CConstaterende datMook en Middelaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3a. Toelichting Groesbeekseweg 100 - 106 Mook 2024-04-15

Algemene commissie 29 mei 2024, gemeente Mook en MiddelaarBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Groesbeekseweg 98-106 Mook9.865 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.2.2

Kenmerken huidige watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater

29

Uit het bestemmingsplan blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen de milieuzone grondwaterbeschermingsgebied. Deze gebiedsaanduiding is in voorliggend bestemmingsplan overgenomen. Bouwregels geldend in dit gebied, zoals bepaald in artikel 17.1.1 (vigerend bestemmingsplan) stellen: 17.1.1. Bouwregels Er mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd: a. ten dienste van het behoud van de kwaliteit van het grondwater als onderdeel van de drinkwatervoorziening en van de waterhuishouding, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,5 m; b. ten dienste van de bestemming(en) indien de kwaliteit van het grondwater niet wordt geschaad. Aan deze laatste voorwaarde kan worden voldaan waardoor het grondwaterbeschermingsgebied geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Oppervlaktewater In het plangebied zelf en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en zal in de nieuwe situatie geen oppervlaktewater worden gecreëerd. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van de planlocatie zal worden geloosd op het bestaande rioleringsstelsel. In de beoogde situatie worden per saldo slechts 8 extra recreatieeenheden gerealiseerd welke worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel.

Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling, worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het afvoeren van afvalwater. Hemelwater Het Waterschap Limburg en de gemeente Mook en Middelaar streven ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. In de huidige situatie zijn er binnen het plangebied twee houten chalets aanwezig. In de nieuwe situatie worden 12 boshotelkamers gerealiseerd waardoor de oppervlakte aan verharding toe zal nemen. De wandelpaden zullen bestaan uit halfverharding. Binnen het werkgebied van het voormalige Waterschap Peel en Maasvallei geldt voor ontwikkelingen een vrijstelling van compensatie als de toename van het oppervlak aan verharding niet meer bedraagt dan 2.000 m². De toename aan verharding blijft ruim onder de drempelwaarde van 2000 m2 waardoor watercompensatie niet noodzakelijk is. Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen worden er geen belemmeringen verwacht.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet

30

natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht.

Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. De dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied betreffen ‘Sint Jansberg’ en ‘De Bruuk’ die op een afstand van respectievelijk ca. 1,47 en ca. 2,87 kilometer van de planlocatie zijn gelegen.

Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden door onder andere een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen. Met de AERIUS calculator kan de stikstofdepositie door een ruimtelijke ontwikkeling in kaart worden gebracht. Uitkomsten tot 0,00 mol per ha/jaar zijn de basis om te kunnen concluderen dat het plan niet vergunningsplichtig is voor de Wet natuurbescherming (Wnb), wat betreft het onderdeel stikstof. Het uitvoeren van stikstofdepositieberekening voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk. De AERIUS berekening is bijgevoegd als separate bijlage. Uit de resultaten van de AERIUS berekening volgt dat er als gevolg van de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet binnen het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling zijn significante negatieve effecten uit te sluiten.

31

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Het komt voor dat bebouwing en groenelementen zoals bomen fungeren als vaste verblijf- of voortplantingsplaats voor dieren. Het verwijderen hiervan kan een negatieve gevolgen hebben voor dieren. In het kader van de Wet natuurbescherming dient te worden bepaald of er al dan niet nader onderzoek dient te worden gedaan naar voorkomende diersoorten. In dit geval kunnen de te verwijderen groenelementen als verblijfplaatsen voor diersoorten dienen. Er dient voor de bestemmingswijziging vastgesteld te worden of de ontwikkeling een negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten. Er is daarom op 15 november 2021 een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als separate bijlage III bijgevoegd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven.

Op basis van de informatie welke uit de Quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er geen aanleiding om een aanvullend flora en faunaonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van beschermde soorten flora en fauna. De suggesties uit het hoofdstuk aanbevelingen (pagina 16 van het rapport in bijlage III) worden indien mogelijk meegenomen in de ontwikkeling van de nieuwe boshotelkamers. Het is heel eenvoudig om soorten een kans te bieden zich te vestigen/ uit te breiden binnen een gebied zonder afbraak te doen aan het ontwerp/ isolatiewaarden welke gesteld worden. Tijdens de werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’.

