Productie 7 - Eindrapportage energie Groene Hart 2050
Tekst van het document
Groene energie in het Groene Hart van 2050 Perspectieven ter inspiratie
Colofon Opdrachtgever Contactpersoon opdrachtgever Uitvoering Projectleiding: Frank Stroeken Projectsecretaris: Coen Nieuwpoort Deelstudie Bodem Water: Rens Wijnakker Deelstudie Energienetwerk: Maarten Vermeer & Taco Kuijers Deelstudie Windenergie: Frank Stroeken Deelstudie Beleving: Marcel Blekendaal Beeldproductie Vormgeving: Nina Meijer en Simone Mink Begeleidingsgroep Charles Aangenendt Hans Hubers & Michiel van Dongen Isolde Somsen Bart van Leeuwen Anneke van Duin-Otto
Bestuurlijk Platform Groene Hart Patricia Braaksma Wing GroenLicht FABRICations en Sant en Co Generation.Energy Wing De Polderwachter FABRICations en Rom3D Wing Ministerie van Binnenlandse Zaken Provincie Utrecht Provincie Zuid-Holland Provincie Noord-Holland Bestuurlijk Platform Groene Hart
April 2023
Afbeelding voorblad: fictief energielandschap geproduceerd met DALL·E 2
2
Inhoud Samenvatting 5 1. Inleiding 8 a) Aanleiding b) Vraagstelling c) Leeswijzer d) Gebruiksaanwijzing 2. Uitgangspunten voor perspectieven op de toekomst
11
3. Bouwstenen voor perspectieven op de toekomst
16
4. Drie perspectieven in beeld 23 5. Vergelijking tussen de scenario’s 46 6. Conclusies 50 7. Achtergronden 53 a) Beschrijving Groene Hart b) Hoofdpunten achtergrondstudie Bodem, water en Energie c) Hoofdpunten achtergrondstudie Windenergie & Beleving d) Hoofdpunten achtergrondstudie Energienetwerk Literatuur 71 Bijlage: Beschouwing Groene Hart perspectief 2050 & planningspraktijk 2030
72
3
4
Samenvatting Aanleiding
Uitgangspunten
Het Bestuurlijk Platform Groene Hart heeft de
Er zijn voor dit onderzoek enkele uitgangspunten gekozen over hoe het Groene Hart en onze omgang ermee eruit zal zien in 2050.
vraag gesteld hoe we de energievoorziening in het Groene Hart in 2050 kunnen organiseren, uitgaand van een duurzaam behoud van de bodem en het water in het Groene Hart. Daarvoor heeft het platform een
» We gaan uit van een sterk groeiende behoefte aan elektriciteit in de komende decennia. Redenen zijn: warmtewinning uit bodem, water en lucht in de plaats van gas, electricifering van mobiliteit en opslag van energie in waterstof.
ateliermeester aangesteld, namelijk Frank Stroeken, om een ontwerpend onderzoek uit te voeren. De scope betreft de ruimtelijke aspecten van de energietransitie. Daarbij kan worden voortgebouwd op eerdere studies naar bodem en water en naar cultuurhistorie van het Groene Hart. Voor dit onderzoek naar energie heeft de ateliermeester samengewerkt met een ambtelijke begeleidingsgroep en is er een consortium georganiseerd van enkele bedrijven. Alle betrokkenen hebben hier samen gedurende het jaar 2022 aan gewerkt.
de CO₂-uitstoot die nu vrijkomt uit het veen in het Groene Hart. De wijze waarop verkennen we in dit onderzoek. In 2050 zullen mensen op een andere manier naar energielandschappen kijken. Men zal vertrouwder zijn met energielandschappen en mensen zullen onderscheid maken tussen geslaagde en onaantrekkelijke energielandschappen.
Deelstudies
» Voor elektriciteitsopwekking gaan we uit van bewezen hernieuwbare technieken op gebied van wind- en zonne-energie die vermoedelijk in de komende decennia verder geoptimaliseerd worden.
Gericht op de toekomst hebben we vier deelstudies uitgevoerd die bouwstenen leveren voor samenhangende perspectieven. De deelstudies zijn tijdens de uitvoering regelmatig op elkaar afgestemd.
» Energieopwekking wordt onderdeel van het landschap. We wentelen niet alle opwekking af naar zee.
De deelstudie ‘Elektriciteitsysteem Groene Hart’ door Generation.Energy bevat een inschatting van de hoeveelheid energie die in 2050 nodig is en de hoeveelheid die het Groene Hart kan opwekken. Hierbij is uitgegaan van een aandeel van de landelijke productie wind en zonne-energie in 2050.. Dit is bepaald op 11 TWh. Dat gaat dan ongeveer om 55 km2 zonne-energie en 300 windturbines van 5MW. Ook verkent de deelstudie hoe het elektriciteitsnetwerk zich zou kunnen ontwikkelen.
» De voorgaande drie uitgangspunten betekenen dat er een forse ruimtelijke verandering komt, waarbij energie een van de hoofdfuncties van het Groene Hart wordt. » We gaan uit van een energienetwerk dat tegen die tijd optimaal aansluit bij een wenselijke configuratie van energieopwekking. » In 2050 hebben we korte metten gemaakt met
De deelstudie ‘Groene Hart Bodem Water Energie’ door Fabrications, heeft uitgebreid onderzocht hoe de relaties tussen bodem, water en energie 5
eruitzien en elkaar kunnen versterken. Er is gekeken naar de mogelijkheden voor aquathermische opwekking, oftewel energieopwekking vanuit water. Ook is bestudeerd hoe energieopwekking bij kan dragen aan een duurzame omgang met bodem en water. Deze studie levert zeer onderscheidende bouwstenen op voor de bodemtypen in het Groene Hart. Een deel van de bouwstenen verkent mogelijkheden voor het agrarische grondgebruik in combinatie met zonne- en windenergie. Een ander deel van de bouwstenen richt zich op de optimale beperking van CO₂-uitstoot en op natuurlijke CO₂-opslag door middel van veenontwikkeling en vegetaties. De deelstudie Windenergie in het Groene Hart, opgesteld door Wing, verkent welke gebieden in aanmerking kunnen komen voor windenergie. Daarnaast wordt onderzocht op welke manier windenergie een plek kan krijgen in het landschap. Zo blijkt de concentratie van energieopwekking van belang vanuit de wens om onderscheid te houden tussen verschillende landschappen. Daarnaast wordt de noodzaak genoemd om windenergielandschappen aantrekkelijk te maken en menselijke maat te geven met bijvoorbeeld beplantingen bij dorpen en langs wegen. De deelstudie ‘Polderwachter onderzoekt windenergie’ verkent hoe mensen bestaande windturbines ervaren. Polderwachter Marcel
Blekendaal heeft zeventig gesprekken gevoerd op zeven locaties en doet hiervan verslag in audioportretten op Spotify. De interviews tonen aan dat, anders dan vaak lijkt, windenergielandschappen aanvaardbaar zijn voor veel burgers.
Grootschalige windenergie volgt de stroomgordels van de rivieren door het Groene Hart. ‘Sterke randen’ plaatst opwekking bij stedelijk gebied. Vanwege de beperkte ruimte bij de steden komt er eveneens een grootschalige opwekking van zonneen windenergie in de droogmakerijen.
Drie perspectieven
Handle with care
Het ontwerpend onderzoek, met de resultaten uit de deelstudies, heeft geleid tot drie perspectieven op het Groene Hart. De drie perspectieven geven elk op andere wijze invulling aan het adagium ‘bodem en water sturend’ en laten uiteenlopende energielandschappen zien. De titels zijn ‘Robuuste Polder in het Groene Hart’, ‘Gemengd Palet door het Groene Hart’ en ‘Sterke Randen aan het Groene Hart’.
In deze rapportage worden de perspectieven met tal van beelden gevisualiseerd. De perspectieven zijn extreme beelden die sterk afwijken van de huidige situatie en die een reeks van mogelijkheden weergeven. Ze dienen geenszins als plan of keuze. Het gaat om denkbare ontwikkelrichtingen die helpen om gesprekken te voeren over wat we willen met het Groene Hart en met de energieopgave.
