CConstaterende datMontfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Planregels Willeskop 77 en 77c

Raadsvergadering 12 februari 2024, gemeente MontfoortBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Willeskop 77 en 77c12.572 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Planregels Willeskop 77 en 77c NL.IMRO.0335.BPWilleskop77en77c-VG01

1

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan ‘Willeskop 77 en 77c´ met identificatienummer NL.IMRO.0335.BPWilleskop77en77c-VG01

1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanbouw/uitbouw een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw of deel van een gebouw dat door zijn verschijningsvorm een ondergeschikte bouwmassa vormt en eenzelfde gebruik kent als het hoofdgebouw, zoals erkers, toegangsportalen, (bij)keukens en woon- of slaapgedeelten van een woning. 1.4 aan huis gebonden beroep a. de uitoefening aan huis van een beroep of de beroepsmatige verlening van diensten aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen terrein; b. bedrijfsactiviteiten, voor zover die behoren tot categorie 1 van de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten; c. bedrijfsactiviteiten, die niet voorkomen in categorie 1 van de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, maar naar aard en invloed op omgeving hiermee gelijk kunnen worden gesteld. 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.7 agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van landbouwdieren; onder agrarische bedrijven worden tevens begrepen boomteeltbedrijven, fruitteeltbedrijven, sierteeltbedrijven en paardenhouderijen. 1.8 agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd een agrarisch bedrijf met een omvang van minder dan een halve arbeidskracht en dat valt onder de werkingssfeer van de Wet Milieubeheer.

2

1.9 agrarisch hulpgebouw een agrarisch bedrijfsgebouw, zoals een melkstal, veldschuur of schuilgelegenheid voor dieren, gesitueerd op afstand van het agrarisch bouwvlak en noodzakelijk voor de doelmatige exploitatie van de agrarische gronden ter plaatse. 1.10 agrarische bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, welke woning kennelijk slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming en het feitelijk gebruik van het gebouw of het terrein. 1.11 archeologische (verwachtings)waarde De aan een gebied toegekende waarde of verwachtingswaarde in verband met de in dat gebied aanwezige of aantoonbaar te verwachten archeologische sporen en vondsten. 1.12 ambachtelijk bedrijf a. een (producerend en/of verzorgend) bedrijf voor de uitoefening van ambachten, waarvoor een belangrijk deel in handwerkgoederen worden bewerkt, geïnstalleerd of hersteld, voornamelijk direct ten behoeve van de uiteindelijke gebruiker of verbruiker en welk wordt gekenmerkt door het geen hierna is vermeld onder b; b. een bedrijf waarvan de uitoefening plaatsheeft onder (één van) de volgende omstandigheden: 1.

het productieproces wordt grotendeels 'met de hand' of althans niet in hoofdzaak gemechaniseerd, geautomatiseerd of met behulp van werktuigen die door energiebronnen buiten de menselijke arbeidskracht worden aangedreven, uitgevoerd; 2. voor zover van laatstbedoelde werktuigen gebruik wordt gemaakt zijn deze als ondergeschikt te beschouwen aan de menselijke handvaardigheid. 1.13 bed & breakfast het bedrijfsmatig en op kleine schaal tegen betaling aanbieden van logies/overnachting in een daarvoor geschikte woning (hoofd- of bijgebouw) gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en kortdurend verblijf met ontbijtmogelijkheid. Deze voorziening is nadrukkelijk niet bedoeld voor het laten overnachten van tijdelijke arbeiders of seizoensarbeiders. 1.14 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.15 bebouwingspercentage het in het bestemmingsplan aangegeven percentage dat de grootte aangeeft van het deel van een bestemmingsvlak, bouwperceel of bouwvlak dat maximaal mag worden bebouwd. 1.16 bedrijfswoning een woning in of bij een bedrijf, die slechts bewoond mag worden door (het huishouden van) een persoon die werkzaam is bij het bedrijf.

3

1.17 beheerschuur een bouwwerk in de vorm van een op zichzelf staand, niet geschikt voor bewoning, bedoeld voor het opslaan van landbouwwerktuigen, landbewerkingsmiddelen en onderhoudsmateriaal noodzakelijk voor het beheer en onderhoud van een gebied met een recreatief gebruik. 1.18 bestaande bebouwing afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of de Wabo. 1.19 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.20 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.21 bijgebouw een vrijstaand, afzonderlijk van het hoofdgebouw in functioneel en bouwkundig opzicht te onderscheiden gebouw. 1.22 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.23 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.24 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.25 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel.

1.26 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.27 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

4

1.28 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. 1.29 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/ of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.30 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. 1.31 erf- of terreinafscheiding een gebouwde voorziening van enig materiaal bedoeld om een perceel of erf, of een deel daarvan af te scheiden, zoals een (tuin)muur, een (tuin)hek of een rasterwerk waarlangs beplanting groeit; een erf- of terreinafscheiding hoeft dus in principe niet alleen geplaatst te zijn op een perceelsgrens om als zodanig te worden opgevat. 1.32 erker een ondergeschikte uitbouw op de begane grond van de woning, die strekt ter vergroting van het woongenot. een erker is gelegen aan de verblijfsruimte (woonkamer of keuken).

Een erker heeft een beperkte diepte en is aan drie zijden geheel of gedeeltelijk voorzien van glas. 1.33 fruitteeltbedrijf een bedrijf dat is gericht op het telen van fruit. Het rechtstreeks leveren van geteeld fruit van het eigen bedrijf valt onder de normale bedrijfsvoering. 1.34 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.35 gebruiksgerichte paardenhouderij een paardenhouderij waar het rijden c.q. mennen met paarden, pony’s en of veulens primair gericht is op de ruiter/amazone/menner. 1.36 grondgebonden agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Afhankelijkheid van de grond kent hierbij de volgende aspecten: voedervoorziening, mestafzet of het bieden van een natuurlijk substraat voor plantaardige teelten. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. Melkveebedrijven en paardenhouderijen worden ook aangemerkt als een grondgebonden agrarisch bedrijf.

