CConstaterende datMontfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota van zienswijzen en vooroverleg 0503

Raadsvergadering 3 juni 2024, gemeente MontfoortBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 20128.044 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota van zienswijzen en vooroverleg Behorende bij het ontwerpbestemmingsplan 2e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 NL.IMRO.0335.BP2eHerzBg-ON01 1. Inleiding Het ontwerpbestemmingsplan heeft zes weken ter inzage gelegen, van 19 december 2023 tot en met 29 januari 2024. Een ieder is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze kenbaar te maken op het ontwerpbestemmingsplan. De gemeente heeft belanghebbenden als volgt op de terinzagelegging geattendeerd: • Op 19 december 2023 heeft er een publicatie plaatsgevonden op de website van de gemeente Montfoort en op www.officielebekendmakingen.nl. Binnen de gestelde termijn hebben 10 partijen zienswijzen ingediend op het ontwerpbestemmingsplan: 1. Reclamant 1, zienswijze per post ontvangen op 29 januari 2024 (zienswijze gedateerd 27 januari 2024). 2. Reclamant 2, zienswijze per post ontvangen op 29 januari 2024 (zienswijze gedateerd 25 januari 2024). 3. Reclamant 3, zienswijze per post ontvangen op 29 januari 2024 (zienswijze gedateerd 28 januari 20241). 4. Reclamant 4, zienswijze per post ontvangen op 29 januari 2024 (zienswijze gedateerd 29 januari 2024). 5. Reclamant 5, zienswijze per post ontvangen op 29 januari 2024 (zienswijze gedateerd 24 januari 2024). 6. Reclamant 6, zienswijze per post ontvangen op 29 januari 2024 (zienswijze gedateerd 26 januari 2024). 7.

Reclamant 7 (Rijkswaterstaat), zienswijze per post ontvangen op 26 januari 2024 (zienswijze gedateerd 24 januari 2024). 8. Reclamant 8, zienswijze per post ontvangen op 24 januari 2024 (zienswijze gedateerd 23 januari 2024). 9. Reclamant 9, zienswijze per post ontvangen op 23 januari 2024 (zienswijze gedateerd 22 januari 2024). 10. Reclamant 10 (TenneT), zienswijze per post ontvangen op 23 januari 2024 (zienswijze gedateerd 19 januari 2024). De ontwerpbestemmingsplan is daarnaast toegestuurd aan: • Provincie Utrecht • Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden • Veiligheidsregio Utrecht • Werkgroep behoud Lopikerwaard • GGD regio Utrecht • Gasunie • Stedin • Rijkswaterstaat • Stichting Landgoed Linschoten

1 Reclamant 3 heeft de reactie als bezwaarschrift ingediend. Er stond echter tegen het

ontwerpbestemmingsplan geen bezwaar open; we beschouwen de reactie daarom als zienswijze. 1

Het ontwerpbestemmingsplan is naar dit grote aantal instanties toegestuurd, omdat het wettelijk vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening, niet voorafgaand aan de zienswijzenprocedure is gevoerd. De voornaamste reden hiervoor is dat de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking is getreden en dit bestemmingsplan voor die tijd in ontwerp ter inzage moest liggen. Wij hebben het eerste concept ontwerpbestemmingsplan in november 2023 ontvangen en konden de verschillende instanties dus onvoldoende tijd bieden om het plan van een reactie te voorzien. Daarom hebben we ervoor gekozen om het plan gelijktijdig met de zienswijzenprocedure rond te sturen naar deze instanties voor eventuele reacties. In het geval van dit ontwerpbestemmingsplan leek dit ons minder bezwaarlijk, omdat het plan een beperkte ruimtelijke impact heeft, is opgesteld in lijn met de Omgevingsverordening provincie Utrecht en een uitwerking is van de ‘Ruimtelijke kaders paardenhouderij’, waarop reeds reactiemogelijkheden zijn geboden. In hoofdstuk 2 van deze Nota worden de zienswijzen samengevat en wordt (per deelreactie) aangegeven in hoeverre dit al dan niet heeft geleid tot aanpassing van het ontwerpbesluit. Om te zorgen voor een volledige en overzichtelijke beantwoording hebben alle inhoudelijke punten in onderstaande tabel een eigen nummer gekregen.

Hierbij zijn per reclamant de zienswijzen met aanvullingen samengevoegd en is niet noodzakelijkerwijs dezelfde nummering gehanteerd als in de zienswijzen. We hebben daarnaast reacties ontvangen van de provincie en de Veiligheidsregio Utrecht. Deze worden besproken in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 van deze nota beschrijft de belangrijkste ambtshalve wijzigingen die zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. 2. Samenvatting zienswijzen Reclamant 1 Inhoud deelreactie 1 Reclamant 1 vraagt de gemeente in het bestemmingsplan op te nemen dat er paarden worden gehouden op de Willeskop 13b.

Beantwoording De regels in dit bestemmingsplan gelden voor alle bestaande en toekomstige paardenhouderijen in het plangebied, zowel de bedrijfsmatige als de hobbymatige. In het bestemmingsplan staat binnen welke bestemmingen dat mogelijk is. We gaan dus niet elke paardenhouderij afzonderlijk in dit bestemmingsplan regelen en noemen; dat is niet nodig. Binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch-Rivierzone’ is (onder voorwaarden) een bedrijfsmatige paardenhouderij toegestaan. Binnen de bestemmingen ‘Tuin’ en ‘Wonen’ is (onder voorwaarden) een hobbymatige paardenhouderij toegestaan. Dat een perceel niet wordt genoemd, betekent niet dat er geen paarden mogen worden gehouden. Op de verbeelding van dit bestemmingsplan zijn alleen paardenbakken zichtbaar waarvoor in het verleden al een functieaanduiding was opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Het gaat hier om paardenbakken die buiten een agrarisch bouwvlak zijn gerealiseerd. We gaan in de komende jaren, na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, controles houden bij paardenbakken en zullen daarbij onderzoeken of ze voldoen aan de (nieuwe) bestemmingsplanregels en of er een 2

omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. Onze inschatting is dat we voor de meeste bestaande paardenbakken en andere hippische voorzieningen alsnog een omgevingsvergunning kunnen verlenen. Wel zullen we voor het beoordelen van vergunningaanvragen advies inwinnen bij een landschapsdeskundige. In sommige gevallen zullen de bestaande voorzieningen niet (volledig) gelegaliseerd kunnen worden. Er is voor Willeskop 13b in 2021 een waarschuwingsbrief gestuurd waarin werd geconstateerd dat er hippische voorzieningen aanwezig zijn zonder de vereiste omgevingsvergunning. In de brief is ook geconstateerd dat een deel van de bouwwerken vermoedelijk gelegaliseerd kan worden en een deel niet. Er hebben daarna geen verdere handhavingsacties plaatsgevonden en er is ook geen omgevingsvergunning aangevraagd. We zullen na inwerkingtreding van het bestemmingsplan een controle houden op (onder meer) het perceel Willeskop 13b. Hierbij zullen we op basis van de nieuwe regels opnieuw beoordelen in hoeverre de bestaande bouwwerken kunnen worden gelegaliseerd.

