CConstaterende datMook en Middelaar
Koppel je AI →
Document · PDF

1 Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 3 Quickscan flora en fauna.pdf

Commissie Grondgebied 24 februari 2021, gemeente Mook en MiddelaarBij agendapunt: Bestemmingsplan Groesbeekseweg 19 te Mook4.878 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BURO SRO T.a.v. Dhr. L. Arends Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem

Datum

8 februari 2019

Kenmerk

BE/2019/008/r

Uw kenmerk

Email d.d. 4 januari 2019

Auteur(s)

S. Schuuring

Collegiale toets

K.J. Rebergen

Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Groesbeekseweg 19 te Mook Aan de Groesbeekseweg 19 te Mook is een kantoorpand gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens dit kantoorgebouw op de planlocatie te saneren ten behoeve van een appartementencomplex. Het huidige bestemmingsplan voorziet niet in de ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO begeleid de ruimtelijke ontwikkeling en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Groesbeekseweg 19 te Mook. De planlocatie bestaat uit een kantoorgebouw met drie verdiepingen, opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een plat bitumen dak. Aan de zuidwestkant is op de tweede verdieping een uitbouw met glazen puien aangebouwd. Het plangebied rondom het kantoorgebouw is verhard door middel van klinkers en asfalt ten behoeve van een parkeerplaats. Rondom de parkeerplaats is een haag aangelegd en in de zuidelijke hoek ligt een tuin. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een urbane omgeving met relatief veel groen in de vorm van bomen, hagen en struiken. Circa 500 m ten westen van het plangebied ligt de rivier de Maas, 3 km ten westen de snelweg A73.

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Groesbeekseweg 19 te Mook (bron: arcgis.com).

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ingrepen betreffen de sanering van het huidige kantoorgebouw inclusief tuin en de realisatie van een appartementencomplex. Het huidige bestemmingsplan voorziet niet in de ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •

saneren van kantoorgebouw: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straaten hoveniers)werkzaamheden;

Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).

2

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 4 Celsius en windkracht 2-3 (Bft.). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe.

In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Limburg is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:

3

Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Limburg. Aardmuis

Gewone pad

Ondergrondse woelmuis

Bosmuis

Haas

Ree

Bruine kikker

Hazelworm

Rosse woelmuis

Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Steenmarter4 Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis

Egel

Konijn

Vos

Eekhoorn Gewone bosspitsmuis 1

2

Levendbarende hagedis Meerkikker

3

Wezel Woelrat

Vrijstelling in maart-april en juli t/m november Vrijstelling van juli t/m september 3Vrijstelling van 15 augustus t/m 15 oktober 4Vrijstelling van 15 augustus t/m februari 1 2

Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde vaatplanten: grote leeuwenklauw (Floron Verspreidingsatlas). Grote leeuwenklauw is vooral een akkeronkruid van vochtige tot droge, goed drainerende, kalkhoudende zand- of leembodems (Ecopedia). Het plangebied is vrijwel volledig verhard en derhalve ongeschikt voor de grote leeuwenklauw. Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is alleen binnen de tuin sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: bamboe, riet, klimop, roos, hortensia en sneeuwbal. Het plangebied rondom het kantoorgebouw is verhard door middel van klinkers en asfalt ten behoeve van een parkeerplaats.

Op verharding en de muren van het kantoorgebouw is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Aan de noordoost en noordwestkant van het plangebied staan bomen als grove den en beuk. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. Het plangebied is een kantoorgebouw met parkeerplaats en tuin met hoog onderhoudsbeeld. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten.

4

Zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, das, eekhoorn, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (Broekhuizen et al., 2016; verspreidingsatlas NDFF, 2010-2019). Voor de bever en das geldt dat deze beschermd zijn onder respectievelijk de habitatrichtlijn en Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de eekhoorn geldt een vrijstelling in de periode maart-april en juli t/m november en voor de steenmarter geldt een vrijstelling in de periode 15 augustus t/m februari. Bevers leven in het overgangsgebied tussen land en water (BIJ 12 kennisdocument Bever, 2017). Dit habitat ontbreekt binnen het plangebied, derhalve kan de aanwezigheid van de bever worden uitgesloten. De das leeft in gebieden die bestaan uit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen (BIJ12 kennisdocument Das, 2017).

Dit habitat ontbreekt binnen het plangebied en derhalve kan de aanwezigheid van de das worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. In het kantoorgebouw zijn geen openingen aanwezig waardoor een steenmarter binnen kan komen. De tuin binnen het plangebied is te klein, ligt te geïsoleerd en ligt aan een drukke weg waardoor deze ongeschikt is. De rest van het plangebied ontbreekt aan beschutting. Derhalve kan de aanwezigheid van de steenmarter worden uitgesloten. Het plangebied ligt aan de rand van een uitloper van een naburig bos. Het is mogelijk dat er vanuit dit bos eekhoorns sporadisch in deze uitloper komen. Door de grotere menselijke activiteit is dit deel echter suboptimaal vergeleken met het aanliggende bos, wat door eekhoorns zal worden geprefereerd. In de bomen aanliggend aan het plangebied zijn dan ook geen nesten van eekhoorns of sporen als aangevreten dennenappels aangetroffen. Het plangebied zelf maakt door verharding en afwezigheid van bomen geen deel uit van het functioneel leefgebied van de eekhoorn. Negatieve effecten door afname van functioneel leefgebied of verstoring zijn derhalve uitgesloten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten zoals de huismuis.

Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; verspreidingsatlas NDFF, 2010-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd. Het te slopen kantoorgebouw is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen.

Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. In de gevel van het gebouw zijn meerdere stootvoegen, ventilatieopeningen en gaten die tot de spouw leiden (figuur 2). Tevens zijn er metalen stijlen ingemetseld die niet goed aansluiten op de stenen muur (figuur 3). Hierdoor kunnen vleermuizen toegang krijgen tot de spouw en er een geschikte verblijfplaats vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Het is niet uit te sluiten dat de bebouwing op planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.

5

Om de aan- dan wel afwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen vastgesteld dient er een aanvullend onderzoek te worden gedaan. Dit kan middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode mei-oktober. Daarnaast is het mogelijk dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied. Ten gevolge van het verwijderen groen wordt deze aangetast. Echter is er in de directe omgeving genoeg groen en zijn er lanen die zeer geschikt zijn voor vleermuizen om te foerageren. Van aantasting van essentieel leefgebied is derhalve geen sprake. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen.

Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast.

Figuur 2 In de gevel van het kantoorgebouw zijn meerdere openingen in de vorm van o.a. stootvoegen en ventilatieopeningen. Hierdoor kunnen vleermuizen toegang krijgen tot de spouw.

6

Figuur 3 De metalen stijl in de muur sluit niet goed aan, waardoor ook hier vleermuizen toegang hebben tot de spouw. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Het plangebied is verhard en ontbreekt aan oppervlaktewater en overwinteringsstructuren. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bruine kikker en gewone pad (Creemers & Van Delft, 2009; verspreidingsatlas NDFF, 2010-2019). Voor deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en er een vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de hazelworm en zandhagedis (Creemers & Van Delft, 2009; verspreidingsatlas NDFF, 2010-2019). Voor de zandhagedis geldt dat deze is beschermd onder de habitatrichtlijn en voor de hazelworm geldt dat deze beschermd is onder de Wet Natuurbescherming en een vrijstelling geldt in het kade van ruimtelijke ontwikkelingen in de periode van juli t/m september. Zandhagedissen leven in zandige, droge en open terreinen als heide en duinen (BIJ12 kennisdocument Zandhagedis, 2017).

De aanwezigheid van zonnige open plekken en zand waar eieren in afgezet kunnen worden is van groot belang. Binnen het plangebied komt geen zandig terrein voor. Derhalve kan de aanwezigheid van de zandhagedis worden uitgesloten. Hazelwormen leven over het algemeen in open bossen, bosranden, heidegebieden, houtwallen en struwelen, steenachtige biotopen en tuinen (Ravon hazelworm, 2019). Door verharding maakt het plangebied geen deel uit van het functioneel leefgebied van de hazelworm. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen In het plangebied en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkelingen bevindt zich geen oppervlaktewater. Effecten op (beschermde) vissen zijn per definitie uitgesloten.

7

Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: pimpelmees, roodborst, winterkoning en zanglijster. De planlocatie heeft aannemelijk geen essentiële functie voor de waargenomen soorten. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als sperwer, ransuil en torenvalk kan uitgesloten worden.

Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig. De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing, en bouwt zijn nesten onder dakpannen tegen het isolerende dakbeschot of in kieren in de muur. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene planten, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Door het gebruik van een plat bitumen dak kunnen huismussen geen toegang krijgen tot een geschikte nestlocatie. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot aantasting van groene delen en resulteren niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken. Een vereiste voor broedmogelijkheid is dat het hoger ligt dan 3m.

