CConstaterende datMook en Middelaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1b bp Reconstructie N271 Mook - Milsbeek - natuurwaarden.pdf

Raadsvergadering 28 januari 2021, gemeente Mook en MiddelaarBij agendapunt: Definitief bestemmingsplan 'Reconstructie N271 Mook - Milsbeek'16.992 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Actualisatie onderzoek natuurwaarden N271, Mook - Middelaar De Asselen Kuil 20, 6161 RD Geleen EA200061.R01 1 augustus 2020

Actualisatie onderzoek natuurwaarden N271, Mook - Middelaar De Asselen Kuil 20, 6161 RD Geleen Documentnummer EA200061.R01 1 augustus 2020 versie 0.3 Provincie Limburg

Ir. F. Fahner Senior ecoloog

Functie

EA200061.R01

Naam

Paraaf

2 van 25

Inhoud 1

Inleiding ......................................................................... 4

2

Soorten en gevolgen................................................... 7

2.1

Archiefgegevens: LNC-scan 2013

7

2.2

Archiefgegevens: quickscan 2014 inclusief vleermuisonderzoek

8

2.3

Archiefgegevens: NDFF

8

2.4

Archiefgegevens Gemeente Gennep

11

2.5

Archiefgegevens: Provinciale flora- en vegetatiekartering

12

2.6

Resultaten veldbezoek 2018

13

2.7

Resultaten veldbezoek 2020

15

2.8

Effecten van het voornemen op beschermde soorten

17

3

Beschermde natuurgebieden en gevolgen ....... 20

3.1

Natura 2000-gebieden

20

3.2

Natuurnetwerk Nederland

20

3.3

Provinciaal natuurnetwerk

22

4

Samenvatting, conclusies en vervolgstappen. 23

4.1

Samenvatting en conclusies

23

4.2

Vervolgstappen

24

5

Gebruikte literatuur .................................................. 25

Bijlagen Bijlage 1 Toetsingskader: wetgeving en beleid Bijlage 2 Status van soorten Bijlage 3 Locaties te kappen en te planten bomen

EA200061.R01

3 van 25

1 Inleiding 1

Aanleiding en probleemstelling De regionaal verbindende weg N271 loopt van Venlo naar Nijmegen en is een belangrijke verkeersader voor de gemeenten in de kop van Noord-Limburg ten oosten van de Maas, waaronder Mook en Middelaar en Gennep. Vóór de aanleg van de A73 vormde de N271 de belangrijkste verbinding tussen Venlo en Nijmegen, maar sinds de openstelling van deze autosnelweg in zijn geheel, is dat niet meer het geval. De weg vervult op dit moment alleen nog een regionale gebiedsontsluitende functie. De huidige intensiteit op de N271 tussen Milsbeek en Mook, van hmp 117,6 tot 122,0 (zie figuur 1), bedraagt ongeveer 8.000 motorvoertuigen voor een gemiddelde werkdag per etmaal. Aan beide zijden van dit gedeelte van de N271 zijn (brom)fietsvoorzieningen aanwezig in de vorm van éénrichtingsfietspaden. Daarnaast zijn er diverse recreatieve voorzieningen (restaurants, natuur- en recreatiegebieden, midgetgolf, camping etc.) en een tankstation aangelegen.

Figuur 1: Overzichtskaartje met ligging projectgebied

De registratie van de ongevallen is de laatste jaren dusdanig afgenomen dat een goed beeld van de aanleiding en afloop van de ongevallen op het wegvak ontbreekt. Hieruit is niet op te maken dat de weg veilig is. Maar uit verkeersongeval cijfers van voorgaande jaren is gebleken dat de N271 een structureel hoog slachtofferrisico heeft. Feit is dat het wegvak niet voldoet aan de huidige ontwerprichtlijnen en de visie Duurzaam Veilig. De oorzaken van de verkeersonveilige situatie hebben vooral te maken met de combinatie van het gebruik door

1

Ontleend aan Provincie Limburg (2018)

EA200061.R01

4 van 25

zowel snelverkeer, waaronder veel recreatief verkeer (van en naar Plasmolen), als landbouwverkeer, terwijl door de aanwezigheid van bomen het inhalen als gevolg van beperkt zicht bemoeilijkt wordt. Verder zijn de aanwezige fietsvoorzieningen te smal en is de middenberm (de afstand tussen de fietspaden en de rijbaan) onvoldoende breed. Het betreffende wegvak heeft een wegindeling conform de richtlijnen uit de 80-er jaren en hiermee voldoet het niet volledig aan de inrichtingseisen zoals deze zijn vastgesteld in de landelijke richtlijnen van Duurzaam Veilig (Handboek Wegontwerp CROW 315) en in de vigerende beleidsnota RVWN 2014. Concreet zijn de volgende verkeerskundige knelpunten aanwezig: -

Tussenberm te smal

-

Obstakelvrije zone onvoldoende

-

Wegbreedte voldoet niet aan de inrichting Duurzaam Veilig

-

Fietspaden te smal

-

Parkeeroverlast en de (ongewenste) inrichting van de parkeervoorzieningen langs de N271

-

Subjectieve Verkeersonveiligheid

-

Snelheid (vracht)verkeer

-

Oversteekbaarheid fietsers en voetgangers

-

Boogstralen te krap voor ontwerpsnelheid (V0 80 km/u)

-

Landbouwverkeer inhalen

Het wegprofiel (inclusief fietspaden) voldoet op gedeelten niet aan het gewenste wegprofiel conform het provinciaal beleid. Met de reconstructie wil de provincie het beleid zoveel mogelijk tot uitvoering brengen. Gelijktijdig

kunnen

uit

oogpunt

van

wegbeheer

integraal

noodzakelijke

onderhouds-

en

saneringswerkzaamheden worden meegenomen. Aanvankelijk was een uitgebreid pakket aan maatregelen uitgewerkt, waarvoor in 2018 al een natuurtoets is opgesteld (zie rapport CA180019.R01 d.d. 05-11-2018), maar inmiddels is het plan versoberd, met als belangrijkste uitgangspunten: •

alleen ingrijpende reconstructies op het traject ter plaatse van de kom Plasmolen (hmp 119,1 – 120,5) en op de resterende trajecten werkzaamheden die onder de categorie ‘regulier onderhoud’ vallen;

•

minder kap van bomen;

•

aanleg van een separate faunapassage langs de duiker Tielebeek;

•

geen aanleg van landbouwpasseerhavens.

Doelstelling In verband met mogelijke negatieve gevolgen voor de natuurwaarden dient voor het project een scan uitgevoerd te worden van die natuurwaarden. Op basis daarvan dient te worden nagegaan of er strijdigheid ontstaat met wet en regelgeving (toegelicht in bijlage 1) en hoe eventueel negatieve gevolgen kunnen worden voorkomen door bijvoorbeeld het treffen van mitigerende maatregelen. Ook wordt nagegaan of er mogelijk negatieve gevolgen zijn voor beschermde natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland en provinciaal beschermde gebieden). De gevolgen voor Natura 2000-gebieden komen aan bod in een separaat rapport ‘Voortoets’ (zie nr. EA200061.R02). Beschrijving projectgebied Het tracé van de weg is op bovenstaand overzichtskaartje (figuur 1) weergegeven en wordt in het vervolg aangeduid als projectgebied. Het projectgebied is gelegen in de gemeente Mook en Middelaar, in het uiterste noorden van de provincie Limburg. Er zijn binnen het projectgebied twee dorpskernen die door de N271 worden doorsneden, te weten Milsbeek en Mook. In het midden loopt de weg ten noorden van enkele bungalowparken en recreatieparken rond het gehucht Plasmolen. Deze parken liggen op de noordoever van een grote ontzanding, de Mookerplas, waaraan ook jachthavens zijn gelegen en welke ter hoogte van Mook in

EA200061.R01

5 van 25

open verbinding staat met de Maas. Ten noorden van het projectgebied liggen bos- en natuurgebieden, de Sint-Jansberg en de Mookerheide. Voor het overige zijn de aangrenzende gronden in agrarisch gebruik. De N271 bestaat uit twee rijbanen met vrij liggende fietspaden ter weerszijden van de weg. Bij de kruising met de Vagevuurweg is verlichting aanwezig en binnen de bebouwde kom. Ook bij Plasmolen is verlichting aanwezig. Verder is geen verlichting aanwezig. Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft aan de hand van de eerder uitgevoerde gerichte natuuronderzoeken, alsmede gegevens van de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) een beschrijving van de aanwezige soorten in het projectgebied en de omgeving ervan, waarbij de nadruk ligt op beschermde soorten en soorten van de Rode Lijst. Vervolgens worden de mogelijke gevolgen van het projectvoornemen voor deze soorten behandeld, nadat een beschrijving is gegeven van de geplande werkzaamheden. Hoofdstuk 3 gaat in op de gebiedenbescherming en de mogelijk negatieve gevolgen van het voornemen voor beschermde natuurgebieden. De gevolgen voor Natura 2000-gebieden komen in een separaat rapport aan de orde, zoals al opgemerkt. Hoofdstuk 4 geeft een samenvatting van de resultaten van voorliggende actualisatie en de belangrijkste conclusies. Bijlage 1 beschrijft het toetsingskader in relatie tot de natuurwet- en regelgeving.

