Bijlage 1 bij raadsvoorstel: Wat is er nieuw
Tekst van het document
Bijlage 1: Wat is er nieuw/anders in de modelverordening en wat hebben wij ermee gedaan
De Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer kent diverse artikelen die facultatieve of nader door de gemeente in te vullen onderdelen of keuzemogelijkheden bevatten. De te maken keuzes worden hieronder toegelicht, met de vermelding of deze wel of niet in de verordening van de gemeente Mook en Middelaar zijn overgenomen. Artikel 4. Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag Dit artikel is overgenomen. Het gaat over het bevorderen van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling. Het zelf laten reizen van de leerling al dan niet met ondersteuning van de ouder(s) is altijd al het uitgangspunt geweest van de Verordening leerlingenvervoer. De laatste jaren echter krijgt dit meer aandacht dan ooit. Een belangrijk element daarin is het gesprek met ouders over wat de leerling in het vervoer kan of kan leren en welke hulp de gemeente hierin kan bieden. Niet overgenomen artikel: OOGO met het samenwerkingsverband 1. Burgemeester en wethouders nemen het leerlingenvervoer op als vast agendapunt in het OOGO met het samenwerkingsverband. 2. Burgemeester en wethouders spannen zich in om in het OOGO met het samenwerkingsverband afspraken te maken over: a. de spreiding van het onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband en de vervoersmogelijkheden die hieruit voortvloeien; b.
de deskundige die burgemeester en wethouders adviseert over de vervoersmogelijkheden van een leerling en het proces dat hierbij gevolgd wordt[. De deskundige betrekt in zijn advies de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling als bedoeld in artikel 4]; c. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verwijzing van de leerling naar de voor hem best passende school met dien verstande, dat slechts een vervoersvoorziening door burgemeester en wethouders worden verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school; d. de wijze waarop scholen ondersteund kunnen worden in hun informatievoorziening over het leerlingenvervoer aan ouders; e. de wijze waarop vorm wordt gegeven aan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de vervoerskosten te beheersen; f. de invulling en frequentie van een overleg als bedoeld in het derde lid. 3. Burgemeester en wethouders organiseren periodiek een uitvoerend overleg met het samenwerkingsverband. In dit overleg worden de volgende onderwerpen besproken: a. de ontwikkelingen in het onderwijs, het gemeentelijk beleid leerlingenvervoer en het samenwerkingsverband; b. de wijze waarop situaties als genoemd in artikel 8, vierde lid, kunnen worden voorkomen, dan wel op te heffen en dit onderwijs bij de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, aangeboden kan worden; c.
het maken van afspraken over de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan het vervoersontwikkelingsplan genoemd in artikel 4, vijfde lid.
Dit artikel is niet overgenomen, omdat de verordening in onze optiek primair bedoeld is om de aanspraken van ouders/leerlingen te regelen en de wijze waarop zij hier een beroep op kunnen doen. Dit artikel is meer van bestuurlijke aard. Ervan afgezien dat het niet goed past in deze verordening, sluit het ook niet goed aan op onze lokale praktijk. Onze ligging binnen de regio NoordLimburg heeft tot gevolg, dat op dit punt meer en beter rechtstreekse afstemming kan plaatsvinden met het ondersteuningsloket van de Stichting Lijn93 po . Artikel 7. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school Niet overgenomen tweede lid: De VNG heeft het (facultatieve) tweede lid toegevoegd, luidende: “2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, ontstaat niet eerder een aanspraak op een vervoersvoorziening dan dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling de keuze voor de toegankelijke school schriftelijk hebben gemeld.”. Dit lid is toegevoegd op grond van een uitspraak van de Afdeling op 21 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2467). Voor die tijd luidde artikel 3, tweede lid, van de Model Verordening en ook onze gemeentelijke verordening leerlingenvervoer: “2.
Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan een andere school van dezelfde onderwijssoort, ontstaat slechts aanspraak op een vervoersvoorziening naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen.”. Gemeenten gebruikten dit lid om ouders en meerderjarige en handelingsbekwame leerlingen hun keuze voor een toegankelijke school, dat wil zeggen de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school expliciet te laten motiveren. De bedoeling daarvan was om daarmee een oneigenlijk beroep op leerlingenvervoer tegen te gaan. Met een oneigenlijk beroep wordt hier bedoeld dat de ouders om andere redenen dan godsdienstige of levensbeschouwelijke redenen voor een bepaalde school kiezen. In dat laatste geval ontstaat geen recht op bekostiging van leerlingenvervoer.
In haar uitspraak van 21 oktober 2020 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college de op godsdienst of levensbeschouwing berustende keuze van ouders voor een school moet eerbiedigen en niet mag afdwingen, dat ouders zich tegen dichterbij gelegen richtingen uitspreken. De tekst van het voormalige artikel 3, tweede lid, van de Model Verordening leerlingenvervoer is in strijd met de eerbiediging van die keuze en dus in strijd met artikel 4, derde lid, van de WVO. Het betreffende artikel is in de modelverordening vernummerd tot artikel 8, in onze eigen gemeentelijke verordening tot artikel 7. Het eerste lid omschrijft op zich voldoende op welke grond recht op (een bepaalde omvang van de) bekostiging van leerlingenvervoer ontstaat. Het facultatieve tweede lid zou een betere mogelijkheid moeten bieden om in de uitvoeringspraktijk een oneigenlijk beroep op leerlingenvervoer te kunnen herkennen. Wij zijn die mening niet toegedaan. De formulering is verwarrend en een melding voegt naar onze mening niets toe. Wij hebben het facultatieve tweede lid daarom niet overgenomen
Voor het overige hebben wij gelet op de jurisprudentie en de toelichting van de VNG dit artikel conform het voorstel in de modelverordening overgenomen. In de praktijk heeft dit overigens in recente jaren geen rol gespeeld bij de bekostiging van het leerlingenvervoer. Niet overgenomen lid 3, onder c: de tekst van de modelverordening luidt: in het OOGO zijn afspraken gemaakt over de deskundige en is overleg gevoerd over het aanbod voor onderwijs bij de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen als bedoeld in artikel 5, derde lid, aanhef en onder b. Aangezien het (facultatieve) artikel 5 uit de modelverordening inzake OOGO met het samenwerkingsverband (zie hierboven) niet is overgenomen, komt ook dit lid te vervallen. Artikel 9. Aanwijzing opstapplaats Vierde lid: Er kan worden geregeld dat het college tijdelijk geen opstapplaats aanwijst indien het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling. Artikel 16. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets Derde lid: Voorheen werd deze bepaald aan de hand van de fietskilometervergoeding genoemd in de Reisregeling Binnenland gemeten langs de kortste afstand. Deze regeling is vervallen. De laatst bekende norm was € 0,09 per km. Deze is nu als vast bedrag in de verordening opgenomen.
Dit geldt behalve bij dit artikel ook voor de artikelen 17, tweede lid (Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider), en 19, tweede lid, onder a (Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer).