning en schuur gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens het bestaande perceel te splitsen ten behoeve van de realisatie van een nieuwe woning. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro Waalburg B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Voldoet de wijziging van het omgevingsplan aan de eis dat voldaan moet worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Omgevingswet art.

4.2)? • Welke beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van beschermde houtopstanden? • Dienen er vervolgstappen in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Rijksweg 19 te Molenhoek.

5

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Rijksweg 19 te Molenhoek (figuur 1.2). De planlocatie betreft een deel van de achtertuin. De tuin wordt onderhouden met een hoog kwaliteitsbeeld en heeft een gazon, bomen, struiken en heggen. De omgeving wordt gekenmerkt door een woonwijk en agrarische percelen. De N271 ligt op een afstand van circa 100 m, de A73 op een afstand van circa 2,3 km en de Maas ligt op een afstand van circa 540 m. Natuurgebieden in de omgeving zijn het Groesbeekse bos, Heumensoord, Mookerheide en de Sint-Jansberg. In figuur 1.3, figuur 1.4 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Rijksweg 19 te Molenhoek.

Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om het bestaande perceel te splitsen ten behoeve van een nieuwe woning.

6

Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de splitsing van het perceel en de realisatie van een nieuwe woning. Het vigerende plan voorziet niet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een planwijziging benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • Mogelijk kappen van bomen: kapwerkzaamheden aan 4 mammoetbomen en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

7

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent de relevante vakgebieden met betrekking tot natuurwet- en regelgeving. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten, gebieden en houtopstanden. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening. Zie voor het juridisch kader bijlage 2 van dit rapport.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 13 november 2024 en is uitgevoerd door ing. C.A.S. Kuijpers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: droog, 8/8 bewolkt, 8 Celsius en windkracht 1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna, bovenop het bekende algemene verspreidingsbeeld van beschermde soorten. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF wordt geraadpleegd voorafgaand aan het uitvoeren van het veldbezoek en gedurende het rapporteren. Tijdens de zoekopdracht in de NDFF wordt hierbij een zoekgebied met straal van circa 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. De meest recente datum van raadpleging in de NDFF is d.d.

27 november 2024. In het kader van de Omgevingswet is door BIJ12 de Beschermde Soorten Indicator (BeSI) ontwikkeld. De indicator geeft per locatie de te verwachten soorten en effecten op verblijfplaatsen en leefgebied. Tot dusver blijken de resultaten van de BeSI ontoereikend, er wordt geen volledig beeld van de te verwachten soorten en effecten verkregen. Blom Ecologie volgt de ontwikkeling van de BeSI nauwgezet en zal de indicator toepassen indien de BeSI toereikend is. Momenteel biedt de NDFF het meest complete inzicht in de verspreiding van soorten. Ten behoeve van voorliggende quickscan is de BeSI niet geraadpleegd.

2.2 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Een quickscan Natuur heeft een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

8

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde planten: akkerogentroost, glad biggenkruid, grote leeuwenklauw en korensla (NDFF 2019-2024). Akkerogentroost groeit op zonnige plekken met matig voedselarme, vochtige en kalkrijke grond zoals (graan)akkers. Glad biggenkruid groeit op zonnige tot licht beschaduwde, natte, voedselarme, zwak zure tot kalkhoudende grond op graanakkers, bermen en grasland. Grote leeuwenklauw groeit op zonnige, (matig) voedselrijke en kalkhoudende grond op bermen, graanakkers, braakliggende grond en tuinen. Korensla groeit op open, droge, matig voedselrijke, zure zandgrond op heide, zandstranden en (graan)akkers.