Bijlage 2 bevat een opsomming van voorkomende soorten met hun status in wet- en regelgeving. Bijlage 3 bevat detailkaarten van de locaties van te kappen bomen en terug te planten bomen binnen het projectgebied.

EA200061.R01

6 van 25

2 Soorten en gevolgen 2.1 Archiefgegevens: LNC-scan 2013 Bij de LNC-scan die in 2013 is uitgevoerd, zijn diverse literatuurbronnen onderzocht en op 3 september is een biotopenonderzoek uitgevoerd in het veld, waarbij tevens is gelet op het voorkomen van beschermde en bijzondere soorten. Hieronder volgt een samenvatting van de gegevens per soortgroep. Vleermuizen Bij het veldbezoek zijn in diverse bomen langs de weg holten waargenomen, zodat er sprake is van potentiële vleermuisverblijven voor boombewonende soorten, zoals de gewone grootoorvleermuis en de ruige dwergvleermuis. De bomenrijen (bermen) en bosrand vormen geschikte vliegroutes voor vleermuizen. Bij het veldbezoek is een verkeersslachtoffer (gewone dwergvleermuis) aangetroffen. Landzoogdieren Van de das is een verspreidingskaartje gemaakt van bekende burchten in de omgeving van de weg. Er zijn diverse burchtlocaties in de bosgebieden langs de weg. Er zijn in het verleden ook meerdere verkeersslachtoffers van de das op de weg geregistreerd. De aanwezige dassentunnels onder de weg door functioneren deels goed en deels niet goed. Ook van andere zoogdieren zijn verkeersslachtoffers geteld: egel, steenmarter en wezel. Broedvogels Er is gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale broedvogeltellingen in 2007-2008.

In het bosgebied (noordzijde van de weg) zijn territoria gekarteerd van typische bosvogels als boomklever, boomkruiper, fluiter, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, kleine bonte specht, koekoek, matkop en vuurgoudhaantje. In het aan de weg grenzende agrarisch gebied (ten zuiden van de weg) gaat het om territoria van voornamelijk grasmus, holenduif, roodborsttapuit, zwarte kraai en zwarte roodstaart. Amfibieën Alleen ter hoogte van Plasmolen liggen links en rechts van de weg geschikte voortplantingswateren, waarin bruine en groene kikker en ook alpenwatersalamander zijn aangetroffen. Reptielen In de berm van de weg, met name nabij de Mookerheide zijn hazelworm en levendbarende hagedis aangetroffen. Ongewervelden Van dagvlinders zijn er geen waarnemingen van bijzondere soorten in de directe omgeving van de weg. Direct langs de weg liggen ook geen geschikte biotopen voor libellen, op enige afstand zijn waarnemingen bekend van glassnijder en vroege glazenmaker (ter hoogte van Geuldert, tussen km 119,3 en 119,9). Ook is vanuit Geuldert een waarneming bekend van een vertegenwoordiger van de weekdieren (mollusken), te weten de zeggekorfslak, die tot de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Sint Jansberg behoort (zie hoofdstuk 3).

EA200061.R01

7 van 25

Vegetatie en flora Ten behoeve van de LNC-scan zijn de resultaten van de provinciale vegetatiekartering geanalyseerd. Deze zullen hierna, in §2.4) aan de orde komen. Andere bronnen en ook het veldbezoek wijzen nog op het voorkomen van het rapunzelklokje in de berm van de N271 (bijvoorbeeld km 118,9 en 121,0).

2.2 Archiefgegevens: quickscan 2014 inclusief vleermuisonderzoek In 2014 is door bureau Faunaconsult een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Daarbij is op 12 juni een veldbezoek uitgevoerd, waarbij de aanwezige biotopen zijn beoordeeld op hun geschiktheid als habitat voor beschermde dier- en plantensoorten. Tevens werden beschermde planten in kaart gebracht en is er gezocht naar holen en nesten van zoogdieren en vogels, in het bijzonder in de te rooien bomen. Holten in bomen zijn onderzocht met een boomcamera. In vervolg daarop is in hetzelfde jaar een vleermuisonderzoek uitgevoerd, waarbij naast de foerageer- en vliegroutefunctie van de bomenrijen langs de N271 nog in het bijzonder de bomen tussen km 121,5 en km 121,6 links zijn onderzocht op het voorkomen van vleermuisverblijfplaatsen in de aangetroffen holten. Verder zijn geschikte habitats, sporen en zichtwaarnemingen van landzoogdieren, vogels en amfibieën genoteerd, alsmede groeiplaatsen van bijzondere plantensoorten. Met betrekking tot reptielen is geconcludeerd dat er in het projectgebied teveel verstoring is als gevolg van het verkeer en dat geschikte habitats dan ook niet aanwezig zijn. De resultaten van het onderzoek worden hieronder puntsgewijs weergegeven: •

Van de vleermuizen zijn geen verblijfplaatsen vastgesteld. Wel is vastgesteld dat de bomenrij langs de N271 als vaste vliegroute fungeert voor minstens 20 exemplaren van de gewone dwergvleermuis, terwijl de rij laanbomen nabij Plasmolen als vaste vliegroute fungeert voor de meervleermuis (enkele exemplaren). Voorts zijn de volgende soorten waargenomen, die binnen het projectgebied foerageren: laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis.

•

Van de landzoogdieren worden verblijfplaatsen verondersteld van aardmuis, bosmuis, huisspitsmuis, mol en veldmuis. Deze zijn echter niet expliciet in kaart gebracht, aangezien het om soorten van de Vrijstellingslijst (zie bijlage 1, tabel A) gaat.

•

Wat betreft de soortgroep vogels, er zijn geen nesten vastgesteld in te kappen bomen.

•

Van de amfibieën zijn geschikte landhabitats aanwezig van bruine kikker en gewone pad.

•

Van de (beschermde) planten zijn grasklokje en rapunzelklokje aangetroffen.

2.3 Archiefgegevens: NDFF Uit de dataset van de Nationale Databank Flora en Fauna zijn gegevens geselecteerd van de soortgroepen zoogdieren, vogels, amfibieën en reptielen (herpetofauna), vissen, insecten (waaronder) dagvlinders, weekdieren en vaatplanten uit de periode 2015-2020, van een zone van minimaal 500 m ter weerszijden van de N271 (hierna onderzoeksgebied genoemd). In totaal gaat het om ongeveer 30.000 waarnemingen, inclusief van nachtvlinders en andere insecten. Na selectie van alleen waarnemingen van beschermde soorten of soorten van de Rode Lijst bleven 5.838 relevante waarnemingen over. Hieronder worden per soortgroep de resultaten geëvalueerd. Op bijgaande kaarten (1 t/m 7) zijn de waarnemingen binnen het onderzoeksgebied uitgeplot. Zoogdieren (kaart 1) Vleermuizen (kaart 1a). Het aantal waarnemingen van vleermuizen is zeer beperkt, maar dit betekent niet dat er in het onderzoeksgebied weinig vleermuizen zouden zijn. Het bovengenoemde onderzoek in 2014 (zie §2.2) laat zien dat er verschillende soorten voorkomen. De afwisseling van open en gesloten gebieden, met ook open