Gierzwaluwen kunnen namelijk niet op eigen kracht opstijgen en moeten zich voor het eerste deel van hun vlucht laten vallen om snelheid te vergaren (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is een koloniebroeder en is derhalve vaak te vinden in woonwijken waar broedgelegenheid is in meerdere gebouwen. Er zijn geen openingen in het gebouw aangetroffen die tot een geschikte nestlocatie voor de gierzwaluw leiden. De daklijst sluit goed af en door het platte dak zijn er geen dakpannen waaronder broedgelegenheid is. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De tuin van de planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.

Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

8

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 2 km ligt het Natura 2000-gebied SintJansberg (figuur 4). De planlocatie ligt op een afstand van circa 60 m ten zuiden van een Goudgroene Natuurzone (NNN; figuur 5).

Figuur 4

De planlocatie ligt op een afstand van 2 km tot het Natura 2000-gebied Sint-Jansberg (bron: nationaal Georegister PDOK).

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 60 m tot een Goudgroene natuurzone (NNN) (bron: Provincie Limburg).

De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van een kantoorpand ten behoeve van de realisatie van een appartementencomplex, wat leidt tot een zeer beperkte verkeerstoename. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke en beperkte toename in stikstofdepositie (projecteffect). In de toekomst zal in geval van eventueel nieuwbouw mogelijk sprake zijn van een relatief lage(re) uitstoot (hogere isolatiewaarden en een hoogrenderende stookinstallatie). Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat het projecteffect van stikstofdepositie, bij soortgelijke en grotere projecten en

9

de afstand tot kwetsbare habitats, onder de drempelwaarde van 0,05 mol/hectare blijft. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie. De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden met stikstofgevoelige habitats. Of er sprake kan zijn van overschrijding van de drempelwaarde is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ondanks dat er geen effecten verwacht worden kan het, ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing, door het bevoegd gezag wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren. Houtopstanden Er zijn geen houtopstanden aanwezig binnen het plangebied.

Derhalve is een kapmelding of vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde.

Conclusies Samenvatting In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Het te slopen kantoorgebouw heeft de potentie voor vleermuizenverblijfplaatsen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Goudgroene Natuurzone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

10

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort +

-

-

-

-

-

n

n

n

+

-

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat andere soort

-

-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek/ Aerius

Natura 2000

2 km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

60 m

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding / vergunning

Struiken

ja

nee

n.v.t.

Bomen

nee

nee

n.v.t.

j

-

broedvogels (j)

vissen

reptielen

amfibieën

vleermuizen

zoogdieren

- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)

vaatplanten

Legenda

broedvogels (a)

Tabel 2 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

-

n

n

1. Verblijfplaatsen van eventueel aanwezige soorten (m.n. vleermuizen kunnen worden verwacht) zijn over het algemeen goed te compenseren. Het is te verwachten dat bevoegd gezag (provincie Limburg) bij het treffen van de juiste mitigerendeen compenserende maatregelen, en bij het aantonen van maatschappelijk belang ontheffing zal verlenen voor het verwijderen van verblijfplaatsen (indien deze aanwezig zijn).

Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden (met voorbehoud ten aanzien van vleermuizen) niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De beoogde sloop van het huidige kantoorgebouw en realisatie van een appartementencomplex aan de Groesbeekseweg 19 te Mook leidt, mits enkele maatregelen worden getroffen, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming.

De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen aan de Groesbeekseweg 19 te Mook uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).

11

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Ten aanzien van vleermuizen dient de aan- dan wel afwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen vastgesteld te worden middels aanvullend onderzoek. Dit kan middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode mei-oktober. Daarnaast dient de planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlicht te worden en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toe te passen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli).

Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Zandhagedis Lacerta agilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5 e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011.

Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

12

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.ecopedia.be www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff-ecogrid.nl www.polviewer.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.

Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. S. Schuuring

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

13

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Groesbeekseweg 19 te Mook en bestaat uit een gemetselde muur met spouw en plat dak.

Figuur 2

De zuidwestkant van het kantoorgebouw. Op de tweede verdieping is een uitbouw gerealiseerd.

14

Figuur 3

De tuin aan de zuidkant van het plangebied.

Figuur 4

In een gemaakte opening is goed te zien dat de spouw niet is geïsoleerd.

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MookenMiddelaar&id=e2f59495-6a49-4478-b8f8-21a757966905