‘Robuuste Polders’ gaat uit van een grootschalige aanpassing van het watersysteem. Daarbij komen er veenwouden op de grond die bestaat uit dikke veenpakketten, zodat de bodemdaling stopt en er daarnaast ruimte ontstaat voor grote windparken in het bos. Parken met zonnepanelen passen in de droogmakerijen. ‘Gemengd Palet’ gaat uit van hogere grondwaterstanden in de veenweiden en van veel verschillende omstandigheden en grondgebruiksvormen. Hierbinnen ontstaan aanleidingen voor extensieve zonne-energieopstellingen en medium windmolens (1MW).
Deze studie is een voorbereiding op toekomstige doelen die nu nog niet -in die mate- worden opgelost in ruimtelijke beleidsprocessen zoals in de Regionale Energiestrategieën (RESsen). Mogelijk kunnen de perspectieven uit dit onderzoek wel degelijk een rol spelen op korte termijn als de huidige oplossingsrichtingen in de RESsen zouden vastlopen en er nieuwe oplossingen nodig zijn. In dat geval dienen de oplossingen uit dit ontwerpend onderzoek nog te worden getoetst aan het vigerend ruimtelijk beleid van gemeentes en provincies.
6
Lessen en aanbevelingen Wat valt op in deze perspectieven en wat leren ze ons? De belangrijkste aanbevelingen: 1.
Als we uitgaan van de verwachtte hoge opgave voor energieopwekking, gaat het landschap sowieso ingrijpend veranderen. De vraag is: hoe dan? De urgentie is groot om hiervoor een hoogwaardige vorm te vinden.
6. Aquathermie kan een bijdrage leveren aan de warmtevoorziening in het Groene Hart. De potentie voor warmtewinning is in het hele Groene Hart aanwezig.
2. Het valt op dat het adagium ‘bodem en water sturend’ tot uiteenlopende uitkomsten en landschapsbeelden kan leiden.
7. Verbetering van de watervoorziening kan gecombineerd worden met energieopwekking. Mogelijk zijn: sponsachtige veenlandschappen met windenergie; drijvende zonnepanelen op waterbuffers in bassins, extensiever landgebruik met zonne-energie.
3. De droogmakerijen langs de noordrand van het Groene Hart komen in deze studie naar boven als geschikt voor energieopwekking met ruimte voor functiecombinaties.
8. Concentratie van duurzame energie in enkele energielandschappen helpt om elders landschapswaarden te behouden in gebieden zonder energieopwekking.
4. De potentie voor CO₂-vastlegging door middel van veengroei en bos is groot. Dit kan bijdragen een interessante energielandschappen met grootschalige windenergie.
9. Grootschalige concentratie van windenergie vraagt om acceptatie van grote verandering. De reportages van de polderwachter bieden hoop dat veel inwoners van het Groene Hart hiermee kunnen leven.
5. Grootschalige openheid speelt in de perspectieven geen leidende rol. Bij grootschalige inzet van winden zonnepenergie zal juist groene kleinschaligheid bij dragen aan een aantrekkelijk landschap.
10. Keuzen voor het energienetwerk en ruimtelijke keuzen voor energieopwekking hangen samen. Synergie maar ook strijdigheid is mogelijk. Verder ruimtelijk onderzoek naar deze verhouding is wenselijk.
Grootschalige planning van energie vergt goede samenwerking van overheden. Zowel rijk, provincies als gemeentes zijn hierin onmisbaar. Indien deze energieopgave een strijd tussen overheden wordt, leidt dat waarschijnlijk tot een versplinterd energielandschap. 11. Het proces om tot landschappelijke transformatie te komen vergt een ingrijpende transitie en een decennialange strategie naar nieuw grondgebruik. Ga niet voor tijdelijke oplossingen. Die zullen de uitdagingen op termijn echter alleen maar vergroten. 12. Of in 2050 een energieopwekking van 11 TWh in het Groene Hart realiseerbaar is, is moeilijk te beantwoorden. Het gaat er nu om of er behoefte is om een koers te verkennen die tot grotere hoeveelheden duurzame energie leidt dan nu in de RESsen wordt nagestreefd. Rijk, provincies en gemeentes kunnen daar de komende jaren over in gesprek gaan. In het hoofdstuk conclusies staat een uitgebreidere versie van de conclusies.
7
1. Inleiding Aanleiding
Vraagstelling
Onze samenleving staat onder druk om
Het Bestuurlijk Platform Groene Hart heeft de vraag gesteld hoe we de energievoorziening in het Groene Hart in 2050 kunnen organiseren, uitgaand van een duurzaam behoud en gebruik van de bodem en het water en van veranderend landgebruik.
grote veranderingen te organiseren in de inrichting van het landschap. De bodem moet minder dalen, het water dient zorgvuldiger te worden aangewend, de biodiversiteit moet ruimte krijgen. Hiernaast dient onze energievoorziening te worden verduurzaamd en afgestemd op de omvang van de energieconsumptie. Tenslotte willen mensen zich toch ook blijven herkennen in het landschap dat een afdruk is van de natuur en hun voorouders, en waarvan ze bovendien willen genieten. Al deze opgaven spelen vandaag in het Groene Hart en spelen ook nog over dertig jaar. Als we de blik verleggen naar 2050, komen we dan tot andere antwoorden? Welke van deze vragen kunnen we met elkaar verbinden? En kan de energieopgave een stimulans vormen op weg naar een aantrekkelijk landschap?
Het bestuurlijk platform wijst enerzijds op de bijzondere waarden van het landschap en van het water- en bodemsysteem in het Groene Hart. Anderzijds wijst ze op de noodzaak om los te komen van vervuilende fossiele energie en na te denken over zonne-energie, windenergie en aquathermie evenals de energieketen (productie, opslag, distributie) die daarbij nodig is. Automatisch hebben we het dan ook over de relatie tussen stedelijke en landelijke opgaven in het Groene Hart. Stad en land hebben elkaar nodig, maar verschillen cultureel van elkaar. Deze relatie krijgt een nieuwe opdracht en zal veranderen, evenals het landschap van het Groene Hart. De vraag is hoe? Om deze vraag te beantwoorden heeft het bestuurlijk platform een ateliermeester aangesteld met als taak een ontwerpend onderzoek uit te voeren. Daarbij kan worden voortgebouwd op eerdere studies die in opdracht van het bestuurlijk platform zijn uitgevoerd over bodem en water en over de cultuurhistorie van het Groene Hart.
De vraag is geformuleerd vanuit een ambtelijke begeleidingsgroep van het Bestuurlijk Platform Groene Hart met daarin de provincies Utrecht, Zuid Holland en Noord Holland, het ministerie van Binnenlandse Zaken. Het bestuur van Bestuurlijk Platform Groene Hart heeft vooraf de uitgangspunten van de studie goedgekeurd en heeft verder geen sturing gegeven aan inhoudelijke keuzes of beelden. Tijdens het proces is er betrokkenheid geweest van een vertegenwoordiger van de waterschappen in het Groene Hart en van de gemeente Woerden. Het project stond onder aansturing van ateliermeester Frank Stroeken van Wing. Belangrijke bijdragen en deelstudies werden geleverd door FABRICations en Sant en Co, Generation.Energy, GroenLicht, de Polderwachter en Wing. Dat leverde de bouwstenen op voor drie samenhangende perspectieven. De vier deelstudies zijn tijdens de uitvoering regelmatig op elkaar afgestemd. De uitkomsten van het ontwerpend onderzoek kunnen worden benut in beleidsverkenningen en langetermijnvisies over ruimtelijke opgaven in het Groene Hart. De perspectieven of scenario’s kunnen gebruikt worden als denkbare toekomstbeelden, waartegen de verwachte resultaten van de RESsen worden afgezet. Ook kunnen ze worden gebruikt bij verkenningen in 8
9
het kader van de NOVEX en voor een integraal langetermijnperspectief op het Groene Hart.
Leeswijzer In deze rapportage worden perspectieven gepresenteerd die een situatie in het Groene Hart in 2050 verbeelden. Deze beelden staan in dit perspectievendocument centraal. Kort wordt ingegaan op de voorstudies, waarvan uitgebreidere rapporten beschikbaar zijn. De bevindingen uit die deelrapporten worden hier aangehaald en toegelicht in zoverre ze relevant zijn voor de keuzes in de perspectieven. In de achtergrondrapporten, die in de bijlage worden samengevat, worden ze verder toegelicht.