EA200061.R01

8 van 25

water, maakt het onderzoeksgebied juist zeer geschikt als leefgebied voor vleermuizen, door de te verwachten grote rijkdom aan insecten. In de NDFF zijn waarnemingen opgenomen van een viertal soorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en meervleermuis. Van de laatvlieger is een verblijfplaats bekend in de kern van Milsbeek (vóór 2015), maar recente gegevens over verblijfplaatsen zijn niet beschikbaar. Landzoogdieren (kaart 1b). Direct langs de weg zijn waarnemingen gedaan van de soorten das, eekhoorn, ree en vos. In het natuurgebied ten noorden van de weg zijn diverse soorten waargenomen: naast de genoemde drie soorten verder nog bosmuis, bunzing, dwergmuis, eekhoorn, haas, konijn en rosse woelmuis. In bebouwd gebied (Milsbeek) is de steenmarter aangetroffen, terwijl in het agrarisch gebied, met name ten zuiden van de weg, ook diverse van de genoemde soorten waargenomen zijn. In de oever van de Mookerplas zijn sporen en wellicht ook burchten van de bever aanwezig. Er zijn de afgelopen drie jaar diverse verkeersslachtoffers geteld op de weg, namelijk: •

bosmuis: hmp 119,05;

•

das: hmp 120,35, 121,05, 121,7 en 121,9 (tussen Mook en Plasmolen: 1 in 2018, 2 in 2019, 1 in 2020) ;

•

eekhoorn: hmp 122,2;

•

egel: hmp 122,5;

•

haas: hmp 117,8;

•

steenmarter: hmp 120,45 en 121,2;

•

vos: hmp 122,0.

Ter hoogte van hmp 120,7, 121,0 en 121,1 (tussen Mook en Plasmolen) zijn in 2019-2020 waarnemingen gedaan van verblijfplaatsen van de das in de nabijheid van het projectgebied (steilrand). Vogels, algemeen (kaarten 2a t/m 2f) Van de soortgroep vogels zijn bijzonder veel waarnemingen beschikbaar, namelijk ruim 18.000 en de soortenrijkdom is ook groot te nomen. Maar hiervan zijn uiteindelijk ongeveer 4.200 waarnemingen gebruikt, want bijvoorbeeld gegevens van overvliegende vogels zijn buiten beschouwing gelaten. Van de broedvogels zijn alleen gegevens die betrekking hebben op territoriaal gedrag (in het broedseizoen) gebruikt, maar van roofvogels en uilen zijn wel incidentele waarnemingen gebruikt om een compleet beeld van de soortensamenstelling te krijgen en omdat gegevens over nestplaatsen van deze soorten doorgaans schaars zijn. Van watervogels en weidevogels zijn, behalve waarnemingen van overvliegende dieren, ook overige waarnemingen geselecteerd (zie onder). Dicht bij de weg (<50 m) zijn territoria aangetroffen van de volgende soorten: bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, glanskop, grasmus, grauwe gans, grauwe vliegenvanger, heggenmus, houtduif, meerkoet, putter, staartmees, tjiftjaf, tuinfluiter, vuurgoudhaan, zanglijster, zwarte kraai en zwartkop. Dat hieronder diverse bosvogels zijn, komt uiteraard doordat de weg tegen het bosgebied Sint Jansberg aan ligt.

Verder zijn er water- en moerasvogels onder, die waargenomen zijn in de plas/vijver ter hoogte van Plasmolen, welke vlak langs de weg ligt. Vogels, roofvogels en uilen (kaart 3) In het onderzoeksgebied zijn er waarnemingen van een veertiental soorten roofvogels en uilen, namelijk de blauwe kiekendief, boomvalk, bosuil, bruine kiekendief, buizerd, havik, kerkuil, oehoe, ransuil, sperwer, steenuil, torenvalk, velduil en de visarend, waarmee dit gebied als zeer soortenrijk te typeren is. Van de soorten bosuil en buizerd zijn ook territoria aangetroffen, maar niet in de nabijheid van de weg. Er zijn dus geen aanwijzingen voor nestplaatsen c.q. territoria van roofvogels en uilen nabij het projectgebied. Ter hoogte van hmp 120,4 en 120,7 is een verkeersslachtoffer van de bosuil waargenomen (respectievelijk september 2014 en juni 2018). Er zijn geen aanwijzingen voor nestplaatsen in de bomen die langs de weg staan.

EA200061.R01

9 van 25

Water- en weidevogels (kaart 4) Watervogels. Van de watervogels zijn alleen de gegevens geselecteerd van belangrijke rust- en foerageergebieden (groepen van 25 exemplaren of meer). Het plasgebied ten zuidwesten van het projectgebied biedt pleisterplaatsen voor diverse watervogels (wintergasten): eenden, ganzen, meeuwen en soorten als fuut en meerkoet. Weidevogels. Van de scholekster is een territorium vastgesteld in 2016 nabij de jachthaven van Plasmolen (telling SOVON). Ook de kievit en de wulp zijn binnen het onderzoeksgebied waargenomen, maar van deze soorten zijn geen territoria bekend. Herpetofauna (kaart 5) Amfibieën. Nabij de weg, maar in het bosgebied en gebied de Rivierduintjes (ten zuidwesten van Plasmolen), zijn de alpenwatersalamander (met name in gebied Geuldert), de bruine kikker, de gewone pad en de kleine watersalamander waargenomen. Er is een waarneming van de streng beschermde poelkikker, maar ook ver van de weg (Geuldert). Van de gewone pad zijn ter hoogte van hmp 119,7 en 120,4 verkeersslachtoffers aangetroffen. Reptielen. Van de reptielen zijn twee streng beschermde soorten (Habitatrichtlijn) waargenomen binnen het onderzoeksgebied, maar niet in de nabijheid van de N271. Het gaat om de soorten gladde slang en zandhagedis. Van de zandhagedis is ter hoogte van hmp 120,65 een verkeersslachtoffer aangetroffen (23-42018).

De voorheen beschermde hazelworm is ook in het onderzoeksgebied waargenomen, maar niet in de nabijheid van de weg. Weekdieren (kaart 5) Er zijn waarnemingen van vijf soorten van de Rode Lijst, te weten de dikke korfslak, de gestreepte korfslak, de kleine blinkslak, de tandloze korfslak en de zeggekorfslak, waarvan laatstgenoemde soort ook nog onder de Habitatrichtlijn beschermd is. De waarnemingen hebben betrekking op het gebied Geuldert, circa 130 meter ten noordoosten van de N271 ter hoogte van hmp 119,3 – 119,7. Ongewervelden (kaart 6) Dagvlinders. Het onderzoeksgebied telt een zestal bijzondere soorten, waarvan de keizersmantel (onder andere in natuurgebied Sint Jansberg) voorheen streng beschermd was. Nog wel beschermd zijn de grote vos en de grote weerschijnvlinder, ook beide soorten van de Rode Lijst. Nog drie andere waargenomen soorten van de Rode Lijst zijn het bruin blauwtje (Sint Jansberg en met name Rivierduintjes), de kleine parelmoervlinder (Rivierduintjes) en het oranje zandoogje (diverse plekken, ook langs de weg tussen hmp 120,5 en 121,2). Nachtvlinders. Ter hoogte van hmp 118,7 is op ongeveer 30 meter ten noordoosten van de weg de teunisbloempijlstaart waargenomen, een streng beschermde soort (Habitatrichtlijn). Overige.

Er zijn waarnemingen van twee haftensoorten (eendagsvliegen) van de Rode Lijst, de gewone haft (langs de plas) en Ephemera glaucops (nabij Geuldert), alsmede een schietmot die op de Rode Lijst staat: Limnephilus marmoratus, in het gebied Riverduintjes ten zuidwesten van Plasmolen. De genoemde soorten zijn niet langs de weg waargenomen. Tenslotte is, in Milsbeek, maar niet in de nabijheid van de weg, het vliegend hert waargenomen, een beschermde soort. Vaatplanten (kaarten 7a-7c) Er zijn waarnemingen van een negental bijzondere soorten, waaronder soorten van de Rode Lijst, direct langs de weg (dus vermoedelijk in de berm), te weten: •

gewone vogelmelk, hmp 121,15;

•

grasklokje, tussen hmp 121,0 en 121,1;

EA200061.R01

10 van 25

•

kleine bevernel (in zaksloot), tussen hmp 120,8 en 120,1;

•

kruisbladwalstro: hmp 120,78 en 121,12;

•

kleine ratelaar: hmp 121,07;

•

rapunzelklokje: tussen hmp 121,7 en 121,0;

•

tripmadam: tussen hmp 121,7 en 121,1;

•

voorjaarszegge: tussen hmp 121,7 en 121,1;

•

zacht vetkruid: tussen hmp 121,7 en hmp 121,1

De beide kaarten vermelden nog diverse andere bijzondere soorten, maar daarvan hebben de waarnemingen betrekking op verder van de weg gelegen gebied.

