CConstaterende datMook en Middelaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Bp - Bijlagen bij toelichting.PDF

Raadsvergadering 15 juli 2021, gemeente Mook en MiddelaarBij agendapunt: Bestemmingsplan en omgevingsvergunningen Middelweg 100, Molenhoek22.561 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, p urperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tap uit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart , witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw

Vogels

Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.

In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieen en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren

Planten

Zoogdieren

aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*

Amfibieën

Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander

Reptielen

adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang

Vissen

beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal

vlinders

aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan

Libellen

beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer

Overige soorten

Europese rivierkreeft, vliegend hert

akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, stijve wolfsmelk, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam

Rapport 13374.001 versie D1

Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI.

Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming

Artikel 4.1

De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Artikel 4.2

1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.

Artikel 4.3 lid 1 en 2

Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.

Artikel 4.4 lid 1

De artikelen 4.2, eerste en derde lid, en 4.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van natuurontwikkeling en -beheer

Artikel 4.5

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.

Rapport 13374.001 versie D1

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst

Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype.

Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep k an oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelij ke ontwikkeling past in het landschap. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren.

Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt.

Rapport 13374.001 versie D1

Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Projectplan Een projectplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het projectplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie.

Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden.

Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door groepjes vrouwtjes en jongen gebruikt, in de kraamperiode door individuele mannetjes.

Rapport 13374.001 versie D1

Bijlage 2 Stikstofdepositieberekening M iddelweg 98-100

Middelweg 100, Molenhoek

36

Notitie Concept betreft:

Woningbouw Middelweg 98-100 te Molenhoek - onderzoek stikstofdepositie

datum:

22 oktober 2020

referentie:

TKe/ CSc/ / H 7578-2-NO

1 Inleiding

In opdracht van aannemingsbedrijf Janssen-Groesbeek B.V. is voor het woningbouwproject "Middelweg 98-100" met 32 appartementen in Molenhoek, een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofemissies en stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de planologische procedure die voor het bouwplan doorlopen wordt. De situering van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1. f1.1 Situering plangebied (1) te Molenhoek

In dit onderzoek zijn de bouw- en de gebruiksfase van de appartementencomplexen beschouwd. Voor de berekeningen van de depositie is gebruik gemaakt van het rekenmodel AERIUS Calculator 2020. In deze notitie worden de uitgangspunten en resultaten van het onderzoek beschreven.

peutz bv, postbus 66, 6585 zh mook, +31 85 822 86 00, info@peutz.nl, www.peutz.nl kvk 12028033, voorwaarden volgens DNR 2011, lid NLingenieurs, btw NL.004933837B01, ISO-9001:2015 H 7578-2-NO 1

2 To e t s i n g s k a d e r

De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft uitvoering aan Europese richtlijnen en regelt daarmee de bescherming van onder andere de zogenoemde Natura 2000-gebieden: een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden binnen de Europese Unie. Binnen dit netwerk vallen gebieden die beschermd zijn op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). In deze richtlijnen wordt aangegeven welke natuur, soorten dieren en planten beschermd dienen te worden. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere Natura 2000-gebieden, zie figuur 2.1. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft “Sint Jansberg” op ca. 3,7 km afstand van het plangebied. f2.1 Situering plangebied (1) ten opzichte van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden

Voor de te beschermen waarden (habitattypen en soorten) binnen de Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Voor veel Natura 2000-gebieden vormt vermesting en verzuring door stikstofdepositie (door ammoniak en stikstofoxiden) een bedreiging voor aanwezige habitattypen. Indien negatieve effecten van het initiatief op voorhand niet kunnen worden uitgesloten is een vergunning in het kader van de Wnb noodzakelijk. Er is inzake stikstofdepositie geen sprake van vergunningplicht bij een depositiebijdrage van maximaal 0,00 mol N/ha/jaar.

H 7578-2-NO 2

3 Uitgangspunten

In het onderzoek zijn de volgende situaties beschouwd: 1. Bouwfase: • activiteiten met mobiele werktuigen waarbij relevante stikstofemissies kunnen vrijkomen door dieselmotoren (verschillende kranen en hoogwerkers); • emissies vanwege de verbrandingsmotoren van het bouwverkeer (vrachtwagens en busjes). 2. Gebruiksfase: • emissies vanwege de verbrandingsmotoren van het verkeer van en naar de appartementencomplexen; • aangezien de woningen gasloos worden opgeleverd, zal geen sprake zijn van verwarmingsgerelateerde stikstofemissies. 3.1 B o u w f a s e

Tijdens de bouwfase van de appartementencomplexen zijn er verschillende relevante stikstofbronnen, zoals vervoersbewegingen met zowel personenauto's als vrachtwagens en werktuigen die aangedreven worden door diesel. Voor wat betreft het aantal vervoersbewegingen en de inzet van materieel (type, bedrijfstijd) zijn gegevens aangeleverd door de initiatiefnemer. Er is rekening gehouden met de volgende vervoersbewegingen tijdens de bouwfase: • Totaal 528 bezoekende vrachtwagens (= 1.056 bewegingen) • Totaal 3.500 bezoekende lichte voertuigen (= 7.000 bewegingen) Een overzicht van de vervoersbewegingen op het bouwterrein, de geschatte rijafstand en de bijbehorende NOx-emissie tijdens de bouwfase is opgenomen in tabel 3.1. Met betrekking tot het verkeer op het bouwterrein is rekening gehouden met een rijafstand van 45 meter per voertuigbeweging (= 90 meter per bezoekend voertuig). Voor wat betreft de stikstofemissies vanwege deze vervoersbewegingen zijn de standaard emissiekentallen gehanteerd, zoals opgenomen in het rekenmodel AERIUS Calculator. t3.1 Vervoersbewegingen op het bouwterrein en NO x-emissies Omschrijving

Aantal bezoekende voertuigen

Rijafstand in meters per

NOx-emissie

(1 bezoek = 2 bewegingen)

bezoekend voertuig

(kg)

Zwaar vrachtverkeer

528

90

0,4

Personenauto's

3.500

90

0,1

Met betrekking tot het verkeer van en naar het bouwterrein over de openbare weg is rekening gehouden met een rijafstand van 230 meter per voertuigbeweging (= 460 meter per bezoekend voertuig), zie hiervoor tabel 3.2, vanaf de bouwplaats tot aan de Rijksweg N271.

