Bijlage 1.4 toelichting_Bijlage 2 Quickscan ecologie.pdf
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Startsedijk ong. te Mook Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-0794
Datum:
3 augustus 2022
Samensteller:
ing. R.C. Pickert
Collegiale toets:
ing. J. Dekkers
Opdrachtgever:
Buro Waalbrug B.V.
Contactpersoon:
J. Langbroek
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
5
2 Methode
6
2.1
Uitvoering onderzoek
6
2.2
Soortenbescherming
6
2.3
Gebiedsbescherming
7
2.4
Houtopstanden
8
2.5
Houdbaarheid en toepassing
8
3 Beoordeling
9
3.1
Soortenbescherming
9
3.2
Gebiedsbescherming
13
3.3
Houtopstanden
14
4 Samenvatting
15
4.1
Soortenbescherming
15
4.2
Gebiedsbescherming
15
4.3
Houtopstanden
15
5 Conclusie
16
5.1
Conclusie
16
5.2
Uitvoerbaarheid
16
5.3
Vervolgstappen
16
5.4
Te treffen maatregelen
17
1 Inleiding Aan de Startsedijk ong. te Mook is een grasland gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op de locatie een volkstuinencomplex te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ´Agrarisch´ naar ´Recreatie-Volkstuin’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro Waalbrug begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1 De planlocatie is gelegen aan de Startsedijk ong. te Mook.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Startsedijk ong. te Mook (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit een grasland wat ten tijde van het veldbezoek deels begraasd werd door paarden. Er zijn geen bomen of oppervlaktewater aanwezig. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Startsedijk ong. te Mook. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch gebied en bosgebied de Mookerheide. Ten zuidwesten van de planlocatie stromen het Mooks kanaal en de Maas. Circa 1,4 km ten oosten ligt Natura 2000-gebied ‘Sint Jansberg’.
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een volkstuincomplex. Hierbij wordt een gebouw van circa 50 m2 geplaatst. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘Agrarisch’ naar ‘Recreatie-Volkstuinen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
5
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 20 juli 2022 en is uitgevoerd door ing. R.C. Pickert. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 28 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
6
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.
Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Limburg is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:
Tabel 2.1
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Limburg. (x1) = vrijstelling in periode maart – april en juli t/m november, (x2) = vrijstelling in periode 15 aug t/m februari, (x3) = vrijstelling in periode juli, augustus en september, (x4) = vrijstelling in periode 15 augustus t/m 15 oktober, * voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling in/op gebouwen en bijbehorende erven Wnb 3.10 3e lid.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bastaardkikker
Hazelworm (x3)
Rode eekhoorn (x1)
Bosmuis *
Hermelijn
Steenmarter (x2)
Bruine kikker
Huisspitsmuis *
Tweekleurige bosspitsmuis
Bunzing
Kleine watersalamander
Veldmuis *
Dwergmuis
Konijn
Vos
Dwergspitsmuis
Levendbarende hagedis (x4)
Wezel
Egel
Meerkikker
Woelrat
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Gewone pad
Ree
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.
7
Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland De Goudgroen natuurzone, Bronsgroene landschapszone, Beschermingsgebied Nationaal Landschap, Zone natuurbeek en Zilvergroene natuurzone maken deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen. Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht. Ten aanzien van de Goudgroene natuurzone, Bronsgroene landschapszone, Beschermingsgebied Nationaal landschap, Zone natuurbeek en/of Zilvergroene natuurzone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
8
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde planten: akkerogentroost, dreps, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw, korensla en liggende ereprijs (NDFF 2012-2022). De planlocatie is een grasland wat deels begraasd wordt. De akkerogentroost, dreps en korensla komen voor op akkers met voornamelijk wintergraan en groeien op zonnige, open plaatsen op matig voedselarme, vochtige en kalkrijke grond. Op de planlocatie zijn veel grassoorten aanwezig welke een hoge concurrentiedruk geven. Daarnaast zijn de soorten op circa 1,0 km van de planlocatie waargenomen er is de verspreidingsafstand van deze soorten vrij laag (circa 100 m). Cumulatief kan de aanwezigheid van akkerogentroost, dreps en korensla uitgesloten worden.