2.4 Archiefgegevens Gemeente Gennep De Gemeente Gennep heeft aan de provincie een kaartje beschikbaar gesteld van het voorkomen van de das nabij de N271, ter hoogte van Milsbeek-Plasmolen, zie figuur 2. Hierop staan meer burchten dan uit de waarnemingen uit de NDFF (kaart 1b) naar voren komen.

Figuur 2: Waarnemingen van de das uit tellingen van de Gemeente Gennep

EA200061.R01

11 van 25

2.5 Archiefgegevens: Provinciale flora- en vegetatiekartering Door de Provincie Limburg wordt periodiek een vegetatiekartering uitgevoerd in het buitengebied, waarbij tevens bijzondere plantensoorten worden gekarteerd. In de vegetaties langs de weg zijn de in tabel 1 weergegeven typen aangetroffen. Het betreft de typen wegbermen,ruigten, loofbos, graften en oevervegetaties. In tabel 2 zijn de gekarteerde aandachtssoorten weergegeven, welke merendeels in de wegberm aangetroffen zijn. Hieronder zijn enkele voorheen beschermde soorten (Flora- en faunawet; zie bijlage 1), te weten het grasklokje en het rapunzelklokje. Rapunzelklokje, grote tijm en tripmadam zijn soorten van de Rode Lijst.

Tabel 1: Gekarteerde vegetatietypen langs de N271 binnen het onderzoeksgebied Bron: Provincie Limburg (www.natuurgegevensprovincielimburg.nl): Provinciale Kartering NML III 2009-2011 Code Omschrijving Locatie B2h Wegberm (met bomen) met een redelijk ontwikkelde vegetatie die voor 25%- Hmp 117,6 - 116,68 links 75% uit Lage-kwaliteit-indicerende soorten bestaat met meerdere aandachtsoorten B3 Wegberm met een vegetatie die voor meer dan 75% uit Lage-kwaliteitHmp 120,07 – 120,12 indicerende soorten bestaat met enkele aandachtsoorten tussenberm B3h Wegberm (met bomen) met een redelijk ontwikkelde vegetatie die voor meer Hmp 118,25 - 118,46 rechts dan 75% uit Lage-kwaliteit-indicerende soorten bestaat met enkele Hmp 118,70 - 119,25 rechts aandachtsoorten Hmp 118,70 - 119,31 links Hmp 120,40 - 120,75 rechts Hmp 121,15 - 121,55 links Lp Parkbos, loofhoutaanplant Hmp 119,41 - 119,58 links O3W2-H Oever met een soortenarme vegetatie met enkele aandachtsoorten of Hmp 119,60 - 119,71 links gedomineerd door een hoge helofyt (bijv.

riet), langs waterloop met enkele aandachtsoorten, de algemene soorten domineren; met bomen Qfr Loofbos op voedselarme bodem, droog loofbos op matig voedselarme, lemige Hmp 119,58 - 119,60 links bodem met goed ontwikkelde ondergroei, verruigd Rt Ruigte op voedselrijke, droge tot vrij vochtige bodem waarin overblijvende en Hmp 119,68 – 119,71 rechts tweejarige planten domineren XG1-B3h Graft met een grazige vegetatie die voor minder dan 25% uit Lage-kwaliteitHmp 120,75 – 121,15 links indicerende soorten bestaat, met meerdere aandachtsoorten; delen zijn: Wegberm (met bomen) met een redelijk ontwikkelde vegetatie die voor meer dan 75% uit Lage-kwaliteit-indicerende soorten bestaat met enkele aandachtsoorten XG3-B3h Graft met een grazige vegetatie dir voor meer dan 75% uit Lage-kwaliteitHmp 121,55 – 122,0 links indicerende soorten bestaat, met enkele aandachtsoorten; delen zijn: Wegberm (met bomen) met een redelijk ontwikkelde vegetatie die voor meer dan 75% uit Lage-kwaliteit-indicerende soorten bestaat met enkele aandachtsoorten

EA200061.R01

12 van 25

Tabel 2: Locaties van aandachtsoorten langs de N271, kartering 2012 Bron: Provincie Limburg (www.natuurgegevensprovincielimburg.nl) Hmp L/R Soorten 117,8 R grijskruid, jacobskruiskruid, knoopkruid, schapezuring, sint-janskruid 117,94 L akkerhoornbloem, geel walstro, grasklokje, grijskruid, hazenpootje, hemelsleutel, zachte wikke, zandblauwtje 118,03 R grijskruid, rapunzelklokje, sint-janskruid, zachte wikke 118,33 R grijskruid, moerasrolklaver 118,63 R grijskruid, heggerank, stalkaars 118,96 R grijskruid, heggerank, hemelsleutel 118,99 L grijskruid, hazenpootje, hertshoornweegbree, rapunzelklokje 119,25 R grijskruid 119,67 R geel nagelkruid 119,68 R moerasrolklaver 119,79 R grijskruid, stalkaars 120,09 L grijskruid 120,58 L geel walstro, grijskruid, muizenoor, rapunzelklokje 120,95 L akkerhoornbloem, echte kruisdistel, geel walstro, gewone veldbies, grasklokje, grijskruid, grote ratelaar, grote tijm, muizenoor, rapunzelklokje, stalkaars, tripmadam, tweerijige zegge, zacht vetkruid, zandblauwtje, zwarte toorts 121,78 L grijskruid, wegdistel, zachte wikke 121,98 L grijskruid, klein vogelpootje 122,09 L grijskruid 121,3 L grijskruid

2.6 Resultaten veldbezoek 2018 Methodiek Op 16 juli is een veldonderzoek uitgevoerd, waarbij het projectgebied aan beide zijden van de weg lopend is geïnspecteerd. Hierbij is met name gelet op het voorkomen van bomen met mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen, roofvogelnesten en bijzondere plantensoorten (bermen). Tijdens het veldbezoek was het droog, helder en warm zomerweer. Biotopen Het meest kenmerkende biotoop voor het projectgebied betreft de bermen met bomen erin. Op het westelijk deel, langs het natuurgebied Sint-Jansberg betreft het vrijwel alleen lindes, zowel hoge, oude lindes als nog vrij recent aangeplante exemplaren. Op het oostelijk deel, tussen Milsbeek en Plasmolen gaat het vooral om eiken, ook weer van gevarieerde ouderdom (zie foto 1b). Verder zijn er vlakke grasbermen (foto 1d) en bermen op een talud (foto 1a). Op een plaats komt een oevervegetatie vlak langs de weg voor (foto 1c). Overigens bevinden de bermen met bomen zich tussen de hoofdrijbaan en het vrij liggende fietspad in, dus in de tussenberm. Langs beide zijden van de weg is er een vrij liggend fietspad. Ter hoogte van het natuurgebied Sint-Jansberg, dus op het westelijk deel van het traject, staan geen bomen in de rechter tussenberm. Ter hoogte van Plasmolen is in de tussenbermen een heg aangeplant. Soorten Qua fauna zijn weinig soorten waargenomen, afgezien van diverse zangvogels.

Op een plek vloog een buizerd zeer laag de weg over (hmp 118,3). De meeste landzoogdieren in het projectgebied zullen muizen zijn, die zich in de bermen schuilhouden. Verder bevatten met name de lindes holten, op het westelijk deel zijn zeker 18 lindes geteld met holten en een enkel exemplaar met los zittende schors. Hier gaat het in veel gevallen om potentiële zomerverblijfplaatsen van vleermuizen. Bij het in §2.3 genoemde vleermuisonderzoek zijn overigens geen verblijfplaatsen vastgesteld

EA200061.R01

13 van 25

Foto’s 1a-d: Beeld van verschillende typen biotopen; a: talud met grasruigte (hmp 120,75 links), b: berm met grote eiken (hmp 118,0 rechts), c: oevervegetatie (hmp 119,65 rechts), d: vlakke grasberm, (hmp 118,53 rechts, kruising met Tielebeek)

De vegetatie van de bermen vertoont weinig variatie over het traject. Vanwege de droogte zijn de grassen grotendeels afgestorven. Ook diverse kruiden zijn verdroogd. Alleen ter hoogte van de vijver (hmp 119,6 – 119,7 links) is direct langs de weg een oevervegetatie aanwezig met vooral planten als riet, echte valeriaan en waterscheerling. Een afwijkende berm vormt de buitenberm over circa 100 meter lengte tussen hmp 120,4 en 120,5 links, waarin vrijwel alleen grote varens staan.

Foto’s2a-b: groeiplaatsen van exoten; links japanse duizendknoop (hmp 118,65 rechts) en rechts bamboe (hmp 119,45 links)

De meest voorkomende soorten in de grasbermen zijn akkermelkdistel, boerenwormkruid, echt knoopkruid, gewoon duizendblad, grijskruid, groot streepzaad en smalle weegbree. Op een enkele plek zijn ook

EA200061.R01

14 van 25

waargenomen: wilde cichorei, jacobskruiskruid, moeslook (hmp 121,5 links), stalkaars (hmp 120,84 links), zandzegge (hmp 120,80 links) en zeepkruid (hmp 118,07 links). Tussen hmp 119,4 en 119,5 rechts wordt de vegetatie gedomineerd door riet en bamboe. Een andere groeiplaats van bamboe is hmp 119,45 – hmp 119,50 links. Japanse duizendknoop is aangetroffen in de berm ter plaatse van hmp 118,65 rechts en hmp 120,01 links en langs de vijver tussen hmp 119,68 en hmp 119,70 links.

2.7 Resultaten veldbezoek 2020 Methodiek Op 31 juli is een schouw van de te kappen bomen uitgevoerd. De lijst van de te kappen bomen is ten opzichte van 2018 aanmerkelijk ingekort. Het doel van de schouw was om na te gaan welke bomen holtes of scheuren bevatten, die geschikt zijn voor boombewonende vleermuizen. De te kappen bomen waren herkenbaar aan een markering met (meestal) blauwe verf. Tijdens het veldbezoek was het droog, helder en warm zomerweer. Resultaten Van de 86 te kappen bomen (zie volgende paragraaf en bijlage 3) zijn 9 bomen geïdentificeerd die duidelijke holten en spleten hebben. Van één boom is de stam volledig ‘ingepakt’ door klimop, waardoor het ook als een vleermuisverblijfplaats kan fungeren, zij het minder geschikt. Op onderstaande foto’s zijn de betreffende locaties in beeld gebracht. Het gaat om de volgende locaties: •

km 118,07 rechts: 3 populieren in de buitenberm c.q. op aangrenzend erf van onbewoonde woning,

•

km 118,58 links: boom in buitenberm, direct achter de bushalte,

•

km 118,95 rechts: boom met klimop langs de bosrand,

•

km 120,3 links: 4 zware eiken in tussenberm,

•

km 121,13 links: 1 eik in tussenberm.

Foto 3a: drie knotpopulieren met diverse holten en scheuren (hmp 118,07 rechts)

De hier genoemde bomen zijn bij het vleermuisonderzoek in 2014 met een boomcamera onderzocht, maar een nader onderzoek met behulp van een batdetector c.q. schouw op invliegende of uitvliegende dieren is doen niet uitgevoerd. Dit laatste is alleen gedaan bij een groepje bomen tussen km 121,5 en km 121,6 (zie par. 2.2), maar deze bomen zijn van de lijst van te kappen bomen afgehaald.

EA200061.R01

15 van 25

Foto’s 3b,c: (links:) Boom met scheur en holte km 118,58 linker rijbaan en (rechts:) volledig met klimop begroeide boom km 118,95 rechter rijbaan

In de te kappen bomen zijn geen nesten (horsten) van roofvogels aangetroffen, net zomin als dat in 2014 en 2018 het geval was. In de bermen zijn op enkele plekken bloeiende rapunzelklokjes aangetroffen, met name ter plaatse van km 118,92 (links) en tussen km 121,0 en 121,2 (links) waar verspreide diverse planten staan. Deze waarnemingen corresponderen met de provinciale vegetatiekartering en de uitkomsten van de quickscan in 2014. In 2018 was het ontbreken van deze soort wellicht te wijten aan de droogte.

EA200061.R01

16 van 25

Foto’s 3d,e: (links:) Bomenrij in tussenberm waarvan 3 bomen duidelijke holten hebben, km 120,3 linker rijbaan en (rechts:) boom met holte, km 121,13 linker rijbaan

2.8 Effecten van het voornemen op beschermde soorten Inleiding, beschrijving ingreep In de quickscan van december 2014 zijn de effecten beschreven van de ingreep. Inmiddels is de ingreep verder uitgewerkt en gedetailleerd (zie ook hoofdstuk 1). Het projectgebied kan daarbij in de volgende deelgebieden opgedeeld worden: •

hmp 117,66 – 119,1: regulier onderhoud;

•

hmp 119,1 – 120,46: reconstructie;

•

hmp 120,46 – 122,0: regulier onderhoud.

De weg wordt geherprofileerd, waarbij de belangrijkste ingreep voor de flora en fauna het kappen van bomen betreft. Wat betreft voorzieningen voor de fauna, de bestaande faunarasters en faunapassages worden

EA200061.R01

17 van 25

vernieuwd en uitgebreid, terwijl de ecologische verbinding Tielebeek wordt versterkt door middel van de aanleg van een separate faunapassage parallel aan de bestaande duiker. In totaal worden 86 bomen gekapt, terwijl er binnen het projectgebied 7 bomen worden geplant. In bijlage 3 zijn kaartjes opgenomen met de te kappen en te planten bomen. De overige te compenseren bomen worden buiten het projectgebied, in een nog aan te wijzen gebied, geplant. Hieronder wordt per soortgroep ingegaan op de effecten van het voornemen op de aanwezige soorten. Hierbij kan worden aangesloten op de in de quickscan reeds beschreven effecten. Vleermuizen Vliegroutes. De bomen naast de N271 maken deel uit van vaste vliegroutes van de gewone dwergvleermuis en nog andere soorten, met name de meervleermuis. Het merendeel van de bomen blijft gehandhaafd, zodat de vliegroute ter plaatse slechts plaatselijk aangetast wordt, waarbij geen onderbrekingen in de bestaande laanstructuur ontstaan. Bovendien ligt de weg voor een groot deel langs het bosgebied Sint Jansberg. Vleermuizen kunnen als alternatief van de bosrand gebruik maken als vliegroute en zullen dat ook in de huidige situatie wel doen. Qua verlichting zijn er geen effecten, aangezien er geen verlichting wordt aangebracht. Verblijfplaatsen.

Bij het vleermuisonderzoek in 2014 zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen langs de weg vastgesteld. Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat door het kappen van bomen geen zomerverblijfplaatsen en paarverblijven verloren gaan. Bij de schouw van de bomen juli 2020 zijn van de geactualiseerde lijst van te kappen bomen ongeveer 10 bomen als potentiële verblijfplaats voor vleermuizen aangemerkt. Het is niet 100% uit te sluiten dat zich hierin in de tussen gelegen periode vleermuizen hebben gevestigd, al wordt de kans hierop laag ingeschat vanwege de verstoring die van het verkeer uitgaat en vleermuizen bomen in de naast gelegen bosgebieden zullen prefereren. Landzoogdieren Doordat wegbermen vergraven worden, zal leefgebied van in de bodem levende dieren worden aangetast, met name muizen. Het gaat om soorten die op de Vrijstellingslijst staan (zie bijlage 1, tabel A), waarvoor alleen de zorgplicht geldt. Er is voldoende alternatief leefgebied voor deze dieren. Effecten op de populatie zijn verwaarloosbaar. Het is niet waarschijnlijk dat ter hoogte van kom Plasmolen de wegberm een belangrijke migratieroute vormt voor de das, althans daar zijn geen aanwijzingen voor. Wel liggen tussen Mook en Plasmolen enkele burchten vlak langs de weg en zijn ook enkele verkeersslachtoffers geteld (vergelijk kaart 1b). Op dit traject vinden echter geen vergravingen plaats .

