Bijlage 3d bij de toelichting_Bijlage 4 Quickscan Flora & Fauna .pdf
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING EINDWEG 9, 11 EN 13 TE MIDDELAAR
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Eindweg 9, 11 en 13 te Middelaar Opdrachtgever
V-snaar projecten Timmermannsweg 26a 5813 AN Ysselsteyn
Rapportnummer Versienummer
13470.003 D2
Status
Eindrapportage
Datum
1 december 2020
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
S.D.F. Slange, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
P.P.J. Vullings, BSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 3
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 4
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 5 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 8 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................... 8 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 15 Ongewervelden............................................................................................................... 16 Vaatplanten..................................................................................................................... 16
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 17 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 5 Soortenbescherming ........................................................................................................ 5 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 6 Houtopstanden ................................................................................................................. 7
Broedvogels .................................................................................................................... 17 Vleermuizen .................................................................................................................... 18 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 19 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 19 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 20
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 21 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 21 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 22
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 23
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 24
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 13470.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van V-snaar projecten opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Eindweg 9, 11 en 13 te Middelaar. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 1 van 25
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 1,5 ha) ligt aan de Eindweg 9, 11 en 13, circa 900 meter ten noordwesten van de kern van Middelaar. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 190.850, Y = 415.850.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie is bebouwd met diverse stallen, opstallen en schuren die niet meer, of zelden, in gebruik zijn. De stallen/schuren zijn voornamelijk uit bakstenen opgetrokken gebouwen. Enkele van de schuren hebben een houten betimmering op de gevel. Het dak van de meeste schuren bestaat voornamelijk uit golfplaten. Eén enkele schuur heeft een met dakpannen belegd dak. De schuren zijn op een enkele na niet volledig af te sluiten van de omgeving. Rondom de bebouwing zijn verhardde paden aangelegd. Verder bestaat het perceel voor een groot deel uit onverhard, of verwilderd groen, terrein. Tevens wordt het terrein gebruikt als opslag voor diverse objecten (oud staal, autobanden, containers, etc.). Op het perceel zijn enkele tientallen bomen te vinden, alsmede struikgewas. De onderzoekslocatie is omgeven door agrarische percelen en ten noorden van de onderzoekslocatie op circa 400 meter afstand is de Mookerplas gelegen. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 2 van 25
1
2 3 5
4
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving, tevens is een gedeelte van de bebouwing genummerd van 1 tot 5.
Figuur 3. Opslagschuur, nummer 2.
Figuur 4. Oude varkensschuur, stal nummer 1.
Figuur 5. Oude varkensschuur, nummer 4.
Figuur 6. Oude schuur, tegen nummer 5 aan.
Figuur 7. Zandhoop met begroeiing.
Figuur 8. Bomen op het terrein.
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen, een gedeelte van het perceel af te graven en nieuwbouw woningen te realiseren.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 3 van 25
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 14 oktober 2020. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 4 van 25
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 5 van 25
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 6 van 25
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 7 van 25
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. In Limburg kunnen dit, in agrarisch buitengebied, zijn: boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, oehoe, ooievaar, raaf, ransuil, roek, slechtvalk, steenuil, torenvalk en wespendief. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soort broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen, deze zijn niet aanwezig op de onderzoekslocatie. Huismus In de omgeving van de projectlocatie komt de huismus veelvuldig voor volgens waarnemingen uit NDFF, met recente waarnemingen op circa 150 meter afstand. Huismussen komen voor in menselijke omgeving, waar veel struikgewas, schuren, weilanden met vee, gemorst graan etc. zijn te vinden. Op de onderzoekslocatie zijn twee schuren (nummer 3 en 4) met geschikte ruimte voor huismussen onder de dakbedekking. Het betreffen ruimtes onder de dakbedekking die vrij toegankelijk zijn (figuur 9 en 10). Dit betreft enkel de voormalige stallen achter Eindweg 11, de overige schuren hebben geen gaten, kieren, scheuren, dakbeschot, dakgoot of invliegopeningen. Negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen sloop kunnen ten aanzien van huismus niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 6).
Figuur 9. Stal nummer 3 met geschikte ruimtes onder de dakbedekking voor huismussen.
Rapport 13470.003 versie D2
Figuur 10. Oude varkensstal, nummer 4, met geschikte ruimtes onder de dakbedekking voor huismussen.
Pagina 8 van 25
Roek Roeken zijn waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie, op circa 600 meter afstand (bron: ndff.nl). De roek is een koloniebroeder met slordige nesten in de toppen van hoge bomen. Roekenkolonies bevinden zich vaak in vrijstaande hoge groepen bomen langs wegen, sporen of kanalen. Roekenkolonies zijn makkelijk te herkennen. Op de onderzoekslocatie is er geen kolonie aangetroffen. Kerkuil Waarnemingen van de kerkuil zijn op circa 600 meter van de onderzoekslocatie in NDFF recent opgenomen. Kerkuilen broeden in soort specifieke nestkasten en sporadisch in gebouwen en boomholten. De onderzoekslocatie is geschikt voor kerkuilen. Op de onderzoekslocatie zijn sporen aangetroffen in de vorm van verse braakballen (figuur 11 t/m 13) op meerdere locaties in verschillende schuren. Tevens is er een eierschaal aangetroffen welke vermoedelijk van een kerkuil is (figuur 14). Dit kan wijzen op een nestlocatie van de kerkuil. Verstoring ten aanzien van de kerkuil is mogelijk aan de orde (zie hoofdstuk 6).
Figuur 11. Braakbal, in stal nummer 3.
Figuur 12. Braakballen, in stal nummer 1.
Figuur 13. Braakballen met krijtstreep, in schuur nummer 5.
Figuur 14. Vermoedelijk kerkuil eierschaal, in schuur nummer 1.
Steenuil Op NDFF zijn recente waarnemingen van de steenuil in de omgeving van de onderzoekslocatie opgenomen, op circa 250 meter afstand. De steenuil broedt voornamelijk in nestkasten en natuurlijke holtes in wilgen op kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen. Op de onderzoekslocatie zijn geen geschikte nestgelegenheden voor de steenuil aangetroffen. Tevens zijn er geen sporen gevonden, welke erop duiden dat de onderzoekslocatie door de steenuil in gebruik is. Mogelijk wordt de onderzoekslocatie gebruikt als foerageergebied door de steenuil. Het is niet te verwachten dat de voorgenomen plannen leiden tot verstoring van essentieel foerageergebied. Dit gezien de aanwezigheid van een groot oppervlak aan optimaler foerageergebied, in de vorm van paardenweides, graslandschappen en akkerlanden, in de omgeving.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 9 van 25
Boerenzwaluw In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn recente waarnemingen van boerenzwaluw gedaan op circa 400 meter afstand. De boerenzwaluw nestelt in het hele land in boerenland, met een voorkeur voor gemengde bedrijven. Het gros van de paren huist in koeien-, varkens- of paardenstallen. De aantallen zijn in het laatste kwart van de twintigste eeuw afgenomen. Op de onderzoekslocatie zijn in schuur 1 meerdere nesten van de boerenzwaluw aangetroffen (zie figuur 14). Verstoring ten aanzien van de boerenzwaluw is niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).
Figuur 14. Boerenzwaluwnest.
Huiszwaluw Huiszwaluwen zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie recent waargenomen op circa 400 meter afstand (bron: ndff.nl). De huiszwaluw nestelt in het hele land in boerenland, met een voorkeur voor gemengde bedrijven. Vooral in open gebied, in de omgeving van allerlei typen gebouwen en bruggen, die voor de huiszwaluw als alternatieve rotspartijen kunnen dienen. Huiszwaluwen maken nesten tegen de gevel aan de buitenkant van bebouwing, dit in tegenstelling tot de boerenzwaluw. Vooral op waterrijke plekken wordt naar voedsel gezocht. De onderzoekslocatie is in principe geschikt voor de huiszwaluw, maar er zijn geen nesten van huiszwaluwen aangetroffen. Verstoring ten aanzien van de huiszwaluw is dan ook uitgesloten. Grote gele kwikstaart. Nabij de onderzoekslocatie zijn recent waarnemingen van de grote gele kwikstaart gedaan, op circa 400 meter (bron:ndff.nl). De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. In de laatste decennia zijn grote gele kwikstaarten ook in steden buiten het reguliere broedgebied vastgesteld. Op de onderzoekslocatie zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op nestlocaties van de grote gele kwikstaart. Tevens zijn er op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen beken of rivieren.