De sociale, maatschappelijke en economische implicaties van de voorgestelde denkrichtingen zijn nu slechts beperkt doordacht. Hier nader over doordenken zal de denkrichtingen zeker veranderen. De beelden zijn dan ook bedoeld als inspiratie voor verder onderzoek, en zijn niet bedoeld om keuzes te forceren. Ze dienen zuiver als start voor gesprekken over de toekomst van het Groene Hart.
Gebruiksaanwijzing De perspectieven bevatten extreme beelden die sterk afwijken van de huidige situatie en die een reeks van mogelijkheden weergeven. Ze moeten geenszins worden gezien als een gekozen plan. Grondeigenaren of betrokkenen zouden kunnen schrikken van de beelden, waarin woningen, bedrijven en soms hele linten opgaan in een moeras, een veenbos of een energiepark zonder dat het effect op die plekken precies wordt benoemd. Ondanks dit ongemak is er toch gekozen om denkbare ontwikkelrichtingen concreet te visualiseren. Dit helpt om uiteindelijk als samenleving te ontdekken wat we willen met de energieopgave in ons cultuurlandschap. 10
2. Uitgangspunten voor perspectieven op de toekomst In deze verkenning schetsen we beelden voor 2050, maar hoe ziet 2050 eruit? Welke problematiek van bodem, water en energie speelt er dan? Zijn het beeld van het Groene Hart en de ideeën hierover veranderd? Omdat we dat niet weten, schetsen we nu enkele uitgangspunten voor de wereld van 2050. Allereerst gaan we ervanuit dat er een hele
Uitgangspunten over energie en het energiesysteem De achtergrondstudie ‘Elektriciteitssysteem Groene Hart’ door Generation.Energy heeft een inschatting gemaakt van de hoeveelheid elektriciteit die in 2050 nodig is in het Groene Hart. Er is wat energieproductie betreft een stip op de horizon gezet die houvast geeft voor de ruimtelijk studie. Ook verkent deze deelstudie hoe het netwerk van elektriciteit zich mogelijk ontwikkelt.
» We gaan uit van een sterk groeiende behoefte aan elektriciteit in de komende decennia omdat we van het gas afgaan. Auto’s en huishoudens zullen steeds meer gebruik maken van hernieuwbare energie en steeds minder van fossiele energie. Er zal warmtewinning komen uit bodem, water en lucht (warmtepompen), maar dit behoeft op zichzelf ook elektriciteit om de gewenste temperatuur te vormen.
grote energieopgave aankomt en dat deze het landschap in het Groene Hart sterk doet veranderen. In dit hoofdstuk verkennen we hoe dat zou kunnen plaatsvinden.
Het energiesysteem van de toekomst van Netbeheer Nedderland heeft 4 scenario’s uitgedacht. Ter illustratie bijgaand 2 scenario beelden (regionaal en internationaal). In deze verkenning bouwen we voort op enkele uitgangspunten uit deze studie. 11
» Voor elektriciteitsopwekking gaan we uit van bewezen technieken op gebied van zonneen windenergie die de komende decennia waarschijnlijk verder geoptimaliseerd worden. Er is niet uitgegaan van kernenergie, Voor warmtewinning onderzoeken we aquathermie omdat dit verbonden is met een kenmerkende kwaliteit van het Groene Hart, namelijk water.
met randgemeentes, die gedeeltelijk binnen het Groene Hart vallen, maar zonder de vier grote gemeentes, is 11 procent ten opzichte van Nederland. De verwachte benodigde toekomstige Nederlandse productie van windenergie op land en zon op veld, volgens literatuur, is vertaald en omgerekend naar de schaal van het Groene Hart (11 procent). De bandbreedte 1 voor het Groene Hart is dan 6-15 TWh, dit is 11 procent van de Nederlandse bandbreedte van 51-133 TWh voor het opwekken van elektriciteit d.m.v. wind en zon op land (deze bandbreedte is exclusief wind op zee en zon op dak). Voor het verbeelden van de impact van de energietransitie op het Groene Hart nemen we het midden van de brandbreedte van 6-15 TWh: 11 TWh. De onderbouwing hiervan staat in het achtergrondrapport van Generation. Energy.
» We wentelen in 2050 niet alle opwekking af naar zee, noch naar gebieden buiten de Randstad en het Groene Hart. De internationale markt en de zee zullen een belangrijk deel van onze energievoorziening vormen. Daarnaast zijn er goede redenen om energie op te wekken in eigen land en op land, zoals grotere flexibiliteit, nabijheid, lagere transportkosten en minder kwetsbaarheid. We gaan uit van een evenredige bijdrage van het Groene Hart aan de energiebehoefte in Nederland. » De verwachting is dat het elektriciteitsgebruik in Nederland en in het Groene Hart in 2050 gaat verdubbelen. Voornamelijk door het elektrificeren van de warmtevraag van de gebouwde omgeving en het elektrificeren van de mobiliteit.
1
» Een vooruitblik op 2050 geeft ons de tijd om tot een wenselijk en geschikt energienetwerk te komen. We gaan uit van een energienetwerk dat tegen die tijd optimaal aansluit bij een wenselijke configuratie van energieopwekking. Ook dit netwerk zal overigens zichtbaar zijn in het landschap, bijvoorbeeld in de vorm van tientallen elektriciteitsstations.
Deze bandbreedte is afkomstig van de studie’s ‘Het energiesysteem van de toekomst van Netbeheer Nederland’, 2021 en een ‘Klimaatneutraal energiesysteem voor Nederland’
» Het energiegebruik van het Groene Hart
van TNO, 2022
12
Uitgangspunten over bodem en water De achtergrondstudie ‘Groene Hart Bodem Water Energie’ door Fabrications en Sant&Co heeft uitgebreid de relaties tussen bodem, water en energie onderzocht. De studie begint bij de notie dat water, bodem en energie elkaar kunnen versterken. Er is enerzijds gekeken naar de mogelijkheden om vanuit water energie op te wekken met aquathermie. Anderzijds is gekeken hoe energieopwekking kan bijdragen aan een duurzame omgang met bodem en water. Bodem is dan een conditie, die voorwaarden stelt aan de overige functies. Waterbeheer is daarbij een instrument. Water kan tot op zekere hoogte georganiseerd worden, daar waar het nodig is. Deze studie levert zeer onderscheidende bouwstenen op voor de verschillende bodemtypen in het Groene Hart. Een deel van de bouwstenen verkent mogelijkheden voor agrarisch grondgebruik met zonne- en windenergie. Een ander deel van de bouwstenen richt zich op optimale beperking van CO₂uitstoot en zelfs op natuurlijke CO₂-opslag door middel van veenontwikkeling en vegetaties al dan niet in combinatie met intensieve en extensieve opstellingen van zonnepanelen. Hieruit blijkt dat energietechniek goed samen kan gaan met sommige natuurlijke processen in het landschap. De achtergrondstudie hanteert de volgende
uitgangspunten: » In 2050 zullen we anders omgaan met de CO₂-uitstoot die anno 2023 nog vrijkomt uit het veen in het Groene Hart. Beprijzing van CO₂-uitstoot waar tegenwoordig over wordt nagedacht, is een stap in die andere omgang. Primair worden de gebieden met dikke veenpakketten aangepakt, omdat daar na langdurige bodemdaling en CO₂-uitstoot
ook de veiligheid en kosten in toenemende mate een probleem vormen. Immers kades en dijken zullen mee moeten veranderen om diep dalende veenpolders te beschermen. » Klimaatverandering leidt tot hogere temperaturen. Waarschijnlijk schuiven klimaatzones met 20 kilometer of meer per jaar op naar het noorden. Extremen in droogte en overlast worden groter. Bij hogere
De relatie tussen grondslag, peilbeheer en landgebruik is onderzocht. Als onderdeel van het landgebruik verkennen we energieopwekking. Hier een voorbeeld van veen met een kleidek van minder dan 40 cm. 13
temperaturen oxideert het veenoxidatie sneller. Bovendien worden de huidige problemen met waterbeschikbaarheid nog veel urgenter. Daarbij is het denkbaar dat het gehele stroomgebied van de Rijn zorgvuldiger met water zal omgaan. Dit zal de afstroom vanuit Duitsland naar Nederland beperken. » Er zullen minder boeren zijn en meer burgers wonen. Al decennialang is er een trend zichtbaar waarin jaarlijks 3 procent van de agrarische bedrijven stopt en waarbij de boerenbedrijven die blijven groter worden. Het landschap zal - mits het aantrekkelijk en veilig blijft - meer burgers trekken die er graag willen wonen.