Het groot spiegelklokje staat op open, vochtige, stikstofarme, matig voedselrijke bodems. Voorbeelden hiervan zijn zandige stroomruggen in rivierdalen, open plekken van dijken, graanakkers en stoppelvelden. Gezien de afwezigheid van deze biotopen wordt de aanwezigheid van het groot spiegelklokje op de planlocatie uitgesloten. Grote leeuwenklauw groeit op zonnige, open plaatsen en op matig voedselrijke tot voedselrijke kalkhoudende grond. Voorbeelden hiervan zijn bermen langs onverharde wegen, akkers, waterkanten, braakliggende grond, dijken, tuinen en langs spoorwegen. Deze soort is recent (2020) op circa 400 m afstand van de planlocatie waargenomen. Gezien de afstand tot de planlocatie en de standplaats is niet uit te sluiten dat de grote leeuwenklauw op de planlocatie aanwezig is. Er dient aanvullend onderzoek naar de grote leeuwenklauw uitgevoerd te worden alvorens de werkzaamheden van start kunnen gaan (zie H5.3). Liggende ereprijs komt voor op voedselarme zandige grond en stenige, warme plaatsen. Op de planlocatie zijn geen geschikte standplaatsen aanwezig, derhalve is de aanwezigheid van de liggende ereprijs uitgesloten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten. Enkele waargenomen soorten betreffen: boerenwormkruid, duizendblad, Engels raaigras, gestreepte witbol, grote brandnetel, ridderzuring en smalle weegbree.
De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel, wild zwijn en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, das, rode eekhoorn, steenmarter en wild zwijn.
9
Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever komt voor in overgangsgebieden tussen land en water. Hierbij dienen voldoende zachthoutsoorten aanwezig te zijn. Gezien de planlocatie een grasland betreft zonder oppervlaktewater of bomen is de aanwezigheid van de bever uitgesloten. De boommarter, rode eekhoorn en wild zwijn komen voor in bossen en parken met grote bomen. Deze soorten zijn dan ook voornamelijk waargenomen in de bosgebieden ten noorden van de planlocatie. Wegens het ontbreken van bomen is de aanwezigheid van deze soorten derhalve uitgesloten. De das is veelvuldig waargenomen, waaronder als verkeersslachtoffer bij de N271, welke op circa 180 m van de planlocatie ligt. De das komt voor in gevarieerd landschap met bosschages, akkers en weilanden. De waarnemingen aan de N271 suggereren dat de das regelmatig foerageert in de graslanden. Op de planlocatie zijn geen wissels of andere sporen als neusputjes waargenomen. Derhalve maakt de planlocatie geen essentieel onderdeel uit van het essentiële foerageergebied van de das. De beoogde ontwikkeling is het realiseren van een volkstuinencomplex. Hierdoor zal er slechts beperkte afname zijn van niet essentieel leefgebied. Cumulatief kunnen negatieve effecten op de das uitgesloten worden.
De steenmarter is verspreid rond de planlocatie waargenomen, voornamelijk in de woonwijken van Mook. De steenmarter komt voor in cultuurlandschap, maar wordt tevens in stedelijk gebied aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen geschikte plekken voor vaste rust- of voorplantingsplaatsen aanwezig. De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een volkstuinencomplex. Het mogelijke foerageergebied zal derhalve niet verminderen. Wegens de aantrekkingskracht op muizen, egels en andere kleine zoogdieren zal het foerageergebied juist versterkt worden. Negatieve effecten op de steenmarter zijn derhalve uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Wegens het ontbreken van bebouwing is het voor vleermuizen onmogelijk om op de planlocatie een geschikte verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.
Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Het is mogelijk dat de planlocatie als foerageergebied gebruikt wordt. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep wordt dit niet aangetast. Het gebruik van de planlocatie als vliegroute is uitgesloten wegens het ontbreken van lange structuren.
10
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander en kleine watersalamander (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander en kamsalamander. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. Zowel de Alpenwatersalamander als de kamsalamander zijn waargenomen in de bosgebieden ten noorden van de planlocatie. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater of geschikt overwinteringsgebied aanwezig. De aanwezigheid van beide soorten is derhalve uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: gladde slang, hazelworm en zandhagedis (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Alle waargenomen reptielen bevonden zich in de bosgebieden ten noorden van de planlocatie. De planlocatie biedt wegens het ontbreken van oppervlaktewater, heide of zandgronden geen geschikt leefgebied voor deze soorten. De aanwezigheid van de gladde slang, ringslang en zandhagedis is uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos, grote weerschijnvlinder, rivierrombout, sleedoornpage en vliegend hert (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Grote vos, grote weerschijnvlinder, sleedoornpage en het vliegend hert worden regelmatig waargenomen in bosrijke omgevingen en langs bosranden. Daarnaast kan het habitat vochtig tot vrij droog zijn. De waardplanten bestaan uit verscheidende wilgensoorten (grote vos en grote weerschijnvlinder), en planten uit de rozenfamilie (sleedoornpage). Het vliegend hert behoeft rottend hout voor de larven. De planlocatie betreft een grasland zonder bomen. Tevens zijn er geen waardplanten aanwezig voor de genoemde vlindersoorten. De aanwezigheid van de vlindersoorten en het vliegend hert is derhalve uitgesloten. De rivierrombout komt voor langs rivieren met zandafzettingen. Wegens het gebrek aan oppervlaktewater is de aanwezigheid uit te sluiten. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. 11
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, buizerd, gierzwaluw en huismus. Gedurende het veldbezoek zijn individuen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Er zijn tijdens het veldbezoek meerder huismussen waargenomen bij een schuur welke buiten de planlocatie staat. Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. Het foerageergebied zal wegens de ruimtelijke ontwikkeling versterkt worden.
Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Tijdens het veldbezoek zijn enkele overvliegende gierzwaluwen waargenomen. Er is geen bebouwing op de planlocatie aanwezig. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten en uilen, echter zal dit met de ruimtelijke ontwikkeling niet aangetast worden. Gezien de aantrekkingskracht op muizen en andere kleine zoogdieren zal het foerageergebied mogelijk juist versterkt worden. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen.
Vogels - Algemene broedvogels De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De planlocatie vormt voor algemene broedvogels zoals ganzen en de kieviet geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
12
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,4 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Sint Jansberg’ (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km tot het Natura 2000-gebied ‘Sint Jansberg’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een volkstuinencomplex. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a). De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen.
Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.
13
Gezien er sprake is van een grote afstand (1,4 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS-Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt deel uit van een beschermd gebied betreffende de Bronsgroene landschapszone (figuur 3.2). De planlocatie maakt geen deel uit van de Goudgroene natuurzone, Zilvergroene natuurzone of de Zone natuurbeek. Op een afstand van circa 440 m ligt de Goudgroene natuurzone (figuur 3.2). Op een afstand van circa 680 m ligt de Zilvergroene natuurzone (figuur 3.2). Het Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg is gelegen op meer dan 40 km afstand. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.2 De planlocatie ligt binnen de Bronsgroene landschapszone, op een afstand van circa 210 m tot de Goudgroene natuurzone en circa 800 m tot de Zilvergroene natuurzone (bron: polviewer.nl) De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone betreft het groene karakter, het visueelruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een volkstuincomplex. Er wordt enkel één gebouw geplaatst van circa 50 m2. Dit zal één bouwlaag bevatten. Het groene karakter en visueel-ruimtelijke karakter zullen derhalve behouden blijven. De planlocatie is een grasland zonder reliëf of cultuurhistorische elementen. Deze worden derhalve tevens niet aangetast. Negatieve effecten op de kernkwaliteiten van de Bronsgroene landschapszone zijn derhalve niet aan de orde.
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.
14
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de grote leeuwenklauw. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).
Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten Grote leeuwenklauw Grondgebonden zoogdieren
Ja
Mogelijke functie planlocatie
Standplaats
Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (Algemeen en cat. 5)
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk.
Tabel 4.2 Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Bronsgroene landschapszone Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg Goudgroene natuurzone Zilvergroene natuurzone
1,4 km 0 km
Geen Geen
N.v.t. N.v.t.
40 km
Geen
N.v.t.
210 m 800 m
Geen Geen
N.v.t. N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig.
15
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde realisatie van een volkstuin aan de Startsedijk ong. te Mook is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de planlocatie een relevante functie heeft voor grote leeuwenklauw. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
5.3 Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar grote leeuwenklauw uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar grote leeuwenklauw wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de bloeiperiode (1 april t/m 31 juli).
16
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
17
Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl
Bijlage 1 Bijlage 2
Fotografische impressie Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming
18
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Startsedijk ong. te Mook en bestaat uit een grasland. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een volkstuincomplex.
Figuur 2
De omgeving betreft een mengeling van agrarisch gebied en bosgebied.
19
Figuur 3
Bij de loods naast de planlocatie zijn meerdere huismussen waargenomen.
Figuur 4
De watergang aan de zuidzijde van de planlocatie.
20
Bijlage 2 Vervolgstappen Wnb Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
21
Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).
De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
22
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het
daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen,
industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter
plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.
23
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 24