H 7578-2-NO 3

t3.2 Vervoersbewegingen over de openbare weg en NO x-emissies Omschrijving

Aantal bezoekende voertuigen

Rijafstand in meters per

NOx-emissie

(1 bezoek = 2 bewegingen)

bezoekend voertuig

(kg)

Zwaar vrachtverkeer

528

460

1,5

Personenauto's

3.500

460

0,6

In tabel 3.3 zijn de gegevens opgenomen met betrekking tot de mobiele werktuigen die gebruikt worden tijdens de bouwfase. Met betrekking tot de emissie is aangesloten bij de van toepassing zijnde emissienormen, zoals opgenomen in AERIUS Calculator. t3.3 NOx-emissies mobiele werktuigen tijdens bouwfase Omschrijving

Bouwjaar

Vermogen

Belasting

Bedrijfstijd

Emissienorm

NOx-emissie

vanaf

(kW)

(%)

(uren)

(g/kWh)

(kg)

Rupskraan, groot

2014

350

61

184

0,9

35,4

Graafmachine, banden, middelgroot

2014

100

69

184

0,8

10,2

Sherpa minishovel

2007

30

55

180

8,4

24,9

Betonpomp, 52 meter

2014

200

69

52

1,0

7,2

Mobiele torenkraan, AT4

2015

125

61

68

0,9

4,7

Telescoopkraan, 90 ton

2015

100

69

98

1,0

6,8

Autolaadkraan

2015

60

69

60

0,8

2,0

Verreiker

2015

100

84

182

0,9

13,8

Uit tabel 3.1 t/m 3.3 volgt dat de totale NOx-emissie in de bouwfase ca. 108 kg bedraagt. 3.2 G e b r u i k s f a s e

Gedurende de gebruiksfase zijn ter hoogte van het plangebied 32 woningen aanwezig. Omdat de woningen gasloos worden opgeleverd is er alleen sprake van stikstofemissies vanwege vervoersbewegingen. Ten aanzien van de te verwachten vervoersbewegingen in de gebruiksfase is aangesloten bij de kencijfers conform CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen" voor verkeersgeneratie in gebieden met stedelijkheidsgraad "weinig stedelijk gebied" en het gebiedstype “schil-centrum”. Voor de 16 "koopappartementen midden" wordt een gemiddelde verkeersgeneratie gegeven van 5,9 bezoekende voertuigen. Voor de 16 "huurappartementen midden/goedkoop (incl. sociale huur)" wordt een gemiddelde verkeersgeneratie gegeven van 4,1 bezoekende voertuigen. In voorliggend onderzoek wordt uitgegaan van een gemiddelde van deze waarden, derhalve 5 bezoekende voertuigen per appartement per etmaal. Voor 32 appartementen resulteert dit in een totale verkeersgeneratie van 160 bezoekende voertuigen per etmaal.

H 7578-2-NO 4

In tabel 3.4 is een overzicht opgenomen van de berekende NO x-emissies voor het bezoekende verkeer van en naar de appartementencomplexen over de openbare weg. Er is rekening gehouden met een rijafstand van 350 meter per voertuigbeweging (= 700 meter per bezoekend voertuig), vanaf het parkeerterrein tot aan de Rijksweg N271. Aanvullend is rekening gehouden met 1 bezoekende vrachtwagen per etmaal. t3.4 Vervoersbewegingen richting het appartementencomplex en NO x-emissies Omschrijving

Aantal bezoekende voertuigen

Rijafstand in meters per

NOx-emissie

per etmaal

bezoekend voertuig

(kg/jaar)

(1 bezoek = 2 bewegingen) Personenauto's

160

700

16,3

Vrachtwagen

1

700

1,6

In tabel 3.5 is een overzicht opgenomen van de berekende NO x-emissies voor het bezoekende verkeer op het terrein van de appartementencomplexen. Er is rekening gehouden met een rijafstand van 65 meter per voertuigbeweging (= 130 meter per bezoekend voertuig). Aanvullend is rekening gehouden met 1 bezoekende vrachtwagen per etmaal. t3.5 Vervoersbewegingen op het terrein van het appartementencomplex en NOx-emissies Omschrijving

Aantal bezoekende voertuigen

Rijafstand in meters per

NOx-emissie

per etmaal

bezoekend voertuig

(kg/jaar)

(1 bezoek = 2 bewegingen) Personenauto's

160

130

3,5

Vrachtwagen

1

130

0,4

Uit tabel 3.4 en 3.5 volgt dat de totale NO x-emissie in de gebruiksfase ca. 22 kg per jaar bedraagt. Voor wat betreft de stikstofemissies vanwege deze vervoersbewegingen zijn de standaard emissiekentallen gehanteerd, zoals opgenomen in het rekenmodel AERIUS Calculator.

H 7578-2-NO 5

4 Berekeningen 4.1 R e k e n m e t h o d e

Ten behoeve van de berekening van de stikstofdepositie in omliggende Natura 2000gebieden vanwege de bouw- en gebruiksfase is gebruik gemaakt van het rekenmodel AERIUS Calculator 2020 met het rekenjaar 2020. In het rekenmodel dat is opgesteld zijn de diverse emissies opgenomen, zoals beschreven in hoofdstuk 3. In het rekenmodel zijn de emissies van werktuigen gemodelleerd middels een oppervlaktebron. Emissies vanwege transportbewegingen (personenauto's en vrachtwagens) zijn gemodelleerd met lijnbronnen. Worst-case wordt ervan uitgegaan dat alle NO X-emissies in de bouwfase in 1 kalenderjaar plaats kunnen vinden. 4.2 R e k e n r e s u l t a t e n

In tabel 4.1 is de berekende stikstofdepositie weergegeven in omliggende Natura 2000gebieden, afgerond op 2 decimalen. De in- en uitvoergegevens van de berekeningen met AERIUS Calculator zijn opgenomen in bijlage 1 (AERIUS-pdf bouwfase) en bijlage 2 (AERIUSpdf gebruiksfase). t4.1 Stikstofdepositie vanwege de realisatie en het gebruik van het bouwplan. Natura 2000-gebied

Bouwfase

Gebruiksfase

[mol/ha/jaar]

[mol/ha/jaar]

Sint Jansberg

0,00

0,00

Overige Natura 2000-gebieden

0,00

0,00

H 7578-2-NO 6

5 Conclusie

In voorliggend onderzoek zijn de stikstofemissies vanwege de realisatie van twee appartementencomplexen aan de Middelweg 98-100 te Molenhoek bepaald voor de bouwfase en de gebruiksfase. Op basis van de bepaalde NO X-emissies is voor beide situaties de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden berekend. Uit de rekenresultaten volgt dat zowel voor de bouwfase als voor de gebruiksfase sprake is van een bijdrage van de stikstofdepositie (afgerond op 2 decimalen) van maximaal 0,00 mol/ ha/jaar ter plaatse van de omliggende Natura 2000-gebieden. Er is derhalve inzake stikstofdepositie geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.