32

Conform het bestemmingsplan heeft de planlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’. Voor deze gebieden geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter en een minimale verstoringsoppervlakte van 2.500 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Aangezien de gezamenlijke oppervlakte van de beoogde boshotelkamers kleiner is dan 2.500 m2, is de uitvoering van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Ter bescherming van de eventueel aanwezige archeologische is de geldende dubbelbestemming overgenomen in dit bestemmingsplan.

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg en de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Mook en Middelaar zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.

5.6

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1

Mobiliteit Ter plaatse van het plangebied worden 12 nieuwe boshotelkamers gerealiseerd waardoor het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie zal toenemen. In onderstaande tabel is inzichtelijk gemaakt wat de toename van de verkeersgeneratie is in de beoogde situatie. Hierbij is gebruik gemaakt van de verkeersgeneratiecijfers uit de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (nummer 381). Verkeersgeneratie Boshotelkamers

b.v.o.

aantal 12

gemiddelde norm per eenheid 1,95

gemiddelde verkeersgeneratie 23,4

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de verkeersgeneratie in de beoogde situatie met 23,4 verkeersbewegingen per etmaal toeneemt. Gezien de bestaande infrastructurele situatie en het gegeven dat de Groesbeekseweg een directe ontsluiting heeft op de provinciale weg N271, kan ervanuit gegaan worden dat de bestaande wegen de toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied kunnen verwerken. Het aspect mobiliteit levert geen belemmering op voor het planvoornemen.

5.6.2

Parkeren De gemeente Mook en Middelaar volgt de parkeernormen uit de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (nummer 33

381). Voor de beoogde situatie is een berekening van de parkeerbehoefte gemaakt op basis van de normen uit het CROW en de vloeroppervlaktes/eenheden. In onderstaande tabel is de berekening van de parkeerbehoefte weergegeven. Parkeerbehoefte

b.v.o.

Entree/lobby Restaurant Hotelkamers incl. ontbijtzaal Recreatiewoningen Boshotelkamers Totaal

100 m2 400 m2

aantal

gemiddelde norm per 100 m2/eenheid

7

15 0,68

4 12

2,1 0,68

gemiddelde parkeerbehoefte n.v.t 60 4,8 8,4 8,2 81

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de parkeerbehoefte binnen het plangebied 81 parkeerplaatsen bedraagt. Om in deze behoefte te kunnen voorzien worden er binnen het plangebied (16 + 65 =) 81 parkeerplaatsen gerealiseerd. De situering van deze parkeerplaatsen is weergegeven in figuur 10 en bijlage I. Bij de berekening van de parkeerbehoefte zijn de benodigde parkeerplaatsen bij de burgerwoning aan de Groesbeekseweg 98 en de bedrijfswoning aan de Bisseltsebaan 16 niet meegenomen aangezien het erf bij deze woningen in de huidige situatie al voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Het aspect ‘Parkeren’ vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

Figuur 10. Inrichtingsvoorstel. Parkeervoorzieningen rood omcirkeld.

34

HOOFDSTUK

6.1

6 Uitvoerbaarheid

Inleiding In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn.

6.2

Economische uitvoerbaarheid Bij in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen dient op grond van artikel 3.6.1 van Bro in de plantoelichting de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer sprake is van een bouwplan zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 van Bro, dient er conform 6.12 van Wro een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onderhavig ontwerpbestemmingsplan wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. Tijdens de inzagetermijn zijn geen zienswijzen ingediend. Ook heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden. De initiatiefnemer heeft de omwonenden aan de Groesbeekseweg, Schuttersweg en Bisseltsebaan door middel van een informatieavond, informatiemail en een inloopmiddag op de planlocatie op de hoogte gebracht van de gewenste ontwikkelingen op de planlocatie. Voor de verslaggeving wordt verwezen naar de omgevingsdialoog in bijlage IV.

35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MookenMiddelaar&id=83a1ecb8-6846-49cc-aaaf-f77facb33db7