Verstoring ten aanzien van de grote gele kwikstaart kan worden uitgesloten. Ooievaar Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er recent waarnemingen bekend van een ooievaar op circa 300 meter afstand van de onderzoekslocatie. Ooievaars bouwen grote nesten op bomen, daken, kerktoren en speciaal gemaakte platforms op palen. Ze komen voornamelijk voor in open natte gebieden, graslanden en agrarische gebieden. Op de onderzoekslocatie zijn geen ooievaarsnesten aangetroffen. Verstoring ten aanzien van de ooievaar, als gevolg van de voorgenomen plannen, is dan ook uitgesloten. Raaf Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er waarnemingen bekend van de raaf op circa 1,3 kilometer afstand van de onderzoekslocatie. Raven bouwen een breed, plat nest; regelmatig in de kruin van een boom, tot op wel 30 meter hoog. Raven leven in Nederland in uitgestrekte gebieden waarin bossen en heide elkaar afwisselen; steeds vaker ook in bosjes in cultuurland. Op de onderzoekslocatie zijn geen ravennesten aangetroffen. Verstoring ten aanzien van de raaf, als gevolg van de voorgenomen plannen, is dan ook uitgesloten. Roofvogels, bosuil, ransuil en oehoe Volgens gegevens van de NDFF komen boomvalk (600m), bosuil (600m), havik (300m), oehoe (1,8 km), ransuil (600m), torenvalk (150m) en wespendief (1,3km) voor in de omgeving van de onderzoekslocatie.
Deze soorten zijn voor hun nesten afhankelijk van (hoge) boomopstanden en hebben jaarrond beschermde nesten. De hoge bomen rondom de onderzoekslocatie konden goed worden
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 10 van 25
onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er is een groot nest aangetroffen in de boom ten noordoosten van bebouwing nummer 5 van de onderzoekslocatie (zie figuur 15). Vermoedelijk betreft het een nest van een jaarrond beschermde soort. Ten behoeve van de voorgenomen plannen zullen deze bomen verwijderd worden. Negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling kunnen daardoor niet uitgesloten worden. Verder zal er met de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie geen essentieel foerageergebied verloren gaan, er is geschikter foerageergebied aanwezig in de vorm van tuinen en akkers. Verstoring ten aanzien van een potentieel jaarrond beschermde nest van roofvogels dan wel bosuil, oehoe of ransuil is op voorhand niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).
Figuur 15. Takkennest in boom.
5.1.2
Overige broedvogels
De bebouwing en beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals mezen, kauwen, winterkoning en gaai. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Op de onderzoekslocatie zijn diverse nesten van algemene broedvogels aangetroffen (zie figuur 16 en 17). De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn.
Figuur 16. Nest ongedefinieerde zangvogel op balk.
Figuur 17. Nest winterkoning bij schakelkast.
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 11 van 25
5.2
Vleermuizen
Volgens de gegevens van het Natuurhistorisch Genootschap Limburg en de Zoogdiervereniging (Limpens en Regelink, 2017) kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, bosvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, Brandt's vleermuis, baardvleermuis, meervleermuis en watervleermuis waargenomen. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Schuur 3 en 4 bevatten ruimten langs de daktrim waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. Schuur 1 en 2 zijn deels betimmerd aan de buitenkant. Het grootste deel achter de betimmering is niet geschikt voor vleermuizen, de betimmering is de afscheiding met de buitenlucht. Enkel in de kleine gedeelten waar de betimmering op de bakstenen is bevestigd kan dienen als rustplaats. Er zijn geen spouwmuren aanwezig in de bebouwing die middels stootvoegen bereikbaar zijn voor vleermuizen. Negatieve effecten ten aanzien van gebouw bewonende vleermuizen is niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6). De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen.
Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie In de woonhuizen aangrenzend aan de noordzijde van de onderzoekslocatie zijn potentiele verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen aangetroffen. Negatieve invloed ten gevolgen van de werkzaamheden kunnen worden voorkomen door geen felle verlichting op de bebouwing te richten, zowel in de bouwfase als de eindfase (zie hoofdstuk 6). Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft de omliggende agrarische percelen, laanbeplanting en de nabijgelegen Mokerplas. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 12 van 25
5.3.1
Streng beschermde soorten
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et. al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: das, wild zwijn, otter en bever. Das In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn waarnemingen, op circa 120 meter afstand, van de das bekend (bron:ndff.nl). De das komt voor in kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende beschutting, houtwallen en heggen, die kunnen dienen als beschutting en geleiding. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden op korte afstand van elkaar. De onderzoekslocatie is van wege de ligging en het reliëf in het landschap geschikt voor de das. Tijdens het veldbezoek zijn eetsporen en potentiële dassenpijpen/holen aangetroffen, ten zuiden van stal nummer 4 (figuur 2), die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie door de das (zie figuur 18). De voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot verstoring van de das (zie hoofdstuk 6). Verstoring van essentieel foerageergebied van een in de omgeving verblijvende das is niet te verwachten door de voorgenomen plannen. Dit gezien de aanwezigheid van veel optimaler en een groter oppervlak aan alternatief foerageergebied in de directe omgeving van de onderzoekslocatie in de vorm van maïsakkers.
Figuur 18. Licht omgewoelde grond.
Figuur 20. Ingang potentiële dassenpijp/burcht.
Figuur 21. Ingang potentiële dassenpijp/burcht.
Bever en otter Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er waarnemingen bekend van de bever op circa 500 meter afstand en de otter op circa 5 kilometer afstand van de onderzoekslocatie. Bevers leven nabij moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen en de aanwezigheid van voldoende goed bereikbare bomen en struiken zijn essentieel. De kwaliteit van het water is hierbij niet belangrijk. De otter leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Ze leven in schoon en zoet water, waar voldoende voedsel, dekking en rust is. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van grote waterlichamen ongeschikt als vaste voortplantings- en rustplaats voor bevers en otters. Negatieve effecten ten aanzien van de bever en otter kunnen derhalve worden uitgesloten. Wild zwijn Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er waarnemingen bekend van de bever op circa 2 kilometer afstand van de onderzoekslocatie. Het wild zwijn komt voor in droge en natte voedselrijke loofbossen en gemengde bossen. Hij heeft een duidelijke voorkeur voor eiken- en beukenbossen aangezien daar in de herfst veel eikels en beukennootjes (de zogenaamde ‘mast’) te vinden zijn.
Een voorwaarde die wilde zwijnen aan een bos stellen is de aanwezigheid van natte/moerassige plaatsen, waar ze in zogenaamde 'zoelen' (ondiepe poelen) modderbaden kunnen nemen. Op de onderzoekslocatie ontbreken deze aspecten en zijn er geen sporen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van wild zwijn. Negatieve effecten ten aanzien van wild zwijn kunnen derhalve worden uitgesloten.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 13 van 25
5.3.2
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren waar een vrijstelling voor geldt. Het gaat daarbij om algemene soorten als marterachtigen, konijn, haas, egel, eekhoorn en diverse muizensoorten. Op het terrein zijn konijnenholen gevonden op gedeelten van het perceel die worden ontgraven. Door de voorgenomen werkzaamheden worden holen van dergelijke soorten vergraven of vernietigd (zie hoofdstuk 6). Marterachtigen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er waarnemingen bekend van de steenmarter (400m), wezel (2 km), bunzing (1,2 km) in de omgeving van de onderzoekslocatie. Van hermelijn en boommarter zijn geen waarnemingen in de buurt bekend. Boommarter kan op voorhand worden uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt habitat op de onderzoekslocatie, (oud)bos van voldoende omvang. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, oude holen van onder andere konijnen en takkenrillen als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn en wezel maken gebruik van oude holen van onder andere mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen en ruimtes onder boomwortels. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor alle marterachtigen.
De stallen, het dichte struweel en eventuele oude muizenholen op de onderzoekslocatie kunnen dienen als potentiële verblijfplaatsen voor de marterachtigen. Ook zijn er sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soorten (zie figuur 19 t/m 21). Vernietiging of beschadiging ten aanzien van vaste rust- of voortplantingsplaatsen van marterachtigen is niet uit te sluiten. In Limburg geld er echter een vrijstelling voor alle marterachtigen. Voor de steenmarter is de vrijstelling gespecificeerd voor de periode 15 augustus tot en met februari (zie hoofdstuk 6).
Figuur 19. Marteruitwerpselen.
Figuur 20. Marter eetplaats.
Figuur 21. Marteruitwerpselen.