Door de aanleg van een extra faunatunnel langs de duiker Tielebeek zal de barrièrewerking van de weg verminderen en zullen minder verkeersslachtoffers vallen, met name onder dassen. De gevolgen voor landzoogdieren zijn per saldo positief. Vogels Door het kappen van bomen gaan potentiële nestgelegenheden voor vogels, maar ook foerageergelegenheden (insecten) verloren. Anderzijds worden nieuwe bomen aangeplant, al is dat binnen het projectgebied heel beperkt. In de directe omgeving zijn er echter voldoende alternatieven voor vogels beschikbaar. Vogels zullen ook nu al vooral in het naastgelegen bosgebied nestelen, aangezien de verstoring daar nihil is, terwijl de nestplaatsen langs de weg onderhevig zijn aan verstoring door geluid en licht van verkeer. Al met al zijn permanente gevolgen voor broedvogels nihil en indien de reconstructiewerkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, is er geen sprake van verstoring van broedende vogels. Indien werkzaamheden vóór aanvang van het broedseizoen starten, zullen vogels geschiktere plaatsen zoeken om te nestelen. Wat betreft roofvogels met een jaarrond beschermde nestplaats die in de te kappen bomen een nest zouden kunnen hebben, bij de schouw juli 2020 is gebleken dat de betreffende bomen in dit opzicht ‘soortenvrij’ zijn.

EA200061.R01

18 van 25

Amfibieën Voor amfibieën hebben de biotopen langs de weg, die verstoord of vernietigd worden, geen betekenis. Door het optimaliseren van de faunageleidende voorzieningen, zal de oversteek van de weg voor amfibieën veiliger worden, zodat de barrièrewerking van de weg geringer wordt. Dit geldt nog meer voor de amfibieën die de oeverzone van de Tielebeek benutten als migratieroute. Door het aanleggen van een extra faunaduiker zal ook deze migratieroute aanmerkelijk verbeteren. Per saldo is het effect op amfibieën positief. Reptielen Voor reptielen hebben de biotopen langs de weg, die verstoord of vernietigd worden, geen betekenis. De gevolgen van de ingreep voor reptielen zijn nihil. Ongewervelden Beschermde en andere bijzondere soorten dagvlinders komen in natuurgebied Sint Jansberg voor, maar er is geen relatie met biotopen langs de weg, met name de bermen. De voorgenomen ingreep heeft geen gevolgen voor beschermde dagvlinders, noch de aangetroffen Rodelijstsoorten van nachtvlinders, haften en schietmotten. Wat mollusken betreft, de zeggekorfslak behoort tot de instandhoudinsgdoelstellingen van de Sint Jansberg. Hierop wordt in het volgende hoofdstuk nader ingegaan. Vaatplanten Tijdens het veldbezoek in juli 2018 zijn geen beschermde soorten planten aangetroffen.

De in het verleden aangetroffen soorten rapunzelklokje en grasklokje (thans niet meer beschermd), zijn bij het veldbezoek in 2018 niet terug gevonden, maar hierbij speelt waarschijnlijk de droogte een belangrijke rol. In 2020 zijn wel weer rapunzelklokjes aangetroffen. In de nieuwe situatie blijven de bermen in dezelfde mate geschikte biotopen vormen voor in het verleden aangetroffen bijzondere soorten.

EA200061.R01

19 van 25

3 Beschermde natuurgebieden en gevolgen 3.1 Natura 2000-gebieden Het projectgebied grenst aan Natura 2000-gebied Sint Jansberg (Limburg; zie figuur 2). Op respectievelijk 1,3 km en 3,1 km liggen nog een tweetal Natura 2000-gebieden: Oeffeltermeent (Noord-Brabant) en De Bruuk (Gelderland). Op de gevolgen voor de genoemde natuurgebieden wordt in een separate notitie ‘Voortoets’ ingegaan (nr. EA200061.R02).

Figuur 2: Relatie van het projectgebied tot Natura 2000-gebieden

3.2 Natuurnetwerk Nederland In de LNC-scans van 2013 en 2014 is de relatie van het projectgebied tot de Ecologische Hoofdstructuur, thans Nederlands Natuurnetwerk (NNN) geheten, reeds beschreven. In Limburg is de NNN opgenomen binnen de beleidscategorie Goudgroene natuurzone van het Provinciaal Omgevingsplan 2014. Figuur 4 toont de ligging van het projectgebied in relatie tot de NNN. In de LNC-scan van 2014 zijn ook de NNN-gebieden in Noord-

EA200061.R01

20 van 25

Brabant en Gelderland in beeld gebracht, maar deze liggen zodanig ver van het projectgebied verwijderd, dat negatieve gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten, behoudens eventuele gevolgen van de toename van stikstofdepositie. Aan dit aspect is in §3.1 al aandacht besteed.

Figuur 4: Relatie van het projectgebied tot nationaal en provinciaal beschermde natuurgebieden

Voor wat betreft het bepalen van eventuele negatieve gevolgen voor de NNN is het van belang de natuurdoelen (beheertypen) te bepalen, die binnen de betrokken delen van de NNN toegewezen zijn. Hiervoor dient het Natuurbeheerplan van de Provincie Limburg geraadpleegd te worden. Figuur 5 geeft een uitsnede van het betreffende plan. De langs de weg gelegen typen zijn: •

N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos (donkergroene vlakken in figuur 5);

•

A02.01 Botanisch waardevol grasland (ten zuiden van de N271 tussen Mook en Plasmolen, zie gearceerd vlak in figuur 5);

•

A02.02 Botanisch waardevol akkerland (idem);

•

L01.02 Houtwal en houtsingel (groene vlak in figuur 5 ten noorden van N271 ter hoogte van Plasmolen);

•

N14.03 Haagbeuken- en essenbos (idem).

•

N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos (lichtgroene vlak in figuur 5 ten noorden van N271 ter hoogte van Plasmolen).

EA200061.R01

21 van 25

Figuur 5: Uitsnede Natuurbeheerplan ter hoogte van projectgebied (Bron: GISViewer Limburg)

Negatieve gevolgen van het voornemen voor deze typen zijn niet aan de orde, althans zeker niet wat oppervlakteverlies betreft. De weg wordt gereconstrueerd, maar de aan de weg grenzende vegetaties worden niet aangetast. Er kan wel sprake zijn van verstoring, met name van toename door stikstofdepositie, maar dit aspect wordt in het rapport voortoets behandeld.

3.3 Provinciaal natuurnetwerk Uit figuur 4 blijkt het voorkomen van langs de weg gelegen gebieden die behoren tot de Zilvergroene natuurzone, alsmede de Bronsgroene landschapszone. Deze beleidscategorieën hebben betrekking op het provinciaal natuurnetwerk, dat ter versterking van de NNN dient. Ook hiervoor geldt dat er van oppervlakteverlies door het voornemen geen sprake is. Zie voor wat betreft de mogelijke verstoring ook §3.2.

EA200061.R01

22 van 25

4 Samenvatting, conclusies en vervolgstappen 4.1 Samenvatting en conclusies De Provincie Limburg is voornemens de N271 tussen Milsbeek en Mook te reconstrueren. De weg wordt geherprofileerd, waarbij de belangrijkste ingreep voor flora en fauna het kappen van bomen betreft. In totaal worden 86 bomen gekapt welke deels binnen, maar beest buiten het projectgebied zullen worden gecompenseerd. De meest ingrijpende maatregelen zullen worden getroffen op het traject Kom Plasmolen, terwijl op de beide andere trajecten (Milsbeek – Plasmolen wen Plasmolen – Mook) regulier onderhoud wordt uitgevoerd. Langs de duiker in de Tielebeek wordt een separate faunapassage aangelegd als belangrijkste ontsnipperingsmaatregel binnen het kader van dit project Voorliggend rapport betreft een actualisatie en uitbreiding van een tweetal LNC-scans, de eerste is uitgevoerd in 2013 en de tweede een jaar later. Daarna is in 2018 opnieuw een actualisatie uitgevoerd, waarbij ook aandacht is besteed aan de gevolgen van het planvoornemen voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, vooral wat betreft het aspect van de (tijdelijke) toename van stikstofdepositie. De gevolgen voor de Natura2000-gebieden worden in het kader van de voorliggende update in een separaat rapport beschreven.