UItgangspunten over windenergie, mensen en landschappen De deelstudie ‘Windenergie in het Groene Hart’, opgesteld door Wing, verkent welke gebieden mogelijk in aanmerking komen voor windenergie. Daarnaast wordt onderzocht op welke manier windenergie een plek kan krijgen in het landschap. Concentratie is van belang voor de wens om landschappen waarin energieopwekking dominant is te onderscheiden van landschappen zonder energieopwekking. Daarnaast wordt verkend hoe de energielandschappen kunnen worden vormgegeven.
» We gaan ervan uit dat mensen in 2050 in grote mate gewend zullen zijn aan de energielandschappen die hen van energie voorzien. Maar ze zullen ook kritisch zijn. Landschappen worden gekoesterd wanneer er een acceptabele balans is tussen gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde - inclusief cultuurhistorie. Ruimtelijke kwaliteit is een toetssteen in dit onderzoek. Rommelige energielandschappen zullen de tand des tijds waarschijnlijk niet doorstaan. Dit blijkt bijvoorbeeld in Friesland en Flevoland waar nu reeds windenergielandschappen met nog werkzame turbines worden gesaneerd2. » Er is een noodzaak om windenergielandschappen vorm te geven en aantrekkelijk te maken met bijvoorbeeld beplantingen bij dorpen en langs wegen. In een zeer open windenergielandschap wordt techniek zodanig dominant dat voor inwoners en passanten een beschutte en verzachtende inrichting nodig is. Voorbeelden van nieuwe kwaliteiten zijn zichtbaar in polders als de Beemster, Rivierenland of de Flevopolders.
2
Zoals nu reeds in Friesland en Flevoland rommelig
De deelstudie ‘Polderwachter onderzoekt windenergie’ verkent hoe mensen windturbines ervaren. In de media gaat het bijna altijd over de reacties van mensen op plannen voor nieuwe turbines. Zelden gaat het over de ervaringen van mensen die bij een turbine wonen of werken. Dit is een lacune, aangezien er al tweeduizend turbines in Nederland zijn en er dus veel potentieel gespreksmateriaal is over de beleving hiervan. Polderwachter Marcel Blekendaal heeft hier met zeventig mensen over gesproken op zeven locaties. De uitkomsten zijn te horen in audioportretten op Spotify. Hierin valt te beluisteren dat windenergielandschappen voor burgers bespreekbaar en veelal ook aanvaardbaar zijn.
Uitgangspunten over ruimtelijke ontwikkelingen » De gaan er in deze studie vanuit dat vliegverkeer in 2050 minder beperkingen geeft voor windenergie. Hierbij veronderstellen we optimistisch dat innovaties het mogelijk zullen maken om te vliegen met beperkter ruimtebeslag op het Groene Hart. Dit doen we om meer vrijheid te hebben in het zoeken naar optimale ruimte voor energieopwekking.
gepositioneerde -en nog werkende- turbines worden verwijderd.
» De Stelling van Amsterdam kent 14
schootsvelden vanuit alle forten die hiertoe behoren. Deze schootsvelden zijn onder andere volgens Unesco van cultuurhistorische betekenis. Ze beslaan aanzienlijke delen van droogmakerijen die onderwerp zijn van deze studie. De zone van de schootsvelden is potentieel geschikt voor energieopwekking omdat dit het zicht op het landschap immers niet onmogelijk maakt. Bovendien valt te beargumenteren dat de destijds te beschermen economische en culturele waarden juist binnen de Stelling lagen en het landschap erbuiten niet volledig geconserveerd hoeft te worden. » De energieopgave heeft in historisch perspectief een interessante link met vele polders in het Groene Hart en met de omliggende steden. Veel droogmakerijen zijn ontstaan nadat er in de zeventiende en achttiende eeuw op grote schaal veen werd afgegraven om de steden van energie te voorzien. Turf (gedroogd veen) werd bijvoorbeeld verbrand in brouwerijen. Vervolgens ontstonden er plassen die werden drooggemalen. Dit gebeurde tot in de 20e eeuw. Het opwekken van energie aan de Randstad, is vanuit dat perspectief minder vreemd dan het vanuit een behoudend historische perspectief kan lijken.
» Deze verkenning gaat niet in op de vraag of er andere gebieden zijn die geschikter zijn dan het Groene Hart om energie op te wekken. Voor Zuid Holland is de vraag interessant of het Groene Hart al dan niet geschikter is voor energieopwekking dan de Rotterdamse haven. Dit rapport geeft hier geen antwoord op. Wel kan het helpen om een gesprek over deze vraag te voeren omdat de potentie van het Groene Hart nader is verdiept.
Onbekende toekomst Er is veel dat we niet weten. Hoeveel mensen wonen er in 2050 in de Randstad, en hoeveel in het Groene Hart? In welke mate hebben thema’s als stikstof, waterkwaliteit, biodiversiteit en ook de economie, invloed op het grondgebruik en het investeringsklimaat? Hierover bestaan trendonderzoeken van overheden zoals het CPB, PBL en RWS, en vanuit bedrijfsleven. Die hebben we echter niet vertaald in een ruimtelijk beeld van het Groene Hart. We projecteren de perspectieven voor bodem, water en energie op een topografische ondergrond van 2022. De perspectieven nodigen ons niettemin uit om na te denken over een andere tijd en een veranderend landschap.
15
3. Bouwstenen voor perspectieven op de toekomst Het ontwerpend onderzoek en de resultaten uit de deelstudies hebben geleid tot drie perspectieven op het Groene Hart. De drie perspectieven geven elk op een andere manier invulling aan het adagium ‘bodem en water sturend’ en laten uiteenlopende
De perspectieven zijn gebouwd uit bouwstenen en keuzes ten aanzien van drie onderwerpen die we hieronder benoemen en verbeelden. Voor meer informatie over de bouwstenen verwijzen we naar de achtergronden (hoofdstuk 6 en de achtergrondrapportages):
Het huidige stroomnetwerk met afstanden tot de netwerkstations. In de aanloop naar 2050 kan dit worden uitgebreid.
energielandschappen zien. Deze perspectieven hebben we ‘Robuuste Polder in het Groene Hart’, ‘Gemengd Palet door het Groene Hart’ en ‘Sterke Randen aan het Groene Hart’ genoemd. Alle drie de perspectieven tonen een Groene Hart waarin keuzes worden gemaakt. Niet alles gebeurt overal. Er is gekozen voor energielandschappen enerzijds, en elders voor landschappen waarin energie ontbreekt als landschapskarakteristiek. Niet overal verandert alles. Ook in 2050 zijn er nog delen van het Groene Hart waarin het beeld wordt bepaald door eindeloze sloten die licht naar de horizon toe kronkelen. Met kikkers, kruiden in de slootrand en vogels in de lucht.
16
Inrichting van het netwerk Het netwerk, oftewel de kabels en stations waarmee energie wordt getransporteerd, kan op verschillende manieren worden ingericht. In de perspectieven worden keuzes gevisualiseerd ten aanzien van concentratie en locatie: » Concentratie van opwekking (windturbines dicht bij elkaar, maar ook wind en zon dichtbij elkaar) zorgt voor efficiëntie in de benodigde infrastructuur. Ook ontstaat er hiërarchie in het energiesysteem met weinig opweklocaties die verbonden worden met veel eindafnemers.
aanzien van het grondwaterpeil als de grootte van het gebied waarin we de waterhuishouding regelen, variëren in de perspectieven.
ingrijpende mogelijkheid, die geen oplossing voor bodemdaling biedt, is CO₂-vastlegging in oogstbare gewassen. Dit kan bijvoorbeeld op kleibodems.
Aansluitend hierop overwegen we: wel of geen CO₂-vastlegging? Veengrond is ooit ontstaan uit processen waarin veel CO₂ werd vastgelegd. In potentie kan dit nog steeds. De groei van hoogveen (veenmosveen) of laagveen (rietveen of zeggeveen) maakt een eind aan de jarenlange bodemdaling als gevolg van oxidatie. Een minder
» Op locaties dicht bij plekken waar veel electriciteit wordt afgenomen kan het netwerk beperkt blijven in omvang, mits er een goede verbinding en balans van vraag en aanbod in het gebied mogelijk is.