Mook, Deze notitie bevat: 7 pagina's, 2 bijlagen.

H 7578-2-NO 7

Bijlage 1 Aerius berekening bouwfase

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Bouwfase Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. ReTrr5ARgDJ7 (20 oktober 2020) pagina 1/6

1.1

Bijlage 1 Aerius berekening bouwfase

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Peutz bv

Middelweg 98-100, 6584 AJ Molenhoek

Omschrijving

AERIUS kenmerk

Middelweg 98-100 Molenhoek

ReTrr5ARgDJ7

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

20 oktober 2020, 11:28

2020

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Resultaten

Situatie 1

NOx

107,46 kg/j

NH3

< 1 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

H 7578: Woningbouw Middelweg 98-100 Molenhoek, onderzoek stikstofdepositie

Bouwfase

ReTrr5ARgDJ7 (20 oktober 2020) pagina 2/6

1.2

Bijlage 1 Aerius berekening bouwfase

Resultaten

Locatie Bouwfase

Emissie Bouwfase

Resultaten

Bron Sector

Bouwfase

Emissie NH3

Emissie NOx

Mobiele werktuigen Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie

< 1 kg/j

104,81 kg/j

Wegverkeer richting bouwplaats v.v. Wegverkeer | Binnen bebouwde kom

< 1 kg/j

2,13 kg/j

Wegverkeer op bouwplaats v.v. Wegverkeer | Binnen bebouwde kom

< 1 kg/j

< 1 kg/j

ReTrr5ARgDJ7 (20 oktober 2020) pagina 3/6

1.3

Bijlage 1 Aerius berekening bouwfase

Resultaten

Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Bouwfase

NOx NH3

Resultaten

Voertuig

Omschrijving

AFW

Mobiele werktuigen 188310, 420053 104,81 kg/j < 1 kg/j

Uitstoot hoogte (m)

Spreiding (m)

Warmte Stof inhoud (MW)

Emissie

Rupskraan, groot

2,0

2,0

0,0 NOx NH3

35,36 kg/j < 1 kg/j

AFW

Graafmachine, banden, middelgroot

2,0

2,0

0,0 NOx NH3

10,16 kg/j < 1 kg/j

AFW

Sherpa minishovel

2,0

2,0

0,0 NOx NH3

24,95 kg/j < 1 kg/j

AFW

Betonpomp, 52 meter

2,0

2,0

0,0 NOx NH3

7,18 kg/j < 1 kg/j

AFW

Mobiele torenkraan, AT4

2,0

2,0

0,0 NOx NH3

4,67 kg/j < 1 kg/j

AFW

Telescoopkraan, 90 ton

2,0

2,0

0,0 NOx NH3

6,76 kg/j < 1 kg/j

AFW

Autolaadkraan

2,0

2,0

0,0 NOx NH3

1,99 kg/j < 1 kg/j

AFW

Verreiker

2,0

2,0

0,0 NOx NH3

13,76 kg/j < 1 kg/j

Bouwfase

ReTrr5ARgDJ7 (20 oktober 2020) pagina 4/6

1.4

Bijlage 1 Aerius berekening bouwfase

Resultaten

Naam

Locatie (X,Y) NOx NH3

Soort

Voertuig

Aantal voertuigen Stof

Emissie

Standaard

Zwaar vrachtverkeer

1.056,0 / jaar NOx NH3

1,49 kg/j < 1 kg/j

Standaard

Licht verkeer

7.000,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Naam

Locatie (X,Y) NOx NH3

Resultaten

Wegverkeer richting bouwplaats v.v. 188177, 420029 2,13 kg/j < 1 kg/j

Wegverkeer op bouwplaats v.v. 188289, 420077 < 1 kg/j < 1 kg/j

Soort

Voertuig

Aantal voertuigen Stof

Emissie

Standaard

Zwaar vrachtverkeer

1.056,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Standaard

Licht verkeer

7.000,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Bouwfase

ReTrr5ARgDJ7 (20 oktober 2020) pagina 5/6

1.5

Bijlage 1 Aerius berekening bouwfase

Resultaten

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20201013_1649cba239 Database versie 2020_20201013_1649cba239 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020

Resultaten

Bouwfase

ReTrr5ARgDJ7 (20 oktober 2020) pagina 6/6

1.6

Bijlage 2 Aerius berekening gebruiksfase

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Gebruiksfase Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RrcJoQkNb5kZ (22 oktober 2020) pagina 1/5

2.1

Bijlage 2 Aerius berekening gebruiksfase

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Peutz bv

Middelweg 98-100, 6584 AJ Molenhoek

Omschrijving

AERIUS kenmerk

Middelweg 98-100 Molenhoek

RrcJoQkNb5kZ

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

22 oktober 2020, 09:25

2020

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Resultaten

Situatie 1

NOx

21,79 kg/j

NH3

1,10 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

H 7578: Woningbouw Middelweg 98-100 Molenhoek, onderzoek stikstofdepositie

Gebruiksfase

RrcJoQkNb5kZ (22 oktober 2020) pagina 2/5

2.2

Bijlage 2 Aerius berekening gebruiksfase

Resultaten

Locatie Gebruiksfase

Emissie Gebruiksfase

Resultaten

Bron Sector

Gebruiksfase

Emissie NH3

Emissie NOx

Wegverkeer richting nieuwbouw v.v. Wegverkeer | Binnen bebouwde kom

< 1 kg/j

17,89 kg/j

Wegverkeer op terrein nieuwbouw v.v. Wegverkeer | Binnen bebouwde kom

< 1 kg/j

3,90 kg/j

RrcJoQkNb5kZ (22 oktober 2020) pagina 3/5

2.3

Bijlage 2 Aerius berekening gebruiksfase

Resultaten

Emissie (per bron)