De planlocatie is een tuin met hoog kwaliteitsbeeld en veelal aangeplante soorten en enkele wilde soorten die duiden op een verstoorde voedsel- en stikstofrijke bodem. Het voorkomen van beschermde planten wordt vanwege het onderhoudsbeeld en de ongunstige bodemomstandigheden uitgesloten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: framboos, geelrode naaldaar, geel nagelkruid, hoge fijnstraal, hondsdraf, liggend walstro, paardenbloem en zwarte nachtschade. Er liggen enkele tegels in de tuin en er is geen bebouwing aanwezig, waardoor er geen (beschermde) muurvegetatie aanwezig is. De tuin wordt omringd door een haagbeuken heg en een coniferen heg. In het midden staat een vrijstaande treurwilg en aan de randen staan vier mammoetbomen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel, wild zwijn en woelrat (NDFF 2019-2024). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, das, rode eekhoorn, steenmarter en wild zwijn. De bever is gebonden aan waterrijke habitats en leeft in het overgangsgebied tussen land en water met voldoende bereikbare bomen en struiken op de oevers, zoals moerassen, meren, beken en rivieren. De planlocatie betreft een gedeelte van een achtertuin. Er is geen oppervlaktewater aanwezig op de planlocatie of in de directe omgeving. Hierdoor kan de aanwezigheid van de bever op de planlocatie worden uitgesloten. De boommarter leeft in bosrijke gebieden met voldoende (oude) bomen. Verblijfplaatsen worden aangetroffen in boomholten, oude grotere vogelnesten en holen onder de grond. De planlocatie betreft een gedeelte van een achtertuin. De aanwezige bomen bevatten geen holten. Tevens zijn er geen holen of vogelnesten van geschikt formaat aangetroffen. Derhalve kan de aanwezigheid van de boommarter op de planlocatie worden uitgesloten. 9

De das leeft in vooral kleinschalige cultuurlandschappen met akkers en weides met voldoende bosjes, houwallen en heggen. Er is een dassenburcht bekend in de achtertuin van Rijksweg 23, op een afstand van circa 120 m (figuur 3.1). Tevens zijn er waarnemingen van foeragerende dassen bekend in de voortuin van Rijksweg 19 (Kalkman, 2023). Tijdens het veldbezoek zijn neusputten van foeragerende dassen aangetroffen op de planlocatie en in andere delen van de achtertuin (zie bijlage 1). Er is echter geen sprake van negatieve effecten ten aanzien van de das (persoonlijke contact Provincie Limburg, 11 februari 2025). De das foerageert namelijk in verschillende andere percelen nabij het plangebied. Tevens ligt het Maasdaal op korte afstand vanaf de huidige burcht. Het is bekend dat de das hier foerageert (persoonlijke contact Provincie Limburg, 11 februari 2025). Ten slotte blijft er een groot gedeelte van de oorspronkelijke planlocatie onaangetast.

Figuur 3.1 De planlocatie ligt op circa 120 m afstand tot een bekende dassenburcht (bron: Kalkman, 2023). De rode eekhoorn leeft in bossen, parken, tuinen en houtwallen. Verblijfplaatsen worden aangetroffen in bomen op een hoogte van minstens 5 meter. Dit betreffen zelfgebouwde slaapnesten of boomholten. In de bomen op de planlocatie zijn geen slaapnesten of boomholtes aangetroffen. Derhalve kan de aanwezigheid van rode eekhoorn worden uitgesloten. De steenmarter komt in veel biotopen voor met een voorkeur naar kleinschalig parklandschap. Verblijfplaatsen worden aangetroffen op steenachtige plekken zoals gebouwen en rotsige hellingen maar ook in boomholten, takkenhopen en struwelen. De planlocatie betreft een deel van een achtertuin. Er is een bebouwing aanwezig en vanwege het hoge kwaliteitsbeeld ontbreken andere mogelijke verblijfplaatsen ook. Derhalve kan de aanwezigheid van steenmarter worden uitgesloten. Het wild zwijn komt voor in bossen met natte en moerassige plekken. De planlocatie betreft een deel van een achtertuin en is gelegen in de bebouwde kom. Er ontbreken bossen en er is te veel verstoring. Derhalve kan de aanwezigheid van het wild zwijn worden uitgesloten. Door voornoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten.

Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de vrijstelling van de provinciale Omgevingsverordening vallen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse 10

vleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis (NDFF 2019-2024). Onder de Habitatrichtlijn zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd (Bal art. 11.46). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de specifieke zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H4.3). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Wegens het ontbreken van bebouwing op de planlocatie is het voor vleermuizen onmogelijk een geschikte verblijfplaats te vinden. Voor de planlocatie geldt dat deze niet in een gebied is gelegen met een gemeentelijk Soortenmanagementplan (SMP) gebiedsvergunning.

Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De planlocatie betreft een gedeelte van een tuin met mammoetbomen en een treurwilg. Mammoetbomen zijn niet inheems en trekken weinig insecten aan, waardoor deze bomen weinig voedsel aanbieden voor vleermuizen. De treurwilg trekt meer insecten aan waardoor vleermuizen hier kunnen foerageren. Echter zijn er voldoende uitwijkmogelijkheden naar andere bomen in tuin. De bomen bieden geen lijnvormige structuur en kunnen derhalve niet dienen als vliegroute. Er is ten aanzien van vleermuizen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (NDFF 2019-2024). Voor de Alpenwatersalamander geldt dat deze beschermd is en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De Alpenwatersalamander komt voor in hoogveen- en heideterreinen, bossen, agrarisch gebied op zandgrond, dorpen en steden. De soort is weinig kritisch op het voortplantingswater en overwintering vindt plaats onder boomstronken, houtstapel en in kleine holen. De planlocatie betreft een deel van en tuin met hoog kwaliteitsbeeld.

Er zijn geen (voortplantings)wateren of mogelijke overwinteringsstructuren aanwezig. Derhalve kan de aanwezigheid van Alpenwatersalamander worden uitgesloten. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: gladde slang, hazelworm, muurhagedis, ringslang en zandhagedis (NDFF 2019-2024). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De gladde slang is een honkvaste soort en komt voor op zonnig en droog habitat op heide en hoogveen. Voldoende structuurrijke vegetatie en elementen zijn van belang. De hazelworm komt voor in vochtige gebieden die met dichte vegetatie zijn gedekt, zoals open bossen, bosranden en heidegebieden. De muurhagedis is een warmteminnende soort die voorkomt op warme, stenige plekken zoals muren en spoorwegen. Hierbij zijn voldoende spleten en holen van belang om in weg te kruipen. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats met de aanwezigheid van hogere gronden en broeihopen van dood organisch materiaal. De zandhagedis komt voor in zandige, droge terreinen zoals heide en duinen. Een mozaïek van open zandplekjes en structuurrijke grassen en heidebegroeiing zijn van belang.

11

De planlocatie betreft een deel van een achtertuin en heeft een hoog kwaliteitsbeeld. Door de schaduwrijke omgeving, het ontbreken van structuurrijke (overwinterings)elementen en de mate van verstoring in de omgeving wordt de aanwezigheid van bovengenoemde reptielen op de planlocatie uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20192024). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage, teunisbloempijlstaart, beekrombout en vliegend hert (NDFF 2019-2024). De grote vos komt voor in bosrijke gebieden en is gebonden aan hoge, vrijstaande houtige vegetatie. Waardplanten zijn iep, zoete kers en sommige wilgensoorten. Op de planlocatie is één vrijstaande treurwilg gesitueerd. De treurwilg komt oorspronkelijk uit China en is dus geen inheemse soort. Aangezien insecten gebonden zijn aan inheemse soorten worden negatieve effecten ten aanzien van de grote vos uitgesloten.

De grote weerschijnvlinder komt voor in oude, vochtige loofbossen en gebruiken uitsluitend iepensoorten en cultivars hiervan als waardplant. Deze waardplanten zijn niet aanwezig op de planlocatie, waardoor negatieve effecten op de grote weerschijnvlinder kunnen worden uitgesloten. De kleine ijsvogelvlinder komt voor in vochtige (elzenbroek)bossen en gebruiken wilde, rode en gecultiveerde kamperfoelie als waardplant. Deze waardplanten zijn niet aanwezig op de planlocatie, waardoor negatieve effecten ten aanzien van de kleine ijsvogelvlinder kunnen worden uitgesloten. De sleedoornpage is een honkvaste soort die voorkomt langs bosranden en struwelen en soms in parken en tuinen. Waardplanten zijn sleedoorn en enkele andere Prunus-soorten. Deze waardplanten zijn niet aanwezig op de planlocatie, waardoor negatieve effecten ten aanzien van de sleedoornpage kunnen worden uitgesloten. De teunisbloempijlstaart komt voor op warme en vochtige bos(randen), open plekken en ruderale terreinen. Waardplanten zijn teunisbloemen, basterdwederik, (harig) wilgenroosje en grote kattenstaart. Deze waardplanten zijn niet aanwezig op de planlocatie en worden vangwege het hoge onderhoudsbeeld ook niet verwacht, waardoor negatieve effecten ten aanzien van de teunisbloempijlstaart kunnen worden uitgesloten.