Eekhoorn Op circa 500 meter van de onderzoekslocatie zijn waarnemingen bekend van de eekhoorn. Eekhoorns komen van nature voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos, maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied voor. De onderzoekslocatie is in principe geschikt voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie kunnen gebruikt worden als nestlocatie. Echter door het ontbreken van nabijgelegen bos van voldoende omvang, en de afwezigheid van nesten, kunnen negatieve effecten ten aanzien van de eekhoorn worden uitgesloten.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 14 van 25
5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en RAVON (van Delft et al. 2015) zijn binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de volgende reptielensoorten waargenomen: gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang en zandhagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De levendbarende hagedis komt voor in redelijk dicht begroeide gebieden, zoals (vochtige) heide, veen, schraal grasland, open plekken in bossen en rijk begroeide bosranden. Ook komt de soort voor in structuurrijke wegbermen, dijktaluds, hagen en houtwallen. De zandhagedis is sterk gebonden aan duin- en heidegebied, waar de soort veelal te vinden is in droge struikheideterreinen of open struweelduin. De gladde slang bewoont vooral droge heideterreinen, maar ook hogere delen van hoogveengebieden en open bossen en jonge aanplant op zandgrond. De hazelworm heeft een voorkeur voor enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. De soort komt voor in open bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen. De meeste waarnemingen komen uit bos- en heideterreinen. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden.
Grote oppervlaktes laag gelegen, nat gebied worden gemeden, omdat de soort daar vaak niet alle stadia van zijn levenscyclus kan doorlopen. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat aanwezig voor de in de omgeving waargenomen reptielen. De waarnemingen van de streng beschermde reptielen hebben naar verwachting betrekking op de nabij gelegen natuurgebieden Groenewater, Drievijvers, Mokerheide en/of Reichswald. Negatieve effecten ten aanzien van reptielen zijn derhalve uitgesloten. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF en RAVON zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, bastaardkikker, kleine watersalamander, kamsalamander, gewone pad, poelkikker, groene kikker en bruine kikker. Streng beschermde soorten Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor streng beschermde amfibieënsoorten op de onderzoekslocatie uitgesloten. Daarnaast bestaat de onderzoekslocatie voornamelijk uit bebouwing, verharding en graslandschap en is het minimaal geschikt als landhabitat voor beschermde amfibieën. De waarnemingen van de streng beschermde alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker hebben naar verwachting betrekking op de nabij gelegen natuurgebieden Groenewater, Drievijvers, Mokerheide en/of Reichswald.
Verstoring ten aanzien van streng beschermde amfibieën is derhalve uitgesloten. Licht beschermde soorten Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor algemene amfibieënsoorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander op de onderzoekslocatie uitgesloten. Daarnaast vormt de onderzoekslocatie weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten beschutting vinden tussen het gras en de lage begroeiing. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 15 van 25
5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. In de omgeving van de onderzoekslocatie is de beschermde beekrombout waargenomen in de afgelopen 5 jaar (ndff.nl). Voor libellen geldt dat water nodig is ter voortplanting. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de aardbeivlinder, grote vos, grote weerschijnvlinder, sleedoornpage en zilveren maan in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor de beschermde vlindersoorten aardbeivlinder (tormentil), grote vos (iep, zoete kers en sommige wilgensoorten), grote weerschijnvlinder (boswilg), sleedoornpage (sleedoorn) en zilveren maan (moerasviooltje) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Vaatplanten
Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding, tuin, erf en begraasd weiland is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen. Hierbij is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 16 van 25
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1
Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels
Huismus en boerenzwaluw De nesten van huismussen en boerenzwaluwen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten en de provincie Limburg. Dit zijn nesten van zeer plaats getrouwe broedvogels of ze zijn afhankelijk van bebouwing. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. Nesten van boerenzwaluwen zijn aangetroffen in stal nummer 1 op de onderzoekslocatie. Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling zal een ontheffing voor deze soort benodigd zijn en moeten mitigerende maatregelen getroffen worden. Dit kan door middel van het plaatsen van nestkommen voor boerenzwaluwen. Maatregelen dienen in een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden zodat gewaarborgd kan worden dat er gecompenseerd wordt. Kerkuil De kerkuil en hun leefgebied is beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming.
De soorten staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van kerkuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten in Limburg: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantingsplaats’. De kerkuil gebruikt een aantal vaste plekken in zijn territorium als nest of rustplaats. De plekken kunnen op enkele honderden meters afstand van elkaar liggen. De kerkuil is flexibel in het wisselen van vaste plek. Het is daarbij wel essentieel dat het aanbod van geschikte plekken groot genoeg is. Kerkuilen gebruiken hun nestplek ook buiten de voortplantingsperiode. Ze hebben daarnaast ook andere plekken die ze regelmatig gebruiken. Dit ook om parasietinfecties tegen te gaan. Het mannetje gebruikt een verblijfplek in de directe omgeving van het nest als het vrouwtje aan het broeden is. Overdag verblijven kerkuilen tijdens rustperioden vaak op vaste roestplekken. Dit doen ze in de dekking van beplanting of gebouwen of in de nestholte. Al deze plekken worden niet gerekend tot de vaste rustplaatsen, maar zijn wel onderdelen van de functionele leefomgeving die hoort bij het nest (BIJ12, 2017).