Conclusie beantwoording reactie 1: In de bestemmingsplantoelichting wordt – zonder verwijzing naar specifieke locaties – verduidelijkt dat: • het niet de bedoeling is van dit bestemmingsplan om elke afzonderlijke paardenhouderij te regelen en te noemen, omdat de vernieuwde regels gelden voor alle bestaande en toekomstige paardenhouderijen in het plangebied; • op de verbeelding van dit bestemmingsplan alleen paardenbakken zijn opgenomen die al via een functieaanduiding zijn geregeld in het geldende bestemmingsplan; het gaat hier om paardenbakken die buiten een agrarisch bouwvlak zijn gerealiseerd; • we in de komende jaren, na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, controles zullen houden bij paardenbakken en daarbij zullen onderzoeken of ze voldoen aan de (nieuwe) bestemmingsplanregels en of er een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd; • burgemeester en wethouders bij het beoordelen van vergunningaanvragen advies zullen inwinnen bij een landschapsdeskundige. Reclamant 2 Inhoud deelreactie 1 Reclamant 2 vraagt de gemeente in het bestemmingplan op te nemen dat er paarden worden gehouden op Blokland 118.

Beantwoording De regels in dit bestemmingsplan gelden voor alle bestaande en toekomstige paardenhouderijen in het plangebied, zowel de bedrijfsmatige als de hobbymatige. In het bestemmingsplan staat binnen welke bestemmingen dat mogelijk is. We gaan dus niet elke paardenhouderij afzonderlijk in dit bestemmingsplan regelen en noemen; dat is niet nodig. 3

Op de verbeelding van dit bestemmingsplan zijn alleen paardenbakken zichtbaar waarvoor in het verleden al een functieaanduiding was opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Zo’n functieaanduiding is alleen nodig voor paardenbakken die buiten een agrarisch bouwvlak zijn gerealiseerd. Het perceel Blokland 118 heeft de bestemming ‘Agrarisch’. Binnen deze bestemming is een paardenhouderij toegestaan. Binnen het agrarische bouwvlak mag een paardenbak worden aangelegd met inachtneming van de regels voor afmetingen, lichtmasten en dergelijke die in het bestemmingsplan staan.

2

Reclamant 2 vraagt altijd windmolens van maximaal 30 meter hoog toe te staan; niet enkel in de vorm van een afwijkingsbevoegdheid. Redenen hiervoor zijn dat windmolens van 30 meter hoog veel meer energie opwekken en economisch rendabeler zijn. Ook is het voldoen aan de voorwaarden die worden gesteld in de afwijkingsbevoegdheid niet haalbaar, wegens de extra kosten.

Dat het perceel Blokland 118 niet wordt genoemd in het bestemmingsplan, betekent dus niet dat er geen paarden mogen worden gehouden. Uit lid 1 van artikel 5.3 Instructieregel kleine windturbine uit de Omgevingsverordening provincie Utrecht volgt dat een omgevingsplan regels kan bevatten die de realisatie van windturbines tot een ashoogte van 20 meter toestaan. In afwijking op lid 1 is een windturbine tot een ashoogte van 30 meter toegestaan als dat noodzakelijk is om te voldoen in eigen energiebehoefte van de bestaande bouwwerken. Dit moet per geval worden onderbouwd. Het standaard toestaan van windmolens met een ashoogte van maximaal 30 meter hoog kan dus niet, omdat wij daarmee tegen de provinciale omgevingsverordening in zouden gaan. De voorwaarden die zijn gesteld aan windmolens hoger dan 20 meter zijn niet onredelijk. Deze voorwaarden hoeven de windmolens niet duurder te maken, wel wordt er bij de aanvraag meer onderbouwing gevraagd. Ten eerste moet worden aangetoond dat de stroomleverantie (nagenoeg) geheel ten dienste van het agrarische bedrijf is. Ten tweede mag de bouw geen afbreuk doen aan het landschap.

Conclusie beantwoording reactie 2: Ten aanzien van het houden van paarden wordt in de bestemmingsplantoelichting – zonder verwijzing naar specifieke locaties – verduidelijkt dat: • het niet de bedoeling is van dit bestemmingsplan om elke afzonderlijke paardenhouderij te regelen en te benoemen, omdat de vernieuwde regels gelden voor alle bestaande en toekomstige paardenhouderijen in het plangebied; • op de verbeelding van dit bestemmingsplan alleen paardenbakken zijn opgenomen die al via een functieaanduiding zijn geregeld in het geldende bestemmingsplan; het gaat hier om paardenbakken die buiten een agrarisch bouwvlak zijn gerealiseerd;

4

• •

we in de komende jaren, na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, controles zullen houden bij paardenbakken en daarbij zullen onderzoeken of ze voldoen aan de (nieuwe) bestemmingsplanregels en of er een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd; burgemeester en wethouders bij het beoordelen van vergunningaanvragen advies zullen inwinnen bij een landschapsdeskundige.

Reclamant 3 Inhoud deelreactie 1 Reclamant 3 vraagt de gemeente de buitenbak en het feit dat er hobbymatig paarden en pony’s worden gehouden op Blokland 116 op te nemen in het bestemmingsplan.

Beantwoording De regels in dit bestemmingsplan gelden voor alle bestaande en toekomstige paardenhouderijen in het plangebied, zowel de bedrijfsmatige als de hobbymatige. In het bestemmingsplan staat binnen welke bestemmingen dat mogelijk is. We gaan dus niet elke paardenhouderij afzonderlijk in dit bestemmingsplan regelen en noemen; dat is niet nodig. Binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch-Rivierzone’ is (onder voorwaarden) een bedrijfsmatige paardenhouderij toegestaan. Binnen de bestemmingen ‘Tuin’ en ‘Wonen’ is (onder voorwaarden) een hobbymatige paardenhouderij toegestaan. Op de verbeelding van dit bestemmingsplan zijn alleen paardenbakken zichtbaar waarvoor in het verleden al een functieaanduiding was opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Zo’n functieaanduiding is alleen nodig voor paardenbakken die buiten een agrarisch bouwvlak zijn gerealiseerd. Het perceel Blokland 116 heeft de bestemming ‘Agrarisch’. Binnen deze bestemming is een paardenhouderij toegestaan. Binnen het agrarische bouwvlak mag een paardenbak worden aangelegd met inachtneming van de regels voor afmetingen, lichtmasten en dergelijke die in het bestemmingsplan staan. Dat het perceel Blokland 116 niet wordt genoemd in het bestemmingsplan, betekent dus niet dat er geen paarden mogen worden gehouden.

Conclusie beantwoording reactie 3: In de bestemmingsplantoelichting wordt – zonder verwijzing naar specifieke locaties – verduidelijkt dat: • het niet de bedoeling is van dit bestemmingsplan om elke afzonderlijke paardenhouderij te regelen en te benoemen, omdat de vernieuwde regels gelden voor alle bestaande en toekomstige paardenhouderijen in het plangebied; • op de verbeelding van dit bestemmingsplan alleen paardenbakken zijn opgenomen die al via een functieaanduiding zijn geregeld in het geldende bestemmingsplan; het gaat hier om paardenbakken die buiten een agrarisch bouwvlak zijn gerealiseerd; • we in de komende jaren, na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, controles zullen houden bij paardenbakken en daarbij zullen onderzoeken of ze voldoen aan de (nieuwe) bestemmingsplanregels en of er een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd;

5

•

burgemeester en wethouders bij het beoordelen van vergunningaanvragen advies zullen inwinnen bij een landschapsdeskundige.

Reclamant 4 Inhoud deelreactie 1 Er ontbreekt een goede analyse van nut en noodzaak specifiek voor de gemeente Montfoort t.a.v. de paardenhouderij in de gemeente.

