CConstaterende datMook en Middelaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4.4 Bijlagen bij de toelichting - Bijlage 4 Quickscan flora en fauna

Algemene commissie 25 januari 2023, gemeente Mook en MiddelaarBij agendapunt: Bestemmingsplan Voordijk 36.391 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Voordijk ong. te Middelaar Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2022-0280

Datum:

18 maart 2022

Samensteller:

ir. ing. D. de Boer

Collegiale toets:

ing. L. Pieterman

Opdrachtgever:

Buro SRO Oost B.V.

Contactpersoon:

L. Arends

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

6

2 Methode

7

2.1

Uitvoering onderzoek

7

2.2

Soortenbescherming

7

2.3

Gebiedsbescherming

8

2.4

Houtopstanden

9

2.5

Houdbaarheid en toepassing

10

3 Beoordeling

11

3.1

Soortenbescherming

11

3.2

Gebiedsbescherming

15

3.3

Houtopstanden

18

4 Samenvatting

19

4.1

Soortenbescherming

19

4.2

Gebiedsbescherming

19

4.3

Houtopstanden

19

5 Conclusie

20

5.1

Conclusie

20

5.2

Uitvoerbaarheid

20

5.3

Vervolgstappen

20

5.4

Te treffen maatregelen

20

1 Inleiding Aan de Voordijk ong. te Middelaar is een grasperceel zonder bebouwing gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens een vrijstaande woning op de planlocatie te realiseren. Tevens zal het perceel ingericht worden met natuurvriendelijke tuininrichting en zal de bestaande sloot uitgebreid worden met een plasdras zone. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling dienen mogelijk twee solitaire bomen op de planlocatie gekapt te worden. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.

Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Voordijk ong. te Middelaar. 4

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Voordijk ong. te Middelaar is een grasperceel zonder bebouwing gesitueerd (figuur 1.2). Het perceel is omheind middels stroomdraad en hekwerk aangezien het perceel soms begrazen wordt door een pony. Het perceel heeft een hoog onderhoudsbeeld met kort gras, twee solitaire bomen en een beukenhaag. Aan de noordzijde van het perceel is een barbecueplaats aanwezig. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Voordijk ong. te Middelaar. De planlocatie is gelegen aan de oostelijke grens van het dorpscentrum van Middelaar. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door enerzijds vrijstaande bebouwing en anderzijds agrarische percelen. Op een afstand van circa 630 m ten zuiden van de planlocatie stroomt de Maas. Op een afstand van 450 meter ligt de Mookerplas. De dichtstbijzijnde grote weg betreft de N271 op een afstand van circa 1,3 km van de planlocatie.

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een vrijstaande woning, tuininrichting en plasdras zone. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling worden de twee solitaire bomen op de planlocatie mogelijk gekapt. Tevens dient de functie van het perceel te wijzigen van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • mogelijk kappen van twee solitaire bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie vrijstaande woning: algemene bouwwerkzaamheden; • realisatie plasdras zone: graafwerkzaamheden en verbinden bestaande sloot met de te realiseren plasdraszone; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 1.3 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO Oost B.V.).

6

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 8 maart 2022 en is uitgevoerd door ir. ing. D. de Boer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 5 Celsius en windkracht 1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

7

5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.

Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van Provincie Limburg is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Limburg. (x1) = vrijstelling in periode maart – april en juli t/m november, (x2) = vrijstelling in periode 15 aug t/m februari, (x3) = vrijstelling in periode juli, augustus en september, (x4) = vrijstelling in periode 15 augustus t/m 15 oktober, * voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling in/op gebouwen en bijbehorende erven Wnb 3.10 3e lid.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bastaardkikker

Hazelworm (x3)

Rode eekhoorn (x1)

Bosmuis *

Hermelijn

Steenmarter (x2)

Bruine kikker

Huisspitsmuis *

Tweekleurige bosspitsmuis

Bunzing

Kleine watersalamander

Veldmuis *

Dwergmuis

Konijn

Vos

Dwergspitsmuis

Levendbarende hagedis (x4)

Wezel

Egel

Meerkikker

Woelrat

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Gewone pad

Ree

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. 8

Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Goudgroene natuurzone De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk. Binnen de goudgroene zone streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur, en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Zilvergroene natuurzone Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal. De zilvergroene natuurzone maakt echter geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk, maar ondersteunt wel de functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone. De provincie stimuleert de ontwikkeling van natuur en landschap binnen de zilvergroene zones met subsidies en natuurcompensaties. Bronsgroene landschapszone Het beleid binnen de bronsgroene landschapszone is er op gericht om de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. Deze zone bestaat hoofdzakelijk uit landbouwgronden. Binnen deze zone komen op bestemmingsplanniveau andere bestemmingen en functies voor zoals infrastructuur, woningen en toeristische voorzieningen e.d. Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg Het beleid binnen het Nationaal Landschap is er op gericht om de stad-land relaties te versterken en binnen het zgn.