‘Bodem en water sturend’ ‘Bodem en water sturend’ kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Uitgangspunt is behoud van de bodem en een duurzame watervoorziening die daarop aansluit met een goede waterkwaliteit. Behoud van veenbodem betekent dat hogere grondwaterpeilen (bijvoorbeeld 20 à 30 cm onder maaiveld in plaats van 50 cm onder maaiveld) nodig zijn om de veenoxidatie te remmen. Zowel de keuze ten
Zeggeveen
Veenmosveen 17
Samenhang en bodemtypen en groeipotentie: van voedselrijk (eutroof) naar voedselarm (oligotroof)
18
Een effect van de voorgaande keuzes is de mate waarin het grondgebruik verandert. Dit is natuurlijk ook een op zichzelf staande keuze: in welke mate en op welke plaatsen zal het agrarische grondgebruik al dan niet veranderen? Waar kan er nieuw grondgebruik ontstaan wanneer daar goede redenen voor zijn? Deze keuze is mede afhankelijk van:
Zes bouwstenen voor het Groene Hart: veenweiden, komgronden en droogmakerijen.
» Het verschil tussen veen en klei: kleigrond is minder gevoelig voor bodemdaling, waardoor de condities beter zijn voor landbouw maar ook voor zonnepanelen. Op veenbodem past geen intensieve opwek van zonne-energie omdat er onder panelen waarschijnlijk meer CO₂ vrijkomt en er minder fotosynthese plaatsvindt1. » Het verschil tussen dik veen en dun veen: de effecten van vergaande daling van dunne veenpakketten zijn kleiner dan van dikke veenpakketten. Bij de laatste worden veiligheid en kosten ooit onbeheersbaar, wanneer de hoogteverschillen te groot worden en waarbij opbarsting van zoute kwel te veel kan worden.
1
Hierover is overigens weinig verduidelijkende literatuur
Zeggeveen met windenergie
Veenmosveen met zonne-energie
te vinden. Een praktijkonderzoek vindt in 2023 plaats in Kamerik.
19
Agrivoltaics met natte biomassateelten
Agrivoltaics met extensieve veehouderij
Agrivoltaics met boomgaard
Drijvende zonne-energie op waterberging 20
Zichtbaarheid van energie De zichtbaarheid van energie in het landschap is net als het hiervoor genoemde netwerk afhankelijk van concentratie en van de locatiekeuze. Vooral bij windenergie is het ruimtelijke effect van concentratie groot. Twintig turbines bij elkaar en daarbuiten veel plekken zonder turbines leiden tot een aantrekkelijker landschap dan twintig verspreide locaties met overal één turbine (zie deelstudie windenergie). Uiteraard is de locatiekeuze - zeker bij concentratie- mede bepalend voor de beleving van het Groene Hart. Op weides, akkers, natuur of water? Langs infrastructuur of ver van drukke gebieden? Gewaardeerde opstellingen zijn vaak te vinden langs grote contrasten in het landschap zoals de grens tussen land en water. Dergelijke grote contrasten, die passen bij turbines van 200 meter hoog, zijn op land zeldzaam. Ten slotte maakt het veel uit hoe een energielandschap wordt ingericht. Ook dit verschilt in de scenario’s. Bos, wegbeplantingen, weidenatuur of parkachtige inrichtingen, maar ook de aan- of afwezigheid van gebouwen, beïnvloeden het beeld van energielandschappen sterk. Dit aspect van energielandschappen komt in de planningspraktijk niet altijd aan bod. De scenario’s geven hier handreikingen voor. Ook cultuurhistorische aspecten komen aan bod. 21
Samenvattend Kenmerk perspectieven
Bodem en water sturend
Energienetwerk
Energielandschap en -inrichting
Robuuste Polders in het Groene Hart
Maximaal veenbehoud met CO₂-opslag in veenvorming. Robuust waterbeheer. Plaatselijk ingrijpend nieuw grondgebruik in combinatie met energiewinning.
Geconcentreerd netwerk in gebieden waar weinig netwerk is. Nieuwe uitrol van een relatief zwaar netwerk.
In uitgestrekte veenwouden komen grote windparken. Zonne-energie in droogmakerijen in combinatie met landbouw.
Gemengd Palet door het Groene Hart
Fors minder veenoxidatie met verfijnd waterbeheer en met hoog watergebruik. Combinatie met agrarisch beheer en met energiewinning.
Zeer gespreid en fijnmaziger netwerk door spreiding van opwekking en door verschillende formaten turbines.
Veel gespreide zon en wind, relatief kleinschalig. Bundels van grote windmolens, kernen en infrastructuur langs stroomgordels van rivieren. Drijvende panelen in droogmakerijen.
Sterke Randen aan het Groene Hart
Minder veenoxidatie met generieke wateraanpak, maar losgekoppeld van energiewinning.
Droogmakerijen worden een zwaartepunt van energieopwekking. Door combinatie van zon en wind wordt er efficiënt met kabels en stationscapaciteit omgegaan (cable pooling).
Energietransitie zichtbaar nabij stedelijk gebied. Concentratie zon en wind in droogmakerijen met veel beplantingen. In de veenlandschappen is energie afwezig.
22
4. Drie perspectieven in beeld Perspectief 1
‘Robuuste Polders in het Groene Hart’ ‘Robuuste Polders in het Groene Hart’ kiest op weg naar 2050 voor een zeer duurzaam ingericht landschap, waarbinnen de veenwouden het meest opvallen. De veenwouden zijn kleinschalige landschappen die bestaan uit moerasbossen met daarin windturbines. Veenwouden zijn een transformatie van veenweidegebieden die nu liggen op zeer dikke veenpakketten en waar bodemdaling schreeuwt om een stabiele oplossing. Immers in deze gebieden dreigt, zonder rigoureuze oplossing, op termijn, een ligging van vele meters onder zeeniveau. Bodemdaling en veenoxidatie kunnen worden gestopt door natte veenmoerassen te ontwikkelen waaruit ook bos kan ontstaan. CO₂ wordt dan niet meer uitgestoten, maar juist vastgelegd in zeggeveen en in bomen.
In de uitgestrekte veenwouden komen grote windparken. Tientallen windturbines krijgen plek in deze natuurlijke, boomrijke en afwisselende landschappen. Als gevolg daarvan zullen windturbines minder dominant overkomen op de directe omgeving dan wanneer ze in open weidegebied worden geplaatst. De turbines zullen wel van een afstand zichtbaar zijn als windwouden in de zuidelijke polders van het Groene Hart. Een robuuste watervoorziening voorziet in de gewenste omstandigheden voor een stabiele veenbodem. Op grote schaal worden de polders samen genomen in een regionaal waterpeil met het water rond maaiveld. Daardoor ontstaan er lokaal verschillen als gevolg van de variatie in maaiveldhoogtes. Dit zal leiden tot diverse biotopen en landschapsbeelden en voor zowel bossen als plassen op lagere delen. Seizoensverschillen leiden ook tot natte of droge oppervlakten. Door bos te laten groeien zal er weinig methaanuitstoot ontstaan, hetgeen een risico is bij rottingsprocessen in veenbodems. Door natuurlijke successie toe te laten ontstaat er een landschap met minimaal beheer. Agrarisch gebruik zal sterk afnemen op dikke veenbodems. Bebouwingslinten en velden hier om heen zullen open blijven. Rond de linten ontstaan overgangssituaties met extensieve zonneparken in moerasgebieden en ook kleinschalige landbouw.
Op dunnere veenpakketten en oeverwallen blijft landbouw in extensieve vorm bestaan. Ook de droogmakerijen zijn aan verandering onderhevig. Hier ontstaat een concentratie van zonne-energie in combinatie met landbouwproductie. Hier komen zonneparken tussen de landbouwvelden, en er komen zeer extensieve verticale zonne-opstellingen in de velden, waartussen geboerd kan worden. De landbouw profiteert in dit perspectief van relatief goede watervoorraden. Doordat de waterbehoefte in de veenweiden afneemt komt er meer water beschikbaar voor droogmakerijen, waarmee verzilting kan worden tegen gegaan. Op grote velden kan hier voorzien worden in het produceren van eiwitrijke gewassen voor de markt. De horizon wordt gevrijwaard van windturbines. Wel zijn op veel plaatsen velden met zonnepanelen zichtbaar. Robuuste Polders in het Groene Hart kiest voor duidelijk verschillende landschappen binnen het Groene Hart met elk hun eigen kwaliteit, en voor langetermijnoplossingen voor urgente en ernstige problemen als veenoxidatie, bodemdaling en de bijbehorende CO₂- en methaanuitstoot. Bovendien leidt dit perspectief tot een Groene Hart met landschappen die niet rommelig ogen.