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 17 van 25
De sporen op de onderzoekslocatie indiceren dat de onderzoekslocatie in gebruik is door de kerkuil. De schuren op de onderzoekslocatie hebben een functie als roestplaats. Er is mogelijk sprake van een voortplantingsplaats. De voorgenomen ingreep kan leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de kerkuil. Indien nesten van de kerkuil aanwezig zijn, dienen de te nemen maatregelen vastgelegd te worden in een activiteitenplan. Het activiteitenplan kan dan ter goedkeuring worden voorgelegd bij Provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag. Roofvogels, bosuil, oehoe en ransuil Nesten van boomvalk, bosuil, havik, oehoe, ransuil, sperwer, torenvalk en wespendief zijn beschermd volgens artikel 3.10 van de Wnb en zijn aangemerkt als categorie 3 nesten, met uitzondering van bosuil (cat. 2) en oehoe (cat. 1), in provincie Limburg. Bij de voorgenomen plannen gaan bomen gekapt worden. Het grote nest zal door de voorgenomen plannen verstoord/vernietigd worden en functionaliteit verliezen. Een nader onderzoek zal uit moeten wijzen of het nest in gebruik is en een jaarrond beschermde status heeft.
In het geval een van de genoemde soorten inderdaad gebruik maakt van het nest, dan zullen mitigerende maatregelen en een ontheffingsaanvraag aan de orde zijn. In het geval het nest door een andere soort in gebruik is, dan zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten ten aanzien van roofvogels, bosuil, oehoe of ransuil aan de orde zijn. 6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2
Vleermuizen
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone- en
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 18 van 25
ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een projectplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag. De nabijgelegen gebouwen zijn tevens geschikt voor vleermuizen. Tijdens de werkzaamheden zal hier rekening mee gehouden moeten worden. Zo zal er geen (fel) licht op de nabij gelegen bebouwing gericht mogen worden. Maatregelen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol/activiteitenplan. 6.3
Overige zoogdieren
6.3.1 Das De das behoord in Nederland tot een beschermde inheemse diersoort, volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Op de onderzoekslocatie zijn sporen aangetroffen die wijzen op gebruik door de das. Nader onderzoek is benodigd om de functie van de onderzoekslocatie inzichtelijk te maken. Het onderzoek naar de functie van de onderzoekslocatie kan jaarrond uitgevoerd worden middels het plaatsen van cameravallen en/of een aantal gerichte terreininspecties. 6.3.2 Steenmarter De steenmarter en zijn leefgebied is in Nederland beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Op de onderzoekslocatie zijn op verschillende locaties sporen aangetroffen die wijzen op het gebruik van de onderzoekslocatie door de steenmarter. In de provincie Limburg geldt er een vrijstelling voor de steenmarter in de periode van 15 augustus tot en met februari. Indien er in die periode werkzaamheden worden uitgevoerd is er geen nader onderzoek of ontheffing benodigd. In het geval er tussen maart en 15 augustus werkzaamheden plaatsvinden zal er wel nader onderzoek nodig zijn. Er zal met een werkprotocol moeten worden gewerkt. 6.4
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van sloop- en graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten algemene soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 19 van 25
dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 20 van 25
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, maar wel in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Sint Jansberg, bevindt zich op circa 1,4 kilometer afstand ten noorden van de onderzoekslocatie (zie figuur 22).
Figuur 22. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de omvang van de ontwikkeling en nabijheid tot de natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 21 van 25
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 400 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie. In figuur 23 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 23. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
De onderzoekslocatie is op ruim 400 meter afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 22 van 25
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De te vellen bomen op de onderzoekslocatie betreft een houtopstand op erven of in tuinen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht.
Rapport 13470.003 versie D2
Pagina 23 van 25
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van V-snaar projecten een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Eindweg 9, 11 en 13 te Middelaar. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen, een gedeelte van het perceel af te graven en nieuwbouw woningen te realiseren. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
algemeen
ja
ja
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren of voorafgaande aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitvoeren