CConstaterende datMook en Middelaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4.1 Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 2 Quickscan Flora en Fauna

Raadsvergadering 18 april 2024, gemeente Mook en MiddelaarBij agendapunt: Bestemmingsplan Eindweg 16a te Middelaar6.457 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Eindweg 16a te Middelaar Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2023-1209

Datum:

10 november 2023

Samensteller:

ing. M. Smit

Collegiale toets:

ing. B.C.E. Vleeshouwers

Opdrachtgever:

Buro SRO Oost

Contactpersoon:

L. Brouwer

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

6

2 Methode

7

2.1

Uitvoering onderzoek

7

2.2

Soortenbescherming

7

2.3

Gebiedsbescherming

10

2.4

Houtopstanden

10

2.5

Houdbaarheid en toepassing

11

3 Beoordeling

12

3.1

Soortenbescherming

12

3.2

Gebiedsbescherming

17

3.3

Houtopstanden

19

4 Samenvatting

20

4.1

Soortenbescherming

20

4.2

Gebiedsbescherming

20

4.3

Houtopstanden

20

5 Conclusie

21

5.1

Conclusie

21

5.2

Uitvoerbaarheid

21

5.3

Vervolgstappen

21

5.4

Te treffen maatregelen

21

1 Inleiding Aan de Eindweg 16a te Middelaar is een woonperceel met woning en bijgebouwen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande halfopen schuur op de planlocatie te slopen ten behoeve van de realisatie van een schuurwoning. Het bestemmingsplan voorziet reeds in de beoogde ruimtelijke ingreep en hoeft derhalve niet te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO Oost begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.

Onderzoeksdoelen • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Eindweg 16a te Middelaar.

4

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Eindweg 16a te Middelaar (figuur 1.2). De schuur is opgetrokken uit een betonnen fundering met daarop een constructie van houten planken en balken bestaande uit hout en staal. Het dak bestaat uit golfplaten die rusten op houten balken. Tevens zijn er zonnepanelen aanwezig op één zijde van het dak. De schuur is halfopen en was ten tijde van het veldbezoek in gebruik als opslag. Onder de schuur is verharding aanwezig in de vorm van bestrating. Rondom de schuur is Engels raaigras aanwezig en ten zuidoosten bevindt zich een pad met kiezels. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Eindweg 16a te Middelaar. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch gebied en woonwijken. Het meer de Mookerplas is gelegen op een afstand van circa 400 meter van de planlocatie. Rivier de Maas is gelegen op een afstand van circa 1 km van de planlocatie. De N271 is gelegen op een afstand van circa 1 km tot de planlocatie en de A73 is gelegen op een afstand van circa 3 km tot de planlocatie.

Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om de halfopen schuur te slopen ten behoeve van een schuurwoning. 5

Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een schuur en de realisatie van een schuurwoning. Het vigerende bestemmingsplan voorziet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een bestemmingsplanwijziging niet benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO). 6

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2023 en is uitgevoerd door ing. M. Smit. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; regen, 8/8 bewolkt, 11 Celsius en windkracht 3 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld in Wnb art. 3.5 lid 2 wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5.

Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

7

Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.

vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift. Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn.

Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn.

8

Tabel 2.1

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 3: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 4: nesten en rustplaatsen van vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, tenzij er sprake is van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 3 Boerenzwaluw Boomvalk Bosuil Gierzwaluw Grote gele kwikstaart

Havik Huismus Huiszwaluw Kerkuil Oehoe

Ooievaar Raaf Ransuil Rode wouw Roek

Slechtvalk Steenuil Torenvalk Wespendief Zwarte wouw

Paapje Ringmus Roerdomp Sperwer Spotvogel

Visdief Wulp Zomertortel Zwarte specht

Vogelsoorten onder categorie Bijeneter Blauwe reiger Buizerd Draaihals Grauw klauwier

Grutto IJsvogel Kramsvogel Kwartelkoning Oeverzwaluw

Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Limburg is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Limburg. (x1) = vrijstelling in periode maart – april en juli t/m november, (x2) = vrijstelling in periode 15 aug t/m februari, (x3) = vrijstelling in periode juli, augustus en september, (x4) = vrijstelling in periode 15 augustus t/m 15 oktober, * voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling in/op gebouwen en bijbehorende erven Wnb 3.10 3e lid.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bastaardkikker