Beantwoording Dit bestemmingsplan is een uitwerking van de Ruimtelijke kaders paardenhouderij, die de gemeenteraad in 2023 heeft vastgesteld. De doelen van deze Ruimtelijke kaders zijn: • Het landschappelijk karakter met de lintbebouwing zoveel mogelijk in stand te laten waarbij de zichtlijnen in stand blijven. • Verrommeling door paardenhouderijactiviteiten in het buitengebied tegen te gaan. • Het gemeentelijke beleid beter te laten aansluiten op de VNG-richtlijn ‘Paardenhouderij in het omgevingsrecht’. • Een uniform toetsingskader voor ruimtelijke ordening te hebben. Nut en noodzaak om verrommeling van het landschap te voorkomen zijn evident. Het is ook evident dat we een uniform, duidelijk en uitvoerbaar ruimtelijk toetsingskader nodig hebben. Bijvoorbeeld uit oogpunt van handhaving. Deze beleidsdoelen vergen geen diepgaand lokaal economisch onderzoek.

2

Sport- en recreatieactiviteiten met paarden worden toegestaan en dat past niet binnen een agrarische bestemming. Daarbij zal veelal bezoek ter plaatse komen en is er sprake van een ander gebruik en sfeer als op een gangbaar melkveehouderijbedrijf waar de nadruk ligt op het houden van vee en het telen van gewassen. Dit heeft zijn impact op een goede ruimtelijke ordening en op een goed woon- en leefklimaat op deze paardenhouderijen.

We hebben wel een globaal beeld van de situatie in Montfoort. Er is begin 2022 ten behoeve van een eerdere (niet vastgestelde) beleidsnotitie een quickscan gedaan waaruit bleek dat er binnen de bestemmingen Agrarisch en Agrarisch-Rivierzone 5 bedrijfsmatige paardenhouderijen aanwezig zijn. Bij 4 daarvan is er naast paardenfokkerij tevens sprake van een pensionstal en/of een handelsstal. Er zijn ongeveer 27 hobbymatige paardenhouderijen. De VNG-richtlijn pleit ervoor om de gebruiksgerichte paardenhouderij zoveel mogelijk gelijk te behandelen met agrarische bedrijven en productiegerichte paardenhouderij. Ook wordt in de VNGrichtlijn geconstateerd dat de hedendaagse paardenhouderij een mengvorm is van activiteiten. Het is volgens de richtlijn onmogelijk de mengvorm van de diverse verschijningsvormen trachten uit te sluiten en aansluiting te blijven zoeken bij uitsluitend de traditionele agrarische paardenhouderij. Bij een gebruiksgerichte paardenhouderij is er nog wel sprake van een agrarisch (grondgebonden) bedrijf dat past in een agrarische bestemming.

6

3

4

De criteria in de artikelen 3.6.7 en 4.6.9 (afwijkingsbevoegdheid voor gebruiksgerichte paardenhouderij) zijn niet uitgewerkt. Reclamant 4 maakt zich vooral zorgen over de voorwaarde onder a. Reclamant 4 voorziet namelijk dat door de bestemming van gebruiksgerichte paardenhouderij weldegelijk een onevenredige aantasting zal plaatsvinden van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen bedrijven, omdat er nietagrarische activiteiten worden toegestaan. Het lijkt erop dat er uitgegaan wordt van de geurnormen die gelden voor een agrarisch bedrijf. Deze kunnen niet worden toegepast, omdat het om sport en recreatie gaat, waarbij veel derden op het perceel komen. Reclamant stelt dat de VNG-brochure geen bindend uitgangspunt is en dat andere tussenwegen mogelijk zijn waarbij wel afbakening plaatsvindt en regie gehouden wordt. Reclamant wijst op het Bestemmingsplan Landelijk gebied van de gemeente Lopik dat vorig jaar is vastgesteld. Daarin wordt binnen de agrarische bestemming geen paardenhouderij toegestaan, tenzij daarvoor een functieaanduiding is opgenomen. Binnen de specifieke aanduiding ‘grondgebonden landbouw’ is alleen een paardenfokkerij toegestaan. Met een specifieke aanduidingen kan paardenpension en veehandelsbedrijf worden toegestaan. Als nevenactiviteit wordt een paardenstalling/-houderij toegestaan zonder binnenrijbaan.

Als bijlage zijn de artikelen 1.4, 1.71, 3.1, 3.5.2 en 16 van dit bestemmingsplan bijgevoegd. Een vergelijkbare wijze van bestemmen is opgenomen in het bestemmingsplan landelijke gebied van de gemeente Oudewater (BP LG Oudewater& Willeskop – 1e herziening).

7

Bij een manege of verenigingsaccommodatie is dat niet het geval; deze worden daarom niet toegestaan binnen een agrarische bestemming. Het bestemmingsplan biedt het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid om een gebruiksgerichte paardenhouderij als hoofdactiviteit toe te staan via een binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan. Hierdoor kan per locatie worden afgewogen of een gebruiksgerichte paardenhouderij als hoofdactiviteit passend is. We staan binnen gebruiksgerichte paardenhouderij geen activiteiten toe waarbij veel derden op het perceel komen. Groepslessen blijven alleen mogelijk binnen een manege of verenigingsaccommodatie. Een manege of verenigingsaccommodatie bestemmen we als sportbedrijf en staan we niet toe binnen de agrarische bestemming. Om dit te verduidelijken hebben we aan de artikelen 3.6.7 en 4.6.9 de bepaling toegevoegd dat enkel individueel lesgeven is toegestaan, waarbij geldt dat er per paardenbak aan maximaal één ruiter tegelijk les wordt gegeven.

Gemeenten hebben een grote mate van beleidsvrijheid in hun bestemmingsplannen. Gemeenten zijn inderdaad niet verplicht om de VNG-richtlijnen over te nemen. Ze zijn ook niet verplicht om dezelfde bestemmingsplanregels te hanteren als andere gemeenten. De gemeente Montfoort kiest ervoor om zoveel mogelijk de definities uit de VNG-richtlijnen te volgen. We merken hierbij overigens op dat de gemeente Oudewater paardenhouderij definieert als ‘een bedrijf dat uitsluitend is gericht op het houden, stallen of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden’. De gemeente Oudewater staat dus ook naast fokkerijen handelsstallen toe.

5

Er is niet c.q. onvoldoende onderzocht en in kaart gebracht wat de impact van deze uitbreiding zal zijn op woningen, agrarische bedrijven en de natuur (t.a.v. stikstof etc.) in het buitengebied. Er wordt gewezen op verrommeling van het buitengebied, echter dit is één aspect dat zeer zeker aan de orde is. Geluid, licht en parkeer- en verkeersproblematiek is ook aan de orde. Dit wordt bij de uitbreiding van productiegerichte paardenhouderij onvoldoende onderkend. Drukte en verrommeling zal toenemen, bijvoorbeeld omdat het mogelijk wordt om paardenbakken buiten het bouwvlak bij agrarische bouwvlakken toe te staan met hoge lichtmasten die tot 22 uur mogen branden.

6

7

Bij paardenhouderijen is een bedrijfswoning toegestaan. Ook dit zal impact hebben op naastgelegen agrarische bedrijven. De noodzaak om standaard een woning bij een paardenhouderij toe te staan, is echter niet aangetoond. Verder kaart reclamant 4 aan dat bij de gebruiksfuncties zoals een paardenpension, paardensportactiviteiten verblijfsruimtes zullen komen die mogelijk onder de bescherming van strenge geurregelgeving vallen met alle nadelige gevolgen van dien voor een naastgelegen agrarisch bedrijf. Er kan daarbij niet uitgegaan worden van een vaste afstand van 50 meter. Deze verblijfsruimtes (geurgevoelige objecten) zijn namelijk niet agrarisch gerelateerd en horen dan niet tot een veehouderij. Onder de defìnitie van een veehouderij zoals bepaald in voorheen artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij, wordt namelijk verstaan een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren. Dit betekent dat geurgevoelige objecten voor sport en recreatie mogelijk niet onder de uitzondering van artikel 3, tweede lid onder b Wet geurhinder en veehouderij vallen.

8

Dit bestemmingsplan staat alleen bedrijfsmatige of hobbymatige paardenhouderijen toe op locaties waar ze volgens het geldende bestemmingsplan al zijn toegestaan. Er vindt in dat opzicht geen uitbreiding plaats. Het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied biedt al de mogelijkheid om via een aanduiding paardenbakken en andere aan paardensport gerelateerde voorzieningen te realiseren buiten het bouwvlak. In het nieuwe bestemmingsplan is een restrictie toegevoegd, namelijk dat aanduidingen voor paardenbakken en bijbehorende voorzieningen alleen aangrenzend aan een agrarisch bouwvlak worden toegestaan, dus niet solitair in het landschap. Bij het oprichten of wijzigen van een paardenhouderij kan het nodig kan zijn om (door middel van een AERIUS-berekening) inzichtelijk te maken of stikstofdepositie kan optreden. Als dat het geval mocht zijn, dan is het noodzakelijk om een vergunning (Wnb) aan te vragen bij de provincie. De regeling voor agrarische bedrijfswoningen in het bestemmingsplan wordt niet gewijzigd. Het blijft zo dat er per agrarisch bouwperceel maximaal één bedrijfswoning wordt toegestaan. De bij een gebruiksgerichte paardenhouderij benodigde voorzieningen zijn grotendeels hetzelfde als die van een productgerichte paardenhouderij.

We maken met dit bestemmingsplan geen sport en recreatie mogelijk: maneges en verenigingsaccommodaties staan we namelijk niet toe binnen de agrarische bestemming. Er ontstaan geen verblijfsruimtes die onder de bescherming van strenge geurregelgeving vallen. Zoals onder punt 3 vermeld hebben we aan de artikelen 3.6.7 en 4.6.9 de bepaling toegevoegd dat enkel individueel lesgeven is toegestaan, waarbij geldt dat er per paardenbak aan maximaal één ruiter tegelijk les wordt gegeven. De regels voor bed & breakfast veranderen niet met deze bestemmingplanherziening. Nevenfuncties zijn alleen toelaatbaar zijn als deze functies omliggende (agrarische) bedrijven niet belemmeren in hun bedrijfsvoering. We zien dat in het ontwerpbestemmingsplan sommige bepalingen over bed & breakfast zijn voorzien

8

NB: onder de Omgevingswet is dit ook het geval: zie artikel 5.111 Besluit kwaliteit leefomgeving en de defÌnities van dierenverblijf en landbouwhuisdier opgenomen in Bijlage 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Omgevingsplan gemeente Monffoort, artikel 22. 100. Verder lijkt het erop dat als nevenfunctie een B&B wordt toegestaan op een perceel waar geen woning aanwezig is, bijvoorbeeld in een stal. Zie o.a. de artikelen 3.1 onder s en 3.6.3, 4.1 onder s en 4.6.5. Dat is onwenselijk. Dit alles zal nieuwe onverkwikkelijke overlast- en handhavingsdiscussies gaan geven. Productiegerichte paardenhouderij met o.a. handel wordt als hoofdfunctie toegevoegd. Daarmee wordt een wezenlijk ander gebruik geheel binnen de agrarische bestemmingen gebracht, namelijk sport-, recreatie- en handelsactiviteiten. Gesteld wordt dat maneges worden uitgezonderd omdat daarvan onwenseiijke drukte wordt verwacht. Echter, door alle varianten van paardenhouderij op een agrarisch perceel toe te staan, ontstaat per saldo een soortgelijk bedrijf als een manege met vergelijkbare drukte. Reclamant 4 ziet niet in waarom deze verruiming nodig is en ziet ook niet waarom dit aansluit bij het huidige gebruik. Het vigerende bestemmingsplan voorziet namelijk al voldoende in mogelijkheden voor nevenactiviteiten en kadert deze af binnen de agrarische bestemmingen.

Binnen de bestemming Agrarisch (artikel 3) is bijv. een paardenbak als specifieke aanduiding mogelijk (artikel 3.1 onder n) en als nevenfuncties is het africhten van paarden en paardenstalling/-houderij toegestaan tot een bepaalde oppervlakte. Ook is het als vervolgfunctie mogelijk een paardenstalling te bestemmen (artikel 3.7.5). Voor de bestemming Agrarisch-Rivierzone geldt naast gelijke bepalingen als voornoemd dat een paardenstalling ook als specifÌeke aanduiding bestemd kan worden (artikel 4.1 onder o). Het huidige bestemmingsplan voorziet derhalve in voldoende mogelijkheden om bepaald gebruik ook te bestemmen en houdt daarin regie. Dit n tegenstelling tot het voorgestelde beleid waarin alles wordt toegestaan met uitzondering van maneges. Het ontgaat reclamant 4 waarom nu gelijk voor alle agrarische percelen zo veel 9

van een gele arcering, hetgeen de indruk wekt dat deze bepalingen zijn gewijzigd. Dit is niet het geval; dit is gecorrrigeerd.

We vinden net als de VNG dat er geen goede redenen zijn om binnen een productiegerichte paardenhouderij wél fokkerijen toe te staan, maar niet andere op het voortbrengen van producten gerichte paardenhouderijen, zoals hengstenhouderijen, paardenmelkerijen, africhtingsstallen, handelsstallen etc. We willen de sector geen onnodige economische beperking opleggen en gaan daarom mee in de ruimere definitie uit de VNG-richtlijn. Deze verruiming gaat minder ver dan de zienswijze suggereert. Het bestemmingsplan staat binnen de agrarische bestemmingen handelsactiviteiten toe, maar geen sport en recreatie. De verkeersintensiteit bij een handelsstal is zeker niet zo hoog als bij een manege of verenigingsacommodatie. Een pensionstal was binnen de agrarische bestemming als nevenactiviteit reeds toegestaan. Dit blijft zo. Een verruiming is wel dat een pensionstal ook als hoofdactiviteit kan worden toegestaan via een aanduiding voor een gebruiksgerichte paardenhouderij op de plankaart of een omgevingsvergunning met binnenplanse afwijking. Daarbij wegen burgemeester en wethouders altijd de belangen af en kunnen ze ook specifieke voorschriften opleggen over de aard van de gebruiksgerichte paardenhouderij. Zo kan worden voorgeschreven dat alleen individuele instructie mag worden gegeven.