5

1.37 hobbymatige paardenhouderij Het kleinschalig houden van paarden waarbij tot een maximum van 5 paarden (hieronder veulens en pony's inbegrepen) wordt aangehouden voor eigen gebruik en vrijetijdsbesteding, zonder winstoogmerk. Wanneer sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (dit kan al het geval zijn bij 5 paarden) is geen sprake van een hobbymatige paardenhouderij. 1.38 intensieve veehouderij het bedrijfsmatig houden van dieren zonder dat het bedrijf hoeft te beschikken over grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren. De dieren worden in stallen of hokken gehouden. Waar in dit bestemmingsplan wordt gesproken over intensieve veehouderij wordt in principe gedoeld op het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders (waarvoor een milieuvergunning is verleend). De melkveehouderij en het houden van geiten worden niet als intensieve veehouderij beschouwd. 1.39 kinderdagverblijf De opvang van kinderen overdag, zonder de mogelijkheid tot overnachting en daaronder begrepen buitenschoolse opvang. 1.40 kuilopslag opslag van agrarische producten of veevoer afgedekt met zand of een ander materiaal. 1.41 kuilplaten verharding ten behoeve van kuilopslag.

1.42 longeercirkel ruimte in de vorm van een (niet overdekte) cirkel, waarin een paard onder begeleiding specifieke training gegeven kan worden. 1.43 (agrarisch) loonbedrijf een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht ter productie of levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven. 1.44 manege een recreatief bedrijf dat hoofdzakelijk op eigen terrein binnen of buiten een gebouw gelegenheid geeft tot het beoefenen van de paardensport waarbij de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het geven van instructie in één of meerdere disciplines aan derden met gebruik van paarden en/of pony’s in eigendom van het bedrijf of aan derden met eigen paarden en/ of pony’s en het bieden van huisvesting aan die paarden en/of pony’s, het organiseren van wedstrijden en evenementen en waarbij ondergeschikt hieraan horeca is toegestaan; 1.45 mantelzorg Het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. 1.46 mestbassin

6

een mestbassin als bedoeld in het Besluit mestbassins milieubeheer. 1.47 mestvergistingsinstallatie kleinschalige mestvergister waarbij de mest afkomstig is van één bedrijf. 1.48 nevenfunctie functie welke ondergeschikt is aan een hoofdfunctie, uit de hoofdfunctie dient minimaal 50% van de bedrijfsinkomsten te worden gegenereerd met dien verstande dat deze bepaling over bedrijfsinkomsten niet geldt voor nevenfuncties bij de bestemming Wonen. 1.49 nutsvoorzieningen Voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en gebouwen voor telecommunicatie. 1.50 ontsluitingsweg een weg die uitsluitend dient om toegang te geven tot percelen en niet is ontworpen voor doorgaand verkeer. 1.51 opslag opslag van goederen en tastbare producten die naar hun aard geen regelmatige verplaatsing behoeven, zonder dat deze een bewerking ondergaan. 1.52 opstelplaatsen parkeervoorzieningen ten behoeve van de op naastgelegen gronden gelegen woning. 1.53 paardenbak Een niet overdekte piste voorzien van een bewerkte/aangepaste bodem waar naast training en africhting van het paard eveneens toetsing van prestaties van de combinatie paard en ruiter in diverse disciplines kan plaatsvinden.

1.54 paardenhouderij een agrarisch (grondgebonden) bedrijf wat zich richt op het productie gericht en/of gebruiksgericht houden van paarden, pony’s en/of veulens, niet zijnde een manege. 1.55 paddock Een ruimte voorzien van een bewerkte/aangepaste (zand)bodem waar een of meerdere paarden ter ontspanning en naar eigen inzicht vrij kunnen bewegen. 1.56 paden voet- en fietspaden. 1.57 peil Voor gebouwen, waarvan de toegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

7

1.58 plattelandswoning Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die door een derde bewoond mag worden, en die niet worden beschermd tegen de milieugevolgen van het bijbehorende agrarische bedrijf. 1.59 productiegerichte paardenhouderij een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en / of verhandelen van paarden, pony’s en of veulens, zoals fok- en opfokbedrijven, de hengstenhouderijen, de paardenmelkerijen, de africhtingsstallen, de trainings- en sportstallen, de handelsstallen, stalhouderijen en spermawinstations. 1.60 recreatief medegebruik gebruik van gronden voor niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, ondergeschikt aan de hoofdfunctie van de gronden, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, kanoën, zwemmen en natuurobservatie. 1.61 silo een voorziening voor de een opslagplaats voor stort- of bulkgoederen in de vorm van poeders of korrelvormige producten zoals graan, veevoer, kunstmest, zand of grind. 1.62 theetuin gelegenheid voor het schenken van dranken zonder dat daarvoor een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet nodig is.

1.63 volwaardig agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf in de omvang van ten minste één arbeidskracht met een daarbij passende bedrijfsomvang en waarbij zicht is op continuïteit, bijvoorbeeld door bedrijfsopvolging, gedurende minimaal de komende tien jaar. 1.64 volwaardige paardenhouderij een paardenhouderij in de omvang van ten minste één arbeidskracht met een daarbij passende bedrijfsomvang en waarbij zicht is op continuïteit, bijvoorbeeld door bedrijfsopvolging, gedurende minimaal de komende tien jaar. 1.65 voorgevelrooilijn de denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van het hoofdgebouw op een perceel loopt tot aan de zijdelingse bouwperceelsgrenzen. 1.66 windmolen een bouwwerk ter opwekking van energie door benutting van windkracht, met uitzondering van bemalingsinstallaties ten behoeve van de waterhuishouding. 1.67 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

8

1.68 zoneiland een aaneengesloten oppervlakte zonnecollectoren.

9

Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2 de goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3 de inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.6 afstanden onderling Afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot erf scheidingen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.7 oppervlakte van een overkapping tussen de (neerwaarts geprojecteerde) buitenzijde van de afdekking van de overkapping. 2.8 de bouwhoogte van een windmolen Vanaf het peil tot aan de as van de windmolen.