Ten aanzien van de aanwezigheid van beschermde soorten en de gevolgen van het project op die soorten, kan het volgende worden geconcludeerd. •

Vleermuizen. De bomen naast de N271 maken deel uit van vaste vliegroutes van de gewone dwergvleermuis en nog andere soorten, met name de meervleermuis. Het merendeel van de bomen blijft gehandhaafd, zodat de vliegroute slechts op een enkele plek aangetast wordt, waarbij geen grote onderbrekingen in de bestaande laanstructuur ontstaan. De bosrand ligt op korte afstand en vormt een alternatieve route, die in het geheel niet aangetast wordt. Er zijn in een 10-tal te kappen bomen holten en spleten aangetroffen, maar verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen zijn vooralsnog niet aangetoond, zodat de gevolgen voor zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende soorten verwaarloosbaar zijn, terwijl er in de naastgelegen bosgebieden voldoende alternatieven zijn. Al met al zijn de gevolgen voor vleermuizen zeer gering en van tijdelijke aard.

•

Landzoogdieren. Er zijn door het plaatselijk vergraven van de wegbermen slechts tijdelijke negatieve effecten voor algemeen voorkomende zoogdieren, met name muizen. Voor de landzoogdieren die de weg oversteken (zoals de das) wordt de situatie gunstiger door de aanleg van een faunatunnel langs de duiker Tielebeek.

•

Vogels. Het kappen van bomen zal slechts in zeer geringe mate leiden tot verlies van potentiële nestplaatsen. Of de te kappen bomen daadwerkelijk als nestplaats gebruikt worden, is niet onderzocht, maar in elk geval zijn er geen jaarrond beschermde nesten (roofvogels en uilen) in het geding. Buiten het broedseizoen zijn de overige nesten niet beschermd. Het ligt voor de hand dat vogels hun nesten zullen kiezen in het langs gelegen bos, waar geen verstoring door verkeer is. H

•

Amfibieën en reptielen. Voor amfibieën en reptielen hebben de wegbermen nauwelijks of geen betekenis. Voor met name amfibieën wordt de oversteek van de weg veiliger door verbeteren van de

EA200061.R01

23 van 25

faunageleidende maatregelen en de aanleg van een faunapassage ter plaatse van de kruising van de weg met Tielebeek. •

Ongewervelden. Er komen bijzondere soorten insecten voor in natuurgebied SintJansberg, zoals de beschermde soorten grote vos en grote weerschijnvlinder, maar er is geen relatie met het projectgebied. Dit geldt ook voor de bijzondere mollusken die er aangetroffen zijn, met name de zeggekorfslak en de zwarte aardslak.

•

Vaatplanten. Er zijn bij het vergraven van de wegbermen geen beschermde plantensoorten in het geding, de voorheen aangetroffen soorten grasklokje en rapunzelklokje zijn niet meer beschermd. Bij het recente veldbezoek zijn deze soorten overigens niet terug gevonden, mogelijk vanwege de droogte. In de nieuwe situatie zullen deze soorten naar verwachting weer terugkeren.

Ten aanzien van de aanwezigheid van beschermde natuurgebieden soorten en de gevolgen van het project voor die gebieden, kan het volgende worden geconcludeerd. •

Natura 2000-gebieden. Het projectgebied grenst aan Natura 2000-gebied Sint Jansberg en de gebieden Oeffeltermeent en De Bruuk liggen op respectievelijk 1,3 km en 3,1 km afstand. Voor wat betreft de gevolgen voor deze gebieden zij verwezen naar het rapport ‘Voortoets’ (nr. EA200061.R02).

•

Natuurnetwerk Nederland. Er is geen sprake van fysieke aantasting van gebieden die behoren tot het NNN, in Limburg de Goudgroene natuurzone genoemd. Wel is sprake van stikstofbelasting van gevoelige vegetaties in het natuurgebied Sint Jansberg, waarvoor naar het rapport ‘Voortoets’ kan worden verwezen.

•

Provinciale natuurnetwerk. Langs de weg liggen gebieden die behoren tot de Zilvergroene natuurzone, alsmede de Bronsgroene landschapszone. Ook voor deze gebieden geldt dat er geen sprake is van fysieke aantasting door het voornemen.

4.2 Vervolgstappen Soortenbescherming. Er is geen ontheffing nodig ingevolge de Wet natuurbescherming wat betreft soorten, aangezien er geen negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde soorten, anders dan soorten van de provinciale Vrijstellingslijst. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht, die bij de uitvoering van de werkzaamheden in acht moet worden genomen. Ten aanzien van mogelijke verstoring van broedvogels geldt de algemeen geldende regel dat werkzaamheden met een sterke geluidsimpact in het broedseizoen (half maart tot eind juli) moeten worden vermeden, tenzij van te voren uit een door een vogeldeskundige uitgevoerde schouw is gebleken dat er geen sprake is van broedgevallen binnen de verstoringszone. Ook al zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen in te kappen bomen met holten niet aangetoond, er worden niettemin ter compensatie van deze potentiële verblijfplaatsen minimaal 10 vleermuiskasten opgehangen aan de te handhaven bomen langs de weg. Gebiedenbescherming. Er zijn geen vervolgstappen nodig voor wat betreft de gevolgen voor gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland en het aanvullende provinciaal natuurnetwerk. Voor wat betreft de vervolgstappen in het kader van de gebiedenbescherming van de Wet natuurbescherming zij verwezen naar het rapport ‘Voortoets’ Bomen. Voor de te kappen bomen dient een kapmelding te worden gedaan.

Voor zover te kappen bomen staan binnen de ‘bebouwde kom Boswet’ dient een omgevingsvergunning (kapvergunning) te worden aangevraagd bij de betrokken gemeente. Er is voorzien in compensatie, er worden bomen langs de weg terug geplant en in een nog nader aan te wijzen compensatiegebied.

EA200061.R01

24 van 25

5 Gebruikte literatuur Fahner, F. 2018. LNC-waarden N271, Milsbeek-Plasmolen-Mook – vervolgonderzoek 2018. Rapp. CA180019.R01 d.d. 18.04.2018 versie 2.1. Geonius, Geleen. Hovens, J.P.M., G. Hovens, J.H.S. Rijsdijk & A.J.M. Rijkers. 2014. Flora- en faunaquickscan voor de reconstructie van de N271 in het wegvak Plasmolen – Mook. Rapp. d.d. 05-12-2014 i.o.v. Provincie Limburg. Faunaconsult, Belfeld. Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg. 2017. Natura 2000 Gebiedsanalyse voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Sint Jansberg (142). 15 december 2017, Maastricht. Provincie Limburg. 2018. Offerteaanvraag “Reconstructie N271 Milsbeek – Plasmolen – Mook”. Maastricht Taken. 2014. N271, wegvak Plasmolen – Mook. LNC-scan natuurwaarden. Rapp. CA130098-A d.d. 08-01-2014, i.o.v. Provincie Limburg. Taken Adviseurs en Ingenieurs, Schinnen.

Geraadpleegde websites www.natuurgegevensprovincielimburg.nl https://portal.prvlimburg.nl/gisviewer https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicator

EA200061.R01

25 van 25

Bijlagen

EA200061.R01

Bijlage 1 Toetsingskader: wetgeving en beleid

De bescherming van soorten en natuurgebieden is in Nederland op twee niveaus geregeld: 1) a. de soortenbescherming door de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 3) en b. de bescherming van beschermde natuurmonumenten (bijzondere nationale natuurgebieden) en Natura 2000-gebieden idem (hoofdstuk 2); 2) de veiligstelling van het Nationaal Natuur Netwerk (NNN, voorheen EHS) in de Nota Ruimte, de Streekplannen, Interimstructuurvisie en de Bestemmingsplannen. Hieronder wordt ingegaan op zowel de soortenbescherming als de gebiedenbescherming van de Wnb en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland.