8

9

toegestaan zou moeten worden. Pensionstalling en paardenhandel en recreatie is een wezenlijk andere bestemming dan een agrarische bestemming. Dat dient niet allemaal mogelijk te worden gemaakt binnen alle bestaande agrarische percelen. Paardenhandel wordt als hoofdfunctie volledig toegestaan binnen agrarische bestemmingen. Op alle boerderijen kan dus een paardenhandel gestart worden. Het ontgaat reclamant 4 waarom dit voor paardenhandel wordt toegestaan, terwijl veehandel binnen de agrarische bestemmingen alleen als nevenfunctie of met een specifieke aanduiding is toegestaan. Waarom paardenhandel wel en veehandel niet volledig worden toegestaan, is onduidelijk. Er lijkt niet onderkend te worden wat de negatieve impact van een paardenhandel is op de omgeving. Paardenhandel geeft veel transportbewegingen en betekent een groot risico op de verspreiding van dierziektes. In de huidige paardenhandel worden veelal paarden aangekocht uit Spanje, Ierland, Roemenië etc. en via o.a. Marktplaats.nl worden deze paarden doorverkocht. Dieren in de omgeving worden dan ziek. Ook betekent paardenhandel een toename qua drukte aan verkeer, omdat de aan- en afvoer van dieren en het komen en gaan van (potentiële) klanten veel verkeer en geluid oplevert.

10

Handhaving zal niet meer aan de orde zijn omdat alles qua gebruik (paardenfokken, africhten, lesrijden, paardenhandel en pensionstalling) wordt toegestaan, met uitzondering van maneges.

11

Reclamant 4 ziet niet in waarom deze verruiming nodig is. Het vigerende bestemmingsplan voorziet al in voldoende mogelijkheden voor paardenhouderijen, in de vorm van nevenactiviteiten, vervolgfuncties en specifieke functieaanduidingen. Op deze manier kan de regie worden gehouden.

10

In tegenstelling tot de handel in vee en andere veesoorten worden paarden langer aangehouden en niet direct doorverkocht of naar de slacht gebracht. Een handelsstal doet veelal eerst aan waardevermeerdering voordat een paard weer doorverkocht wordt.

Dierziektes kunnen helaas bij elk soort veehouderij voorkomen. Voor paarden geldt dit wanneer ze in contact met elkaar komen of binnen een zelfde stalgebouw staan zonder goede luchtventilatie. Er zijn ons geen onderzoeken bekend waaruit blijkt dat paarden die niet met elkaar in contact komen toch ziektes overdragen. Met andere woorden, de kans dat dierziektes in de omgeving worden verspreid is bij een paardenhandelsstal niet groter dan bij een andere vee- of paardenhouderij. Binnen de agrarische bestemmingen is er nu al een variatie aan agrarische activiteiten toegestaan, waaronder bijvoorbeeld fruitteelt en sierteelt. Al deze activiteiten verschillen onderling enigszins qua verkeersprofiel. Er zijn ons geen onderzoeken bekend waaruit blijkt dat een paardenhandelsstal onevenredig veel meer verkeer veroorzaakt dan andere toegestane agrarische activiteiten. We willen onze beschikbare handhavingscapaciteit doelmatig inzetten, zodat we prioriteit kunnen geven aan overtredingen met ernstige ruimtelijke of maatschappelijke gevolgen. Het inzetten van handhavingscapaciteit op activiteiten die passen in landelijke VNG-richtlijnen voor paardenhouderij vinden wij een verkeerde besteding van gemeenschapsgeld. Het geldende bestemmingsplan bevat een aantal onnodige beperkingen die met deze herziening worden weggenomen. De gemeente kan met dit bestemmingsplan nog steeds de regie houden.

Voor gebruiksgerichte paardenhouderij is altijd een omgevingsvergunning nodig. En met de regels voor hippische bouwwerken kan de gemeente verrommeling van het buitengebied voorkomen.

12

Dit plan wordt vastgesteld enkel en alleen om van een handhavingsdossier af te komen op perceel Willeskop 77c.

Dit is onjuist. Dit bestemmingsplan heeft geen gevolgen voor het perceel Willeskop 77c, want dit perceel behoort niet tot het plangebied. Voor Willeskop 77 en 77c is een afzonderlijk bestemmingsplan vastgesteld.

Conclusie beantwoording reactie 4 De reactie leidt tot een aanpassing van de planregels. In de definitie van gebruiksgerichte paardenhouderij wordt vermeld dat enkel individueel lesgeven is toegestaan, waarbij geldt dat er per paardenbak aan maximaal één ruiter tegelijk les wordt gegeven. Daarnaast worden de arceringen in de planregels over bed & breakfast verwijderd, omdat deze arceringen ten onrechte de indruk wekken dat deze regels zijn veranderd. Reclamant 5 Inhoud deelreactie 1 Reclamant 5 vraagt altijd windmolens van maximaal 30 meter hoog toe te staan; niet enkel in de vorm van een afwijkingsbevoegdheid. Redenen hiervoor zijn dat windmolens van 30 meter hoog veel meer energie opwekken en economisch rendabeler zijn. Ook is het voldoen aan de voorwaarden die worden gesteld in de afwijkingsbevoegdheid niet haalbaar, wegens de extra kosten.

2

Het is vreemd dat een landgoed toestemming moet geven voor de bouw van kleine windmolens.

Beantwoording Uit lid 1 van artikel 5.3 Instructieregel kleine windturbine uit de Omgevingsverordening provincie Utrecht volgt dat een omgevingsplan regels kan bevatten die de realisatie van windturbines tot een ashoogte van 20 meter toestaan. In afwijking op lid 1 is een windturbine tot een ashoogte van 30 meter toegestaan als dat noodzakelijk is om te voldoen in eigen energiebehoefte van de bestaande bouwwerken. Dit moet per geval worden onderbouwd. Het standaard toestaan van windmolens met een ashoogte van maximaal 30 meter hoog kan dus niet, omdat wij daarmee tegen de provinciale omgevingsverordening in zouden gaan. De voorwaarden die zijn gesteld aan windmolens hoger dan 20 meter zijn niet onredelijk. Deze voorwaarden hoeven weinig extra te kosten, wel wordt er meer onderbouwing gevraagd. Ten eerste moet worden aangetoond dat de stroomleverantie (nagenoeg) geheel ten dienste van het agrarische bedrijf is. Ten tweede mag de bouw geen afbreuk doen aan het landschap. De Stichting Landgoed Linschoten heeft als doel het behouden van het landgoed in zijn landschappelijke context. Dat maakt het niet vreemd dat wij advies zullen inwinnen bij de stichting wanneer er een aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van een kleine windmolen ter plaatse van de dubbelbestemming Waarde – Landgoed wordt ingediend. Het gaat hierbij om advies en niet om toestemming.

Bovendien gaat het om een versoepeling van de regels. Kleine windmolens ter plaatse van de dubbelbestemming Waarde – Landgoed zijn in het geldende bestemmingsplan helemaal niet toegestaan.

Conclusie beantwoording reactie 5 De reactie leidt niet tot aanpassingen van het bestemmingsplan.

11

Reclamant 6 Inhoud deelreactie 1 Reclamant 6 vraagt de gemeente in het bestemmingplan op te nemen dat er paarden worden gehouden op Lindeboomsweg 5.

Beantwoording De regels in dit bestemmingsplan gelden voor alle bestaande en toekomstige paardenhouderijen in het plangebied, zowel de bedrijfsmatige als de hobbymatige. In het bestemmingsplan staat binnen welke bestemmingen dat mogelijk is. We gaan dus niet elke paardenhouderij afzonderlijk in dit bestemmingsplan regelen en noemen; dat is niet nodig. Binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch-Rivierzone’ is (onder voorwaarden) een bedrijfsmatige paardenhouderij toegestaan. Binnen de bestemmingen ‘Tuin’ en ‘Wonen’ is (onder voorwaarden) een hobbymatige paardenhouderij toegestaan. Dat een perceel niet wordt genoemd, betekent niet dat er geen paarden mogen worden gehouden. Op de verbeelding van dit bestemmingsplan zijn alleen paardenbakken zichtbaar waarvoor in het verleden al een functieaanduiding was opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Het gaat hier om paardenbakken die buiten een agrarisch bouwvlak zijn gerealiseerd. Voor Lindeboomsweg 5 geldt de bestemming Wonen. Het hobbymatig houden van paarden is toegestaan. De paardenbak van 20 x 40 meter past qua omvang en qua plek binnen zowel het geldende bestemmingsplan als het nieuwe bestemmingsplan. Er bevindt zich echter volgens de luchtfoto ook een paddock buiten en achter het bouwvlak.

We gaan in de komende jaren, na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, controles houden bij paardenbakken en andere hippische voorzieningen. We zullen daarbij onderzoeken of ze voldoen aan de (nieuwe) bestemmingsplanregels en of er een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. Hierbij zullen we ook beoordelen of de paddock kan worden gelegaliseerd.

Conclusie beantwoording reactie 6 In de bestemmingsplantoelichting wordt – zonder verwijzing naar specifieke locaties – verduidelijkt dat: • het niet de bedoeling is van dit bestemmingsplan om elke afzonderlijke paardenhouderij te regelen en te benoemen, omdat de vernieuwde regels gelden voor alle bestaande en toekomstige paardenhouderijen in het plangebied; • op de verbeelding van dit bestemmingsplan alleen paardenbakken zijn opgenomen die al via een functieaanduiding zijn geregeld in het geldende bestemmingsplan; het gaat hier om paardenbakken die buiten een agrarisch bouwvlak zijn gerealiseerd; • we in de komende jaren, na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, controles zullen houden bij paardenbakken en daarbij zullen onderzoeken of ze voldoen aan de (nieuwe) bestemmingsplanregels en of er een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd;

12

•

burgemeester en wethouders bij het beoordelen van vergunningaanvragen advies zullen inwinnen bij een landschapsdeskundige.

Reclamant 7 Inhoud deelreactie 1 Reclamant 7 vraagt de gemeente bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening te houden met de bepalingen uit de beleidsregel voor het plaatsen van windturbines in, op of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het rijk. Hierin wordt o.a. aangegeven dat langs rijkswegen plaatsing van windturbines toegestaan worden bij een afstand van ten minste 30m uit de rand van de verharding. Binnen 30m uit de rand van de verharding wordt plaatsing van wind turbines slechts toegestaan indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat er geen onaanvaardbaar verhoogd veiligheidsrisico bestaat.

Beantwoording We nemen deze zienswijze over door in de relevante planregels te verwijzen naar de beleidsregel.

Conclusie beantwoording reactie 7 In de planregels voor windturbines wordt opgenomen dat windmolens in de nabijheid van rijkswegen of waterkeringen dienen te voldoen aan de “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk”. Reclamant 8 Inhoud deelreactie 1 Reclamant 8 ervaart reeds overlast van een bestaande kleine windmolen met een tiphoogte van 20 m en maakt zich zorgen over toenemende overlast wanneer het bestemmingsplan nog hogere windmolens toestaat (namelijk met een ashoogte van 20m).

2

Reclamant 8 geeft aan dat het gebruik van de afwijkingsbevoegdheid (artikel 4.4.10) in hun geval onevenredige gevolgen zou hebben met betrekking tot de toenemende visuele hinder, geluidsoverlast en reflectie 13

Beantwoording Uit lid 1 van artikel 5.3 Instructieregel kleine windturbine uit de Omgevingsverordening provincie Utrecht volgt dat een omgevingsplan regels kan bevatten die de realisatie van windturbines tot een ashoogte van 20 meter toestaan. Er is voor gekozen om deze regel over te nemen in het bestemmingsplan, om bij te dragen aan de energietransitie en de toekomstbestendigheid van (agrarische) bedrijven. Ongeacht de hoogte van de kleine windmolen, moet deze voldoen aan de landelijke en gemeentelijke wet- en regelgeving. Dit houdt onder meer in dat, met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder, het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windmolen op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight mag bedragen. Tevens moet lichtschittering bij het opwekken van elektriciteit met een windmolen voorkomen of zoveel mogelijk beperkt worden door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen. We erkennen dat windmolens effect kunnen hebben op het woongenot. Er zijn echter, zeker in het buitengebied, meerdere belangen die een rol spelen. Zoals de agrarische bedrijfsbelangen en het belang van duurzame

door de zon. Tevens is een afstand van 100 meter tot de stiltegebieden te gering. Reclamant 8 begrijpt dat dergelijke wijzigingen eerst vergund moeten worden, waarbij de mogelijkheid van bezwaar maken aanwezig is, maar heeft geen enkel vertrouwen meer in de bescherming van hun woongenot.

energievoorziening. Met dit bestemmingsplan proberen we deze belangen met elkaar in evenwicht te brengen. In de planregels voor de afwijkingsbevoegdheid is o.a. opgenomen dat burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen ter beperking van visuele hinder, slagschaduw en geluidhinder. Dit geeft burgemeester en wethouders bijvoorbeeld de mogelijkheid om een andere situering te eisen die voor omwonenden minder hinderlijk is.

Conclusie beantwoording reactie 8 Deze reactie leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Reclamant 9 Inhoud deelreactie 1 Met het bestemmingsplan Buitengebied 2000 is de agrarische bestemming op het perceel IJsselveld 11 gewijzigd naar een woonbestemming. Dit is gedaan terwijl het agrarisch bedrijf nog actief was en reclamant 9 (bewoner IJsselveld 11) is hier nooit van op de hoogte gebracht. In de collegevergadering van 19 december 2017 is besproken dat de bestemming zou worden terug veranderd in agrarisch bij de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 (dat is voorliggend ontwerpbestemmingsplan). Reclamant 9 vraagt de gemeente in het bestemmingsplan de huidige woonbestemming terug te veranderen in een agrarische bestemming. In een gesprek op het gemeentehuis, waarin reclamant 9 zijn/ haar zienswijze kon toelichten, is duidelijk geworden dat reclamant 9 liever een extra woning zou willen bouwen op het perceel IJsselveld 11 (dan de woonbestemming terug te veranderen in een agrarische bestemming).

Beantwoording Het terug veranderen van het bestemmingsvlak Wonen in Agrarisch is lastig en bovendien niet zinvol, omdat: • Uit artikel 8.1 Instructieregel agrarisch bedrijf uit de Omgevingsverordening provincie Utrecht volgt dat omgevingsplannen geen regels mogen bevatten die voorzien in nieuwe agrarische bouwpercelen. • Reclamant 9 heeft aangegeven dat het agrarisch bedrijf inmiddels niet meer actief is. • Reclamant 9 voorlopig in de huidige woning op IJsselveld 11 wil blijven wonen. Op grond van het bestemmingsplan zijn enkel agrarische bedrijfswoningen (gedefinieerd als een woning in of bij een gebouw of op een terrein, welke woning kennelijk slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming en het feitelijk gebruik van het gebouw of het terrein) toegestaan. Op grond van het overgangsrecht kan reclamant 9 in de huidige woning blijven wonen, maar een extra woning kan niet worden gerealiseerd binnen het bestemmingsvlak Agrarisch. • Een woning binnen het bestemmingsvlak Wonen is meer waard dan een woning binnen het bestemmingsvlak Agrarisch. Daarom zullen wij de mogelijkheden voor de bouw van een extra woning uitzoeken. Gezien de doorlooptijd, behandelen wij deze vraag als zijnde een principeverzoek en zal het niet worden meegenomen in dit bestemmingsplan.

14

Conclusie beantwoording reactie 9 De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Reclamant 10 Inhoud deelreactie 1 De belangen van het landelijke hoogspanningsnet worden niet geborgd. Op basis van de “Handreiking risicozonering windturbines” dient er afstand te worden gehouden tussen het hoogspanningsnet en de windturbines. Dit om onveilige situaties als gevolg van een calamiteit te voorkomen en om te zorgen dat hoogspanningsverbindingen en -stations niet onevenredig worden benadeeld in hun functioneren.

2

3

Reclamant 10 vraagt de gemeente om onderstaande regels toe te voegen aan de artikelen 3.4.10, 4.4.10, 7.4.3, 10.4 onder d en 37.4: • Tussen windmolens (met een ashoogte van minder dan 20 meter) en bovengrondse hoogspanningsverbindingen dient een afstand te worden aangehouden die minimaal gelijk is aan of groter dan de maximale werpafstand bij 2x nominaal toerental; • Tussen windmolens (met een ashoogte van minder dan 20 meter) en ondergrondse hoogspanningsverbindingen dient een afstand van mimimaal 25 meter tot de belemmerde strook te worden aangehouden; • Voor overige windmolens dienen de afstanden uit de Handreiking risicozonering windturbines te worden aangehouden; • Het realiseren van windmolens binnen de bovenstaande afstanden is alleen mogelijk na overleg met de netbeheerder. Reclamant 10 verzoekt de gemeente de titel van artikel 27 ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ te veranderen in ‘Leiding – Bovengrondse hoogspanningsverbinding’. Een plan met een meervoudige- of dubbelbestemmingen is in beginsel aanvaardbaar, mits de onderlinge rangorde van de doeleinden of functies zijn aangegeven en mits ze geen tegenstrijdigheden bevatten. Naar mening van reclamant 10 is in dit plan geen onderlinge rangorde aangegeven. Daarom 15

Beantwoording We nemen de voorgestelde planregels inhoudelijk over, maar op een andere plek, namelijk in de artikelen 3.2.6, 4.2.6, 7.2.4 en 10.2. Daar horen deze planregels thuis, omdat het bouwregels betreft voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

We hebben besloten de titel niet te wijzigen. Het artikel geldt zowel voor boven- als ondergrondse hoogspanningsleidingen. Het vigerend bestemmingsplan stelt dat de voor Leiding – Hoogspanningsverbinding aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, primair bestemd zijn voor de aanleg en instandhouding van een hoogspanningsverbinding. Daarmee is er reeds sprake van volgordelijkheid.

4

verzoekt reclamant 10 een prioritering aan te brengen binnen de voorrangsbepalingen voor meervoudige- of dubbelbestemmingen. Hierbij stellen wij voor de dubbelbestemming Leiding — Bovengrondse hoogspanningsverbinding de hoogste prioriteit te geven. Reclamant 10 verzoekt de regels uit artikel 27.3 op de volgende wijze aan te passen: 27.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning aanleg werken de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren binnen de gronden als bedoeld in 27.1: 1. het aanbrengen en/of rooien van opgaande beplanting en bomen; 2. het wijzigen van maaiveld- of weghoogte niveau door ontgronding, ophoging of andere graafwerkzaamheden; 3. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van (reeds bestaande) watergangen, alsmede het verhogen of verlagen van het waterpeil; 4. het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen; 5. het aanleggen en/of slopen van bovengrondse opstallen, constructies, straatmeubilair, installaties of apparatuur anders dan ten dienste van deze in artikel 27.1 omschreven bestemming; 6. het aanleggen, verbreden, of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; 7. het aanleggen van zonneparken b. Het onder a. vervatte verbod geldt niet voor: 1.

werken en werkzaamheden van ondergeschikte betekenis binnen het op de bestemming gerichte normale onderhoud en beheer; 2. werken en werkzaamheden, die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn. c. De werken en werkzaamheden als bedoeld onder a. zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken en werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachte gevolgen, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig, betrouwbaar en duurzaam

16

We nemen de voorgestelde aanpassing van de planregels over.

functioneren van de betreffende hoogspanningsleiding. d. Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld onder a. is vooraf schriftelijk advies verkregen van de betreffende netbeheerder. Conclusie beantwoording reactie 10 De zienswijze wordt verwerkt in de planregels. De benaming van artikel 27 van de planregels blijft hetzelfde. 3. Vooroverleg We hebben op 29 januari jl. een vooroverlegreactie ontvangen van de provincie Utrecht. Deze wordt hieronder weergegeven en beantwoord. Provincie Utrecht Inhoud deelreactie 1 Een groot gedeelte van de gemeente Montfoort is gelegen binnen de Cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS) thema Agrarisch Cultuurlandschap subthema’s Linschoten en Lopikerwaard. De cultuurhistorische waarde van het Agrarisch cultuurlandschap ligt met name in: a. De aanwezige ontginningsstructuur en -richting; b. De structuur, maatvoering, kenmerken en karakter van de boerderijlinten; c. Het waterbeheersingssysteem; d. De openheid van het landschap.

Beantwoording In artikel 3.6.2 vierde lid, 3.6.7 tweede lid, artikel 4.6.3 vierde lid, artikel 4.6.9 tweede lid, artikel 21.5.1 derde lid en artikel 24.6.1 derde lid nemen we op dat er geen onevenredige inbreuk plaatsvindt op landschappelijke waarden, natuur en cultuurhistorie.

Het bestemmingsplan moet met deze aanwezige cultuurhistorische waarden rekening houden. Dit komt nog niet in alle regels even duidelijk naar voren.

2

T.a.v. verwerken ruimtelijke kaders voor paardenhouderij: Bij de artikelen die gaan over wijzigingen en nevenfuncties staat aangegeven dat er uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met de belangen van landschap, natuur en cultuurhistorie (zoals bij 3.6.3, 4.6.5., en 7.6.2.). Het is ook van belang de cultuurhistorische waarden als voorwaarde mee te nemen in overige artikelen m.b.t. afwijken van gestelde regels (o.a. 3.6.7, 4.6.9., 24.6.1.). T.a.v. windmolens: In 3.4.10 staat een afwijkingsmogelijkheid opgenomen onder de voorwaarde dat bij het plaatsen van een windmolen geen onevenredige afbreuk gedaan mag worden aan ter plaatse aanwezige zichtlijnen en andere landschappelijke waarden, ook van de aangrenzende gronden. Cultuurhistorische waarden zouden hier ook 17

In artikel 3.4.10 eerste lid onder b, artikel 4.4. 10 eerste lid onder b, artikel 7.4.3 eerste lid onder b en artikel 10.4 onder d sub 2 nemen we op dat er geen onevenredige inbreuk plaatsvindt op ter plaatse aanwezige zichtlijnen en andere landschappelijke waarden, natuur en cultuurhistorie, waaronder ook die van de aangrenzende gronden.

specifiek genoemd moeten worden. Zeker ook omdat deze waarden ook reden kunnen zijn om de molen buiten het bouwvlak te plaatsen. Andersom zou dit ook moeten gelden. Dit geldt ook voor 4.4.10, 7.4.3 en 10.4. Conclusie beantwoording vooroverlegreactie: De vooroverlegreactie is verwerkt in de planregels. Veiligheidsregio Utrecht Inhoud deelreactie 1 Het aspect externe veiligheid is onvoldoende meegenomen in de bouwregels voor kleine windmolens. Het plaatsen van kleine windmolens kan wat betreft de externe veiligheid risico’s met zich meebrengen. In geval van wegslingerende wieken of een omvallende windturbine kunnen risicobronnen en (beperkt) kwetsbare objecten geraakt worden. In geval van bijvoorbeeld een bovengrondse propaantank kan hierdoor de tank of de appendages beschadigd raken. Hierbij kan een fakkelbrand ontstaan of zelfs een explosie. De effecten van een fakkelbrand en een explosie kunnen tot op tientallen meters (dodelijke) slachtoffers, materiële schade en brand veroorzaken. Binnen het plangebied waarop dit ontwerpbestemmingsplan van toepassing is liggen verschillende risicobronnen voor het vervoer of de opslag van gevaarlijke stoffen, of het plangebied grenst hieraan.