beschermingsgebied de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven en te werken vanuit 10 kernwaarden uit POL2014. Zone natuurbeek Het doel van de Zone natuurbeek is het beschermen, behouden en verder ontwikkelen van de ecologische doelen, de daarvoor benodigde waterkwaliteit en ruimte voor natuurlijke hydromorfologische processen als meanderen en inundaties en het realiseren van de benodigde zo natuurlijk mogelijke waterpeilen in de natuurbeek en de aangrenzende Zone natuurbeek.

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art. 4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand;

9

h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

10

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de grote leeuwenklauw (NDFF 2012-2022). Grote leeuwenklauw is een eenjarige plant met als voorkeursbiotoop ‘kalkrijke akkers’. Naast akkers komt de soort ook soms voor op andere kalkrijke gronden, zoals langs waterkanten, braakliggende gronden en dijken (FLORON verspreidingsatlas, 2022). Op de planlocatie is geen sprake van een akker of kalkrijke omstandigheden. Wegens het ontbreken van geschikte abiotische factoren is het voorkomen van grote leeuwenklauw op de planlocatie uitgesloten. De planlocatie betreft een grasperceel. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: beukenhaag, kruipende boterbloem en smalle weegbree.

Wegens het ontbreken van bebouwing is het voorkomen van beschermde muurvegetatie op voorhand uitgesloten. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel, wild zwijn en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, das, rode eekhoorn, steenmarter en wild zwijn. De planlocatie betreft een grasperceel met een lage beukenhaag en twee solitaire bomen. Er is geen sprake van een grote watergang nabij de planlocatie met houtige begroeiing op de oever. Het is derhalve op voorhand uitgesloten dat de planlocatie een functie vervult voor de bever.

Ook betreft planlocatie geen beschut gebied en is deze niet aangrenzend aan een beschut (natuur)gebied, waardoor aanwezigheid van leefgebied van het wild zwijn eveneens uitgesloten kan worden. Op de planlocatie zijn geen sporen van de das (c.q. dassenwissel, neusputjes, latrines, pootafdrukken etc.) waargenomen. Tevens vormt de planlocatie geen verbinding tussen beschutte gebieden. Het is uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het leefgebied van de das. Op de planlocatie is geen sprake van een boomrijk gebied en tevens grenst de planlocatie ook niet aan een boomrijk gebied. Ook zijn in de bomen op en rondom de planlocatie geen nesten van de rode eekhoorn waargenomen. Het voorkomen van functioneel leefgebied van de rode eekhoorn is derhalve uitgesloten.

11

De steenmarter heeft een voorkeur voor kleinschalige landbouwgebieden, met oude schuren, heggen geriefhoutbosjes. De aanwezigheid van groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen is hierbij van belang. Op de planlocatie zijn bebouwing en dekkende (groen) structuren niet aanwezig. Tevens zijn er geen sporen van een marterachtige op de planlocatie aangetroffen. Het is derhalve uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het essentieel functioneel leefgebied van de steenmarter. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten op de planlocatie. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10).

Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig waardoor het voorkomen van een verblijfplaats van een gebouwbewonende vleermuis op voorhand is uitgesloten. Op de planlocatie zijn de twee aanwezige solitaire bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats.

In deze bomen zijn geen boomholten, loshangende bastdelen of andere geschikte verblijfruimten aangetroffen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken voor foerageeractiviteiten. Echter is er geen sprake van lijnvormige (groen)structuren en zijn er slechts twee bomen op de planlocatie aanwezig. Derhalve is het uitgesloten dat de planlocatie een functie vervult als essentiële vliegroute of essentieel foerageergebied. Negatieve effecten hierop zijn derhalve eveneens uitgesloten. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen.

De planlocatie betreft een grasperceel. Ten noorden van perceel is een geul aanwezig. Deze lag ten tijde van het veldbezoek (maart) droog en was volledig begroeid met grassen. De verwachting is derhalve dat deze tijdens de voortplantingsperiode van amfibieën ook geen water zal bevatten of nog binnen de voortplantingsperiode droog zal vallen.