Hazelworm (x3)

Rode eekhoorn (x1)

Bosmuis *

Hermelijn

Steenmarter (x2)

Bruine kikker

Huisspitsmuis *

Tweekleurige bosspitsmuis

Bunzing

Kleine watersalamander

Veldmuis *

Dwergmuis

Konijn

Vos

Dwergspitsmuis

Levendbarende hagedis (x4)

Wezel

Egel

Meerkikker

Woelrat

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Gewone pad

Ree

9

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Limburg De Goudgroene natuurzone, Bronsgroene landschapszone, Beschermingsgebied Nationaal Landschap, Zone natuurbeek en Zilvergroene natuurzone maken deel uit van het Natuurnetwerk Limburg (NNL). Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Limburg (NNL) aantasten.

Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen. Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht.

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

10

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

11

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde planten: akkerogentroost, grote leeuwenklauw en kluwenklokje (NDFF 2013-2023). Akkerogentroost komt voor op zonnige, open plaatsen op vochtige en kalkrijke grond. Grote leeuwenklauw groeit op zonnige, open plaatsen op kalkhoudende grond. Het kluwenklokje komt voor op kalkgraslanden, ruderale plaatsen, bosranden en rivierdijken. De planlocatie betreft een woonerf met bijgebouwen. De aangetroffen vegetatie wijst niet op een kalkrijke grond. Tevens is er op de planlocatie voornamelijk kort gemaaid Engels raaigras aanwezig. Hierdoor zullen beschermde planten geen mogelijkheid krijgen om op de planlocatie te groeien. De aanwezigheid van de akkerogentroost, grote leeuwenklauw en kluwenklokje op de planlocatie kunnen derhalve worden uitgesloten.

De planlocatie is een woonerf met woning en bijgebouwen. De groenvoorzieningen op de planlocatie hebben een hoog onderhoudsbeeld en er is voornamelijk Engels raaigras aanwezig. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, straatgras, veldzuring en Phacelia. Onder de schuur is verharding aanwezig in de vorm van bestrating. Rondom de schuur is Engels raaigras aanwezig in combinatie met grind en open grond. Op de muren van de schuur is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, rode eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel, wild zwijn en woelrat (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das, rode eekhoorn, steenmarter en wezel. De bever leeft in overgangsgebieden tussen land en water. Het is hierbij van belang dat er goed bereikbare bomen en struiken aanwezig zijn op de oever. De planlocatie bevindt zich niet direct aan een watergang. Er zijn waarnemingen bekend van de bever op een afstand van circa 400 meter van de planlocatie, aan de Mookerplas. Gezien rond een groot deel van deze plas geschikt habitat van de bever aanwezig is en de planlocatie geen geschikt habitat bevat, is de aanwezigheid van de bever op de planlocatie uitgesloten.

12

De bunzing en wezel komen voor in kleinschalige landschappen met houtwallen, greppels en sloten. Om overdag in te rusten maken deze soorten gebruik van bestaande holen, takkenhopen en rommelschuurtjes. De planlocatie wordt strak onderhouden en bevat geen geschikte locaties die als rustplaats van de bunzing en wezel kunnen dienen, gezien er zeer weinig schuilmogelijkheden aanwezig zijn in en om de schuur. Tevens worden er geen groenstructuren verwijderd in de beoogde ingreep. Negatieve effecten op de bunzing en wezel kunnen derhalve uitgesloten worden. De das komt voor in verschillende habitattypen bestaande uit kleinschalige akker- en weilanden met voldoende bosjes. Het is van belang dat er in het habitat voldoende schuilgelegenheid met vergraafbare grond aanwezig is. De planlocatie bevat onvoldoende schuilgelegenheid voor de das en bevat tevens geen vergraafbare grond. Daarnaast worden er geen groenstructuren verwijderd in de beoogde ingreep. De aanwezigheid van de das op de planlocatie kan derhalve worden uitgesloten. Rode eekhoorn komt voor in verschillende typen bos, parken en houtwallen. Nesten worden gebouwd in hoge bomen of in grote boomholtes. De planlocatie bevat geen hoge bomen en bevindt zich niet in de buurt van bos, park en houtwallen. Tevens worden er geen bomen gekapt in de beoogde ingreep. Negatieve effecten op de rode eekhoorn worden derhalve uitgesloten.