Naam

Gebruiksfase

Locatie (X,Y) NOx NH3

Soort

Voertuig

Standaard

Zwaar vrachtverkeer

Standaard

Licht verkeer

Naam

Locatie (X,Y) NOx NH3

Resultaten

Soort

Voertuig

Standaard

Zwaar vrachtverkeer

Standaard

Licht verkeer

Gebruiksfase

Wegverkeer richting nieuwbouw v.v. 188225, 420061 17,89 kg/j < 1 kg/j

Aantal voertuigen Stof

Emissie

2,0 / etmaal NOx NH3

1,57 kg/j < 1 kg/j

320,0 / etmaal NOx NH3

16,32 kg/j < 1 kg/j

Wegverkeer op terrein nieuwbouw v.v. 188332, 420053 3,90 kg/j < 1 kg/j

Aantal voertuigen Stof

Emissie

2,0 / etmaal NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

320,0 / etmaal NOx NH3

3,52 kg/j < 1 kg/j

RrcJoQkNb5kZ (22 oktober 2020) pagina 4/5

2.4

Bijlage 2 Aerius berekening gebruiksfase

Resultaten

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20201013_1649cba239 Database versie 2020_20201013_1649cba239 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020

Resultaten

Gebruiksfase

RrcJoQkNb5kZ (22 oktober 2020) pagina 5/5

2.5

Bijlage 3 Archeologisch onderzoek M iddelweg 98-100

Middelweg 100, Molenhoek

55

ADVIES ARCHEOLOGIE ArchAeO projectnr. 20089 NAW plan:

Middelweg 100, Molenhoek, gemeente Mook en Middelaar

Plan:

Sloop garagebedrijf en realisatie twee appartementsgebouwen

Opp plangebied:

ca. 4.100 m2

RO-procedure:

aanvraag omgevingsvergunning

Opsteller:

F.P. Kortlang, ArchAeO, Eindhoven

Aanvrager:

dhr. Jan Janssen, Aannemingsbedrijf Janssen-Groesbeek BV

Contactpersoon Gemeente

mevr. Marlou Heffels (Ruimtelijk Domein)

Datum advies:

03-09-2020

Situatie mbt. archeologie Aan het plangebied is op de archeologische beleidskaart van de gemeente een middelhoge archeologische verwachting toegekend (figuur 4). De verwachting archeologie is als dubbelbestemming waarde archeologie-2 opgenomen in het bestemmingsplan Mook en Molenhoek (vastgesteld 2013-07-04). Dit betekent dat bij bodemingrepen groter dan 2.500 m² én dieper dan 40 cm -MV archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is. Van het plangebied zelf is een vondstmelding bekend (Archismelding 292004). Het zou gaan om een vondst uit de Bronstijd (vermoedelijk aardewerk, ca 1800 – 800 v. Chr.) aangetroffen bij niet archeologisch graafwerk. 1 Verdere informatie is er niet. Iets verder verwijderd van het plangebied (Archismelding 15863) zijn (bij vermoedelijk een planrealisatie) vondsten gedaan uit de IJzertijd (vermoedelijk aardewerk, ca 800 v. Chr. - begin jaartelling). Zie ook figuur 5. De vondsten die hier in het verleden zijn gedaan, duiden erop dat het gebied aantrekkelijk moet zijn geweest voor bewoning in de late prehistorie. Of in dat geval ook daadwerkelijk nederzettingsresten in het plangebied aanwezig zijn is niet te beoordelen. Historische bodemverstoring en geplande ingrepen In het plangebied staat thans een autogarage, tankstation en woonhuis. Deze worden gesloopt.

Op figuur 3 is door de initiatiefnemer bij benadering aangegeven wat de mate en omvang van bodemverstoring moet zijn geweest door de eerdere bouw van de garage, woning, de aanleg van tanks- en station, sanering en zwembad. De diepste verstoringen (zwembad, tankstation) reiken tot een diepte van respectievelijk 2,5 m en 3,5 m onder maaiveld (samen 375 m²); de saneringsvlek heeft een omvang van ca 70 m2 en 1,5 diepte. Bouwput showroom, werkplaats, woning (samen ca 2060 m²) zouden destijds zijn uitgegraven tot een diepte van ca. 1,25 m. Deze getallen zijn aannemelijk en resulteert tot een totale verstoorde oppervlakte van ca. 2.505 m², waar we geen (onverstoorde) archeologie meer hoeven te verwachten, uitgaande van een archeologisch niveau vanaf ca 80 - 100 cm onder maaiveld. Mochten er nog archeologische resten aanwezig zijn, dan zijn deze naar verwachting in aanzienlijke mate verstoord. 1

dr. M. Verhoeven & ir. G.R. Ellenkamp, 2007: Op een terras langs de Maas: een archeologische verwachtingsen beleidsadvieskaart voor de gemeenten Gennep, Mook en Middelaar en Bergen. Deelrapport 1: de archeologische Verwachtings- en beleidsadvieskaart; Deelrapport II: Catalogus van archeologische vindplaatsen en bouwhistorische elementen. RAAP-rapport 1644.

1

ADVIES ARCHEOLOGIE ArchAeO projectnr. 20089

De nieuwbouw, bestaande uit twee appartementsgebouwen met een (parkeer)kelder en inrit daartoe, reiken tot minstens een diepte van 1,25 meter tot 2,5 m (inrit) onder maaiveld ( zie figuur 2). De totale diep te ontgraven oppervlakte bedraagt daarvoor minstens 1540 m² (ontgraving zal altijd ruimer zijn dan de footprint van de bouw, dus ca 2.000 m²). Beide gebouwen komen voor een fors deel op de plaats van de eerdere gebouwen, tankstation, zwembad en saneringsspot. Behalve de gebouwen worden bovengrondse parkeerplaatsen aangelegd en wordt het plan van groen voorzien. Conclusie en advies archeologie: Op grond van bovenstaande evaluatie kan het volgende samenvattend worden geconcludeerd: •

Planologisch kent het plangebied een archeologische dubbelbestemming met een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2500 m² én dieper dan 40 cm. Uit en in de omgeving van het gebied zijn enkele vondsten uit de late prehistorie bekend.