12

Deze geul blijft behouden in de beoogde situatie en wordt uitgebreid met een plasdras zone. Hierdoor is er tevens sprake van een geschikter leefgebied voor (onder andere) amfibieën dan de huidige situatie. Er is geen sprake van vorstvrije overwinteringsstructuren op de planlocatie. Wegens het ontbreken van geschikt terrestrisch- en aquatisch habitat en waarnemingen van de Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker binnen een straal van 1 km van de planlocatie (NDFF 2012-2022), is het voorkomen van functioneel leefgebied uitgesloten. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde amfibieën. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad incidenteel voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Door de realisatie van de plasdras zone wordt de planlocatie aannemelijk geschikter voor algemene soorten. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm, ringslang en zandhagedis (NDFF 2012-2022).

Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. De planlocatie betreft een grasperceel zonder structuurrijke elementen op de planlocatie of in de nabije omgeving. Wegens het ontbreken van geschikt habitat is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). Aan de noordzijde van de planlocatie is een geul aanwezig. Deze wordt uitgebreid met een plasdraszone. Ten tijde van het veldbezoek (maart) stond deze geul droog en was deze begroeid met grassen. Vissen worden derhalve niet verwacht in de geul, noch worden er dempwerkzaamheden uitgevoerd. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: bruine eikenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart (NDFF 2012-2022). De bruine eikenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart komen hoofdzakelijk voor in en langs bossen, kapvlakten (bruine eikenpage) en beekoevers (grote weerschijnvlinder). Dergelijk habitat is niet op of in de directe omgeving van de planlocatie aanwezig. Het is derhalve uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de bruine eikenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

13

Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, koolmees en merel. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De gierzwaluw broedt hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig. Het voorkomen van een huismus- of gierzwaluwnesten op de planlocatie kunnen derhalve worden uitgesloten. Gezien de zeer beperkte aanwezigheid van groenstructuren is er geen sprake van functioneel leefgebied van de huismus welke mogelijk in de directe omgeving van de planlocatie broeden. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus en nestlocaties van de gierzwaluw is derhalve geen sprake.

Wegens het ontbreken van bebouwing en nestkasten is het voorkomen van een verblijfplaats van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) uitgesloten. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten gezien het beperkte oppervlak en de aanwezigheid van voldoende gelijksoortige en betere percelen in de directe omgeving. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De haag en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.

Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kapwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

14

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,15 km liggen de Natura 2000-gebieden ‘Sint Jansberg’ en ‘Oeffelter Meent’ (figuur 3.1).

Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,15 km tot het Natura 2000-gebieden ‘Sint Jansberg’ en ‘Oeffelter Meent’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een vrijstaande woning. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art.

2.9a). De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.

15

Buro SRO Oost B.V. heeft reeds een AERIUS-berekening uitgevoerd om de eventuele nadelige gevolgen van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden vast te stellen. Uit deze berekening is gebleken dat er geen sprake is van nadelige gevolgen van stikstofdepositie ten gevolge de ontwikkeling. Verdere vervolgstappen zijn niet benodigd. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende de Goudgroene- en Zilvergroene natuurzone (figuur 3.2). De planlocatie is echter wél gelegen in de Bronsgroene landschapszone. Op een afstand van circa 22 km is de dichtstbijzijnde Zone natuurbeek gesitueerd. Het Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg is gelegen op een afstand van meer dan 80 km van de planlocatie. Gezien de grote afstand tot de Zone natuurbeek en Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg is hiervan geen kaartmateriaal vervaardigd. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Figuur 3.2 De planlocatie is gelegen in de Bronsgroene landschapszone. Op een afstand van circa 260 meter liggen de Goudgroene natuurzone en Zilvergroene natuurzone (polviewer.nl). Bronsgroene landschapszone Bij een ruimtelijk plan in gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone dienen de kernkwaliteiten, wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd aangegeven te worden. De kernkwaliteiten van de Bronsgroene landschapszone betreffen: groene karakter, visueel-ruimtelijk karakter, cultuurhistorisch erfgoed en reliëf. De planlocatie behoort tot het landschapstype ‘beekdal’ (bron: Atlas Limburg; Landschapskader Noorden Midden Limburg, kaart 4 Kwaliteitskaart landschap – portal.prvlimburg.nl). Een belangrijke kwaliteit van dit landschapstype wordt gevormd door de doorgaande natte structuur. Daarnaast vormen vele gradiënten, zoals de aanwezige oude geulen, een belangrijke kwaliteit binnen het groene karakter. In het kader van cultuur(historie) zijn delen waar weide, oude hooi- en graslanden en geriefhout voorkomen zeer waardevol. Op dit moment komt er relatief veel grasland voor. 16