De steenmarter komt voor in kleinschalig parklandschap, waarbij deze soort een voorkeur heeft voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen. Tevens is het van belang dat er groenstroken, heggen, bosjes en bermen aanwezig zijn, om te dienen als foerageergebied. De planlocatie is omgeven door agrarisch landschap en een woonwijk met diverse groenstructuren. Echter worden er in de beoogde ingreep geen groenstructuren aangetast. De te slopen schuur bevat geen geschikte schuilplekken voor de steenmarter en er zijn tevens geen sporen van deze soort aangetroffen, zoals prooiresten of uitwerpselen. Negatieve effecten op de steenmarter kunnen derhalve worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, egel, huismuis, huisspitsmuis en mol. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig van voldoende dikte en met boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats.

Er worden tevens geen bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.

De te slopen schuur is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn 13

gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Het dak van de te slopen schuur bestaat uit golfplaten die rusten op houten balken. Er is geen dakbeschot aanwezig. De halfopen schuur bevat geen geschikte wegkruipmogelijkheden voor vleermuizen. Tevens is de schuur niet geschikt voor de gewone grootoorvleermuis, gezien de lichtverstoring en tocht in de schuur. Wegens het ontbreken van muren met toegankelijke spouw, dakruimte of andere wegkruipplekken is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de schuur op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Echter worden er geen lijnvormige groenelementen verwijderd in de beoogde ontwikkeling. Derhalve is er geen sprake van het wegnemen van een essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute.

Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker en poelkikker (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker. De Alpenwatersalamander komt voor in heidegebieden, bossen, agrarische gebieden maar ook in steden en dorpen. De kamsalamander komt voor in bosrijk gebied met houtwallen. De poelkikker leeft in kleinschalige, stilstaande wateren. Voor al deze soorten is het van belang dat er geschikt waterhabitat aanwezig is op korte afstand van geschikt landhabitat. De planlocatie bevat geen watergangen en er worden geen watergangen of groenstructuren aangetast in de beoogde ingreep. Negatieve effecten op de Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker kunne derhalve worden uitgesloten. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie.

Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: gladde slang, hazelworm en ringslang (NDFF 2013-2023). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Er worden geen groenstructuren aangetast in de beoogde ingreep. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van de gladde slang, hazelworm en ringslang binnen het plangebied uitgesloten.

14

Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20132023). Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde soorten: bosbeekjuffer, grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, rivierrombout teunisbloempijlstaart en vliegend hert(NDFF 2013-2023). De grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder en de teunisbloempijlstaart worden regelmatig waargenomen in bosrijke omgevingen en langs bosranden. Daarnaast kan het habitat vochtig tot vrij droog zijn. De waardplanten bestaan uit verscheidende wilgensoorten (grote vos en grote weerschijnvlinder), wilde kamperfoelie (kleine ijsvogelvlinder) en wilgenroosjes en teunisbloemen (teunisbloempijlstaart). De planlocatie bevat geen waardplanten voor de genoemde vlindersoorten. Tevens worden er geen groenstructuren verwijderd in de beoogde ingreep. Derhalve kunnen negatieve effecten op de grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder en de teunisbloempijlstaart worden uitgesloten. Libellen zijn voor hun voortplanting gebonden aan oppervlaktewater. Binnen de planlocatie en in de directe omgeving daarvan is geen oppervlaktewater aanwezig.

Negatieve effecten op de bosbeekjuffer en rivierrombout zijn derhalve uitgesloten. Het vliegend hert is voor de ontwikkeling van de larven, afhankelijk van door schimmels aangetast rottend eikenhout. Het is daarom van belang dat er oude, rottende eiken aanwezig zijn in het leefgebied. De planlocatie bevat geen oude, rottende eiken. Op circa 2 km ten noordoosten van de planlocatie is een populatie van deze soort aanwezig. Gezien de afwezigheid van geschikt habitat en de afstand tot recente waarnemingen, kan de aanwezigheid van het vliegend hert op de planlocatie worden uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Tijdens het veldbezoek is er een braakbal, welke afkomstig is van een kerkuil, aangetroffen in de schuur.