De beekrombout is gebonden aan beken en kleine rivieren met schoon en zuurstofrijk water met voldoende oevervegetatie voor de larven. Op de planlocatie is geen (stromend) oppervlaktewater aanwezig. Derhalve kunnen negatieve effecten ten aanzien van de beekrombout kunnen worden uitgesloten. Het vliegend hert komt voor in oudere bossen met voldoende oude en dode eiken. Larven groeien op in rottend eikenhout dat door schimmels is aangetast. De aanwezigheid hiervan is dan ook een vereiste voor de soort. Op de planlocatie zijn geen eiken aanwezig. Vanwege het hoge kwaliteitsbeeld van de tuin is er ook geen rottend hout aanwezig. Derhalve kunnen negatieve effecten ten aanzien van het vliegend hert worden uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

12

Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: gaai, gewone vink, kauw, merel en pimpelmees. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2019-2024). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 Kennisdocument Huismus, 2023). Er is geen bebouwing aanwezig op de planlocatie. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing.

De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 Kennisdocument Gierzwaluw, 2023). Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig. Hierdoor kan de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Er is geen bebouwing aanwezig op de planlocatie. Er zijn dan ook geen sporen van gebouwbewonende uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van nestlocaties en vaste rustplaatsen van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Het is mogelijk dat er sporadisch een roofvogel of uil boven de planlocatie foerageert. Aangezien deze klein van omvang is en er genoeg uitwijkmogelijkheden zijn in de landelijke en bosrijke omgeving is er geen sprake van functioneel leefgebied op de planlocatie.

Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - vogels waarvan voldoende functioneel leefgebied aanwezig moet blijven De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek is het nest aangetroffen van een duif. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soort beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kapwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Exoten Er geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren onder de Unielijst.

Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek en de bureaustudie (NDFF 2019-2024) geen soorten aangetroffen die vallen onder de Unielijst Exoten. Tevens zijn er geen exoten aangetroffen welke niet zijn opgenomen onder de Unielijst Exoten waar maatregelen of vervolgstappen voor geadviseerd worden.

13

3.2 Specifieke zorgplicht Soorten Binnen een straal van 100 m zijn geen waarnemingen bekend van de volgende Vrl art. 4.2 en bijlage 1soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten (NDFF 20192024). Voor alle activiteiten die uitgevoerd worden en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben, moeten deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden. Het plangebied bestaat uit een gedeelte van een achtertuin. Tijdens het veldbezoek is er onderzoek gedaan naar aanwijzingen van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit verricht wordt of in de directe omgeving van de locatie. Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten aangetroffen welke vallen onder de Specifieke zorgplicht. Er is wat betreft de bovenstaande soorten geen sprake van nadelige effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en Rode Lijst ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het bovenstaande zijn er geen preventieve maatregelen benodigd.

3.3 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 3,2 km ligt het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Sint-Jansberg’ (figuur 3.1).

Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 3,2 km tot het Natura 2000-gebied ‘Sint-Jansberg’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een woning. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.

14

Gezien er sprake is van een relatief grote afstand (3,2 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Limburg, Groenblauwe mantel, Natuurbeek of Beekdal. Op een afstand van circa 160 m ligt het Natuurnetwerk Limburg (figuur 3.2). Op een afstand van circa 460 m ligt de Groenblauwe mantel. Op een afstand van circa 2,7 km ligt de Natuurbeek en Beekdal (figuur 3.3).

Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 610 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: limburg.viewer.ow.planoview.nl).

Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 460 m tot de Groenblauwe mantel en circa 2,7 km tot de Natuurbeek en Beekdal (bron: limburg.viewer.ow.planoview.nl).

15

3.4 Houtopstanden Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Daarbij hebben de kapwerkzaamheden geen nadelige gevolgen voor de oogmerken voor regels voor deze activiteit. Een meld- en herplantplicht bij bevoegd gezag of verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken is niet noodzakelijk. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden.

Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

16

4 Conclusie en vervolg 4.1

Conclusie In de beoogde ruimtelijke ingreep aan de Rijksweg 19 te Molenhoek wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.

4.2 Effecten De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

4.3 Vervolgstappen en maatregelen Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Algemene zorgplicht Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Specifieke zorgplicht • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

• De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

17

Bronvermelding Kalkman, P., 2023. Mitigatieplan realisatie woonwijk te Molenhoek zuid. Ontheffingsaanvraag soortenbescherming Wet natuurbescherming. Blom Ecologie B.V., Waardenburg Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017-2024) Kennisdocument Bever (Castor fiber) (2017) Kennisdocument Das (Meles meles) (2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) (2024) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) (2023) Kennisdocument Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) (2021) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Kleine marterachtigen (Bunzing – Hermelijn - Wezel) (2024) Kennisdocument Levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) (2017) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) (2024) Kennisdocument Zandhagedis (Lacerta agilis) (2017) Geraadpleegde websites atlas.bij12.nl/ bij12.nl nationaalgeoregister.nl ndff.nl limburg.viewer.ow.planoview.nl ravon.nl verspreidingsatlas.nl vleermuisprotocol.nl vlinderstichting.nl wilde-planten.nl zoogdiervereniging.nl Bijlage 1 Bijlage 2

Foto’s van dassensporen op de planlocatie Juridisch kader

18

Bijlage 1

Foto’s van dassensporen

Op de planlocatie en in andere delen van de tuin zijn neustputten van dassen aangetroffen.

19

Bijlage 2 Juridische kaders Zorgplicht De zorgplichten zijn in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht en de specifieke zorgplicht. Hierbij kan de specifieke zorgplicht verder opgedeeld worden in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (art. 11.6 Bal), Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) en Specifieke zorgplicht soorten (art 11.27 Bal). De Specifieke zorgplicht Natura 2000 en Specifieke zorgplicht houtopstanden worden bij de betreffende hoofdstukken beschreven. Algemene zorgplicht Voor iedereen geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht, waarin wordt voorgeschreven dat een ieder voldoende zorg draagt voor de fysieke leefomgeving (Ow art. 1.6). De Omgevingswet heeft als oogmerk bescherming en verbetering van het leefmilieu (Ow art. 1.3). Hiertoe worden de volgende onderdelen nagestreefd: het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Bij activiteiten met nadelige gevolgen moeten maatregelen genomen worden om die gevolgen te voorkomen, de gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, of de activiteit heroverwegen (Ow art. 1.7).

Specifieke zorgplicht soorten De Specifieke zorgplicht soorten heeft betrekking op het beschermen van specifieke planten- en diersoorten en is gericht op het behoud van biodiversiteit. Degene die een activiteit verricht is verplicht: 1. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. 2. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Hiervoor moet er voorafgaand aan de te verrichten activiteit, worden nagegaan of er op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van de locatie aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van: -

-

“van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 tweede lid van die richtlijn. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlage II, IV en V bij de habitatrichtlijn; dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 4°, van de wet; en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;”

De aanwezigheid van de bovenstaande soorten wordt met behulp rapporten, naslagwerken en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en tijdens veldbezoeken bepaald. In de NDFF wordt een zoekgebied met straal van circa 100 m aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Bij de aanwezigheid van een of meerdere soorten worden de mogelijk negatieve gevolgen van de beoogde realisatie beoordeeld. Hierbij wordt beoordeeld op de soorten en hun nest, voortplantingsplaats, rustplaats, eieren en standplaats. Mocht er aanwijzing zijn op nadelige gevolgen voor de soorten dan zijn er passende preventieve maatregelen benodigd om de nadelige gevolgen te voorkomen en dienen deze gemonitord te worden. Mochten er toch nadelige gevolgen optreden, dient

20

de activiteit gestaakt te worden of passende herstelmaatregelen getroffen worden als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is.