23
24
25
Perspectief 1 - Robuuste Polders
26
Droogmakerij
27
Van oeverwal naar veenweide
28
Corridor
29
Perspectief 2
‘Gemengd Palet door het Groene Hart’ ‘Gemengd Palet’ gaat uit van duurzame ontwikkeling van de verschillende polders van het Groene Hart. Overal zullen kleine verschillen ontstaan tussen natte en droge gronden en tussen terreinen met en zonder energieopwekking.
Gemengd Palet kiest voor een ordening met veel plaatselijke verschillen tussen landschappen met veel of weinig energieopwekking. Dat betekent dat energieopwekking feitelijk verspreid door het hele Groene Hart plaatsvindt. Op de meeste plaatsen wordt daar wel iets van zichtbaar. Extensieve met groen dooraderde zonneparken ogen vriendelijk, maar vragen wel meer ruimte. In de linten kunnen, als boerderijen of bedrijven dat wensen, windmolens komen te staan tot maximaal 65 meter hoogte (1MW).
Drijvende zonne-energie op een waterbassin in de droogmakerij. Het bassin ligt op het maaiveld van de polder, zodat het water bij droogte onder vrij verval ingelaten kan worden. De panelen voorkomen verdamping
Dat wordt per streek bepaald en komt neer op maatwerk, waarbij het watersysteem de verschillen aanjaagt. Op dikke veenbodems zal het water worden opgezet tot ongeveer 20 cm onder maaiveld, hetgeen alleen zeer extensief agrarisch beheer mogelijk maakt. Plaatselijk helpen waterinfiltratiesystemen om de bruikbaarheid van het land te optimaliseren. Dit is echter niet overal rendabel. Uiteindelijk zullen zich natuurlijkere landschappen vormen die aansluiten bij de beelden van natte hooilanden zoals die er van oudsher veel waren in het Groene Hart.
30
Om de energiedoelen te halen zijn er daarnaast grotere stappen nodig. Dat gebeurt met rijen grote windmolens langs stroomgordels van de rivieren, waarlangs bundels van infrastructuur en woonkernen zijn ontwikkeld zoals de A12/N11 langs de Oude Rijn en de A15 langs Waal en Merwede. Dit zijn historische bundelingen van activiteiten waarlangs we in de toekomst ook energie opwekken. Langs de A15 is dat een doorzetting van de energiestructuur die in de afgelopen jaren al is ontstaan tussen Elst en Alblas.
de bassins de verdamping. Gemengd Palet kiest voor variatie die door mensen zelf kan worden gecreëerd. Dit zal waarschijnlijk tot betrokken burgers leiden. De verscheidenheid aan landschapsbeelden met energie zal groot worden en er is flexibiliteit in hoe dit tot stand komt. Dit kan ook leiden tot verschillen in waardering voor de landschappen die het resultaat zijn.
De droogmakerijen kunnen plaats bieden aan efficiënte zonneparken in wat grotere dichtheden dan op veen. Tussen de landbouwvelden verschijnen ook conventionele zonneparken op land met voldoende lichttoetreding voor een levende bodem. Daarnaast komen er drijvende zonneparken. In dit perspectief is water namelijk een beperkende factor. De veengebieden met extensieve landbouw en waterinfiltratiesystemen (WIS) hebben meer water nodig in warme periodes. De droogmakerijen hebben water nodig voor de doorspoeling van zilt water in de sloten. En als gevolg van klimaatverandering komen er vaker periodes waarin er onvoldoende water in de Rijntakken zit om alle functies van water voorzien. Om dit te ondervangen stellen we voor om drijvende zonneparken op grote waterbassins te ontwikkelen. Deze bakken met drijvende panelen van tussen de 100 en 200 hectaren vormen dan een waterbuffer met fluctuerende waterstanden. De panelen beperken in 31
32
33
Perspectief 2 - Gemengd Palet
34
Droogmakerij
35
Van oeverwal naar veenweide
36
Corridor
37
Perspectief 3
‘Sterke Randen aan het Groene Hart’ Sterke randen aan het Groene Hart’ kiest voor steden en droogmakerijen. Opwekking van elektriciteit vindt vooral plaats langs de steden aan de randen van het Groene Hart. Op korte afstand van de stad is het economisch aantrekkelijk om veel
Aan de randen van steden komen dan groene energielandgoederen of -parken die een combinatie vormen van zonneparken, windmolens en nieuwe bossen waarin mensen kunnen recreëren. Inspiratie zit bij de energietuinen die lokale natuur- en milieufederaties op enkele plekken in Nederland in recente jaren organiseren. Naast gemengde energieparken komen er intensieve, grootschalige energieparken langs stadsranden waar de recreatiebehoefte minder groot is, bijvoorbeeld langs industriegebieden.
energie op te wekken, omdat er dan geen uitgebreide kabelnetwerken voor nodig zijn. Veel energie wordt immers in de stad gebruikt. Daarnaast zorgt dit ervoor dat er op grote afstand van de stad gebieden blijven zonder energieopwekking en landschapstransformatie.
De ruimte dichtbij de stad is beperkt. Om toch in de energiebehoefte te kunnen voorzien, stellen we dan ook voor om zonne- en windenergie te ontwikkelen in de droogmakerijen, in combinatie met veehouderij en akkerbouw. Daardoor maken de droogmakerijen in dit scenario de grootste transformatie door; ze vormen het zwaartepunt van energieopwekking. Door de combinatie van zon en wind kan er efficiënt met kabels en stationscapaciteit (cable pooling) worden omgegaan.
en zonneparken niet alleen beeldbepalend zijn. In het landschap kan hier harde techniek met goed ontworpen beplanting worden verzacht. Eerder is beschreven dat veel droogmakerijen ontstonden nadat het veen onder de voeten uit werd gehaald ter verbruik in de stad. Daarna werd het landschap opnieuw vormgegeven. In deze traditie probeert Sterke Randen vorm te geven aan nieuwe energiepolders waarin ook natuurlijke processen ruimte krijgen. Een combinatie van landbouw met hernieuwbare energie binnen stevig beplante kamers, refereert ook aan de historie van deze polders. Sterke randen kiest voor concentraties nabij steden en in droogmakerijen. Goede landschapsinrichting moet zorgen voor landschappen waar mensen zich thuis kunnen voelen en -vooral bij de steden- waar ze kunnen ontspannen buiten de drukte van de stad. Er is efficiëntie in het netwerk mogelijk. Midden in het Groene Hart blijven oude veenweidelandschappen bestaan.
De grote technische verandering van het landschap wordt in dit scenario gecombineerd met aanplant van boomrijen, bos en andere vegetatie. Door dit op grote schaal te doen ontstaan er op wegen en bij dorpen aantrekkelijke gebieden waarin de windturbines 38
39
40
Perspectief 3 - Sterke Randen
41
Droogmakerij
42
Van oeverwal naar veenweide
43
Corridor
44
Stadsrand
PM goede locatieaanduiding
45
5. Vergelijking tussen de scenario’s Duurzaamheid: CO2 en water
Alle perspectieven beogen een duurzame omgang met bodem en water. Toch zijn de verschillen groot. » Perspectief Robuuste Polders is het meest toekomstbestendig wat betreft de reductie van de CO₂-uitstoot en wat betreft mogelijkheden voor aanzienlijke CO₂opslag. Ook op gebied van waterbeheer is het de beste optie. Door het waterbeheer natuurlijker en grootschaliger te regelen, nemen kwetsbaarheden en kunstmatige verschillen tussen grondwaterpeilen af. Ook voorziet dit scenario in integrale oplossingen zoals de opslag van water, zoals dat elders in concepten als ‘klimaatbuffers’ is beschreven. De droogmakerijen kunnen bovendien enigszins meeprofiteren van de verminderde waterbehoefte in de veenweiden. Mogelijk blijft er zelfs water over. » In perspectief Gemengd Palet zal geen CO₂ worden opgeslagen, maar vermindert de uitstoot wel. Dit scenario biedt weliswaar mogelijkheden om het waterbeheer te verduurzamen, maar naar verwachting neemt in dit scenario de vraag naar water toe. Op lange termijn kan er een omkering in reliëf ontstaan: natte natuurlijke delen komen hoger te liggen dan stukken polder met een
lager waterpeil en snellere bodemdaling. Als dit veelvuldig in kleine gebieden gebeurt, vergroot dit de kwetsbaarheid van de waterhuishouding. Met een investering in kunstmatige bassins met drijvende panelen kan er balans ontstaan in de waterhuishouding. » Perspectief Stevige Randen biedt geen mogelijkheden voor de reductie van CO₂uitstoot, of voor CO₂-opslag. Er is amper een relatie tussen energie en water. Los van de energieontwikkeling kan er gestuurd worden op hogere grondwaterpeilen en ander bodembeheer. De concentratie van energieopwekking in de droogmakerijen leidt tot een verkleining van het landbouwareaal hier, hetgeen zorgt voor een kleinere watervraag.