Op de balken in de schuur zijn geen uitwerpselen of andere sporen, zoals veren en prooiresten, aangetroffen van uilen. Gezien er slechts één braakbal gevonden is in de schuur en er geen krijtsporen aanwezig zijn op de balken in de schuur, kan de aanwezigheid van een vaste rust/ of verblijfplaats op de planlocatie worden uitgesloten. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2023). De te slopen schuur bevat een dak van golfplaten zonder dakbeschot. Onder het dak is derhalve geen ruimte aanwezig waar huismussen kunnen nestelen.

Op het dak van de schuur zijn aan één zijde zonnepanelen aanwezig. Hier kon vanaf de grond volledig onder

15

gekeken worden en hier waren geen huismusnesten aanwezig. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tevens niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De schuur op de planlocatie bevat een golfplaten dak zonder dakbeschot. Er zijn geen openingen aanwezig op een hoogte van minimaal 3 meter die leiden naar een geschikte nestlocatie.

Hierdoor kan de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. Zoals eerder genoemd zijn er op de planlocatie sporen aangetroffen van een kerkuil, maar bevat de planlocatie geen essentiële rust- of verblijfplaats van deze soort. De beoogde ingreep bevat slechts de sloop van een halfopen schuur. Er is derhalve geen sprake van het wegnemen van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen. Echter is het niet uit te sluiten dat de schuur na het veldbezoek in gebruik wordt genomen door algemene broedvogels. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.

Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

16

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Sint Jansberg’ en op een afstand van circa 2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Oeffelter Meent’. (figuur 3.1).

Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot het Natura 2000-gebied ‘Sint Jansberg’ en circa 2 km tot het Natura 2000-gebied ‘Oeffelter Meent’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een halfopen schuur. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.

Gezien er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

17

Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het de Zone Natuurbeek, beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid Limburg en de Goudgroene-, Zilvergroene- en Bronsgroene natuurzones. Op een afstand van circa 1 km ligt de Zone natuurbeek (figuur 3.2). Op een afstand van circa 81 km ligt het Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid Limburg (geen kaartweergave). De Bronsgroene landschapszone is direct aan de planlocatie gelegen, om een afstand van 30 m tot de te slopen schuur. De Zilvergroene Natuurzone is gelegen op een afstand van 600 m van de planlocatie en de Goudgroene natuurzone is gelegen op een afstand van 900 m van de planlocatie (figuur 3.3). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 (bron:portal.prvlimburg.nl).

km tot de Zone natuurbeek

Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 30 m tot de Bronsgroene landschapszone, 600 m tot de Zilvergroene natuurzone en 900 m tot de Goudgroene natuurzone (bron:portal.prvlimburg.nl). 18

3.3 Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.

19

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Planten

Nee

Grondgebonden zoogdieren

Nee

Vleermuizen

Nee

Amfibieën

Nee

Reptielen

Nee

Vissen

Nee

Insecten en andere ongewervelden

Nee

Vogels (cat. 1 t/m 4)

Nee

Vogels (Algemeen en cat. 5)

Nee

Mogelijke functie planlocatie

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Nader onderzoek

Natura 2000 Zone Natuurbeek Beschermingsgebied Nationaal Landschap Bronsgroene landschapszone Zilvergroene natuurzone Goudgroene natuurzone

1 km 1 km

Geen Geen

N.v.t. N.v.t.

81 km

Geen

N.v.t.

30 m 600 m 900 m

Geen Geen Geen

N.v.t. N.v.t. N.v.t.

4.3 Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.

20

5 Conclusie 5.1

Conclusie De beoogde sloop van een schuur aan de Eindweg 16a te Middelaar is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels.

5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).

Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

21

Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.ndff.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.portal.prvlimburg.nl

Bijlage 1

Fotografische impressie

22

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Eindweg 16a te Middelaar en bestaat uit een woonerf met woning en bijgebouwen. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een halfopen schuur en de realisatie van een schuurwoning.

Figuur 2

Het dak van de schuur bestaat uit golfplaten die rusten op stalen en houten planken.

23

Figuur 3

De schuur bevat zonnepanelen en rondom de schuur is Engels raaigras aanwezig, afgewisseld met een pad van kiezels.

Figuur 4

De aangetroffen braakbal op de planlocatie

24

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MookenMiddelaar&id=d823cb51-3e6f-48dc-835d-44c9e6ab6891