Flora- en fauna activiteit De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Bal art. 11.37), Habitatrichtlijnsoorten (Bal art. 11.46) en Andere soorten (Bal art. 11.54). Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna activiteit te verrichten (Ow art. 5.1 lid 2). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld onder de Habitatrichtlijn wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt de plicht tot een vergunning flora- en fauna activiteit conform de bepalingen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (art. 8.74 lid j, lid k en lid l). Vogelrichtlijn (Bal art. 11.37) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b.

het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Habitatrichtlijn (Bal art. 11.46) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a.

het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan:

21

1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder

b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Andere soorten (Bal art. 11.54) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b.

het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift. Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd.

Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 4.1

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 3: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 4: nesten en rustplaatsen van vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, tenzij er sprake is van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 3 Boerenzwaluw Boomvalk Bosuil Gierzwaluw

Havik Huismus Huiszwaluw Kerkuil

Ooievaar Raaf Ransuil Rode wouw

Slechtvalk Steenuil Torenvalk Wespendief

22

Grote gele kwikstaart

Oehoe

Roek

Zwarte wouw

Paapje Ringmus Roerdomp Sperwer Spotvogel

Visdief Wulp Zomertortel Zwarte specht

Vogelsoorten onder categorie 4 Bijeneter Blauwe reiger Buizerd Draaihals Grauw klauwier

Grutto IJsvogel Kramsvogel Kwartelkoning Oeverzwaluw

Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Bal art. 11.54 kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten (Bkl 8.74l). Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Limburg is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 4.2

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Limburg. (x1) = vrijstelling in periode maart – april en juli t/m november, (x2) = vrijstelling in periode 15 aug t/m februari, (x3) = vrijstelling in periode juli, augustus en september, (x4) = vrijstelling in periode 15 augustus t/m 15 oktober, * voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling in/op gebouwen en bijbehorende erven.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bastaardkikker

Hazelworm (x3)

Rode eekhoorn (x1)

Bosmuis *

Hermelijn

Steenmarter (x2)

Bruine kikker

Huisspitsmuis *

Tweekleurige bosspitsmuis

Bunzing

Kleine watersalamander

Veldmuis *

Dwergmuis

Konijn

Vos

Dwergspitsmuis

Levendbarende hagedis (x4)

Wezel

Egel

Meerkikker

Woelrat

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Gewone pad

Ree

Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij alle mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Bij de afwezigheid van significant negatieve effecten maar mogelijke kans op verslechtering moeten voor de Specifieke zorgplicht Natura 2000gebieden (art. 11.6 Bal) stappen voor de algemene bescherming ondernomen worden. De beoordeling van de Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden zal derhalve in de voortoets beschreven worden. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. 23

Natuurnetwerk Limburg De Goudgroene natuurzone, Bronsgroene landschapszone, Beschermingsgebied Nationaal Landschap, Zone natuurbeek en Zilvergroene natuurzone maken deel uit van het Natuurnetwerk Limburg (NNL). Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Limburg (NNL) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen. Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht.

Houtopstanden Houtopstanden betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Bij het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond geld de Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) als de activiteit nadelige gevolgen heeft voor de oogmerken voor regels voor deze activiteiten (art. 11.112 Bal). Waarbij de oogmerken doelstellingen zijn voor regels over het vellen en herbeplanten. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Bal art. 11.111 lid 2): a. houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; Besluit activiteiten leefomgeving – geconsolideerde Staatsbladversie b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld; d. houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen; e.

naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, als deze niet ouder zijn dan 20 jaar; f. kweekgoed; g. uit populieren of wilgen bestaande: 1) wegbeplantingen; 2) beplantingen langs waterwegen; en 3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; h. het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand; i. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, als zij: 1) ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; 2) bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid, die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m; en 3) zijn aangelegd na 1 januari 2013; en j. houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 a, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.

24

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MookenMiddelaar&id=daf29f11-e286-4cca-8902-479f93e16202