•

De nieuwbouw en inrichting van het plan zullen leiden tot een bodemverstoring van ca 2.000 m² dieper dan 40 cm – MV. Dat is minder dan de ondergrens onderzoeksplicht.

•

De huidige (te slopen) bebouwing, ondergrondse tanks, saneringsspot en andere voorzieningen hebben een totale oppervlakte van ca 2505 m². Delen ervan zijn in het verleden tot een diepte van 2,5 – 3,5 meter ontgraven, andere delen (gebouwen) tot ca. 1,25 m diepte.

•

De nieuwbouw overlapt voor een aanzienlijk deel met de te slopen omgeving.

Overweging Bovenstaand afwegend acht opsteller een nader archeologisch onderzoek niet zinvol. De nieuwe bodemingrepen bereiken beleidsmatig waarschijnlijk niet de omvang van 2500 m² en 0,40 m1. Bovendien is de bodem in het plangebied al voor meer dan de helft in belangrijke mate verstoord. De kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische resten (d.w.z. die de moeite waard zijn om te worden opgegraven) is daarmee klein geworden. Omdat na herinrichting ongeveer tweederde van het plangebied van 4.100 m² tot op grotere diepte verstoord zal zijn, acht opsteller het beleidsmatig niet zinvol, noch noodzakelijk, om de dubbelbestemming waarde-archeologie te handhaven. Deze kan in het op te stellen bestemmingsplan worden verwijderd. Toevalsvondst Tot slot kunnen tijdens graafwerkzaamheden, ondanks de archeologische vrijgave nog altijd belangwekkende ‘toevalsvondsten’ aan het licht komen. Conform de Erfgoedwet (artikel; 5.10) dienen deze zo spoedig mogelijk gemeld te worden bij ‘Onze Minister’. In een concreet geval dient een toevalsvondst gemeld te worden bij de beleidsmedewerker van de gemeente Mook en

2

ADVIES ARCHEOLOGIE ArchAeO projectnr. 20089 Middelaar, belast met het onderdeel archeologie. Deze beoordeelt hoe met de vondst moet worden omgegaan. Samenvattend wordt de gemeente Mook en Middelaar geadviseerd:

➢

Het planvoornemen vrij te stellen van een archeologische onderzoeksplicht;

➢

In het kader van het op te stellen bestemmingsplan de dubbelbestemming waarde archeologie van het plangebied op te heffen.

➢

Toevalsvondsten direct te laten melden en naar bevind van zaken te handelen.

Drs. F.P. Kortlang Senior-adviseur archeologie ArchAeO Archeologische Advisering en Ondersteuning Rapelenburglaan 9 5654 AP Eindhoven tel. 040-2519270 email: advies@archaeo.nl website: www.archaeo.nl

3

ADVIES ARCHEOLOGIE ArchAeO projectnr. 20089 Figuur 1. Middelweg 100, Molenhoek. Planlocatie op topografische ondergrond.

Figuur 2. Middelweg 100, Molenhoek. Inrichtingsplan.

4

ADVIES ARCHEOLOGIE ArchAeO projectnr. 20089 Figuur 3. Middelweg 100, Molenhoek. Huidige situatie met bebouwing en verwachte diepe bodemverstoring, door bouw, aanleg en sanering.

5

ADVIES ARCHEOLOGIE ArchAeO projectnr. 20089 Figuur 4. Middelweg 100, Molenhoek. Locatie plangebied (binnen blauwe cirkel) op uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Mook en Middelaar. Het plangebied ligt in een gebied met een middelhoge verwachting voor archeologische resten (categorie 5). Archeologisch (voor)onderzoek is verplicht bij bodemingrepen groter dan 2500 m² én dieper dan 40 cm onder maaiveld.

6

ADVIES ARCHEOLOGIE ArchAeO projectnr. 20089

Figuur 5. Middelweg 100, Molenhoek. Uitsnede vindplaatsenkaart en vondstmeldingen (overgenomen uit RAAP-rapport 1644).

ARCHIS-waarnemingsnummer: 292004 Coördinaten: 188300 / 420060 Toponiem: Middelweg Plaats: Molenhoek Geomorfologie: Grondmorene/smeltWaterglooiing Bodem: Loopodzolgrond (gcY30-VII*) Datering: Bronstijd Complextype: Onbekend Verwerving: Niet-archeologisch: graafwerk Economie: LB ARCHIS-waarnemingsnummer: 15863 Coördinaten: 188480 / 420040 Toponiem: Molenhoek Plaats: Molenhoek Geomorfologie: Bebouwing Bodem: Loopodzolgrond (gcY30-VII*) Datering: IJzertijd Complextype: Nederzetting, onbepaald Verwerving: Niet-archeologisch: onbepaald + Archeologische inspectie bouwplan. Economie: LB

7

Bijlage 4 Bodemonderzoek M iddelweg 98-100

Middelweg 100, Molenhoek

63

Rapport verkennend bodemonderzoek Middelweg 100 te Molenhoek

Bezoekadres Postcode en plaats Telefoon e-mail internet

Projectnaam Projectnummer Opdrachtgever Postadres

Contactpersoon Status Versie Aantal pagina’s Datum Samenstelling rapport en kwaliteitscontrole

Paraaf

Middelweg 100 te Molenhoek B2472 Aannemingsbedrijf Janssen Groesbeek B.V. Mooksebaan 1a 6562 ZS Groesbeek Dhr J. Janssen Definitief 1 12 (exclusief bijlagen) 8 mei 2020 dhr. M. Gloudemans

Jekschotstraat 12 5465 PG Veghel 0413 287068 info@bodem-inzicht.nl www.bodem-inzicht.nl

Inhoud 1 INLEIDING ................................................................................................................................................................. 3

2

3

4

5

1.1

Algemeen ................................................................................................................................................................ 3

1.2

Aanleiding en doel van het onderzoek.................................................................................................................... 3

1.3

Partijdigheid ............................................................................................................................................................ 3

1.4

Opbouw van het rapport ........................................................................................................................................ 3

VOORONDERZOEK .................................................................................................................................................... 4 2.1

Beschrijving onderzoekslocatie ............................................................................................................................... 4