Effecten op de landbouw en economie Voor alle perspectieven geldt als uitgangspunt de trend dat jaarlijks 3 procent van de boeren in Nederland stopt. Met de huidige ontwikkelingen is dat waarschijnlijk een onderschatting. Immers het recente Nationaal Programma Landelijk Gebied gaat ervan uit dat er in natte veenweidegebieden geen intensieve landbouw meer gaat plaatsvinden. Toch, als we de historische trend volgen, resteert in 2050 nog 40 procent van de huidige boerenbedrijven die gemiddeld veel groter worden. Wat leren de perspectieven over hetgeen er in het kader van de energietransitie zou kunnen gebeuren? » In perspectief Robuuste Polders ontstaat in enkele veengebieden een grote afname van landbouw. Plaatselijk kan op hogere gronden nog extensief worden geboerd. Deze transformatie kan worden verantwoord door de grote duurzaamheidsbaten. Bovendien ontstaat er een nieuw perspectief waarvoor huidige grondeigenaren mogelijk ontwikkelingsrechten krijgen als het gaat om wonen in linten, recreatie, toerisme of zorgboerderijen, te midden van besloten en bosrijke dwaallandschappen. De capaciteit voor recreatie zal in bosrijke gebieden veel groter worden. Elders zal er meer ruimte voor landbouw blijven, maar zorgen de hogere grondwaterpeilen wel voor beperkingen. 46
» In perspectief Gemengd Palet ontstaan er minder verschillen tussen gebieden en is er sprake van een algemene ontwikkeling, namelijk een combinatie van landbouw en energieopwekking die deels ook op nieuwe natte natuurgebieden plaats vindt. Er ontstaat een diffuus beeld met kleinere landbouwoppervlakten bij de bedrijven en tegelijkertijd kansen voor energieproductie door de boerenbedrijven hetgeen de bedrijfsvoering financieel kan ondersteunen. De economie blijft grotendeels agrarisch. » In perspectief Stevige Randen is er vanuit energie relatief weinig impact op de landbouw in de veenweidegebieden. Veranderingen die daar plaats gaan vinden zullen het gevolg zijn van aangepaste landbouwpraktijken en van waterbeheer. In Stevige Randen zal in een kring rond de steden, met een markt voor nevenactiviteiten op agrarische bedrijven, een omvorming van landbouw naar energielandschappen plaatsvindt. Ook in de droogmakerijen wordt een flinke claim op de ruimte gelegd met zowel wind als zonne-energie. Boeren hier zullen vermoedelijk een inkomen kunnen halen uit energie. Denkbaar is dat er bundelingen van intensieve energieopwekking ontstaan nabij greenports als Aalsmeer, Bollenstreek en Boskoop
Wat mag CO2 opslag kosten?
Kosten en baten van het energiesysteem
Hoe verhoudt de opslag van CO₂ in de bodem en in bos zich tot andere manieren om met CO₂ om te gaan? Daartoe vergelijken we de CO₂ opslag in perspectief 1 met de opslag in oude gasvelden in de zeebodem, zoals in het Project Porthos geschiedt. Porthos benoemt als start en inrichtingskosten 500 miljoen euro. Hiervoor wordt jaarlijks 2,5 Megaton (= miljard kg) CO₂ opgeslagen. Ter vergelijking met de veenweiden: uitgaand van 50 km2 met CO₂ opslag van 5 kg/m2, wordt er jaarlijks 0,25 Megaton CO₂ opgeslagen. De inrichtingskosten zouden eveneens 500 miljoen euro bedragen, uitgaand van aankoop en aanleg voor €100.000 per hectare. De CO₂winst is dus kleiner dan bij opslag in een gasveld. Of andersom gesteld: de kosten per Megaton opgeslagen CO₂ zijn hoger. Daarentegen vindt er een transformatie plaats in landschappen met nieuwe economische perspectieven op gebied van wonen, recreatie en toerisme. Porthos wordt bovendien winstgevend gemaakt met behulp van de SDE++ subsidie, waardoor dit project de overheid uiteindelijk mogelijk 2 miljard kost. Als een dergelijke subsidie ook beschikbaar komt voor opslag in veenbodems, ontstaat er voor de veenlandschappen een aanvullend verdienmodel waarmee investeringen en hoogwaardig beheer kunnen worden gedekt. Zo’n verdienmodel zou ook kunnen ontstaan vanuit het emissiehandelssysteem ETS.
In alle perspectieven wordt ongeveer dezelfde hoeveelheid duurzame elektriciteit opgewekt. Alle perspectieven zorgen voor een toename in de elektriciteitsinfrastructuur. De locaties en vormen van deze duurzame opwekking verschilt echter per perspectief. Daarmee verschilt ook de impact op het toekomstige energiesysteem in het Groene Hart. » In perspectief Robuuste Polders zijn zonneen windenergie het meest geconcentreerd. Dit is een perspectief met alleen 5,6 MW turbines en met het grootste aandeel intensieve zonneparken. Door de concentratie van intensieve energieopwekking is er in dit perspectief sprake van een geconcentreerd en relatief zwaar netwerk. De veenwouden zoals rondom Zegveld liggen relatief ver van het huidige hoofspanningsnetwerk. Dit betekent dat er een nieuw (hoogspannings) netwerk richting het midden van het Groene Hart moet worden aangelegd dat weliswaar efficiënt kan worden gebruikt. » In perspectief Gemengd Palet is de energieopwekking het meest verspreid en zijn de meest extensieve energieopties aanwezig. Zo staan in dit perspectief zowel 5,6 MW als 1 MW turbines. De spreiding en meer extensieve vormen van energieopwekking 47
zorgen ervoor dat het energienetwerk meer verspreid en fijnmaziger moet zijn dan in de twee andere perspectieven. Deze fijnmazigheid geldt niet voor de concentratie van windturbines langs de bundels van infrastructuur en rivieren. Door de relatieve spreiding en extensievere vorm van energieopwekking zullen de kosten voor het creëren van dit energienetwerk waarschijnlijk het hoogst zijn. » In perspectief Stevige Randen vindt de energieproductie het dichtst bij de gebruiker plaats. Dit betekent dat in grote delen van het Groene Hart het energienetwerk relatief weinig hoeft te worden uitgebreid. Op een deel van de toekomstige locaties van energieopwekking is namelijk al veel energieinfrastructuur aanwezig, zoals rondom Utrecht-Breukelen, Gouda en Zoetermeer. Door de combinatie van zon en wind in de droogmakerijen kan er efficiënt met kabels en stationscapaciteit (bijvoorbeeld cable pooling) worden omgegaan. Meer informatie over mogelijke kostenverschillen voor het netwerk in verschillende scenario’s - die wel wat afwijken van de perspectieven in deze verkenning - is te vinden in de achtergrondstudie van Generation. Energy.