10

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch - Rivierzone 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor Agrarisch - Rivierzone aangewezen gronden, zijn bestemd voor: a. Agrarische bedrijven in de vorm van; volwaardige veehouderijbedrijven, fruitteelt-, sierteelten tuinbouwbedrijven en volwaardige productiegerichte paardenhouderijen met bijbehorende voorzieningen; b. akkerbouwbedrijven en intensieve veehouderij, uitsluitend als nevenactiviteit; c. agrarisch (hobbymatig) grondgebruik; d. de verkoop van door het eigen bedrijf op het betreffende perceel geproduceerde producten; e. mestvergistingsinstallaties ten behoeve van de mest van het eigen bedrijf ; f.

windmolens;

g. agrarische bedrijfswoningen; h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - gebruiksgerichte paardenhouderij’ is tevens een gebruiksgerichte paardenhouderij toegestaan; i.

er plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak': tevens voor een paardenbak met de bijbehorende voorzieningen zoals longeercirkels en paardencarrousels, paddocks, stap- en trainingsmolens;

j.

ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' zijn de betreffende gronden tevens bestemd voor het behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden van gebouwen;

k. uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.5.3; l.

tuinen, erven en terreinen;

m. groenvoorzieningen; n. paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen; o. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. p. de in tabel 3.1 genoemde toegestane nevenfuncties met bijbehorend maximaal aantal m² aan bebouwing, die in gebruik mag worden genomen ten dienste van de nevenfunctie en – in voorkomende gevallen – het maximaal aantal m² dat in gebruik mag worden genomen voor de nevenfunctie: Tabel 3.1 Nevenfuncties die bij recht zijn toegestaan aard van de nevenfunctie Verkoop agrarische producten Mestvergisting/co-vergisting ten behoeve van de mest van derden Hoveniersbedrijf

maximaal oppervlak bebouwing 180m2 300m2

maximaal oppervlak voor gebruik

200m2

11

Opslag/stalling van niet agrarische goederen in bestaande bebouwing niet zijnde kassen Kano- roeiboot- of fietsenverhuur Kleinschalig kamperen Bed & breakfast Kampeerboerderij Kleinschalige horecagelegenheid Aan-huis-gebonden beroep Tentoonstellingsruimte: museum

300m2 100m2 100m2 200m2 200m2 100m2 50m2 300m2

3.000m2

waarbij geldt dat: q. de nevenfuncties zijn alleen toelaatbaar als deze functie(s) omliggende (agrarische) bedrijven niet belemmeren in hun bedrijfsvoering; r. de hier bedoelde nevenfuncties zijn alleen toegestaan bij wijze van neventak bij een hoofdtak anderszins.

3.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 3.2.1 Algemeen a. hoofdgebouwen, bijgebouwen en overkappingen alsmede mestbassins en mestvergistingsinstallaties mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; In aanvulling hierop mogen gebouwen ook worden gebouwd op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouw'; b. hoofdgebouwen en bijgebouwen dienen evenwijdig aan de kavelrichting te worden opgericht; c. nieuwbouw van hoofdgebouwen en bijgebouwen is niet toegestaan in geval de bestaande bebouwing gebruikt wordt ten behoeve van niet-agrarische functies; d. herbouw van gebouwen die zijn aangeduid met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' is uitsluitend toegestaan, mits: 1. het aantal woningen, zoals aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan, niet toeneemt; 2. de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw bij herbouw gehandhaafd blijft; e. ter plaatse van de aanduiding 'nokrichting' is uitsluitend de aangegeven nokrichting zoals verbeeld in bijlage 3 Kappenkaart toegestaan; f.

ter plaatse van de aanduiding 'kap' is uitsluitend de ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan bestaande kapvorm, dakhelling, bouwhoogte en nokrichting zoals verbeeld in bijlage 3 Kappenkaart toegestaan;

g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouw' geldt dat: 1. de aanwezige oppervlakte, goot- en bouwhoogte ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan gelden als maximaal toelaatbaar; 2. woningen niet zijn toegestaan.

12

h. er mogen geen gebouwen worden gerealiseerd voor het stallen van dieren in meer dan één bouwlaag. 3.2.2 Gebouwen a. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 6 m; b. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 12 m; c. de bouwhoogte van kassen bedraagt ten hoogste 5,5 m; d. de afstand van gebouwen ten opzichte van een watergang bedraagt ten minste 3 m; e. de afstand van gebouwen ten opzichte van een perceelsgrens bedraagt ten minste 3 m; f.

de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen per bedrijf ten behoeve van intensieve veehouderij als nevenactiviteit, bedraagt ten hoogste 2.000 m2;

g. de goot- respectievelijk bouwhoogte van een bed & breakfast bedraagt ten hoogste 3 m/5 m; 3.2.3 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij agrarische gebouwen a. bijgebouwen mogen uitsluitend achter de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw worden gebouwd; b. de goot- respectievelijk bouwhoogte van een vrijstaand bijgebouw bedraagt ten hoogste 3 m/5 m, met dien verstande dat bestaande hogere hoogtes mogen worden gehandhaafd; c. de goothoogte van een aanbouw, uitbouw of aangebouwd bijgebouw mag ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van de woning bedragen; de bouwhoogte mag ten hoogste 5 m bedragen; d. de inhoud en oppervlakte van een mestbassin bedraagt respectievelijk ten hoogste 2.500 m3 en 750 m2; e. de bouwhoogte van silo's bedraagt ten hoogste 15 m; f.

de bouwhoogte van hooibergen bedraagt ten hoogste 15 m;

3.2.4 Bedrijfswoningen a. binnen een bouwvlak is ten hoogste 1 agrarische bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' geen agrarische bedrijfswoningen mogen worden gebouwd; b. in afwijking van het bepaalde in dit lid onder a zijn ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' tevens de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan aanwezige, overige agrarische bedrijfswoningen toegestaan; c. de inhoud van een agrarische bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 650 m3, waarbij de inhoud van ondergrondse bouwwerken niet wordt meegeteld, met dien verstande dat, indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan de inhoud van een woning meer bedraagt dan 650 m3, de afwijkende inhoudsmaat wordt gezien als maximaal toelaatbaar; d. de afstand van agrarische bedrijfswoningen ten opzichte van een watergang bedraagt ten minste 3 m;