2.2

Voormalig en huidig gebruik ................................................................................................................................... 4

2.3

Toekomstig gebruik................................................................................................................................................. 5

2.4

Beschikbare onderzoeksgegevens .......................................................................................................................... 5

2.5

Bodem- en geohydrologische gegevens ................................................................................................................. 6

2.6

Hypothese en onderzoeksstrategie ........................................................................................................................ 7

UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN ............................................................................................................................ 8 3.1

Veldwerkzaamheden .............................................................................................................................................. 8

3.2

Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen .......................................................................................................... 8

3.3

Chemische analyse en monsterselectie .................................................................................................................. 9

3.4

Geselecteerde grondmonsters en chemische analyses .......................................................................................... 9

RESULTATEN ........................................................................................................................................................... 10 4.1

Toetsingskader ...................................................................................................................................................... 10

4.2

Toetsing analyseresultaten grond en grondwater ................................................................................................ 10

4.3

Analyseresultaten grond- en grondwatermonsters en interpretatie .................................................................... 11

CONCLUSIES EN ADVIES .......................................................................................................................................... 12

BIJLAGEN Bijlage 1: Topografische ligging onderzoekslocatie Bijlage 2: Situatietekening met boorpunten Bijlage 3: Boorprofielbeschrijvingen Bijlage 4: Getoetste tabellen grond en grondwater Bijlage 5: Analysecertificaten Bijlage 6: veldwerkrapportage

rapport B2472 Middelweg 100 te Molenhoek

2

1

INLEIDING

1.1

Algemeen

In opdracht van Aannemingsbedrijf Janssen groesbeek B.V. te Groesbeek heeft Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Middelweg 100 te Molenhoek (gemeente Mook en Middelaar). Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de richtlijnen zoals deze zijn opgesteld in NEN 5740. De NEN 5740+A1 (versie april 2016) beschrijft de werkwijze voor het opstellen van een onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek naar de aanwezigheid van bodemverontreiniging. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 2000. 1.2

Aanleiding en doel van het onderzoek

Aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen aankoop en herontwikkeling van de locatie. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van de resultaten van het voorgaand onderzoek is een onderzoekshypothese opgesteld. 1.3

Partijdigheid

Bodeminzicht en partijen die een bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van dit rapport hebben op geen enkele wijze een relatie met de opdrachtgever en zijn geen belanghebbenden bij de onderzochte locatie. Bodeminzicht garandeert hiermee derhalve dat een volledig onafhankelijk en onpartijdig onderzoek is uitgevoerd. 1.4

Opbouw van het rapport

In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: Vooronderzoek (hoofdstuk 2) Uitgevoerde werkzaamheden (hoofdstuk 3) De resultaten van het onderzoek (hoofdstuk 4) Conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 5)

rapport B2472 Middelweg 100 te Molenhoek

3

2

VOORONDERZOEK

Onderdeel van een verkennend bodemonderzoek op basis van de NEN 5740 vormt een vooronderzoek, uit te voeren conform NEN 5725 [Nederlandse norm, oktober 2017]. Hierbij zijn de volgende bronnen geraadpleegd: A. opdrachtgever B. Het milieu-archief van de gemeente Mook en Middelaar C. Kadastrale kaarten D. Topografische kaarten (topotijdreis) E. Grondwaterkaarten F. www.bodemloket.nl G. Locatiebezoek H. Eigenaar/gebruiker onderzoekslocatie 2.1

Beschrijving onderzoekslocatie

adres onderzoekslocatie kadastrale registratie oppervlakte ligging onderzoekslocatie huidige functie en gebruik beschrijving bebouwing

beschrijving maaiveld

omgeving

2.2

Middelweg 100 te Molenhoek Mook en Middelaar A 5939 en A 6056, A 6416 3.200 m² Binnen de bebouwde kom van Molenhoek Voormalige autogarage met showroom, pompstation (in gebruik) De bebouwing bestaat uit een uit gemetselde muren en metalen wandsysteem opgetrokken bedrijfspand met werkplaats en showroom. Het maaiveld van het buitenterrein is deels verhard met klinkers en deels onverhard, inpandig is sprake van een vloeistofdichte betonvloer. noord: Noordbaan oost: Tuinen bij woonhuizen Keurvorststraat 28 t/m 44 zuid: Woonhuis en tuin Middelweg 98 west: Middelweg

bron A C A C, G A G

bijlage 1 1 1, 2 1 2 2

G

2

C, G

1, 2

Voormalig en huidig gebruik

voormalig gebruik locatie algemeen (sloot-)dempingen ophogingen voormalige bebouwing Voormalige en huidige bodembedreigende activiteiten, opslag van (brand-)stoffen

Sinds eind jaren ’80 is op de locatie een autoherstelbedrijf met tankinrichting gevestigd, daarvoor was de locatie in gebruik als landbouwgrond. Er was sprake van 5 ondergrondse olieopslagtanks, in 2000 zijn deze verwijderd en vervangen door 3 tanks en is de tankinrichting/verkooppunt gemoderniseerd zoals tot op heden zichtbaar. In 2015 zijn de 3 tanks wederom vervangen. nee

bron B, D

D

nee nee

D A, D

Er is sprake van een wasplaats, opslag van gevaarlijke stoffen, bovengrondse brandstoftanks, een olie-afscheider t.b.v. de werkplaats, een tankstation met pompeiland en vloeistofdichte verharding, olie-afscheider t.b.v. tankstation, ondergrondse brandstoftanks

A, B

rapport B2472 Middelweg 100 te Molenhoek

4

Tekening bij omgevingsvergunning 2013

2.3

Toekomstig gebruik bron

bestemming bodembedreigende activiteiten, opslag van bodembedreigende (brand-)stoffen 2.4

wonen nee

A A

aanpassing strategie -

Beschikbare onderzoeksgegevens

Eindsituatie bodemonderzoek, Tauw, 3817628, 2000

In 2000 is een bodemonderzoek verricht in het kader van vervanging van bediend pompstation naar creditcardpompstation en keuring en eventuele vervanging van ondergrondse tanks. Pompstation en ondergrondse tanks zijn onderzocht. Er zijn geen verontreinigingen met minerale olie of vluchtige aromaten in grond of grondwater aangetoond.