Beleving van de landschappen Voor de beleving van de perspectieven geldt dat energieopwekking in alle gevallen alom zichtbaar wordt. De wijze waarop dat wordt geïntegreerd in gebouwen en landschappen zal verschillen. Vermoedelijk is de kwaliteit hiervan een blijvend onderwerp voor discussie. » Perspectief Robuuste Polder zal een flinke regionale herinrichting vereisen die voor sommigen tot vervreemding leidt. Uiteindelijk zal hierdoor wel een samenhangend nieuw landschap ontstaan dat niet voortdurend hoeft te worden aangepast aan verschillende duurzaamheidsdoelen. In sociaal-cultureel opzicht is de verandering behoorlijk ingrijpend. Ook in cultuurhistorisch opzicht vindt er een verandering plaats. Er ontstaan duidelijke verschillen tussen deelgebieden met uiteenlopende grondsoorten in het Groene Hart. Vermoedelijk ontstaat er veel animo om in een van bosrijke gebieden te gaan wonen, vergelijkbaar met de omgeving van de Utrechtse Vechtplassen of de Wieden. Een bosrijk landschap kan meer mensen herbergen dan een open polderlandschap, zonder dat er drukte wordt ervaren. Voor automobilisten op de snelwegen zal het beeld van het Groene Hart subtiel veranderen met concentraties van windenergie op enige afstand in de voorheen wijdse polders.
» Perspectief Gemengd Palet gaat uit van geleidelijk veranderende landschappen die wisselend ervaren worden. Hier is sprake van veel lokaal initiatief dat tot fraaie energielandschappen kan leiden maar ook tot technische energieparken in het cultuurlandschap. Het scenario sluit aan bij het karakter van de huidige landschappen in die zin dat er nergens een functie op grote schaal zal wijken. Tegelijk verandert op veel plaatsen het landschapsbeeld. In de droogmakerijen zullen de drijvende zonneparken, achter kades van bassins, opvallen in het landschap. De diversiteit zal groot zijn. De fietser uit de Randstad zal op afstand van de stad veel energie zien, bijna overal in het landschap. De automobilist zal langs enkele snelwegen een hevige concentratie van windenergie ervaren. » In perspectief Sterke Randen zal het effect nabij de stad groot zijn. Veel energie komt in gebieden waar intensief gebruik wordt gemaakt van het buitengebied. Als dit goed gebeurt, zijn energielandgoederen denkbaar waarbij er turbines in het bos staan en boomrijke routes meanderen door velden met zonnepanelen. Hier zal de wandelaar uit de stad veel energie om zich heen zien, terwijl de fietser deze zone kan doorkruisen op weg naar een uitgestrekt ongerept deel 48
van het Groene Hart op afstand van de stad. De droogmakerijen krijgen een nieuwe identiteit doordat er veel energieopwekking komt, in combinatie met een zorgvuldige vergroening van het landschapsbeeld. Hier kan een polderkarakter ontstaan dat door de beplanting lijkt op de Beemster of op forse beplantingen uit Flevoland.
Uitvoering extreme toekomstbeelden Hoe dan? De drie perspectieven zullen geen van allen worden uitgevoerd. Ze dienen - als het goed is - voor de gesprekken die nodig zijn om in de nabije toekomst groene energieopwekking in het Groene Hart te realiseren. Dit neemt niet weg dat het doordenken van de uitvoering nuttig is. Zijn deze perspectieven wel haalbaar? Het vormgeven van nieuwe landschappen zullen sommige mensen als een schok ervaren. Ook als het gaat over 2050. Een al te grote overgang naar een nieuwe benadering van de energieopgave en van het landschap kan echter worden voorkomen door klein te beginnen en door te leren. Door het gesprek aan te gaan met bewoners en ze de mogelijkheid te geven om mee te denken over de verschillende manieren om de hoge duurzaamheidsdoelen te bereiken. Door te investeren in mogelijke meerwaarde voor burgers zoals toegankelijk natuurlijk en recreatief landschap of door korting op de energiekosten. En door te anticiperen op de omgang met de mensen die niet meewillen. Bijvoorbeeld door als overheid of ontwikkelaar te garanderen dat een huis desgewenst opgekocht wordt tegen een gegarandeerde prijs. Vervolgens zal de woning weer verkocht kunnen
worden1 als de verwachte landschappelijke kwaliteiten of economische voordelen worden gerealiseerd. Landschappelijk gezien wordt in alle grootschalige energieparken een vorm van begeleidend landschapsontwerp toegepast. Het meest zichtbaar is dat in de droogmakerijen wanneer daar windenergie wordt geplaatst. Dit gaat samen met de grootschalige aanplant van bomen en andere vegetatie langs wegen en aan dorpsranden. Hierdoor krijgen de polders een nieuw landschappelijk raamwerk en wordt de dominantie van windturbines in het landschap sterk verminderd. In mindere mate worden ook zonneparken van groene omlijstingen voorzien, afhankelijk van de plek. Dicht bij kernen en in ecologische verbindingen worden grote zonneparken aangevuld met een gelijk oppervlak aan openbare natuur. In agrarisch gebied gaat het om efficiënter en functioneler ruimtegebruik, en gaan we uit van basisnatuur onder de panelen met enige omlijsting van beplantingen. In deze studie gaan we overal ervan uit dat zonne-parken zodanig worden opgesteld dat er sprake blijft van levende bodem onder de panelen. Dat stelt grenzen aan de dichtheid van de zonnepark-opstelling.
1
Dit is in de gemeente Venlo in 2021 met succes ingevoerd in de kern Heierhoeve, in combinatie met participatie in de opbrengsten en met een leefbaarheidsfonds.
49
6. Conclusies Wat valt op in deze perspectieven en wat leren ze ons? 1.
Als we uitgaan van een hoge opgave voor energieopwekking, gaat het landschap sowieso ingrijpend veranderen. De vraag is: hoe dan? De urgentie is groot om hiervoor een hoogwaardige vorm te vinden, met ruimte voor kwaliteiten die we wensen in het Groene Hart.
2. Het valt op dat het adagium ‘bodem en water sturend’ tot zeer uiteenlopende uitkomsten en landschapsbeelden kan leiden. De variabelen zijn het grondwaterpeil, bodembeheer en grondgebruik (agrarisch, natuur of afwezig beheer), de schaal van het waterbeheer en het type en de schaalgrootte van de energieopwekking. 3. De droogmakerijen langs de noordrand van het Groene Hart komen in deze studie naar boven als geschikt voor energieopwekking. Hier kunnen functiecombinaties worden gemaakt met landbouw, water of natuur. 4. Zonne-energieopwekking heeft in meer of mindere mate effect op het bodemen watersysteem. Veengebieden en droogmakerijen hebben onderscheidende potenties. Op veenbodems past
bijvoorbeeld geen intensieve opwekking van zonne-energie. Op kleiige bodems van de droogmakerijen kan dit beter. Randvoorwaarde is dat er voldoende licht op de bodem komt om bodemleven te behouden. 5. De potentie voor CO₂-vastlegging door middel van veengroei en bos is groot. Doordat CO₂-vastlegging wereldwijd maar beperkt mogelijk is in veenbodems, is dit voor het Groene Hart extra relevant. Dit zou leiden tot een grote verandering van het landschap en het type natuur, met een beperkte rol voor landbouw en een toename van de biodiversiteit. Dit gaat goed samen met sommige typen energieopwekking zoals grootschalige windenergie. 6. Grootschalige openheid als landschapskarakteristiek speelt in de perspectieven een minder grote rol dan in het huidig beleid voor het Groene Hart. In landschappen waar gewandeld en gefietst wordt, kunnen juist kleinschalige landschapselementen bijdragen aan een aantrekkelijk landschap met menselijke maat, tussen de opstellingen van zonnepanelen of windturbines. (Fiets bijvoorbeeld eens door de beelden op
pagina 30 en 37). Buiten deze landschappen kan openheid worden gekoesterd. 7. Aquathermie kan een bijdrage leveren aan de warmtevoorziening in het Groene Hart. Dit kan in autarkische lokale voorzieningen en in grote wijkgerichte voorzieningen. De potentie voor warmtewinning is in het hele Groene Hart aanwezig. Voor de vormgeving van ruimtelijk onderscheidende perspectieven blijkt warmtewinning echter weinig verschil te maken. 8. Duurzame watervoorziening kan op verschillende manieren worden ingericht binnen de drie perspectieven. In ‘Robuuste Polders’ zal het Groene Hart meer een spons worden die water vasthoudt dan in ‘Gemengd Palet’, waarin de veengebieden meer wateraanvoer vereisen en waarin waterbassins met zonne-energie in de droogmakerijen zijn opgenomen om te voorkomen dat er een intensief beroep moet worden gedaan op wateraanvoer. ‘Stevige Randen’ is weinig onderscheidend voor dit thema. Energiewinning in de stadsrand zou gecombineerd kunnen worden met waterberging maar dat is in het perspectief nu niet opgenomen.