13

e. de afstand van agrarische bedrijfswoningen ten opzichte van een perceelsgrens bedraagt ten minste 3 m; f.

de goothoogte van een agrarische bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 4,5 m;

g. de bouwhoogte van een agrarische bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 8 m; h. dakkapellen op het dakvlak zijn aan de voorzijde van een gebouw toegestaan, met dien verstande dat: 1. de dakkapel voorzien is van een plat dak; 2. de hoogte ten hoogste 1,75 m bedraagt, gemeten vanaf de voet van de dakkapel; 3. de onderzijde zich ten minste 0,5 m en ten hoogste 1 m boven de dakvoet bevindt; 4. de bovenzijde zich ten minste 0,5 m onder de daknok bevindt; 5. de zijkanten zich ten minste 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak bevinden; 6. de gezamenlijke breedte van de dakkapellen niet meer dan 50% van het dakvlak aan de voorzijde beslaat. 3.2.5 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen a. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m; b. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 4 m; c. het gezamenlijk oppervlak van bijgebouwen, behorende bij agrarische bedrijfswoningen, bedraagt ten hoogste 50 m2. 3.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. de bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn nader aangegeven in Artikel 8 Algemene bouwregels; b. in aanvulling op het bepaalde onder a mag de hoogte van een hekwerk ten dienste van een paardenbak mag niet meer bedragen dan 1,8 m, met dien verstande dat dit hekwerk wordt uitgevoerd in natuurlijke materialen en kleuren; c.

in aanvulling op het bepaalde onder a mag de bouwhoogte van een mestbassin niet meer dan 7 m bedragen en mag de bouwhoogte van een mestvergistingsinstallatie niet meer dan 15 m bedragen; d. windmolens mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd met een maximum van 1 windmolen per bouwvlak en met dien verstande dat de bouwhoogte van een windmolen niet meer dan 20 m mag bedragen; 3.2.7 Zoneilanden Grondgebonden installaties voor de opwekking van zonne-energie zijn slechts toegestaan binnen agrarische bouwvlakken. 3.2.8 Nevenfuncties a. voor alle rechtstreeks op grond van het bepaalde in lid 3.1 of met afwijking op grond van het bepaalde in lid 3.6.5 en/of 3.6.6 toelaatbare nevenfuncties tezamen mag per perceel

14

maximaal 300 m² aan nieuwbouw binnen het bouwvlak worden gebouwd, mits eenzelfde oppervlakte aan bestaande bebouwing wordt gesloopt; b. het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor reclameborden en/of neonreclame ten behoeve van een nevenfunctie is niet toegestaan; hetzelfde geldt voor lichtmasten en lichtbakken.

3.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden', nadat de monumentencommissie om schriftelijk advies is gevraagd, nadere eisen stellen met betrekking tot de uitwendige hoofdvorm zoals deze wordt bepaald door goothoogte, nokrichting, dakvorm, dakhelling en gevelindeling teneinde te waarborgen dat de aan het pand eigen cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast, met dien verstande dat deze nadere eisen een doelmatige bedrijfsvoering niet onevenredig mogen belemmeren.

3.4 Afwijken van de bouwregels 3.4.1 Uitbreiding agrarisch bouwvlak Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.1 onder a voor het veranderen en vergroten van een agrarisch bouwvlak tot ten hoogste 1,5 ha, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is, met dien verstande dat: a. de bestaande bij het agrarisch bedrijf behorende bebouwing binnen de gewijzigde grenzen van het bouwvlak gelegen blijft; b. het bouwvlak met ten hoogste 10% mag worden vergroot; c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies vraagt bij een agrarische deskundige of: 1. sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is d. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, kan het bevoegd gezag schriftelijk advies inwinnen bij een landschapsdeskundige.

3.4.2 Verhogen goot- en bouwhoogte bedrijfsgebouw Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.2 onder a en b voor het verhogen van de goothoogte van het bedrijfsgebouw naar ten hoogste 8 m en de bouwhoogte naar ten hoogste 15 m, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is en met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast;

15

c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies in bij een agrarische deskundige met de vraag: 1. of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. of het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is. 3.4.3 Verkleinen bouwafstand Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.2 onder d en e voor de bouw van gebouwen op kortere afstand naar andere gebouwen of perceelsgrenzen, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is en met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a. alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies vraagt bij een agrarische deskundige met de vraag: 1. of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2.

of het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is. 3.4.4 Verruimen inhoud en bouwhoogte mestbassins Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.3 onder d voor het vergroten een mestbassin tot een inhoud van ten hoogste 4.500 m3, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is en met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a. alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies vraagt bij een agrarische deskundige met de vraag: 1. of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. of het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is.

16

3.4.5 Verhogen goot- en bouwhoogte bedrijfswoning Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.4 onder f en g voor het verhogen van de goot- en bouwhoogte van de agrarische bedrijfswoning naar respectievelijk ten hoogste 5,5 m en 9 m, met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast. 3.4.6 Tijdelijke woonruimte Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het toegestane aantal en de inhoud van woningen, ten behoeve van het realiseren van een tijdelijke zelfstandige woonruimte in een agrarische bedrijfswoning of andere woning, niet zijnde een recreatiewoning, of in een bijgebouw, indien daarvoor dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen worden gegeven, met dien verstande dat: a. de inhoud van de bedoelde woonruimte niet meer dan 250 m³ mag bedragen; b.

de goot- en bouwhoogte van de bedoelde woonruimte mogen niet meer bedragen dan die van de betreffende woning respectievelijk de maximale goot- en bouwhoogte van het betreffende bijgebouw; c. ingeval de bedoelde woonruimte in een van de woning vrijstaand gebouw wordt gebouwd, de afstand van dat bijgebouw tot de woning niet meer dan 20 m mag bedragen; d. het bouwen op een zodanige wijze dient te geschieden dat de extra zelfstandige woonruimte bij beëindiging van de tijdelijke huisvesting en bij intrekking van de afwijking ongedaan kan worden gemaakt; e. alvorens te beslissen op een verzoek om afwijking, wint het bevoegd gezag advies in bij een door hen aan te wijzen medisch adviseur; f.