verkennend bodemonderzoek, P&J Milieuservice BV, 0315703A, 2007

In 2007 is een verkennend bodemonderzoek verricht in het kader van wisseling van huurder. Zeven deellocaties en overig terrein is onderzocht, gelijk aan de strategie in huidig bodem onderzoek. Verwezen wordt naar een bodemonderzoek uit 2003 en de daarin aangetroffen verontreiniging

rapport B2472 Middelweg 100 te Molenhoek

bron A

5

evaluatie sanering spot, Archimill 090117, 2009

bodemonderzoek, Hunneman, 150593, 2015 2.5

nabij de bovengrondse tanks, deze wordt in dit onderzoek niet opnieuw onderzocht. Zes deellocaties zijn onverdacht, verontreinigde stoffen zijn aangetoond in een gehalte waarbij geen sprake is van verontreiniging. Deellocatie ‘ondergrondse tanks’ toont tetrachlooretheen en minerale olie aan in een gehalte waarbij sprake is van een lichte mate van verontreiniging. Overig terrein bevat een gehalte aan stof som DDT/DDD/DDE waarbij in lichte mate sprake is van verontreiniging. Geconcludeerd wordt dat de bodemkwaliteit niet significant is veranderd t.o.v. het verkennend en nader onderzoek uit 2003. In 2009 is een evaluatie opgesteld van sanering van 5 m³ minerale olie verontreinigde grond van deellocatie ‘bovengrondse tanks’, ca 2 m³ is verontreinigd boven interventiewaarde. Na sanering is de zintuiglijk schone bodem onderzocht, er zijn geen verontreinigingen minerale olie en vluchtige aromaten aangetroffen.

In 2015 is tijdens vervanging van de ondergrondse tanks bodemonderzoek verricht. Er zijn geen verontreinigingen zijn aangetoond.

A

A

Bodem- en geohydrologische gegevens Bodemopbouw

deklaag

Niet aanwezig

eerste watervoerend pakket geohydrologische basis

grove grindrijke zanden

0-40 m-mv

Uiterst fijn en slibhoudend zand en klei Kedichem/Tegelen hydrologie 4,9 tot 5,6 m-mv

40 m-mv e.v.

diepte freatisch grondwater stromingsrichting

West tot zuidwestelijk richting Maas

rapport B2472 Middelweg 100 te Molenhoek

6

2.6

Hypothese en onderzoeksstrategie

Als gevolg van de korte voorbereidingstijd tussen opdrachtverstrekking en uitvoering van veldwerk is voorafgaand geen vooronderzoek verricht. Als basis van de onderzoeksstrategie is het voorgaand verkennend bodemonderzoek gebruikt, zoals uitgevoerd door P&J Milieuservice BV in 2007. Uit grondwaterstandmetingen blijkt een grondwaterstand groter dan 5,0 m-mv. Grondwateronderzoek is derhalve niet verricht. (deel)-locatie boringen analyses wasplaats 2 tot 1,0 m-mv 1 standaardpakket grond opslag gevaarlijke stoffen

2

tot 1,0 m-mv

1

standaardpakket grond

bovengrondse tanks

2

tot 1,0 m-mv

1

minerale olie

olieafscheider werkplaats

2

tot 2,0 m-mv

1

standaardpakket grond

olieafscheider tankstation

2

tot 2,0 m-mv

1

standaardpakket grond

ondergrondse tanks

3

tot 3,5 m-mv

2

minerale olie

overig terrein

10

tot 0,5 m-mv

2

standaardpakket grond+OCB+PFAS

3

tot 2,0 m-mv

1

standaardpakket grond+OCB+PFAS

Op basis van het vooronderzoek is de locatie onverdacht voor aanwezigheid van asbest in de bodem. Een asbestonderzoek conform NEN5707 maakt derhalve geen deel uit van de onderzoeksstrategie. De bodem wordt visueel beoordeeld op aanwezigheid bijmenging van puin, baksteen en asbestverdachte fragmenten. Zo nodig wordt de strategie bijgesteld op basis van veldbevindingen.

rapport B2472 Middelweg 100 te Molenhoek

7

3

UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN

3.1

Veldwerkzaamheden

verricht onder procescertificaat BRL SIKB 2000 conform protocol 2001 ja datum 17 en 20 april 2020 veldmedewerker(s) A.J.M. Heddes, SMV Milieukundig Veldwerk BV, certificaat K46241/09 afwijkingen bijzonderheden Grondwater dieper dan 5 meter gepeild bij pb C 5,18 m-mv conform protocol 2002 datum veldmedewerker(s) afwijkingen bijzonderheden

nee -

conform protocol 2018 nee datum veldmedewerker(s) afwijkingen bijzonderheden • In bijlage 2 is de plaats van de meetpunten in de situatietekening opgenomen. • Voor de gedetailleerde boorprofielbeschrijvingen per boring wordt verwezen naar bijlage 3. • In bijlage 6 zijn de veldwerkrapportages opgenomen 3.2

Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen

Tijdens het verrichte veldwerk zijn geen bijzonderheden aangetroffen die als bodemvreemd worden beschouwd. Een oliewaterreactie is nergens vastgesteld. Inspectie van het maaiveld en het beoordelen van opgeboorde grond vormden geen aanleiding voor het verrichten van asbestanalyses.

rapport B2472 Middelweg 100 te Molenhoek

8

3.3

Chemische analyse en monsterselectie

De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters geven informatie over de feitelijke aanwezigheid en concentraties van onderzochte stoffen of groepen stoffen. De chemische analyses zijn uitgevoerd volgens het door de door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerde laboratorium Al-West B.V. in Deventer. Het laboratorium werkt volgens de meest van toepassing zijnde normen van het Nederland Normalisatie Instituut (NNI). 3.4

Geselecteerde grondmonsters en chemische analyses

Analysemonster BG wasplaats

Traject Deelmonsters (m -mv) 0,10 - 0,60 201 (0,10 - 0,60) 202 (0,10 - 0,60) BG opslag gevaarlijke stoffen 0,10 - 0,60 211 (0,10 - 0,20) 211 (0,20 - 0,60) 212 (0,10 - 0,20) 212 (0,20 - 0,60) BG bovengrondse tanks 0,10 - 0,60 221 (0,10 - 0,60) 222 (0,10 - 0,60) OG OBAS tankstation 1,00 - 2,00 251 (1,00 - 1,50) 251 (1,50 - 2,00) 252 (1,20 - 1,70) 252 (1,70 - 2,00) OG OBAS werkplaats 1,10 - 2,00 231 (1,10 - 1,60) 231 (1,60 - 2,00) 232 (1,20 - 1,70) 232 (1,70 - 2,00) OG1 tanks 1,50 - 2,20 261 (1,60 - 2,10) 262 (1,50 - 2,00) 263 (1,70 - 2,20) OG2 tanks 3,00 - 3,50 261 (3,10 - 3,50) 262 (3,00 - 3,50) 263 (3,20 - 3,50) BG1 overig terrein 0,00 - 0,50 271 (0,00 - 0,50) 272 (0,00 - 0,30) 275 (0,00 - 0,50) 276 (0,00 - 0,50) BG2 overig terrein 0,10 - 0,60 277 (0,20 - 0,60) 279 (0,10 - 0,50) 280 (0,10 - 0,30) 282 (0,10 - 0,60) 283 (0,10 - 0,35) OG3 overig terrein 0,50 - 2,00 274 (0,50 - 1,00) 274 (1,00 - 1,50) 279 (1,00 - 1,50) 279 (1,50 - 2,00) 280 (0,80 - 1,10) 280 (1,10 - 1,60)

Analysepakket1 NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. (AS3000) NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. (AS3000)

Minerale Olie GC (AS3000) NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. (AS3000)

NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. (AS3000)

Minerale Olie GC (AS3000)

Minerale Olie GC (AS3000)

NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. (AS3000), Organochloor Bestrijdingsmiddelen (AS3000), PFAS28 NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. (AS3000), Organochloor Bestrijdingsmiddelen (AS3000), PFAS28

NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. (AS3000), Organochloor Bestrijdingsmiddelen (AS3000), PFAS28

1)Het NEN 5740 standaardpakket bodem bestaat uit de volgende parameters: droogrest, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), PCB’s, PAK, minerale olie.

De analyseresultaten hebben geen aanleiding gegeven individuele monsters separaat te analyseren.

rapport B2472 Middelweg 100 te Molenhoek

9

4 4.1

RESULTATEN Toetsingskader

De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en grondwater aan de achtergrondwaardes grond en streefwaarden grondwater en de interventiewaarden grond en grondwater. De achtergrondwaarden geven het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een “geval van ernstige bodemverontreiniging” te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m³ grond of 100 m³ grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. In onderhavig rapport worden de volgende termen gebruikt om de mate van verontreiniging aan te geven: -

-

-

niet verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is lager dan of gelijk aan de achtergrondwaarde; licht verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is hoger dan de achtergrondwaarde maar lager dan of gelijk aan de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde, index ((GSSD - AW) / (I - AW)) groter dan 0,0 maar kleiner dan 0,5; matig verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is hoger dan de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde maar lager dan of gelijk aan de interventiewaarde, index ((GSSD - AW) / (I - AW)) groter dan 0,5 maar kleiner dan 1,0; sterk verontreinigd: de concentratie aan verontreinigingen is hoger dan de interventiewaarde, index ((GSSD - AW) / (I - AW)) groter dan 1,0.

Uit de NEN 5740 kan het volgende worden afgeleid. Uitvoering van vervolgonderzoek is in de meeste gevallen alleen noodzakelijk wanneer de concentratie van een stof de halve som van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde overschrijdt (index > 0,5). Deze waarde wordt ook in de Leidraad Bodembescherming gehanteerd als de concentratiegrens waarboven een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Bij overschrijding van de interventie-waarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de saneringsurgentie te bepalen. 4.2

Toetsing analyseresultaten grond en grondwater

De analyseresultaten van de grond zijn getoetst aan de achtergrond- (A) en interventiewaarden (I) uit de circulaire streef- en interventiewaarden bodemsanering [Staatscourant 2000-39]. In de toetsingstabel zijn zowel de achtergrondwaarden (A) als de interventiewaarden (I) voor microverontreinigingen opgenomen. De achtergrond- en interventiewaarden zijn afhankelijk van het (gemeten) lutum- en organisch stofgehalte van de bodem. De analyseresultaten van het grondwater zijn getoetst aan de streef- (S) en interventiewaarden (I). De gemeten waarden van de onderzochte (meng-)monsters met overschrijdingstabellen zijn in bijlage 4 weergegeven. In bijlage 5 zijn de analysecertificaten opgenomen.

rapport B2472 Middelweg 100 te Molenhoek

10

4.3

Analyseresultaten grond- en grondwatermonsters en interpretatie

(deel)locatie

monster

wasplaats opslag gevaarlijke stoffen

BG wasplaats BG opslag gevaarlijke stoffen BG bovengrondse tanks OG OBAS tankstation OG OBAS werkplaats OG1 tanks OG2 tanks BG1 overig terrein BG2 overig terrein OG3 overig terrein

bovengrondse tanks olie-afscheider tankstation olie-afscheider werkplaats ondergrondse tanks overig terrein

1Index

traject

overschrijding interventiewaarde

0,10 - 0,60 0,10 - 0,60

overschrijding achtergrond- of streefwaarde -

0,10 - 0,60

-

-

1,00 - 2,00 1,10 - 2,00 1,50 - 2,20 3,00 - 3,50 0,00 - 0,50 0,10 - 0,60 0,50 - 2,00

Drins (Aldrin+Dieldrin+Endrin) (0,01)

-

-

(GSSD - AW) / (I - AW)

Bij de interpretatie van het totaal aan onderzoeksgegevens dient, gezien de gehanteerde strategie (gebaseerd op de Nederlandse Norm NEN 5740) welke is gericht op een indicatieve beoordeling van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, rekening te worden gehouden met een zeker restrisico. Een bodemonderzoek is een momentopname waarbij steekproefsgewijs boringen worden verricht en peilbuizen worden geplaatst op een veelal willekeurige, maar meest voor de hand liggende locatie. Derhalve kan nooit uitgesloten worden dat op de onderzoekslocatie verontreinigingen aanwezig zijn die bij dit onderzoek niet zijn aangetoond. Bodeminzicht kan hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MookenMiddelaar&id=600c28a1-8878-4828-89bf-dffe9d21c8c6