A. SOORTENBESCHERMING Verbodsbepalingen In de Wet natuurbescherming (Wnb), die sinds 1 januari 2017 van kracht is, zijn drie oude wetten geïntegreerd, namelijk de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. Hoofdstuk 3 van de Wnb gaat in op soorten en beschermt een groot aantal planten- en diersoorten (waaronder vrijwel alle gewervelde dieren, diverse insectensoorten en een aantal planten). Was voorheen het rijk bevoegd gezag, nu is dat de provincie. Ontheffingen (zie onder) moeten dus vanaf de genoemde datum bij de provincie worden aangevraagd. De wet onderscheidt een drietal categorieën soorten, te weten a)

soorten van de Vogelrichtlijn (artikelen 3.1 t/m 3.4) Het is verboden: •

opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen (art. 3.1 lid 1);

•

opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen (art. 3.1 lid 2);

•

eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder ziich te hebben (art. 3.1 lid 3);

•

vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen (art. 3.1 lid 4).

Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort).

b) soorten van de Habitatrichtlijn (artikelen 3.5 t/m 3.9) Het is verboden: •

in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen (art. 3.5 lid 1);

•

dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren (art. 3.5 lid 2);

•

eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen (art. 3.5 lid 3);

EA200061.R01

•

de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen (art. 3.5 lid 4);

•

planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen (art. 3.5 lid 5).

c)

andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11) Het is verboden: •

in het wild levende zoogdieren,amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen (art. 3.10 lid 1 onderdeel a);

•

de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel A opzettelijk te 2

beschadigen of te vernielen (art. 3.10 lid 1 onderdeel b), of vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen (art. 3.10 lid 1 onderdeel c).

De categorie ‘andere soorten’ is qua beschermingsregime vergelijkbaar met de tabel 2-soorten onder de Floraen faunawet. Echter, ten opzichte van het beschermingsregime onder de Flora- en faunawet is de lijst van ‘andere soorten’ significant veranderd, met name op het gebied van vissen, insecten en planten. Ernstig bedreigde en bedreigde dagvlinders, libellen en planten zijn toegevoegd, maar de voorheen gevoelige en kwetsbare soorten (voornamelijk orchideeën, klokjes en varens) zijn niet meer beschermd. Ontheffing en vrijstelling In principe geldt ook voor alle opgenomen nationaal beschermde soorten (bovengenoemde soorten genoemd onder c) een ontheffingsplicht (dus ook voor algemene soorten als bruine kikker en konijn). De soorten zijn in de Wnb niet ingedeeld in categorieën, zoals in de AmvB bij art. 75 van de Flora- en faunawet, de zogenaamde tabel 1,2,3-soorten. Vrijstellingsregelingen dienen door de provincies zelf te worden opgesteld. 3

De Provincie Limburg heeft voor de in onderstaande tabel A vermelde soorten een vrijstelling opgenomen . Voor deze soorten behoeft geen ontheffing te worden gevraagd bij ruimtelijke ingrepen (vergelijkbaar met de oude tabel 1-soorten Flora- en faunawet). Voor de overige soorten (de oude tabel 2,3-soorten Flora- en faunawet), inclusief de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen als wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode.

2

Het opzettelijk verontrusten van beschermde soorten uit deze categorie en het verstoren van vaste voortplantingsplaatsen

of rust- en verblijfplaatsen is in de Wnb niet langer verboden, hetgeen onder de Flora- en faunawet wel het geval was. 3

Ontwerp-Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014

EA200061.R01

Tabel A: Overzicht van beschermde soorten op de ‘vrijstellingslijst’ van de Province Limburg Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Periode Amfibieën bruine kikker

Rana temporaria

gehele jaar

gewone pad

Bufo bufo

gehele jaar

kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris (OUDE NAAM: Triturus vulgaris)

gehele jaar

meerkikker

Rana ridibunda

gehele jaar

middelste groene kikker (of bastaardkikker)

Rana esculenta

gehele jaar

hazelworm

Anguis fragilis

juli, augustus en september

levendbarende hagedis

Zootoca vivipara

15 augustus t/m 15 oktober

aardmuis

Microtus agrestis

gehele jaar

bosmuis

Apodemus sylvaticus

gehele jaar

bunzing

Mustela putorius

gehele jaar

dwergmuis

Micromys minutus

gehele jaar

dwergspitsmuis

Sorex minutus

gehele jaar

eekhoorn

Sciurus vulgaris

maart-april en juli t/m november

egel

Erinaceus europeus

gehele jaar

gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

gehele jaar

Reptielen

Zoogdieren

haas

Lepus europeus

gehele jaar

hermelijn

Mustela herminea

gehele jaar

huisspitsmuis

Crocidura russula

gehele jaar

konijn

Oryctolagus cuniculus

gehele jaar

ondergrondse woelmuis

Pitymys subterraneus

gehele jaar

ree

Capreolus capreolus

gehele jaar

rosse woelmuis

Clethrionomys glareolus

gehele jaar

steenmarter tweekleurige bosspitsmuis veldmuis

Martes foina Sorex coronatus Microtus arvalis

15 augustus t/m februari gehele jaar gehele jaar

vos

Vulpes vulpes

gehele jaar

wezel

Mustela nivalis

gehele jaar

woelrat

Arvicola terrestris

gehele jaar

In de overige gevallen is een ontheffing nodig, welke alleen kan worden verleend onder de volgende voorwaarden (art. 3.3 lid 4 en art. 3.8 lid 5): • •

• 4

er bestaat geen andere bevredigende oplossing (alternatief), én de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (bij Vogelrichtlijnsoorten), c.q. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan (bij Habitatrichtlijnsoorten), én 4 de activiteit past binnen één van de in de wet genoemde belangen .

De belangen betreffen: volksgezondheid, openbare veiligheid, veiligheid van het luchtverkeer, voorkomen belangrijke

EA200061.R01

Net als in de Flora- en faunawet is ook in de Wnb een zorgplicht opgenomen (art. 1.11). De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat er geen dieren mogen worden gedood, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat het lijden zo beperkt mogelijk is. Jaarrond beschermde vogelnesten Voor ontheffingen en gedragscodes hanteerde het Ministerie voorheen een lijst met jaarrond beschermde vogelnesten (roofvogels, huismus, roek), zie onderstaande tabel B. De Provincie Limburg heeft deze lijst aangepast aan de Limburgse situatie en hanteert weliswaar een vergelijkbare indeling, maar heeft andere 5

soorten per categorie , zie onderstaande tabel C. Jaarrond beschermde nestplaatsen betreffen dus de vogels van respectievelijk categorieën 1 t/m 4 (‘Rijkslijst’) en 1 t/m 3 (lijst Provincie Limburg). Omgevingscheck Er is altijd – ook indien er een jaarrond beschermd nest is aangetroffen en deze door een ingreep zal verdwijnen – een omgevingscheck nodig. Een deskundige moet dan vaststellen of er voor de soort voldoende alternatieve leefomgeving is om zelfstandig een vervangend nest te kunnen vinden of te bouwen in de omgeving. Is dit niet het geval? Dan moet, voor zover mogelijk, een alternatief nest of aanvullend functioneel leefgebied worden aangeboden. Indien ook dat niet mogelijk is, dan moet er een ontheffing worden aangevraagd. Tabel B: lijst met categorieën nestplaatsen en soorten van het Ministerie (‘Rijkslijst’) Cat.

Type verblijfplaatsen/type soorten Betrokken soorten 1 vaste rust- en verblijfplaatsen; nesten die, behalve gedurende als steenuil nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats 2 nesten van koloniebroeders; nesten van koloniebroeders die elk gierzwaluw, huismus, roek broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn, of afhankelijk van bebouwing of biotoop 3 honkvaste broedvogels en vogels afhankelijk van bebouwing; grote gele kwikstaart, kerkuil, oehoe, ooievaar, nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk slechtvalk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn, of afhankelijk van bebouwing of biotoop 4 vogels die niet zelf in staat zijn een nest te bouwen; vogels die boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet wespendief, zwarte wouw of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen 5 niet jaarrond beschermd, inventarisatie gewenst; nesten van blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, bosuil, brilduiker, draaihals, eidereend, ekster, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe broedplaats verloren is

gegaan, zich elders te vestigen vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, kleine vliegenvanger, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, ruigpootuil, spreeuw, tapuit, torenvalk, zeearend, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart, zwarte specht

schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, bescherming van flora of fauna, onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt. Bij habitatrichtlijnsoorten worden additioneel nog de volgende belangen vermeld: instandhouding van de natuurlijke habitats, dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Ruimtelijke ontwikkeling geldt als belang alleen voor de categorie ‘andere soorten’. 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MookenMiddelaar&id=4e511826-a6e8-4cb1-b948-b279ad6c523d