het bevoegd gezag trekt de verleende omgevingsvergunning in, indien de bij het verlenen van de vrijstelling bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer nodig is;

g. De omgevingsvergunningen als bedoeld in dit artikel worden uitsluitend verleend indien de bebouwingskarakteristiek van de omgeving niet wordt aangetast en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt. 3.4.7 Nieuwbouw Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.1 onder b. voor het toestaan van het oprichten van gebouwen niet evenwijdig aan de kavelrichting, mits dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het landschap. Alvorens omgevingsvergunning wordt verleend kan het bevoegd gezag schriftelijk advies inwinnen bij een

17

landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast. De omgevingsvergunningen als bedoeld in dit artikel worden uitsluitend verleend indien de bebouwingskarakteristiek van de omgeving niet wordt aangetast en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt. 3.4.8 Wijziging dak Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.1 ten behoeve van een kapvorm, dakhelling, bouwhoogte en/of nokrichting afwijkend van de voorgeschreven kapvorm, dakhelling, bouwhoogte en/of nokrichting zoals verbeeld in bijlage 3 Kappenkaart mits dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de monumentale waarde van het pand. Alvorens omgevingsvergunning wordt verleend wordt de monumentencommissie gehoord met betrekking tot de vraag of de monumentale waarde niet onevenredig wordt aangetast. 3.4.9 Vergroting van een inpandige woning Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van de maximale inhoudsmaat van woningen, indien: a. het een woning betreft met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' en; b. het een woning betreft die onderdeel uitmaakt van een veel groter hoofdgebouw en de afmetingen van dit hoofdgebouw in geen enkel opzicht worden uitgebreid.

3.5 Specifieke gebruiksregels 3.5.1 Paardenbakken a. paardenbakken en andere aan paardensport gerelateerde voorzieningen, zoals longeercirkels, paardencarrousels, paddocks, stap- en trainingsmolens, zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan, met uitzondering van dergelijke paardenbakken en voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak'; b. de afstand van een paardenbak tot een naburige woning van derden bedraagt ten minste 50 m; c. een paardenbak dient landschappelijk te worden ingepast aan de hand van een door de landschapsdeskundige goedgekeurd beplantingsplan, met dien verstande dat afhankelijk van het landschapstype wel/geen groen kan worden aangelegd; d. buitenverlichting is toegestaan bij een paardenbak, met dien verstande dat: 1. de maximale hoogte van de lichtmasten is 6 meter; 2. maximaal 6 lichtmasten per paardenbak zijn toegestaan; 3. de masten worden direct aan of bij een paardenbak geplaatst; 4. maximaal 60 LUX/m2 gemeten 1 meter boven de bodem van de bak; 5. de lichtbundel wordt door middel van een afscherming gericht op de paardenbak; 6. de verlichting mag gebruikt worden van 7.00 uur 's ochtends tot 22.00 uur 's avonds;

18

e. ten hoogste 50 m² van alle aan-, uit- en bijgebouwen mag worden gebruikt ten dienste van het hobbymatig houden van paarden; f.

de afstand van een paardenbak ten dienste van de (semi)bedrijfsmatige paardenhouderij tot het bijbehorende bouwvlak bedraagt ten hoogste 50 m;

g. de oppervlakte van een paardenbak bedraagt ten hoogste 800 m2, met dien verstande dat, indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan de oppervlakte van een paardenbak meer bedraagt dan 800m2, de afwijkende oppervlaktemaat wordt gezien als maximaal toelaatbaar. 3.5.2 Overig a. ter plaatse van de aanduiding 'wonen' is uitsluitend het gebruik in de vorm van een agrarische bedrijfswoning toegestaan; b. de afstand van de gronden, alsmede de gebouwen, die in gebruik zijn ten behoeve van de fruitteelt, bedraagt ten opzichte van een woning van derden ten minste 50 m; c. kuilplaten en opslag van kuilvoer zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan; d. in afwijking van het bepaalde onder c zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kuilopslag' tevens kuilplaten en opslag van kuilvoer buiten het bouwvlak toegestaan. 3.5.3 Opslag a. opslag van goederen is - met uitzondering van de tijdelijke opslag van fruitkisten tijdens de fruitoogst - uitsluitend binnen bouwvlakken toegestaan; b. opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 m is niet toegestaan; c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'opslag' is de opslag van niet-agrarische goederen toegestaan, uitsluitend in bestaande schuren en tot een maximum van 1.100 m². 3.5.4 Nevenfuncties a.

aan-huis-gebonden beroep: in een woning en/of de bijbehorende bijgebouwen zijn een aanhuis-verbonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. de activiteiten mogen aan de woonfunctie geen afbreuk doen en dienen daaraan ondergeschikt te zijn in die zin dat de woonfunctie de primaire functie dient te blijven; dit betekent dat niet meer dan 50 m² van het vloeroppervlak van de woning of het bijgebouw ten behoeve van de activiteiten mag worden gebruikt; 2. de activiteiten mogen geen hinder opleveren voor de woonsituatie; 3. de activiteiten mogen zowel naar de aard als ten aanzien van de visuele aspecten ervan geen afbreuk doen aan het karakter van de woning en de woonomgeving; 4. de activiteiten mogen geen detailhandel en/of horeca betreffen, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