Zoals de Rijksweg A12, provinciale wegen, een spoorweg, een hoogspanningsleiding, hogedruk aardgastransportleidingen, een gasontvangststation, vergunningsplichtige en meldingsplichtige propaantanks en dergelijke. De VRU adviseert om in de toelichting van het bestemmingsplan een paragraaf op te (laten) nemen waarin de externe veiligheid wordt beschreven. Van tevoren is het niet mogelijk om gebieden te toetsen aan de mogelijkheid om de bouw van een kleine windmolen al dan niet uit te sluiten. Dit hangt namelijk ook af van het type kleine windmolen. Deze toetsing moet ten tijde van een aanvraag voor een omgevingsvergunning gedaan worden.

Beantwoording Voorliggend bestemmingsplan betreft een partiële herziening van het vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied 2012. De onderwerpen uit deze herziening hebben een beperkte ruimtelijke impact. De bouwregels voor kleine windmolens zijn in overeenstemming gebracht met het provinciale beleid. We hebben in de plantoelichting dan ook geen nieuw onderzoek gedaan naar de gevolgen voor sectorale aspecten zoals externe veiligheid. De bestemmingsplantoelichting bevat om die reden geen aparte paragraaf over externe veiligheid. Overigens is de toelichting ook geen juridisch bindend onderdeel van het bestemmingsplan. Voor het oprichten van een windturbine moet naast een omgevingsvergunning voor het bouwen een melding worden gedaan voor de milieubelastende activiteit en moet daarbij worden aangetoond dat wordt voldaan aan de regels voor externe veiligheid in het Besluit activiteiten leefomgeving. Hiermee is gewaarborgd dat per situatie wordt getoetst aan externe veiligheid. We hebben bovendien aanvullende planregels opgenomen voor het plaatsen van windturbines in, op of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk en voor windturbines nabij hoogspanningsverbindingen. Zie ook de reactie op de zienswijzen van reclamanten 7 en 10.

De VRU adviseert om voor kleine windmolens afstandscriteria ten opzichte 18

van (beperkt) kwetsbare objecten, wegen, waterwegen, spoorwegen, buisleidingen, hoogspanningsleidingen en risicovolle inrichtingen op te nemen in de regels bij het bestemmingsplan. Voor deze afstanden kan de 'Handreiking Risicozonering Windturbines' van 21 januari 2020 van Rijkswaterstaat worden aangehouden of, indien deze gedurende de planperiode wordt gewijzigd, de meest recente normering, met dien verstande dat: 1. de afstand tot (hoofd)aardgastransportleidingen en hoogspanningsleidingen meer bedraagt dan de masthoogte + 1/3 wieklengte, tenzij de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand. 2. de afstand tot een hoogspanningsverbinding niet minder dan de maximale werpafstand bedraagt bij twee keer het maximale toerental van de kleine windturbine, tenzij de netbeheerder (TenneT) instemt met een kortere afstand. Voor bovengrondse propaantanks adviseert de VRU het afstandsadvies inzake hoogspanningsinfrastructuur uit de 'Handreiking Risicozonering Windturbines' van 21 januari 2020 van Rijkswaterstaat aan te houden en de daarop hierboven omschreven mogelijke afwijkingen. Het is dus wenselijk dat tijdens de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van een kleine windmolen bekeken wordt of er redenen zijn om op grond van externe veiligheid de omgevingsvergunning niet te verlenen of om voorwaarden te stellen.

Ik adviseer u om hierover advies in te winnen bij de Veiligheidsregio Utrecht. Conclusie beantwoording vooroverlegreactie: Er zijn aanvullende planregels opgenomen voor het plaatsen van windturbines in, op of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk en voor windturbines nabij hoogspanningsverbindingen. Dit in aanvulling op de toets aan externe veiligheid die plaatsvindt bij de melding die nodig is volgens het Besluit activiteiten leefomgeving. 4. Wijzigingen die ambtshalve zijn doorgevoerd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan Ambtshalve zijn, naast kleine redactionele correcties, de volgende inhoudelijke aanpassingen doorgevoerd.

19

Verbeelding: • De locatie Cattenbroekerdijk 34 is toegevoegd aan de verbeelding en onderdeel geworden van het plangebied. Hierbij is de verbeelding van het geldende bestemmingsplan ‘Cattenbroekerdijk 34 te Linschoten’ 1 op 1 overgenomen. • De locatie Heeswijk 109 en het plangebied van Park Rapijnen zijn uit het plangebied gehaald omdat hiervoor afzonderlijke bestemmingsplannen worden of zijn vastgesteld. Planregels: • Omdat de locatie Cattenbroekerdijk 34 is toegevoegd aan het plangebied, is in artikel 3.6 ook de voorwaardelijke verplichting uit het geldende bestemmingsplan ‘Cattenbroekerdijk 34 te Linschoten’ overgenomen, die inhoudt dat een ringslootbosje en overige nieuwe beplanting moet worden gerealiseerd en in stand gehouden volgens het inpassingsplan; dit inpassingsplan is opgenomen in bijlage 4. • Verwijzingen naar het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn geschrapt of aangepast, omdat dit Activiteitenbesluit sinds 1 januari jl. niet meer geldt. • In artikel 37.4 is opgenomen dat bij windmolens op gronden met de bestemming ‘Waarde – Landgoed’ moet worden aangetoond dat de windmolen aan alle relevante wet- en regelgeving voldoet, zoals het Tijdelijk deel Omgevingsplan Montfoort, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en indien van toepassing de “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk”.

• Aan artikel 41 (Algemene gebruiksregels) is een vierde lid toegevoegd dat luidt: 41.4 Stallen van dieren Gebouwen mogen niet worden gebruikte voor het stallen van dieren in meer dan één bouwlaag. Plantoelichting: • In hoofdstuk 1.1. is toegelicht dat een gebruiksregel is opgenomen die het stallen van dieren in meer dan één bouwlaag verbiedt en dat Cattenbroekerdijk 34 is toegevoegd aan het plangebied. • In hoofdstuk 1.2 is vermeld dat Heeswijk 109 en Park Rapijnen geen deel meer uitmaken van het plangebied. • In hoofdstuk 2.1.2 werd in het ontwerpbestemmingsplan verwezen naar een niet meer bestaande paardenbak bij Blokland 58. De paardenbak behoorde echter bij Blokland 60. Dit is gecorrigeerd. • In hoofdstuk 2.2.2. is verduidelijkt dat de afwijkingsbevoegdheid voor het verhogen van de bouwhoogte en de afwijkingsbevoegdheid voor het bouwen van een windmolen buiten het bouwvlak kunnen worden gecombineerd.

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Montfoort&id=01c2ca13-e3fe-4265-aa6a-5e60bcb85499