Beekdalen spelen vandaag de dag nog steeds een belangrijke rol in de waterhuishouding van een gebied en zijn uitgelezen plekken voor het vast houden en/of vertraagd afvoeren van water. Een typisch beekdal wordt in visueel-ruimtelijke kader gekenmerkt door overwegend halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. Kenmerkende landschapselementen betreffen onder andere kleine landschapselementen als houtsingels, heggen, beekbegeleidende beplanting, knotbomen, bosjes en populierenopstanden. Typisch voor het beekdallandschap is de reliëfvorm ‘langgerekte laagtes’ (bron bovenstaande alinea: Landschapskader Noord en Midden Limburg, 2009). Binnen de beoogde ontwikkeling blijft de bestaande geul aan de noordzijde van het perceel behouden (figuur 3.3). Tevens wordt een plasdras zone aangelegd, wat bijdraagt aan het natte, groene karakter. De plasdraszone zorgt tevens voor het vasthouden en vertragen van het water, wat een positieve invloed heeft op de waterhuishouding. Ook heeft deze plasdraszone natuurlijke oevers, en draagt derhalve bij als landschapselement. Langs de plasdraszone wordt kruidenrijk/bloemrijk grasland gerealiseerd. Tevens worden er op het perceel nieuwe bomen geplant, waaronder wilgen, wat derhalve een toevoeging aan de kenmerkende landschapselementen vormt.

Hoewel binnen de beoogde ontwikkeling een lijnvormige haag wordt verwijderd (welke haaks op de geul gelegen is), zullen er nieuwe lijnvormige hagen rondom het woonperceel worden gerealiseerd. Deze lijnvormige hagen rondom het woonperceel zorgen voor de ‘kamertjes’ welke typerend zijn voor het beekdallandschap. De planlocatie is lager gelegen dan de dijk waaraan deze gelegen is. Op de planlocatie zelf is vrijwel geen hoogteverschil aanwezig. Enkel het aanleggen van de plasdraszone zal voor een kleine wijziging zorgen in het reliëf, maar leidt niet tot aantasting van de langgerekte laagtes in het landschap. Geconcludeerd kan er gesteld worden dat er geen sprake is van significante aantasting van de kernkwaliteiten, en dat de beoogde ontwikkeling op diverse punten leidt tot versterking van de typerende landschapselementen. Vervolgstappen in het kader van de Bronsgroene landschapszone zijn niet benodigd.

Figuur 3.3 Inrichting van het perceel in de beoogde situatie (bron: Buro SRO Oost B.V.). De legenda is weergegeven in figuur 3.4.

17

Figuur 3.4 Legenda behorend tot figuur 3.3.

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

18

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Planten

Nee

Grondgebonden zoogdieren

Nee

Vleermuizen

Nee

Amfibieën

Nee

Reptielen

Nee

Vissen

Nee

Insecten en andere ongewervelden

Nee

Vogels (cat. 1 t/m 4)

Nee

Vogels (Algemeen en cat. 5)

Nee

Mogelijke functie planlocatie

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. De planlocatie valt binnen de bronsgroene landschapszone, maar er is geen sprake van significante aantasting van de kernkwaliteiten en de beoogde ontwikkeling leidt tot versterking van typerende landschapselementen. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’toets zijn niet noodzakelijk. Een AERIUS-berekening is reeds uitgevoerd door Buro SRO Oost B.V. en hieruit is gebleken dat er geen sprake is van negatieve effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Effecten

Nader onderzoek

Natura 2000 Goudgroene natuurzone Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone Zone natuurbeek Beschermingsgebied nationaal landschap Zuid-Limburg

1,15 km 260 m 260 m 0m 22 km

Geen Geen Geen Geen Geen

N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.

>80 km

Geen

N.v.t.

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

19

5 Conclusie 5.1

Conclusie De realisatie van een vrijstaande woning aan de Voordijk ong. te Middelaar is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

• De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

20

Bronvermelding Bouwens, S, 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging in opdracht van de provincie Noord-Brabant. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Provincie Limburg, 2009. Landschapskader Noord- en Midden-Limburg. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.polviewer.nl www.portal.prvlimburg.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1

Fotografische impressie

21

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie betreft een grasperceel.

Figuur 2

Aan de noordzijde van de planlocatie is een barbecue plaats aanwezig.

22

Figuur 3

Op de planlocatie is een beukenhaag aanwezig.

Figuur 4

Aan de noordzijde van het perceel is een drooggevallen geul aanwezig.

23

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MookenMiddelaar&id=b9601d28-fccc-4e69-98d9-a28fa470b085