19

5. de activiteiten mogen geen nadelige invloed hebben op de normale verkeersafwikkeling en geen onevenredige parkeerdruk in het openbaar gebied veroorzaken; b. kleinschalige kamperen: het plaatsen van kampeermiddelen is toegestaan met inachtneming van het volgende: 1. kampeermiddelen mogen uitsluitend worden geplaatst in de periode 1 maart tot 1 november; 2. per kleinschalig kampeerterrein zijn maximaal 15 kampeermiddelen toegestaan, met dien verstande dat stacaravans niet zijn toegestaan en binnen het toegestane aantal kampeermiddelen maximaal 3 trekkershutten aanwezig mogen zijn met een maximale oppervlakte van 25 m² per trekkershut; 3. ten behoeve van kleinschalig kamperen mogen op het bouwvlak sanitaire voorzieningen worden gebouwd; c. voor de nevenfuncties is buitenopslag in geen geval toegestaan; d. een binnenrijbaan is voor africhtingsbedrijven voor paarden in geen geval toegestaan, óók niet binnen de bouwvlakken. 3.5.5 Paardenhouderij a. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – gebruiksgerichte paardenhouderij’ is een gebruiksgerichte paardenhouderij toegestaan met dien verstande dat; 1. enkel individueel lesgeven is toegestaan, waarbij geldt dat er per paardenbak aan maximaal één ruiter tegelijk les wordt gegeven; 2. derden mogen gebruik maken van de hippische voorzieningen; 3.

door het bedrijf zelf paarden aanwezig worden gehouden teneinde derden daarmee te laten rijden. 3.5.6 Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing a. Binnen 1 jaar na vaststelling van dit plan dient de landschappelijke inpassing te worden gerealiseerd conform het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 1. b. Het gebruiken en (doen) laten gebruiken van de gronden is alleen toegestaan wanneer de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels, duurzaam wordt beheerd en in stand wordt gehouden.

3.6 Afwijken van de gebruiksregels 3.6.1 Opslag bij gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.1 om in geval van vrijkomende bedrijfsgebouwen, niet zijnde het hoofdbedrijfsgebouw, bij gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging, het tijdelijk gebruik voor opslag ten behoeve van elders gevestigde nietagrarische bedrijven of caravanstalling toe te staan, met dien verstande dat: a. aan later ingediende aanvragen om agrarische bebouwing pas medewerking kan worden verleend nadat de voor niet-agrarische gebruik gebruikte opstallen weer voor agrarisch gebruik geschikt zijn gemaakt of zijn vervangen door een nieuw agrarisch bedrijfsgebouw;

20

b. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies vraagt bij een agrarische deskundige met de vraag: 1. of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. of het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is; c. indien een agrarisch gebouw, dat gebruikt wordt voor opslag, niet gebruikt kan worden voor hergebruik, kan medewerking worden verleend door het bevoegd gezag aan de aanvraag voor een omgevingsvergunning ten behoeve van nieuwe agrarische bebouwing onder de voorwaarde dat voorafgaand aan vergunningsverlening een agrarisch deskundige om advies gevraagd is. 3.6.2 Bedrijfsverplaatsing Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.1 door het aanwijzen van een nieuw bouwvlak ten behoeve van de verplaatsing van een elders in de gemeente gevestigde volwaardige veehouderij, fruitteelt-, sierteelt-, of tuinbouwbedrijf. 3.6.3 Spuitzones Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.5.3 onder b voor kleinere afstanden indien: a. een windhaag of een constructie met gelijkwaardige filterende werking wordt gerealiseerd met een minimale hoogte van 2,5 m dan wel; b.

op een andere wijze wordt aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat voor derden bijvoorbeeld omdat sprake is van nieuwe technieken waardoor drift van gewasbeschermingsmiddelen effectief afgeschermd kan worden. Voor het toepassen van de afwijkingsmogelijkheid dient advies ingewonnen te worden bij een milieudeskundige. 3.6.4 Nevenfuncties Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van het toestaan van de in tabel 3.2 genoemde nevenfuncties, met inachtneming van de tabel en de volgende voorwaarden: Tabel 3.2. aard van de nevenfunctie

maximaal oppervlak bebouwing

Loonbedrijven

300 m2

Veehandelsbedrijven (met veetransport)

200 m2

Overige bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten

200 m2

Kinderboerderij

300 m2

maximaal oppervlak voor gebruik

21

Paardenstalling/-houderij

300 m2

Dierenpension: hondenfokkerij

200 m2

Zorgboerderij

300 m2

Boerengolf

200 m2

2 ha

Poldersport

200 m2

2 ha

Deltavliegen/paragliden

200 m2

2 ha

danwel nevenfuncties die naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met genoemde nevenfuncties

200 m2

Voor de hier bedoelde nevenfuncties kan het bevoegd gezag omgevingsvergunning ter afwijking verlenen, waarbij de volgende zaken in de belangenafweging worden betrokken danwel zijn de volgende voorwaarden van toepassing: a. Algemeen: 1. de hier bedoelde functies zijn alleen toegestaan bij wijze van neventak bij een hoofdtak anderszins; 2. de belangen van landschap, natuur en cultuurhistorie, waarbij uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met de mate van kwetsbaarheid van het betrokken gebied en de ligging van het betrokken perceel, mede ten opzichte van zowel natuurgebied als bebouwde kom; 3. de wenselijkheid van de betrokken nevenfunctie, ook ter versterking van het economisch draagvlak in het plangebied; 4. de aard en omvang van de nevenfunctie; 5. de milieutechnische inpasbaarheid van de nevenfunctie, mede in relatie tot de mogelijke beperkingen voor (agrarische) bedrijven en de gevolgen voor omliggende woningen; b. Bedrijven: met betrekking tot de toelaatbaarheid van bedrijven uit de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten geldt dat tevens zijn toegestaan: 1.

bedrijven in maximaal één categorie hoger, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op specifieke werkwijze en getoetst aan de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot de ingevolge tabel 1 algemeen toelaatbare categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; 2. bedrijven die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, indien en voor zover het betrokken bedrijf geen inrichting is als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder en naar aard en invloed op de omgeving (gelet op specifieke werkwijze)

22

geacht kan worden te behoren tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;

c. Parkeergelegenheid: 1. er dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid; d. Kinderboerderij: 1. de nevenfunctie kinderboerderij is binnen dit bestemmingsplan Buitengebied 2012 uitsluitend toegestaan binnen een afstand van 500 m, gerekend vanaf de plangrens van de bestemmingsplannen voor de kernen Montfoort en Linschoten; e. het bepaalde in lid 3.2.8 en lid 3.5.4 blijft van toepassing.

3.6.5 Bed & breakfast Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 met betrekking tot het maximaal toelaatbare oppervlak voor een bed & breakfast. Een maximaal toelaatbare oppervlakte van 300 m² is toegestaan indien: a. de voorziening wordt gerealiseerd in een monument of beeldbepalend pand; b. sprake is van een gebouw dat een bouwkundige eenheid vormt; c. de te realiseren voorziening mede dient tot instandhouding van het gebouw; d. het bepaalde in lid 3.2.8 en lid 3.5.4 blijft van toepassing. 3.6.6 Kuilplaten Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5.2 met betrekking tot het gebruik van gronden voor kuilplaten en kuilopslag, met dien verstande dat: a. kuilplaten en kuilopslag aansluitend aan het bouwvlak moeten worden gerealiseerd; b. kuilplaten en kuilopslag noodzakelijk zijn voor de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse; c. de kuilplaten en kuilopslag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het landschap.

3.6.7 Recreatief medegebruik Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan en recreatief medegebruik van gronden toestaan, met dien verstande dat: a. het gebruik uitsluitend is toegestaan indien hierover overeenstemming met de grondeigenaren is bereikt; b. het recreatieve medegebruik niet leidt tot een onevenredige belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. 3.6.8. Paardenbakken

23

Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.5.1 onder b voor de afstand van een paardenbak tot een woning van derden van tenminste 30 m, met dien verstande dat: 1. de paardenbak niet intensief wordt gebruikt; 2. er qua milieuhinder geen belemmeringen optreden. 3.6.9 Gebruiksgerichte paardenhouderij Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.1 en de vestiging van een volwaardige gebruiksgerichte paardenhouderij op een bestaand agrarisch bouwperceel toestaan, met dien verstande dat: a. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden en van het woon- en leefklimaat van bestemmingen en functies in de omgeving; b. er geen onevenredige afbreuk plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; c. dit niet leidt tot een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking; d. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, het bevoegd gezag schriftelijk advies in kan winnen bij een agrarisch deskundige.

3.6.10 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden op of in de gronden als genoemd in artikel 4.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen van drainage ten behoeve van een paardenbak en paddock. b. Het verbod als bedoeld in dit lid onder a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; 2. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning. c. De werken of werkzaamheden als bedoeld in dit lid onder a zijn slechts toelaatbaar, d. indien: 1. de aanleg van drainage in combinatie met de bakvulling van een paardenbak en paddock niet leidt tot afvoer van schadelijke stoffen richting het afvoerwater en/of tot wateroverlast.

3.7 Wijzigingsbevoegdheid 3.7.1 Wijziging ten behoeve van vergroten agrarisch bouwvlak a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten aanzien van het vergroten van een bouwvlak, indien dit in verband met een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling noodzakelijk is, met dien verstande dat: 1. de vergroting is afgestemd op de voorgenomen bedrijfsuitbreiding;

24

2. de bestaande bij het agrarisch bedrijf behorende bebouwing binnen de gewijzigde grenzen van het bouwvlak gelegen blijft; 3. het grondoppervlak van het bouwvlak ten hoogste 1,5 ha bedraagt; 4. de uitbreiding van het bouwvlak voorzien is van een landschappelijk inpassingsplan; b. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies in bij een agrarisch deskundige en - indien wenselijk - een landschapsdeskundige. 3.7.2 Wijziging ten behoeve van opwekken duurzame energie a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten aanzien van het vergroten van een bouwvlak ten behoeve van het opwekken van duurzame energie, met dien verstande dat: 1. de bestaande bij het agrarisch bedrijf behorende bebouwing binnen de gewijzigde grenzen van het bouwvlak gelegen blijft; 2. het grondoppervlak van het bouwvlak ten hoogste 1,5 ha bedraagt. b. Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, kan het bevoegd gezag schriftelijk advies inwinnen bij een landschapsdeskundige.

3.7.3 Wijziging ten behoeve van fruitteeltbedrijven Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door aan gronden binnen de bestemming een bouwvlak kunnen toe kennen, ten behoeve van de verplaatsing van een ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan bestaand volwaardig fruitteeltbedrijf dat elders in de gemeente is gevestigd, indien deze verplaatsing noodzakelijk is in verband met de doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling dan wel om milieutechnische redenen. Bij de agrarisch deskundige dient advies ingewonnen te worden of sprake is van een volwaardig fruitteeltbedrijf en of de verplaatsing noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. 3.7.4 Wijziging ten behoeve van een plattelandswoning Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de functie van een agrarische bedrijfswoning te wijzigen door toevoeging van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning' op de plankaart ten behoeve van een zogenaamde plattelandswoning voor bewoning van een agrarische bedrijfswoning door (het huishouden van) een persoon die geen functionele binding heeft met het binnen het (gekoppelde) bouwvlak gevestigde bedrijf, onder de voorwaarde dat: a. de betreffende agrarische bedrijfswoning afgesplitst is van het agrarisch bedrijf en niet meer als zodanig in gebruik is; b.

sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat uit oogpunt van luchtkwaliteit. 3.7.5 Wijziging ten behoeve van vervolgfuncties Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van de volgende vervolgactiviteiten:

25

Tabel 3.3. Wonen en/of hobbyboeren Agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd Agrarische loonbedrijven Veehandelsbedrijven (met veetransport) Africhtingsbedrijven voor paarden Hoveniersbedrijf Opslag/stalling van niet-agrarische goederen in bestaande bebouwing, niet zijnde kassen Bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten Kinderboerderij Maneges Paardenstalling Kampeerterrein Kampeerboerderij Hotel en/of restaurant Dierenpension: hondenfokkerij Tentoonstellingsruimte: museum Zorgboerderij Kinderdagverblijf danwel vervolgfuncties die naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met de genoemde vervolgfuncties Voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor de genoemde vervolgfuncties worden de volgende zaken in de belangenafweging betrokken danwel zijn de volgende voorwaarden van toepassing: a. Algemeen: 1. de belangen van landschap, natuur en cultuurhistorie, waarbij uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met de mate van kwetsbaarheid van het betrokken gebied en de ligging van het betrokken perceel, mede ten opzichte van zowel natuurgebied als bebouwde kom;

26

2. het belang van de waterhuishouding; 3. de wenselijkheid van zinvol gebruik van gebouwen en onbebouwde gronden, ook ter versterking van het economisch draagvlak in het plangebied; 4. de belangen van omliggende (agrarische) bedrijven; de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt; 5. de aard en omvang van de nieuwe functie, mede in relatie tot de omvang en de situering van de aanwezige bebouwing; 6. de behoefte de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied zoveel mogelijk te versterken, met name in relatie tot nieuwe niet-agrarische functies ter plaatse van agrarische bouwvlakken, onder meer door landschapsbouw en landschappelijke inpassing, sanering van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en stimulering van herstel/behoud van rijks- en gemeentelijke monumenten en MIP-panden en streekeigen karakteristieken; 7. voordat tot bestemmingswijziging over gegaan wordt, dient door middel van een mobiliteitstoets inzichtelijk gemaakt te zijn dat de bestemmingswijziging niet leidt tot een onevenredige belasting van het wegennet; b. Registratie: geen uitbreiding van bebouwing: 1. in het wijzigingsplan wordt bij wijze van bouwregel bepaald dat de gebouwen in geen enkel opzicht mogen worden uitgebreid, behoudens voor zover daarvoor ingevolge de navolgende regels van kan worden afgeweken; 2.

ter zake wordt een overeenkomst gesloten, voordat planwijziging wordt toegepast; 3. in het wijzigingsplan wordt door middel van een specifieke aanduiding aangegeven dat het een vervolgfunctie betreft op een voormalig agrarisch bouwvlak; c. Sloopregeling voor nieuwe functies: 1. met uitzondering van de historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of agrarische bedrijfswoning wordt de oppervlakte van de overige bedrijfsgebouwen gereduceerd met ten minste 50%, tenzij: ▪

het gaat om een nieuwe functie die voorziet in een kleinschalige woonzorgvoorziening en er geen nieuwe bebouwing wordt opgericht anders dan ter vervanging van bestaande bebouwing. Nieuwe bebouwing is alleen mogelijk wanneer de nieuwe bebouwing ruimtelijk aanvaardbaar is en deze noodzakelijk is voor een goede zorgverlening;

▪

het gaat om een nieuwe functie die bijdraagt aan recreatieve belevingsmogelijkheden waaraan in het gebied nadrukkelijk behoefte bestaat;

▪

het gaat om de hervestiging van één of enkele bedrijven die op hun oorspronkelijke locatie een ruimtelijk obstakel vormden of de kwaliteit van de leefomgeving ernstig aantasten en die op de nieuwe locatie, nabij de kern, goed inpasbaar zijn;

27

▪

het omringende landschap wordt hersteld, de recreatiemogelijkheden worden verbeterd of de waterhuishouding wordt verbeterd;

d. Wonen: 1. wijziging naar Wonen mag slechts tot stand komen op bouwvlakken waar ingevolge dit artikel woningen zijn toegestaan; het aantal woningen, zoals ingevolge dit artikel toegestaan, mag niet worden uitgebreid; van aanwezige woningen mag geen ander gebruik dan gebruik in combinatie met wonen worden gemaakt; 2. het wijzigingsplan kan voorzien in één extra woning in rijks- en gemeentelijke monumenten en MIP-panden indien hierdoor daadwerkelijk wordt bijgedragen aan herstel en/of behoud van deze panden; 3. het wijzigingsplan kan voorzien in vergroting van de maximale inhoudsmaat van woningen, indien het een woning betreft die onderdeel uitmaakt van een veel groter hoofdgebouw en de afmetingen van dit hoofdgebouw in geen enkel opzicht worden uitgebreid; e. Bedrijven: 1. het wijzigingsplan kan bedrijven toe laten in maximaal één categorie hoger, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op specifieke werkwijze en getoetst aan de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot de in de ingevolge tabel genoemde algemeen toelaatbare categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; 2.

het wijzigingsplan kan bedrijven toe laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, indien en voor zover het betrokken bedrijf geen inrichting is als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder en naar aard en invloed op de omgeving (gelet op specifieke werkwijze) geacht kan worden te behoren tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; f.

Kampeerterrein: 1. planwijziging ten behoeve van een kampeerterrein mag uitsluitend strekken ten behoeve van een kampeerterrein met niet-permanente standplaatsen; 2. bij de planwijziging kunnen ook gronden buiten het betreffende bouwvlak worden betrokken, waarbij deze gronden uitsluitend gebruikt mogen worden ten behoeve van niet-permanente standplaatsen; deze gronden dienen in beginsel direct aansluitend aan het bestaande bouwvlak gesitueerd te worden; 3. de oppervlakte van een kampeerterrein mag in totaal maximaal 2 ha bedragen;

g. Voorzieningen: 1. het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor reclameborden en/of neonreclame is niet toegestaan; hetzelfde geldt voor lichtmasten en lichtbakken; h. Buitenopslag: 1. voor de hier bedoelde functies is buitenopslag in geen geval toegestaan;

28

i.

Parkeergelegenheid: 1. er dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid;

j.

Agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd: 1. de oppervlakte van bedrijfsgebouwen ten dienste van het agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd mag ten hoogste 450 m² bedragen.

3.7.6 Vergroting van de bedrijfswoning Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de maximale inhoudsmaat van agrarische bedrijfswoningen te vergroten, met dien verstande dat: a. de inhoud niet meer dan 800 m3 mag bedragen; b. de grotere inhoud ter plaatse passend is binnen het landschap, hetgeen met een onderbouwing op basis van beeld- en landschapskwaliteit is aangetoond.

29

Artikel 4 Waarde - Archeologie - 3 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, primair bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings-)waarden, alsmede secundair voor de andere op deze gronden liggende bestemmingen.

4.2 Bouwregels Op de gronden die bestemd zijn als Waarde - Archeologie - 3 mogen slechts worden gebouwd bouwwerken krachtens de in 3.1 genoemde bestemmingen, mits de archeologische belangen zich daartegen niet verzetten. Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in 3.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Montfoort&id=e1ac5c0a-07fc-46e9-9fc7-f708c6fd8624